|
|
|
| |
| | | |
Over de dateering der Þrymskviđa
Er is nauwelijks een tweede Eddalied, waaraan zoo algemeen een hooge ouderdom wordt toegeschreven, als de Þrymskviđa. Het eenvoudige verhaal, de klassieke bouw, het gebrek aan skaldische omschrijvingen, deze en andere innerlijke en uiterlijke eigenschappen brachten de onderzoekers ertoe, dit lied als een der oudste voortbrengselen der Eddaliteratuur te beschouwen. Gewoonlijk dateert men het in de IXe eeuw. Wanneer F. Jónsson den uitbundigen lof van dit gedicht gezongen heeft, vervolgt hij: ‘Uit de hier behandelde eigenschappen van het lied blijkt reeds, dat het tot de oudste gedichten moet worden gerekend’1).
B. Sijmons heeft voor dezen ouderdom het eerst positieve gegevens aangevoerd. Terwijl hij in een opstel in de Taalkundige Bijdragen II (1879) blz. 302 nog in het algemeen den voortreffelijken inhoud, den eenvoudigen stijl en de metrische behandeling prijst, tracht hij in een verhandeling in de Verslagen en Mededeelingen der Kon. Akad. v. Wetenschappen, Afd. Letterkunde III, 4 (Amst. 1887), blz. 237 vlgg. enkele argumenten bij te brengen. Hij gaat uit van de metrische theorieën van Sievers en meent dan te kunnen aantoonen, dat er in de Þrymskviđa enkele verzen gevonden worden, die beter zouden passen in Sievers vijf-typen-systeem, indien men in plaats van de overgeleverde vormen de oudere ongecontraheerde zet. Deze opvatting, die hij in zijn Edda-uitgave herhaalt, gaat daarvan uit, dat het alliteratievers oorspronkelijk vierlettergrepig was; de verzen, die in de overlevering drie syllaben hebben, kunnen tot het normale type worden teruggebracht, indien men oudere taalvormen aanneemt bijv. þonarr voor þórr en suR voor ss. Deze opvatting is op het oogenblik
| | | | als geheel onwaarschijnlijk opgegeven, maar desniettemin is het dogma van den hoogen ouderdom der Þrymskviđa blijven gelden.
Later heeft men getracht uit den metrischen vorm langs anderen weg het bewijs voor den ouderdom te putten; maar merkwaardigerwijze gaan de beschouwingen van G. Neckel1) en W. van den Ent2) van de stilzwijgende vooronderstelling uit, dat dit Eddagedicht overoud is en in overeenstemming hiermee worden de metrische eigenaardigheden verklaard.
Soms beroept men zich op de taal3), of op den inhoud4) van het gedicht; maar wat in dit opzicht te berde werd gebracht, is zoo onzeker, dat het ten hoogste een reeds langs andere wegen bereikt resultaat zou kunnen bevestigen, maar niet op zich zelf voldoende kan worden geacht, het bewijs van den hoogen ouderdom der Þrymskviđa te leveren.
Met eenig voorbehoud spreekt F. Paasche5) over deze dateering. Hij maakt de behartenswaardige opmerking, dat voortreffelijke eigenschappen van inhoud en stijl niet voldoende zijn tot het bewijzen van een hoogen ouderdom, daar zij slechts getuigenis afleggen van de begaafdheid des dichters. En hij vervolgt: ‘Indien de bewering, dat een gedicht, waarin met de goden de spot gedreven wordt, ouder moet zijn dan de laatste periode van het heidendom, juist mocht zijn, dan zou men dit lied in de IXe eeuw kunnen dateeren.’ Maar het is duidelijk, dat de voorwaardelijke zin in deze algemeene formuleering niet juist is, want waarom zou zich een Skandinavisch dichter, ook in den tijd na de invoering van het Christendom, niet het genoegen kunnen veroorloven, een grappig verhaal te vertellen van de goden, wier namen nog steeds tot sieraad der skaldengedichten strekten?
| | | |
Het onderzoek naar den ouderdom der Þrymskviđa heeft zich van den aanvang af uitsluitend laten leiden door de tegenstelling tusschen de eenvoudige (zoogenaamde populaire) Eddakunst en de ingewikkelde poëzie der skalden en daarom dit simpele lied van Þórr, alleen reeds wegens zijn eenvoud, voor zeer oud verklaard. En ofschoon het eene, ter staving aangevoerde, bewijs na het andere als ondeugdelijk moest worden afgewezen, de opvatting van den hoogen ouderdom der Þrymskviđa scheen geen bewijs te behoeven, om toch als indiscutabel te blijven gelden. Misschien zal het tegenbewijs, dat ik hier leveren wil, de gelegenheid bieden, de oude argumenten nog eens te overwegen, of ze met nieuwe gegevens te versterken. Het was mij een aangename verrassing, dat de door mij aangehangen meening over het zeer jonge karakter van dit Eddagedicht onlangs door Erik Noreen is uitgesproken1); ik wil nu trachten deze stelling, zoover dit in een zoo onzekere materie als de bepaling van de relatieve en absolute chronologie der Eddaliederen mogelijk is, te bewijzen.
