Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 40


auteur: [tijdschrift] Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde


bron: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 40. E.J. Brill, Leiden 1921  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 176]

De mansnaam Wuiten.

In verband met het bovenstaande artikel van Dr. Muller mogen hier eenige mededeelingen volgen over een paar eigennamen, waarin de klank ui, oi, schijnt af te wisselen niet alleen met ei, maar ook met ou.

Wuiten, in de middeleeuwen Woitin, in latijnsche teksten Woitinus, is een mansnaam in den gewonen verkleinvorm op -ijn, -in, blijkens de volgende bewijsplaatsen uit oorkonden reeds vroeg in Vlaanderen voorkomende: ‘Woitino Cant’, in 1221 begiftigd te Koudekerke bij Brugge (Cartul. de S. Bertin à Poperinghe 50; Chartes de S. Bertin à S. Omer I, no. 610); ‘Woitinumn Pipra’, die in 1224 een tiende van de abdij van Eename krijgt (Cartul. d'Eename 115) en, blijkens a.w. 117, dezelfde is als ‘Walterus, cognominatus Pipere’ (zie ook 138: ‘Walterum Pipere’, ao. 1228); ‘Woitinus de Wallo’, te Oudenaarde, ao. 1228 (a.w. 139), naast ‘Walterus de Wallo’, ao. 1229 (a.w. 145); ‘Woitino Grepenare’, getuige in Oost-Vlaanderen, ao. 1257 (Cartul. de S. Bertin à Poperinghe 109); ‘Woytin van den Wale’, te Oudenaarde, ao. 1342 (Ann. Soc. d'Émul. de Bruges XXV 239); ‘Woytin van Aspere’ terzelfder plaats en tijd (a.w. 269); ‘Woitin Oudcoren’, van Kortrijk, gebannen 1374 (Froissart, Cron. v. Vlaend. II 1); ‘Woytin van Hoeleghem van Mechline’, gejusticieerd te Oudenaarde, ao. 1383 (a.w. 434).

Ook den bijvorm Wuetin, en daarnaast ook Wueytiaen, met eu = ui2 en met den inzonderheid in Holland voorkomenden verkleinvorm op -iaen, den ouderen vorm van ons nnl. diminutiefsuffix -je(n)1), treft men een enkele maal aan: ‘Gillis

[p. 177]

Wueytiaen(s)’ naast ‘Wuetyaen(s)’ (Cartul. de S. Martin à Ypres II 595, 733: begin 14de E.); ‘Hennen Wuetens’, schilder te Antwerpen, ao. 1513 (Liggeren v.h. Antw. St. Lucasgilde I 80).

Zonder den verkleinvorm vindt men ook Woit (verg. later Hannewuit), waarschijnlijk jonger, althans zeldzamer, b.v.: ‘Willem f. Woyts’, in Bouchouter ambocht, ao. 1379 (Froissart II 613); ook als geslachtsnaam, zoowel met oi als eu: ‘Willem Weuts’, schepen van Yper - ambocht, ao. 1389 (Cartul. de S. Martin à Ypres II 929); ‘Jan Woyts’, te Holsbeke, ao. 1474 (De Raadt, Sceaux armoriés IV 258); ‘Margarita Wuyts’, te Antwerpen, ao. 1632 (Liggeren v.h. Antw. St. Lucasgilde II 32). Naar het schijnt werd de naam vroeger ook door vrouwen gedragen; ik vond ten minste ‘Gosino filio Woite’ (d.i. -ae, genit. v. Woita) en ‘Roberto filio Woite’, getuigen, ao. 1257 (Cartul. de S. Bertin à Poperinghe 109).

