Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 21


auteur: [tijdschrift] Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde


bron: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 21. E.J. Brill, Leiden 1902  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 1]

Sjappetouwer.

Dit zelfst. nw. dat - naast een ww. sjappetouwen - sedert den derden druk (1881) in de Woordenlijst van De Vries en Te Winkel te vinden is, wordt (voorzooveel ik heb kunnen nagaan) het eerst met eene beschrijving der beteekenis aangetroffen in het werkje van Dr. Opprel, Het Dialect van Oud-Beierland en sedert ook in den, onder den titel van Groot Woordenboek der Nederlandsche Taal verschijnenden, herdruk van Van Dale's Woordenboek. De beteekenissen daar opgegeven zijn, in het eerstgenoemde werkje: losbol, doordraaier, lichtmis in het andere boek: straatslijper waarvan iedereen last heeft, gemeene kerel, doordraaier; de herdruk van Van Dale vermeldt óók sjappie (‘gemeene kerel, lichtmis, doordraaier’), dat ongetwijfeld gehouden moet worden voor den verkleinvorm van sjap, eene gebruikelijke afkorting van sjappetouwer. Dit sjappie heeft vervolgens, naar ik denk, weer aanleiding gegeven tot het ontstaan van sjappietouwer, dat men veel hoort zeggen en dat zij die het gebruiken schijnen te houden - ten onrechte, als blijken zal - voor den waren, oorspronkelijken vorm van het woord. Het ww. sjappetouwen, dat ik - zoo overbekend als mij sjappetouwer, sjap en sjappie zijn - nooit heb hooren gebruiken, vind ik in het ‘Groot Woordenboek’ verklaard als: straatslijpen, lanterfanten, rinkelrooien; bewijsplaatsen uit oudere of jongere schrijvers heb ik er niet voor kunnen vinden. Wel heb ik onder de bouwstoffen voor het Woordenboek der Nederlandsche Taal, geheel tegen verwachting, sappetouwer aangetroffen, met het toevoegsel (Leiden) en de omschrijving: ‘een arm man, zonder eigenlijk ambacht, die zoowat knutselt om aan den kost te komen.’ - Hoe die nog al verschillende beteekenissen toch wel met elkander te rijmen zijn zal straks hoop ik blijken.

Sjappetouwer, sjap, sjappie zouden in de tegenwoordige meest gangbare opvatting van ‘onbeschaafde kerel’ enz. (zie beneden)

[p. 2]

ongetwijfeld in voldoende hoeveelheid te vinden zijn in de geschriften van auteurs als F. Coenen Jr., Brandt van Doorne, Heyermans; misschien ook zelfs bij Couperus wel. Ik heb er nergens naar gezocht, maar vond toevallig het woord bijzonder dikwijls gebezigd in de brieven van Thorn Prikker1) en dat wel, volgens 't getuigenis van dien schrijver zelf, als een equivalent van den Franschen argot-term ‘pignouf’.2) Het is mij in dit opstel echter minder te doen om de hedendaagsche vormen en beteekenissen van dit woord zeer volledig of volmaakt helder te behandelen; ik wensch voornamelijk 1o. te doen zien dat de grondvorm er van voor ongeveer 150 jaren reeds bij ons voorkomt, en 2o. aan te wijzen waar hoogstwaarschijnlijk de oorsprong moet gezocht worden.

De oudste plaatsen zijn (tot nog toe) te vinden in het tooneelspel van Alewijn, Jan Los of den bedroogen Oostindiesvaar (Amsterdam, 1721), de geschiedenis van een uit de Oost teruggekeerd zeeman die zich, in het tooneel waaraan de eerstvolgende aanhaling ontleend is, met zijn ‘kist’ op een kruiwagen van boord laat rijden. Van die ‘kist’ zegt hij (blz. 36):

 
.... z' is met armosynen
 
Thee boei, en zoo wat porcelynen
 
Tot aan het deksel, dicht gelaên.

(tot een der kruiers):

 
Ho, maatje, 't moest al raar toegaan,
 
Wanneer men in geen negen jaaren
 
Een enkel kistje zou vergaaren,
 
Dan was de kool het zop niet waard,
 
En 'k had de drommel van de vaard.
 
Neen, neen, wij Sabbetouwers leeven
 
Niet op zijn hondsfots [niet schriel]; want wij reeven
 
Niet licht, noch strijken ons besaan!
[p. 3]

Eenige tooneelen verder (blz. 50) zegt dezelfde persoon, als hem beleedigende woorden naar 't hoofd worden gegooid: ‘Dat kan geen Sabbetouwer lijen!’ - Jan Los, de thuisgevaren matroos noemt zich en zijn standgenooten dus: sabbetouwer, sabbetouwers. Uit het verband blijkt niet, dat met dien naam veel anders bedoeld wordt dan zeebonk; integendeel de plaatsen geven alle reden tot de meening dat in die dagen sabbetouwer een generieke benaming moet geweest zijn voor: matroos van de groote vaart, ‘Oostinjevaar’, terwijl van die benaming de oorspronkelijke beteekenis: ruwe klant, rouwe gast (zie straks hieronder) reeds geheel vergeten was of nauwelijks meer werd gevoeld.