| |
1. De metrische vorm
G. Neckel heeft in zijn Beiträge zur Eddaforschung gepoogd de vraag naar den ouderdom der Eddaliederen door het aanleggen van nieuwe maatstaven op te lossen. Maar zijn theorie der ‘Zeilenbindungen’ kan op de wijze, waarop hij deze heeft uitgewerkt, niet worden aanvaard, al moet worden erkend, dat zij, mits juist toegepast, nuttige aanwijzingen zal kunnen geven. Volgens Neckel kan men in de wijze, waarop de verschillende Eddaliederen de versregels door caesuur scheiden of door enjambement verbinden, eenige vaste typen onderscheiden. Sommige gedichten verbinden de beide verzen2) van
| | | | een verspaar stevig aan elkaar (‘feste Bindung’), andere daarentegen vertoonen een scherp doorgevoerde caesuur. En deze zelfde verschillen treft men aan bij de verbinding van twee versparen tot een helming: de versparen staan onafhankelijk naast elkaar, of zij vormen samen een doorloopenden zin. Op grond van deze waarnemingen heeft Neckel drie typen onderscheiden (blz. 39):
| I. | Het verspaar staat geïsoleerd naast de andere versparen, maar het is door de vaste verbinding der beide verzen innerlijk gesloten. Vbb. Þrymskviđa, Guđrúnarkviđa þriđia. |
| II. | Het verspaar neigt tot vaste verbinding zoowel met een volgend verspaar als wat betreft de beide verzen, waaruit het zelf is samengesteld; de helming wordt dus een gesloten syntactische eenheid. Vbb. Hymiskviđa, Helreiđ, Innsteinslied. |
| III. | Elk vers streeft naar zoo groot mogelijke isoleering. Vbb. Atlamál, Rígsþula. |
Deze volgorde zou tevens de historische ontwikkeling weergeven, want Neckel beweert, dat het verspaar de oorspronkelijke eenheid is. Dit is echter een uitgangspunt zijner beschouwingen, waarover verschil van meening mogelijk is en welks aprioristisch karakter zijn geheele bewijsvoering in gevaar brengt. Wat zal men eigenlijk onder den term ‘eenheid’ verstaan? Wanneer Neckel de alliteratie reeds als voldoende bewijs voor zijn opvatting beschouwt, dan maakt hij zich de zaak wel gemakkelijk; men kan met evenveel recht zeggen, dat de rijmstaven juist als een middel gebruikt zijn, om twee oorspronkelijk onafhankelijke verzen met elkander te verbinden. Het stafrijm bewijst dus juist de zelfstandigheid der verzen. Men kan het eindrijm vergelijken; dit rijm doet een verspaar ontstaan, maar niet een dubbelvers. Wij moeten dus uitgaan van twee verzen (Kurzzeilen), die tot een verspaar (Langzeile) verbonden worden, een opvatting, die door R.C. Boer in zijn ‘Studiën over de metriek van het alliteratievers’ nadrukkelijk en overtuigend is bewezen.
Voor deze beschouwing spreekt ook, dat men op enkele
| | | | plaatsen in de Edda een aanloop tot eindrijm vindt. Dit rijm verbindt in den regel twee verzen; een duidelijk bewijs, dat men de beide verzen als zelfstandige eenheden van het verspaar voelde. Van beteekenis is het, dat de Hymiskviđa, een gedicht, dat naar Neckels statistiek het grootste percentage van vaste caesuurverbindingen heeft en dus de zelfstandigheid van het vers zeker zwak zal hebben gevoeld, een typisch voorbeeld van een dergelijk rijm heeft: 3, 3-4 bað hann Sifjar ver sér faera hver1).
J. Sahlgren heeft in zijn boek Eddica et Scaldica I, blz. 14 een nieuw bewijs voor de zelfstandigheid van het vers geleverd. Hij wijst er op, dat in enkele Eddaliederen een aanwijzing betreffende den persoon, die aan het woord is, aan het eind van het eerste vers gevonden wordt, zoo bijv. Reginsmál 3, 1-2: Segðu þat, Andvari, (kvað Loki) ef þú eiga vill, of Helgakviđa Hjǫrvarđssonar 14, 1-2: Hvé þú heitir (kvað Hrímgerðr), halr inn ámátki? Deze zelfde eigenaardigheid vinden wij in de Eiriksmál (omstreeks 955 gedicht), waar zulke aanwijzingen ook uitsluitend na een oneven, meestal na het eerste, vers voorkomen. Zooals E.A. Kock met recht heeft opgemerkt, vinden wij een volkomen overeenstemmend gebruik in het Hildebrandslied (vs. 30, 49 en 58) bijv. 30: wêttu irmingot (quad Hiltibrant) obane ab hevane. Dit bewijst derhalve de oorspronkelijke zelfstandigheid van het vers niet alleen voor de strophische oudnoorsche poëzie, maar evenzeer voor de stychische westgermaansche2).