Ook komt in Vlaanderen een naam Woytac voor naast Boitac en Beutac. Reeds in 1249 vindt men hem te Yperen als mansnaam: ‘Theodericus Bonte tenet duas lineas a Boitac Callebier, et idem Boitac tenet eas a Salomone Morin’ (Cartul. de S. Martin à Ypres II 117). Later ontmoette ik hem alleen als familienaam; ik laat hier slechts enkele voorbeelden volgen: ‘Lambiert Boitac’, te Yperen, ao. 1319 (a.w. 285; Fransche tekst); ‘Boid Woytac’, te Hulst, ao. 1326 (Navorscher XIX 12); ‘Clais Boitac’, in Oostburg - ambocht, ao. 1383 (Froissart II 235); ‘Willem Woytac’, in het Land van Waas, ao. 1385 (a.w. 594); ‘Ghilenus Beutac’, te Poperinghe, ao. 1457 (Cartul. de S. Bertin à Poperinghe 236); ‘Cornelis Boytac’, leenman van den Burg te Brugge, ao. 1465 (De Raadt, Sceaux armoriés I 276). Blijkens Volkskunde 1920, 92, woont te Hamme (in Oost-Vlaanderen) nog heden een geslacht Wuytack. De afleiding van den naam

[p. 178]

is duister. Is de vorm met B- soms de echte en die met W- ontstaan onder invloed van Woitin?

Even vroeg nu als Woitin, en in dezelfde streken, komt ook voor Weitin, lat. Weitinus, en daarnaast Weit en Weitkin. B.v.: ‘St. filio Weitini Male’, getuige te Poperinghe, ao. 1210 (Cartul. de S. Bertin à Poperinghe 43); ‘Jan Weytins sone’, ao. 1284-6 (Dozy, Oudste Rek. v. Dordr. 4, 71); ‘Weitins Deken’ (Rek. v. Brugge v. 1302, 12); ‘Woutersin f. roode Weitins’ (a.w. 29, 32); ‘Wouter f. Weits f. Amele’ (a.w. 36); Moenkin f. Weits’ (a.w. 61); ‘Weitkin f. Lisemoedens’ (ald.); ‘Hughe Weyts’, in Bouchouter ambocht, ao. 1379-80 (Froissart II 20); ‘van Viven Weits’, eene vrouw, gestorven te Oteghem in of vóór 1380 (a.w. 346); ‘Jan Weyts’, te Noordakker, ao. 1381-2 (a.w. 208); ‘Michiel Weids’, sneuvelt te Roosebeke in 1382 (a.w. 228); ‘Jan Weytins’, te Audighem, ao. 1381-3 (a.w. 371, 413); ‘Jan f. Weytins sGraven’, in een rekening van den baljuw van Brugge, ao. 1383 (a.w. 74); ‘Weitkin Kokere’, gejusticieerd te Oudenaarde, ao. 1385 (a.w. 441); ‘demiselle Agnes Weitine’, heeft een lijfrente van de stad Doornik, ao. 1402 (De Raadt, Sceaux armoriés I 210); ‘Jan filius Weytin, clerc in de wateringe van den Vischpoldere’, ao. 1451: zijn zegel vertoont als zijn wapen een vogel (blijkbaar een weiten of wuiten), vergezeld van een ster (a.w. IV 219); ‘Jan Weyts ghezeyt Capelle’, houdt een leen te Oostburg, ao. 1515 (a.w. IV 271).

Uit al deze plaatsen blijkt dus, dat Woitin en Weitin beide in Vlaanderen reeds sedert de 13de eeuw voorkomen, en dat althans de eerste vorm toen werd gelijkgesteld met lat. Walterus, d.i. in goed Dietsch Wouter. In verband hiermede schijnt het van belang, dat blijkens den geslachtsnaam Wuytiers het geslacht Barchman Wuytiers stamt af van Dirk Govertsz. Wuytiers, die in 1557 te Amsterdam overleed en uit het Mechelsche geslacht Berthout zou stammen - ook de mansnaam Wuitier bestaan heeft, die te vergelijken is met Woutier, Wautier, Waltier, Goutier, Galtier, naast Wouter enz.

[p. 179]

De vraag is nu of Wuitier en Wuiten (en Weiten) inderdaad bijvormen zijn van Woutier en Woutijn, dan wel of de naam Woit, Woitin een anderen oorsprong heeft en ten onrechte in de middeleeuwen als een verkleinvorm van Walterus is beschouwd. Dat de naam Wuitier in de 15de of 16de eeuw kan zijn gemaakt van Wuit of Wuiten, in navolging van Woutier, ook al hadden de namen geen gemeenschappelijken oorsprong, valt niet te betwijfelen. Maar het is niet duidelijk hoe men er toe zou gekomen zijn personen, die in de wandeling Woitin heetten, in het begin der 13de eeuw in 't Latijn als Walterus aan te duiden, indien men Woitin toen niet beschouwde als een verkleinvorm van den naam Wouter. Dat de herinnering aan den oorsprong van zulk een vleivorm lang kan blijven leven, ook al wijkt de vorm sterk af van den vollen, oorspronkelijken, bewijzen de Zaansche verkleinvormen (Zaansche Volkstaal CII); ik wijs inzonderheid op Gam, uit Garment, dat nòg in gebruik is, ofschoon de gewestelijke tusschenvorm Garment reeds sedert een paar eeuwen door den ouden, officieelen naamsvorm Gerbrand is vervangen.