Als eene benaming voor matrozen, en wel bepaaldelijk matrozen van de O.-I. vloot, lieden dus als Jan Los, vindt men sjappetou en sjappetouwer voorts meer dan eens gebezigd in een, te Amsterdam in 1773 (?) gedrukt, (straat)liederenbundeltje dat den titel draagt van Kleyn Jans Konkelpotje1). Daar leest men, op blz. 33, in een Beklag Lied van een bedroefde Oost-Indies Vaar, die al zijn geld had verzopen, het volgende:

 
't Was al ik beminje: mijn hartje mijn vriend,
 
Komt gy uyt Oostinje, Seg maer wat u diend:
 
Gezoden, Gebraden, Wat dat u mankeerd,
 
Gij kunt u verzaden: Van 't geen gij begeert.
 
 
 
't Was al Sjappetoutje; Lief Oostinjesvaer;
 
Kiest mijn voor u Vrouwtje; Ik ben altijd klaer;
 
en u noyt verlaten (sic) maer trouw blijven bij;
 
Zoo lang als u platen; Duuren looft mijn vrij.
 
 
 
't Was al kom wat nader; Voegt u aen mijn zy;
 
Ag Oostindies Vader; Ik heb jou zo bly; (enz.)
[p. 4]

en op blz. 34 in 't zelfde Beklag Lied, op 't eind, bij wijze van moraal of les:

 
Sjaptou sappeteere, 't Is eerst voor jou poen
 
Daer na voor u kleren daerom zij het doen,
 
Dus toond u als helden; Tegen dit gebroed,
 
Want zy doene zelden, Ooyt of iemand goed.

Vervolgens op blz. 58, in het lied, getiteld: Den Verleyden, Verlegen en Bedrogen Oost-Indies Vaarder:

 
't Was al wellekom Heertje; gij stinkt na het teertje,
 
dat ruyk ik zo graeg, maer o droevige plaeg;
 
Een korten tijd hier naer, was 't weg foey verhaer,
 
Ik mag die teer niet ruyken, Foey wat stinkje raer.
 
 
 
Oorelof Sappetoutjes, Mijd dog zulke Vrouwtjes,
 
Van dat ligte slag, zo en hoefje niet ag
 
Als ik nu weer doe ... na Oost-Inje varen.

En eindelijk (blz. 67) in: Een nieuw Lied, gemaakt op het gelukkig arriveeren van de Oostindise Schepen:

 
Men haeld zijn hart dan op: met drinken en rinkinken,
 
Het zeyltje moet in top: Het Hoertje zoend, dat streeld en dat vlijd:
 
Het lieve Sjappetoutje: Tot zijn Geld is quyt.
 
 
 
Dan is 't adjeu monkeurtje: ... Gaet nu beschaert weer ander splind:
 
Passeer nog eens de Linie: En kom dan weer [mijn] Vrind.

Wat sabbetouwer, sappetou(wer) naast sjappetouwer betreft, daarin heeft men met geen wezenlijk verschil doch slechts met een onderscheid in spelling te doen; oudtijds schreef men immers ook souwen en sorren hoewel men evengoed als thans sjouwen en sjorren zei. S(j)appetou naast s(j)appetouwer zal aanstonds van zelf voldoende opheldering vinden.

 

Het denkbeeld dat wij in ons sjappetouwer enz. (mij toen nog alleen maar uit het hedendaagsche slang bekend) met een ‘Oosterling’ te doen konden hebben werd mij voor eenige jaren (ao. 1890) aan de hand gedaan door iemand die veel tusschen

[p. 5]

de keerkringen verkeerd had, en die in de klanken van dat woord eene Maleische uitdrukking meende te herkennen. Juist was ik in dien tijd met wijlen Professor P. Veth in briefwisseling over enkele artikelen voor den beraamden tweeden druk van diens Uit Oost en West, en derhalve deed ik hem mededeeling van deze gissing, welke - in hoofdzaak - bij hem instemming vond. Het woord sjappetouwer was, ondanks het voorkomen daarvan in de Woordenlijst, aan des Hoogleeraars aandacht ontgaan, maar het kon naar hij meende, inderdaad niet anders zijn dan ontstaan uit Maleisch ‘siapa taoe of tau’ dat in het Mal. Woordenboek van Pijnappel (op tahoe)1) weergegeven wordt met: ‘wie weet het’; ‘misschien’; ‘ik weet het niet’. En siapatau-er zou dus een bijnaam geworden zijn voor iemand die telkens: siapoe taoe?’ op de lippen had, iemand die telkens en bij alles ‘wie weet het?’ zeide. Prof. Veth - en de aanduidingen en voorbeelden hem door mij toentertijd verstrekt zijn daar voor een goed deel schuld aan - redeneerde nu verder aldus2): ‘Iemand die voortdurend de uitdrukking “wie weet het?” in den mond heeft, is iemand die geen opinie heeft en die derhalve ook niet weet wat hij doen zal, die nu dit, nu dat aanpakt, en wien voor alles de handen verkeerd staan. Zoo iemand is natuurlijk ook een slordig werkman, een knoeier .... Het woord heeft echter .... een zeer vaag gebruik erlangd. Het is een schimpwoord geworden voor ieder dien men ploertig of onhebbelijk vindt.’ Aldus - wat bekort - de voorstelling van den Hoogleeraar Veth. Doch zou - zoo heb ik sedert vooral na het vinden der oude plaatsen, gedacht - langs anderen veeg de loop der beteekenissen niet op nog wat aan-