Wij komen dus tot de conclusie, dat de grondslagen van Neckels systeem onjuist zijn. Het verspaar had oorspronkelijk een meer of minder duidelijke caesuur in het midden. Het
| | | | oudsassische en oudengelsche gebruik, den nieuwen zin op de caesuurplaats te laten beginnen, moge op een bijzondere jongere ontwikkeling berusten, het is principieel geheel in overeenstemming met het karakter van het westgermaansche alliteratievers; het is klaarblijkelijk een gevolg van het streven, het eentonige parallelisme der versparen door bewuste stijlmiddelen te breken, evenals de plaats der epische variatie in het oneven vers slechts dienen kan, de zelfstandigheid hiervan in het licht te stellen.
Het toenemen der gesloten versparen in de oudnoorsche poëzie is derhalve als een gevolg van de strophenvorming te beschouwen. De helming en de strophe zijn nu de hoogere eenheden, waarin de versparen opgaan; het zwaartepunt der caesuur wordt nu ook verplaatst van het midden naar het eind van het verspaar. De skaldische kunst heeft daarentegen de zelfstandigheid van het vers veel beter bewaard, maar zij heeft dan ook de syntactische eenheid door de kunstmatige (soms zelfs gekunstelde) ontleding der zinsdeelen bij middel van kenningar en variaties aanmerkelijk losser gemaakt. Het door geen kunstmiddelen belemmerde gesproken woord leidt tot aaneensluiting der versparen en het is daarom te begrijpen, dat de eenvoudige kunst der Eddaliederen juist in deze richting gaat en zich daardoor scherp van de techniek der skalden onderscheidt. Indien echter de ontwikkeling aldus was, dan heeft men niet het recht, een lied met een eenvoudigen metrischen bouw als het begin der poëtische ontwikkeling te beschouwen, want het kan even goed van jongen datum zijn, terwijl een gedicht, gemaakt naar het voorbeeld der skaldische poëzie, aanmerkelijk ouder kan wezen. Het is een verschil van soort, niet van relatieve chronologie.
Ook in ander opzicht is de door Neckel aangenomen ontwikkeling bevreemdend. De oudnoorsche poëzie zou van den aanvang af de verbinding van verzen tot versparen gekend en zich ontwikkeld hebben in de richting van een nauwere aaneensluiting dezer versparen tot de helming, die zich dus
| | | | kenmerkte door het ontbreken van caesuur tusschen de verzen en de versparen, zooals dit bijv. de Hymiskviđa vertoont. Maar het volgende stadium der ontwikkeling zou nu weer de volledige opheffing der caesuurverbindingen zijn, zoodat de verzen op zich zelf syntactische eenheden waren geworden. Dit zou dan echter het resultaat zijn van een tendentie, die lijnrecht in ging tegen de vroegere ontwikkeling der oudnoorsche poëzie. Waardoor zou dit te verklaren zijn? Dit laatste stadium wordt vertegenwoordigd door de gedichten Atlamál en Rígsþula. Maar dit zijn juist twee gedichten, die al heel weinig geschikt zijn, de ontwikkeling der Oudnoorsche poëzie te illustreeren. Want het eerste behoort tot de gedichten, die naar aard en inhoud de meeste moeilijkheden bieden; het is een voorbeeld van een geheel afwijkend type en bovendien gaan de meeningen over den ouderdom van dit lied zeer uiteen. Het tweede voorbeeld is minder gelukkig gekozen, omdat zijn karakter van þula het onderscheidt van het gewone type der Eddapoëzie en het afzonderlijk blijven der verzen juist door den aard van dezen dichtvorm, dien men zeer juist als ‘Memorialverse’ heeft gekenschetst, in de hand wordt gewerkt.