Is het echter mogelijk dat Woitin een bijvorm is van Wouter? Dit is niet te bewijzen, en de klanken schijnen er zich tegen te verzetten. Toch lijkt het mij geraden niet te spoedig aan de mogelijkheid te twijfelen. We hebben hier blijkbaar te doen met een zeer ouden gewestelijken naamsvorm. Vermoedelijk zijn die namen op -ier bij een Fransch sprekende bevolking ontstaan. Naast Wautier vindt men in Noord-Frankrijk Watier en Wattier, en naast Woutier is dus ook *Wotier, *Wottier denkbaar. Hoe en onder welken invloed daaruit een gewestelijke vorm Woitier en een verkleinvorm Woitin kon ontstaan is onzeker, maar ik kan wijzen op een geval dat analoog schijnt.

In Zuid-Nederland vinden wij namelijk ook Boidijn, Boidin en Boid, die moelijk anders te verklaren schijnen dan als bijvormen van Boudijn, Boudewijn, Baldewinus. Inderdaad valt het ook te bewijzen dat men in de 12de eeuw beide namen

[p. 180]

geljkstelde. ‘Boidinus dapifer’, die in 1178 optreedt als getuige van den burggraaf van Sint-Omaars (Chartes de S. Bertin à S. Omer I, no. 289), is ongetwijfeld dezelfde persoon dien men in 1180, toen hij getuige was voor den Graaf van Vlaanderen, als: ‘Balduinus dapifer de Sancto Audomaro’ (a.w. no. 307) aanduidt. Verdere voorbeelden zijn: ‘Boidinus Cantor’, getuige van den burggraaf van Cassel, omstr. 1144 (a.w. no. 192); ‘Boidijn de Tolnere, Boidin de Meyer, Jan Boidin Siegeers sone’, mannen mijns heeren van Gavere, ao. 1325 (Vad. Mus. IV 336; ook op hunne zegels: Jan f. Boidini’ of met afkorting ‘Boidi’, voor Boidī, Boidin); ‘Boidin Bloeme’, man mijns heeren van Vlaanderen, ao. 1350 (a.w. 345; op zijn zegel: ‘Boidin Blovme’); ‘Boidin van den Hove’, te Deinze, ao. 1379 (Froissart II 38); ‘Boidin de Blote’ in Hulstambocht, ao. 1379 (a.w. 606); ‘Jhan Boidijns’, in Axel-ambocht, ao. 1379 (a.w. 610); ‘van Jan Boydine, Pieter Boidijns sone’, in Assenede-ambocht, ao. 1381-2 (a.w. 635); ‘Jan Boidijns sone, Pieter Boydint’, gevangenen te Assenede, ao. 1381-2, wellicht dezelfden als de voorgaanden (a.w. 636); ‘Pieter Boidins, van Ghend, steenwaerdre te Brucghe’ (ao. 1382-3 (a.w. 153); ‘(Hendrik) Boijdens’, te Brussel, ao. 1432 (De Raadt, Sceaux armoriés I 233). - In verkorten vorm: ‘Boid Woytac’, te Hulst, ao. 1326 (Navorscher XIX 12); ‘Hannekin Boyts bastaerd f. Joes Bokaerts’, gejusticieerd te Dendermonde, ao. 1382 (Froissart II 515; zijne moeder behoorde dus tot het geslacht Boyts); ‘Robin Boyt’, te Reininghe, ao. 1384-5 (a.w. 271); ‘Jacop Boids’, leenman van het Vrije van Brugge, ao. 1408 (De Raadt I 272); ‘Fierabras Boids’, lid van de Rekenkamer te Rijssel, ao. 1442 (Ald.).