[p. 6]

nemelijker wijze te verklaren zijn? Iemand wien het stopwoord siapa taoe? ‘wie weet 'et?’ als op de lippen bestorven ligt lijkt mij, niet zoozeer een persoon zonder opinie, als wel een onverschillig mensch. Het Maleische siapa toea? zou men, dunkt mij, in idiomatisch Hollandsch over moeten zetten als ‘weet ík 'et?’ d.w.z. gaat het míj wat aan? raakt het míj1) In zúlk een zin stel ik mij voor dat het werd opgevangen uit den mond onzer ruwe Oostinjevaarders, die er den bijnaam siapa-tau, siapa-tautje of siapa-tauer (‘siapa-taoe-zegger’) naar ontvingen, waaronder men verstond of waarmede men aanduidde: ‘iemand die zich niets ter wereld aantrekt; die om niets of niemand maalt en niets of niemand ontziet’; een rouwe klant dus, een ongure gast. Zoo werd het, terwijl men de eigenlijke beteekenis allengs vergat, gaandeweg eene generieke benaming voor de onverschillige vechtersbazen en loszinnige pierewaaiers, die er onder onze mindere zeelieden van voorheen ongetwijfeld in getalen geweest zijn en van welke Alewijn's Jan Los eene kostelijke type te zien geeft.

Zelfs schijnt het wel, dat gaandeweg eene verzwakte opvatting gangbaar is geworden; immers in de aangehaalde plaatsen is eigenlijk geen reden om een krasser beteekenis dan die van zeerob, zeebonk aan het woord toe te kennen. Dat het los en lichtzinnig leven der ‘sjappetoutjes’ dezen hunnen bijnaam tot een synoniem van lichtmis en doordraaier deed worden ligt voor de hand. En uit de beteekenis ‘onverschillige kerel’, (iemand die geen hart voor de zaak heeft) laat zich ook gemakkelijk afleiden de toepassing op een slecht, een prullig werkman, welke uit het midden dezer eeuw voor de stad Leiden wordt vermeld. Het ruw en onzedelijk gedrag der Oostinjevaars, dat - als gezegd - de opvatting: lichtmis, doordraaier deed ontstaan, is natuurlijk ook de grond voor het nog ruimer begrip van: ‘gemeene kerel, verdacht sujet’ dat we b.v. in den

[p. 7]

‘straatslijper van wien ieder last heeft’ herkennen, terwijl daartegenover: ‘gemeene vent’, zoo zacht mogelijk opgevat, wel zoowat het grond- of hoofdbegrip vormt van al de schakeeringen waarin sjappetouwer, sjap en sjappie in het slang van studenten en andere jongelieden hedendaags gebezigd wordt. Het verschilt in die taal weinig, of eigenlijk niet van de goedaardige toepassingen waarin dezelfde klasse van jongelui de termen ploert, patser, proleet (‘prool’) en welke er meer zijn, om den haverklap gebruikt. Wat zij er mede bedoelen is dikwijls niet veel anders of ergers dan een ‘individu’, waarmede men als man van fatsoen ‘niet om kan gaan’, ‘zich niet vertoonen kan’, om welke geldige, maar vaak ook nauwelijks redelijk te noemen redenen dan ook.

Ik heb in dit opstel geen melding gemaakt van het woord sjap als eene benaming voor: drank, jenever; het had immers met sjappetouwer blijkbaar niets te maken. Nu ik het genoemd heb kan ik echter niet nalaten hier aan te teekenen dat ik (in Dania V, 94) voor een der Jutsche landschappen sjappe en sjuppe vermeld vind als een synoniem van allerlei uitdrukkingen voor: drinken, pimpelen.

 

April 1898.

a. beets.

Naschrift.

Het verdient ongetwijfeld opmerking dat Alewijn's Jan Los, uit wiens mond wij 't woord sabbetouwer het vroegst vernemen, ook andere vreemd woorden bezigt. Zoo spreekt hij (blz. 24) van een bakkelytje voor: een vecht- of snijpartijtje; de kruiers die zijn goed vervoeren noemt hij (blz. 30) koeljes, koelies, als wij nu zeggen, en de deerns die hem te woord staan spreekt hij toe als nonjes, nonjas (blz. 35; 37); drie ‘Oosterlingen’ dus. - Tory (blz. 31), droely (blz. 35 en 39) en patrat (mv. -ten; blz. 31) zou ik op 't oogenblik zoomin weten thuis te brengen als te verklaren.

a.b.