Eindelijk moet ik er op wijzen, dat de strophenbouw der Þrymskviđa volstrekt geen ouderwetschen indruk maakt. Integendeel, wij vinden in de volkspoëzie van nieuwere, zoowel als van oudere tijden, telkens weer dienzelfden eenvoudigen bouw der strophe: korte, evenwijdig loopende zinnen, die ieder een versregel vullen. Ik zou dan ook moeilijk een beteren tegenhanger van de strophe der Þrymskviđa kunnen aanwijzen dan de Middeleeuwsche ballade. Een enkel voorbeeld zal voldoende zijn:
| Þrkv. str. 15,5-16,4 |
Torekall str. 12 |
| Bindo vér Þór þá brúđar líni! |
No vilja me taka 'n Torekall, |
| hafi hann it mikla men Brísinga! |
vael vilja me byste hass hår, |
| látom und hánom hrynia lukla, |
klaee på hono brureklaeu |
| ok kvenváđir um kné falla! |
å føre 'n åt Gremmeligård1). |
| | | |
De wijze van verbinding der verzen kan dus niet dienen tot het bepalen van den ouderdom van een Eddagedicht. Neckel is dan ook zelf verplicht in een en dezelfde groep samen te vatten de Þrymskviđa, over wier ouderdom hij geen twijfel mogelijk acht en het derde Gudrunlied, dat hij in de eerste helft der XIIe eeuw dateert. Het komt mij voor, dat Neckel tot geheel andere en zeker meer bevredigende resultaten was gekomen, wanneer hij zich bij zijn onderzoek niet had vastgelegd aan eenige dateering van welk Eddalied ook; nu echter was hij gedwongen, een bepaald type voor oud te verklaren, niet omdat innerlijke gronden er voor spraken, maar omdat een voorbeeld van dit type, de Þrymskviđa, zoo oud heette te zijn. Bovendien heeft Neckel te veel uit het oog verloren, dat de verbinding der verzen niet zoozeer een metrische, als wel een stilistische eigenaardigheid is en men maakt zich de zaak te gemakkelijk, wanneer men de stilistiek der liederen als een kenmerk van hun ouderdom gebruikt.
Is er dan uit den metrischen bouw der Þrymskviđa geen aanwijzing voor haar ouderdom te halen? Wij begeven ons hier op zeer onzeker terrein. Twintig jaar geleden zou men minder twijfel gekoesterd hebben bij het beantwoorden van een dergelijke vraag. Toen werd het vijf-typen-systeem van Sievers algemeen aangenomen en scheen daarmee een vaste grondslag gelegd voor verdere onderzoekingen. Nu is het door zijn schepper zelf opgegeven. In zijn plaats zijn twee nieuwe opvattingen getreden, de nieuwe rhythmisch-melodische theorie van Sievers en die van R.C. Boer. De metrische beschouwingen van den eerste wijken sterk van de tot nu geldende opvattingen af; bovendien zijn de resultaten door het subjectieve karakter der methode door middel van een logische redeneering moeilijk te weerleggen. Ik zal daarom mij onthou- | | | | den van kritiek en slechts bij uitzondering het resultaat van Sievers' onderzoekingen ten opzichte van de Eddaliederen, dat hij heeft neergelegd in zijn ‘Die Eddalieder klanglich untersucht und herausgegeben’1), in mijn beschouwingen betrekken.
Mij persoonlijk schijnt de zienswijze van R.C. Boer een vruchtbare basis voor het metrische onderzoek der Eddapoëzie. Zij heeft tot voordeel, dat de rhythmiek van het alliteratievers in overeenstemming gebracht wordt met het gewone spreekrhythme en dus uitgegaan wordt van een natuurlijke accentueering van het vers. Over de grondslagen van zijn beschouwingen kan nauwelijks meeningsverschil bestaan. Maar zoodra zij worden toegepast in een concreet geval, doen zich weer allerlei moeilijkheden voor en het blijkt ook hier, dat er een tamelijk groote speelruimte voor verschillende opvattingen kan bestaan, afhankelijk van het gevoel en het gehoor van den onderzoeker. Zoo moet ik bekennen, dat ik in menig opzicht van de metrische interpretatie der Þrymskviđa door dr. v.d. Ent afwijk, ofschoon ik in het algemeen zijn methode van onderzoek als de juiste beschouw.
De onderzoeker van den metrischen bouw van dit gedicht kan dus gebruik maken van verschillende studiën, waarin de schemata der verzen zijn aangegeven. Op den grondslag van het oude systeem van Sievers staat het werk van Pipping2), hoewel hij in talrijke gevallen ten gunste van een natuurlijke voordracht der verzen van het al te starre systeem der vijf typen afwijkt. Daarnaast staan de reeds genoemde onderzoekingen van Sievers en v.d. Ent. Wanneer men deze onderling vergelijkt, bemerkt men, dat er tal van verzen zijn - zelfs in een zoo eenvoudig Eddagedicht als dit - die op zeer ver- | | | | schillende wijze gelezen worden; soms staan er drie opvattingen tegenover elkaar. Zoo wordt bijv. 22,5 nu foeri mér gescandeerd door
| Pipping als |
 |
| v.d. Ent als |
 |
| Sievers als |
 |
Men kan zich bij een dezer opvattingen aansluiten, misschien soms er een vierde naast plaatsen, maar het is wel duidelijk, dat het onderzoek aanmerkelijk in waarde verliest, wanneer men in de vraag, hoe de verzen gelezen moeten worden, nog zoo weinig tot overeenstemming gekomen is. Immers door het aannemen van een aantal geheel verschillende scandeeringen kan men tot volkomen tegengestelde resultaten komen.
