Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 28


auteur: [tijdschrift] Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde


bron: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 28. E.J. Brill, Leiden 1909  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 274]

Baren.

De algemene opinie aangaande het werkwoord baren is deze, dat het een oorspronkelik Fries of Hollands-Fries woord is, dat formeel op een lijn staat met het dialektiese middelnederlandse begaren = begheren. Deze hypothese kan ons daarom reeds onwaarschijnlik voorkomen, omdat baren een deftig woord is, waarvan wij a priori geneigd zijn te vermoeden, dat het dat wel altijd geweest zal zijn. Evenwel worden we door een woord als brein, dat ongetwijfeld een friesisme is, aangespoord om voorzichtig te zijn. Wanneer wij echter het gebruik van het werkwoord baren in de Middeleeuwen nagaan, worden wij versterkt in de overtuiging, dat het geen Fries woord is. Drie zaken zijn er, die ieder afzonderlik tegen de Friese oorsprong pleiten en samen deze geheel onaannemelik maken:

1.In het Oudwestfries komt evenals in het Oudoostfries van het werkwoord bera ‘dragen, voortbrengen’ niet anders voor dan het verleden deelwoord: m.a.w. te oordelen naar de overgeleverde teksten (zie voorbeelden bij Von Richthofen, Altfriesiches Wörterbuch) is het waarschijnlik, dat het Oudfries reeds evenals het Nederlands van het niet-samengestelde *beran alleen het verleden deelwoord had overgehouden. Van samenstellingen echter komt ook een praesens- en infinitief-stam voor, naast owfri. ontbera staat zelfs ontbara met de bewuste a uit e.
2.Het Mnl. Wdb. vermeldt geen werkwoord baren ‘voortbrengen’, maar wel gebaren, met 11 bewijsplaatsen waarvan de tekst wordt meegedeeld en verwijzingen naar 11 andere plaatsen. Dit wijst er wel op, dat gebaren in onze taal ouder is dan baren. Blijkens het Mnl. Handwdb. zijn er sedert het eerste deel van 't grote woordeboek verscheen, plaatsen gevonden met baren: toch mogen wij aannemen, dat zij belang-
[p. 275]
rijk in de minderheid zijn bij die met gebaren. Een samenstelling met ge- kan echter bezwaarlik een Friesisme zijn!
3.Mnl. gebaren kwam blijkens de bewijsplaatsen bij Verdam uitsluitend of bijna uitsluitend in mystieke e.a. godsdienstige teksten voor. Het talrijkst zijn de plaatsen uit Ruusbroec en de Bijbel van 1477. Dat maakt ook Friese oorsprong onwaarschijnlik, - en de drie door mij genoemde punten maken samen deze veronderstelling onaannemelik.

Waar komt dan gebaren vandaan?

Dat het een echte ndl. vorm zou wezen, op wgerm. *ʒi-bārian of *ʒi-bāran(-ōn) of *ʒi-baran(-ōn) teruggaande, is niet te geloven: zo'n vorm komt elders niet voor, en dan zou 't ook al heel toevallig wezen, dat juist de godsdienstige literatuur hem voor zich had gereserveerd. Voorzover ik zie, is de enige mogelikheid, dat gebaren uit mhd. gebërn ontleend is. Dat mhd. woorden in mndl. mystieke en religieuze literatuur zijn overgenomen, is bekend: vgl. De Vooys, Ndl. arch. v. Kerkgesch., N.S. III (1905) blz. 55 v.. De daar gegeven voorbeelden laten zich gemakkelik vermeerderen, als men met aandacht in het Mnl. Wdb. leest en let op de teksten, waarin de woorden voorkomen. Wat gebaren aangaat, zie ik geen andere uitweg: een Friese vorm is 't niet, een Nederlandse waarschijnlik ook niet. Wat zou 't dan anders zijn dan een Duitse? Deze verklaring zal echter nog overtuigender worden, als het eens gelukken mag, andere ontleende woorden te vinden, waarin voor de mhd. ë, die opener was dan de mnl., een a gesubstitueerd is.

Langzaam.

Nog een merkwaardig geval van ontlening uit het Duits is 't woord langzaam. De teksten, waarin dat woord en zijn afleidingen in het Mnl. voorkomen, zijn alle vrij jong: Hildegaersberch, Biënboec, Kloosterregels, apologi morales van S. Cyrillus enz. Bovendien is de betekenis ‘langzaam’ en niet

[p. 276]

‘langdurig’; dit is evenwel de oudste betekenis van 't Germ. woord (vgl. bijv. Verdam en Kluge s.v., Cosijn, Noord en Zuid 4. 213). In het Hd. is de betekenis-overgang begrijpelik, doordat er eenmaal een ohd. langseimi, mhd. lancseime ‘dralend, langzaam’ bestond, waarvan de betekenis werd aangenomen door lancsam. Moeten wij nu in 't Nederlands een geheel onafhankelik, maar geheel of gedeeltelik hiermee analoog proces veronderstellen? Neen, veeleer berust ons langzaam op Duitse invloed. Was er in het Mnl. een equivalent van mhd. lancseime aan te wijzen, dan zou het minder nodig zijn, deze aan te nemen.

 

n. van wijk.