Ook de bijvorm Buedin wisselde in de 13de eeuw nog af met Boudewijn: ‘Buedin van Waes’, te Dordrecht, ao. 1285-6 (Dozy, Oudste Rek. v. Dordr. 42, 45), wordt ook genoemd ‘Bodwin(e) van Waes’ (a.w. 70). Als geslachtsnaam is Buedin te Yperen in de 15de eeuw gewoon (zie Cartul. de S. Martin à Ypres II 551, 625, 691, 734 (Buedins), 786, 802, 846 (Bueden),

[p. 181]

enz.; ook vindt men naast elkaar Joris Buedin en Buedssone, a.w. 853 en 783); zie verder: ‘Matthijs Buedin’, te Voormizele, ao. 1469 (hs. Reg. Rekenkamer no. 45844I (Rijksarchief te Brussel), fo. 15 vo.); ‘Pasin Beuts’, te Hogelede, ao. 1383-4 (Froissart II 293).

En de overeenkomst tusschen Boidin en Woitin wordt nog grooter, wanneer wij (naast den eersten vorm) ook Beidin vinden: ‘Beydin(e) ver Gheesen sone’ te Dordrecht, ao. 1284-5 (Dozy, a.w. 36); ‘de weduwe Joos Beidins’, te Aardenburg, ao. 1383 (Froissart II 195); ‘Pieterkin Beydins’, gejusticieerd te Oudenaarde, ao. 1385 (a.w. 443); verg. ook ‘Pieter sher Beyts, wevere van Ypre’, gejusticieerd ao. 1382-3 (a.w. 154).

Uit de aangehaalde oorkonden en ook reeds uit de hier gegeven voorbeelden blijkt dat in dezelfde stukken, en soms zelfs in de benaming van denzelfden persoon, naast elkaar genoemd worden Wouter, Woitin en Weitin (Weit), evenals Boudin, Boidin en Beidin. Weliswaar wordt slechts enkele malen met die verschillende naamsvormen dezelfde persoon aangeduid. Meestal wijzen de namen met ou en die met oi en ei verschillende personen aan.

Men zou hierin dan ook een bewijs kunnen zien, dat de namen Woitin, Weitin en Woutin (Wouter), en evenzoo Boidin, Beidin en Boudin (Boudewijn), etymologisch gescheiden moeten worden; immers reeds in 1302 voelde men b.v. te Brugge Weit(in) blijkbaar niet als een verkleinvorm van Wouter. Men moet echter ook hier voorzichtig zijn met het maken van zijne gevolgtrekkingen. Ik wijs b.v. op een oorkonde van 1320 (Vad. Mus. IV 333), waarin naast elkaar vermeld worden: ‘Soi uten Hove, bailiu mijns heere Seghers van Curtrike, riddere, Soijur (I. misschien Soijer of Soijier) Abelijn, Segher van der Wostinen,... manne mijns heere Seghers voerseit’. Toch zal niemand betwijfelen dat Segher, Soyer (Sohier) en Soy verschillende vormen van denzelfden mansnaam zijn, en leest men bovendien op het zegel van den leenheer, dat aan dit charter hangt: ‘Sohier de Courtrai’. Indien dus Woitin en

[p. 182]

Weitin werkelijk oude gewestelijke vervormingen van Wolter(us), Walter(us) zijn geweest (en men bedenke dat de namen reeds omstreeks 1200 met elkaar gelijkgesteld werden!), en door verplaatsing der bevolking, en door huwelijken, naar andere, aangrenzende of meer verwijderde streken (waar ze oorspronkelijk niet thuis hoorden) zijn overgebracht, dan is het zeer begrijpelijk dat men later Wouter, Woitin en Weitin als verschillende namen is gaan beschouwen en den samenhang uit het oog heeft verloren. Hetzelfde zien wij tegenwoordig gebeuren, wanneer menschen Adriaan Arie en Neeltje Cornelia heeten, doordat men ze heeft vernoemd naar twee familieleden die denzelfden naam droegen in verschillenden vorm, zonder dat men dezen als zoodanig herkende of erkende.

In elk geval zijn de hier behandelde wisselvormen merkwaardig en verdienden zij dat er de aandacht op gevestigd werd.

 

Leiden, Dec. 1920.

g.j. boekenoogen.