Is er dan geen middel, om in sommige gevallen de juistheid van een opvatting over den metrischen bouw van een vers aan andere gegevens te toetsen? Ik wil pogen, daarvan eenige voorbeelden, die juist aan de Þrymskviđa ontleend zijn, te geven. Dit gedicht kenmerkt zich meer dan eenig ander Eddalied door het in ruime mate gebruik maken van epische variaties en parallelismen. Nu mag men er van uitgaan, dat twee verzen, die wat den inhoud betreft als elkanders tegenhangers bedoeld zijn, ook in metrisch opzicht een overeenkomstige structuur vertoonen, daar anders bij de voordracht de overeenkomst der verzen ten zeerste zou worden geschaad.
Laat ik als voorbeeld nemen de eerste regel: Reiðr var þá Vingþórr er hann vaknaði. Deze wordt in 13, 1-2 gevarieerd als: reið var þá Freyia ok fnasaði. Het behoeft geen betoog, dat het tweede verspaar gedicht is in aansluiting aan het eerste; beider bouw zal dus overeenkomstig zijn. Dit geldt dan ook volkomen voor de beide oneven verzen, maar in het vers er hann vaknaði is het taalmateriaal niet hetzelfde, als in ok fnasaði. Toch zal de moderne lezer getroffen worden door den gelijken gang der verzen, die jnist door het einde sterk wordt geaccentueerd. Dit neemt niet weg, dat zij door de onderzoekers verschillend gelezen worden; door Pipping bijv. onderscheidenlijk
| | | | als
en
. Vraagt men, waarom dit geschiedt, dan is het antwoord natuurlijk: omdat de lange eerste lettergreep van vaknaði zich volgens de regels van het oudnoorsche vers anders verhoudt ten opzichte van de verdeeling der icten, dan de korte syllabe van fnasaði. Maar mag men zich dadelijk vastleggen aan een metrische theorie, die toch niet anders dan een norm kan geven, maar waarvan een dichter, hetzij opzettelijk, hetzij uit onmacht, immers wel kan afwijken? Wil men nu de beide even verzen op overeenkomstige wijze scandeeren, dan moet men dit aldus doen:
| er hann vaknaði |
 |
| ok fnasaði |
 |
Men kan hiertegen niet aanvoeren, dat de verhouding der beide onbetoonde lettergrepen der zwakke praeterita verschillend zijn, nl. in vaknaði als
en in fnasaði als
. Want indien men aanneemt, dat beide syllaben in de daling staan, is de verdeeling van het bijaccent een zaak van ondergeschikt belang. Men zou ook kunnen opmerken, dat de ictus op de korte eerste lettergreep van fnasaði zeer bevreemdend is1), maar, hoe men het vers ook anders opvat, daaraan ontkomt men niet. Wij hebben deze afwijking van de metrische regels dus te aanvaarden en ze te voegen bij de talrijke andere onregelmatigheden, die, zooals wij zullen zien, de Þrymskviđa vertoont. Ten slotte kan men zich afvragen, of de woordjes er en ok geschikt zijn, een heffing te vullen. Maar dit is een vraag, waarop men niet met een machtspreuk kan antwoorden.
Zijn er misschien andere voorbeelden van een dergelijke accentuatie? Ik meen, dat de Þrymskviđa er vrij veel voorbeelden van vertoont. Wij vinden een aantal verzen, die daarin overeenstemmen, dat zij eindigen op een drielettergrepig woord, waarvan de beide laatste syllaben kort zijn. Zij onderscheiden zich echter door hun begin. Hiernaar kunnen wij ze in drie
| | | | verschillende groepen verdeelen: 1. het begin wordt gevormd door een éénlettergrepig partikel; 2. door een éénlettergrepig nomen of verbum; 3. door twee of meer woorden.
| I. |
1,4 |
um saknađi |
10,2 |
sem erfiđi |
| |
13,2 |
ok fnasađi |
16,7; 19,11 |
ok hagliga |
| II. |
6,6 |
mǫn iafnađi |
21,5 |
biǫrg brotnođo |
| |
31,1 |
hló Hlórriđa |
|
| III. |
1,2 |
er hann vaknađi |
7,7 |
hefir þú Hlórriđa |
| |
8,1 |
ek hefi Hlórriđa |
11,1 |
hefi ek erfiđi |
| |
14,7 |
hvé þeir Hlórriđa |
25,4 |
bíta hvassara |
| |
25,6 |
bíta breiđara |
|
Waar er zoo een groot aantal verzen van dit type voorkomen, is het waarschijnlijk, dat zij kenmerkend zijn voor het rhythme van dezen dichter. Zij zullen dus op dezelfde wijze gelezen moeten worden. Het komt mij althans onwaarschijnlijk voor, dat hij vers 25,4 bíta hvassara zou hebben gescandeerd als
en daarentegen 14,7 hvé þeir Hlórriða als
. Zoo mogen wij evenzeer aannemen, dat de dichter, wanneer hij in twee strophen, waarvan de tweede een antwoord is op de eerste, hetzelfde woord gebruikt, dit ook op dezelfde manier zal hebben gelezen. Dus 10,2 sem erfiði evenals 11,1 hefi ek erfiði. Nu is de laatste regel omnium consensu te scandeeren als
, maar dan moet men ook in 10,1 het woord erfiði lezen als
en het heele vers dus als
. Zoo vermag ik geen verschil te zien tusschen een vers 1,4 um saknaði en 6,6 mǫn jafnaði; in beide gevallen is het vers gekenmerkt door dezelfde rhythmische golf:
. De verzen der drie groepen komen dan daarin met elkaar overeen, dat zij uitgaan op den versmaat
.
Dit nu is, naar mijn meening, ook het geval met de verzen van het type lǫng tíðindi. Het verschil met de vorige groep bestaat hierin, dat een der beide onbetoonde lettergrepen een vocaal bevat, die door zijn positie lang is. Ook van dit type treft men talrijke gevallen in de Þrymskviđa aan; zij zijn op gelijke wijze in drie groepen te verdeelen:
| | | |
| I. |
10,7 |
ok liggiandi |
11,2 ok ørindi |
| |
14,3 |
ok ásynior |
|
| II. |
10,4 |
lǫng tíđindi |
10,5 opt sitianda |
| |
13,6; 15,8 |
men Brísinga |
13,8 vergjarnasta |
| |
23,3 |
øxn alsvartir |
|
| III. |
10,1 |
hefir þú ørindi |
19,4 meni Brísinga |
| |
26,1; 28,1 |
sat in alsnotra |
29,7 ef þú ǫđlaz vill |
Leest men lǫng tíðindi als
, dan is er alle reden, dit ook te doen voor opt sitianda; maar vat men dit vers aldus op, dan moet het volkomen parallele vers ok liggiandi eveneens
gescandeerd worden.
Dat dit inderdaad het geval is, leert ons de strophe 10. De eerste regel hefir þú ørindi sem erfiði wordt gevarieerd als hefi ek erfiði ok ørindi. Men kan dus beide regels kwalijk anders dan volkomen gelijk scandeeren, dus hefir þú ørindi als
, evenals hefi ek erfiði
. Maar indien hier ørindi en erfiði een geheel gelijkwaardige plaats in twee parallel gebouwde verzen innemen, dan geldt ditzelfde ook voor de correspondeerende even verzen die dus luiden sem erfiði
en ok ørindi
. Wij kunnen hieruit dan deze gevolgtrekking maken, dat voor den dichter der Þrymskviđa de lengte der syllaben niet zoo belangrijk was, als zij volgens de klassieke metriek behoorde te zijn; wij hebben zeker niet het recht ter wille van deze metrische regels aan de overgeleverde verzen geweld aan te doen.
Indien wij nu deze verzen aldus lezen, dan vertoont deze 10e strophe een merkwaardig eenvoudig rhythmisch beeld:
| hefir þú ørindi |
 |
| sem erfiđi? |
 |
| segđu á lopti |
 |
| lǫng tíđindi! |
 |
| opt sitianda |
 |
| sǫgor um fallaz, |
 |
| ok liggiandi |
 |
| lygi um bellir. |
 |
| | | |
Deze regelmaat zou evenwel volkomen verstoord worden, indien men naast sem erfiði
zou lezen long tíðindi
, maar dan toch weer opt sitianda zoowel als ok liggiandi als
. Terwijl voor mijn gehoor de woorden erfiði en tíðindi evenzeer rijmen, als sitianda en liggiandi, zou die gelijkheid van klank volkomen verstoord worden bij een accentuatie
en
, waarbij eenerzijds een zware nevensyllabe geen ictus zou dragen en daarentegen een korte nevensyllabe (de tweede van erfiði) wel een heffing zou vullen.
Ik krijg daarom ook den indruk, dat de dichter der Þrymskviđa den versuitgang
met voorkeur gebruikte. Ja, het is mogelijk, nog een aantal verzen te noemen, die een overeenkomstige neiging vertoonen, ook al is hier het taalmateriaal aanmerkelijk grooter. Zoo bijv.:
| 1,7 |
réđ Jarđar burr |
 |
| 4,1 |
þó myndak gefa þér |
 |
| 5,3 |
unz fyr útan kom (ook 9,3) |
 |
| 5,5 |
ok fyr innan kom (ook 9,5) |
 |
| 12,7 |
vit skulum aka tvau |
 |
| 13,3 |
allr ásasalr |
 |
| 13,9 |
ef ek ek međ þér |
 |
| 21,7 |
ók
đinssonr |
 |
| 21,8 |
brann iǫrđ loga |
 |
| 27,3 |
en hann útan stǫkk |
 |
Verschillende der hier bijeengebrachte verzen kunnen ook anders worden gelezen. Zoo zou men 1,7 kunnen scandeeren
en als argument aanvoeren, dat het werkwoord réð hier een zwakken toon behoort te hebben, daar het zuiver periphrastisch is. Daar staat dan tegenover, dat in 21,7 ók
ðinssonr stellig moet worden gescandeerd
; het is dan niet waarschijnlijk, dat een geheel gelijk gebouwd vers als réð Jarðar burr een afwijkende accentuatie zou hebben gehad. Deze verzen hebben dus een zelfde rhythme als de hier boven behandelde; zij onderscheiden zich daarvan echter door een zwaarder taalmateriaal in den uitgang, zoodat de laatste syl- | | | | labe in toongewicht boven de voorgaande uitsteekt:
. Interessant is een vers als 12,7 vit skulum aka tvau, waar klaarblijkelijk het woord tvau, dat in den zin geheel pleonastisch is, alleen werd toegevoegd, om den uitgang
te vermijden.
Naast een duidelijke neiging tot een sleepend verseind staat het verlangen het begin van het vers een ictus te geven, soms zelfs daaraan een zwaar accent te geven. Een vers als 21,7 ók
ðinssonr is kenschetsend:
; geheel parallel is 31,1 hló Hlórriða, dat dus ook als
moet worden gelezen1). Deze neiging gaat zelfs zoo ver, dat verschillende malen partikels, die gewoonlijk zwak worden betoond, een sterk accent krijgen, omdat zij aan het begin van het vers staan. In enkele gevallen blijkt deze scansie uit de alliteratie:
| | | |
| 5,3; |
9,3 |
unz fyr útan kom |
| 5,5; |
9,5 |
ok fyr innan kom |
| 9,9; |
12,3 |
ok hann þat orđa |
| 13,9 |
|
ef ek ek međ þér |
| 27,3 |
|
en hann útan ṣtokk |
| 29,7 |
|
ef þú
đlaz vill. |
In overeenstemming met deze verzen lees ik ook:
| 1,3 |
|
ok síns hamars |
 |
| 3,7 |
|
ef ek minn hamar |
 |
| 16,5; |
19,9 |
en á briósti |
 |
| 19,3 |
|
ok ino mikla |
 |
| 24,3 |
|
ok fyr iǫtna |
 |
Hierbij sluiten zich de verzen aan, die met nema beginnen:
| 8,7 |
nema foeri mér |
 |
| 11,7 |
nema hánom foeri |
 |
| 18,7 |
nema þú þinn hamar |
 |
Indien men aan deze verzen een scansie geeft, zooals hier werd aangeduid, dan komen ook de talrijke gevallen van variatie en parallelisme tot hun recht. Daar deze dichter dergelijke stijlmiddelen met opzet zal hebben gekozen, zal hij ze ook zoodanig gescandeerd hebben, dat hun overeenkomstige bouw den hoorder in het oor viel. Maar dan blijkt tevens, dat de Þrymskviđa zich over het geheel door een buitengewoon regelmatigen bouw kenmerkt. Wij vinden strophen, waarin een aantal verzen geheel gelijk gescandeerd worden:
| 23. |
ganga hér at garđi |
 |
| |
gullhyrndar kýr, |
 |
| |
øxn alsvartir1) |
 |
| |
iǫtni at gamni; |
 |
| |
fiǫlđ á ek meiđma, |
 |
| |
fiǫlđ á ek menia: |
 |
| | | |
| einnar mér Freyio |
 |
| ávant þikkir |
 |
Zeer kenschetsend is str. 29
| inn kom in arma iǫtna systir, |
‖
 |
| hin er brúđfiár biđia þórđi: |
‖
 |
| láttu þér af hǫndum hringa rauđa |
‖
 |
| ef þú ǫđlaz vill ástir mínar |
‖
 |
| [ástir mínar alla hylli] |
[ ‖
] |
Hier zijn de even verzen alle van denzelfden vorm; het resultaat voor het gehoor is dit, dat de strophe schijnt te zijn samengesteld uit versparen, die met een gelijk rhythme eindigen; naar het mij voorkomt, een eigenaardigheid, die eerder past bij een modern rijmvers, dan bij allitereerende poëzie.
De accentuatie van dit Eddalied is merkwaardig gelijkmatig, om niet te zeggen eentonig. Bijna alle verzen zetten met een zwaar accent in en eindigen dikwijls met een sleepend rhythme. De uitzonderingen hierop zijn gering in aantal: van 258 verzen slechts 28. Onder deze vinden wij viermaal í iǫtunheima (7,4; 21,7; 26,8; 28,8), tweemaal er orðum fann (26,3; 28,3) en eveneens tweemaal hann engi maðr (8,5; 11,5). Overigens zijn het verzen, die met een partikel beginnen, zooals er, ok, um, of, sem, né (2, 5 en 7; 6,5; 14,5; 15,4; 22,4; 24,2; 25,7; 30,6; 31,5; 32,4) of met een relativum (24,8 þaer er konor skyldo).
In dit opzicht verdienen twee strophen bijzondere opmerkzaamheid en wel
| str. 4: |
þó myndak gefa þér, |
 |
| |
þótt ór gulli vaeri, |
 |
| |
ok þó selia, |
 |
| |
at vaeri ór silfri |
 |
| str. 32, 5-8: |
hon skell um hlaut |
 |
| |
fyr skillinga, |
 |
| |
en hǫgg hamars |
 |
| |
fyr hringa fiǫlđ. |
 |
Deze strophen, die geheel of bijna geheel beginnen met in- | | | | gangsdalingen, hebben een geheel ander rhythmisch beeld dan de overige. Ook wat hun inhoud betreft, zijn zij niet smetteloos. De eerste is zelfs zoo onbevredigend, dat Gering er een geheel nieuwe strophe voor in de plaats gedicht heeft1). De variatie is allerminst gelukkig, daar de anticlimax den indruk verzwakt; de voorstelling van een metalen vederhemd is ook bevreemdend. Ook de tweede helft van str. 22 is opvallend; na den ernst van het slot, waarin Þórr zijn geweldige kracht aan het reuzengeslacht laat gevoelen, komt dit komische trekje geheel onverwacht en eigenlijk te onpas. Het slotvers svá kom
ðins sonr endr at hamri zet de gedachte van 32,1-4 voort, niet die van 32,5-8. Gewoonlijk vat men dit humoristische toegiftje op als een bijzonder gelukkige vondst van den dichter; of men dit ook zou gedaan hebben, indien men niet van te voren van den ouderdom en de voortreffelijkheid van dit lied overtuigd was geweest? Zoowel wat den inhoud, als wat den metrischen vorm betreft, zou men geneigd zijn aan latere toevoeging te denken, maar ik durf toch niet verder te gaan, dan dit als een vermoeden uit te spreken.
De alliteratie van de Þrymskviđa geeft aanleiding tot eenige opmerkingen. Gering wijst in het Arkiv för Nordisk Filologi XL, 16 op een groot aantal gevallen, waar de alliteratie niet in overeenstemming is met de geldende regels. Hij spreekt zelfs van onbeholpenheid van den dichter. Van den Ent behandelt hetzelfde verschijnsel, maar, overtuigd van den ouderdom van het gedicht, put hij hieruit gegevens voor de beoordeeling van den oorspronkelijken vorm van het stafrijm, die veel vrijer zou zijn geweest. Bovendien zijn de talrijke kruisalliteraties hem een bewijs van de groote kunstvaardigheid van den dichter der Þrymskviđa.
Verschillende opvattingen staan dus tegenover elkaar. Ik wil mijn standpunt kort uiteen zetten. In de meerderheid van de verzen vinden wij niet het gewone aantal van drie, maar slechts
| | | | twee rijmstaven. Deze licentie bestaat evenwel in andere Eddagedichten ook; zij heeft dus wel van oudsher gegolden en mag aangemerkt worden als een kenmerk der Eddapoëzie in onderscheiding van de skaldentechniek. De armoede aan rijmstaven wordt aan den anderen kant opgewogen door vrij talrijke gevallen van kruisalliteratie. De voorbeelden hiervan zijn echter niet alle gelijk te beoordeelen. Soms komen zij het vers ten goede en zijn dan ook zeker door den dichter met opzet aangebracht. Hiertoe reken ik de streng parallel gebouwd verzen:
| 7,1-2: |
hvat er međ
sum? |
hvat er međ
lfum? |
| 28,5-6: |
fiolđ á ek meiđma |
fiolđ á ek menja |
Daarnaast komen als bijzonder geslaagde verzen in aanmerking:
| 2,7-8: |
né upphimins |
ss er stolinn hamri |
|
| 16,1-2: |
látum und hánom |
hrynia lukla (ook 19,5-6)1). |
Van geen beteekenis echter acht ik die verzen, waar een pronomen, dat niet in de heffing staat, met een ander woord allitereert, zooals bijv. het geval is in de verzen:
| 3,7-8: |
ef ek minn hamar |
maettak hitta |
| 18,7-8: |
nema þú þinn hamar |
þér um heimtir |
Deze verzen zijn op overeenkomstige wijze gebouwd: de rijmstaven zijn de zelfde en het rhythme is gelijk. De pronomina, die niet alleen in de daling staan, maar ook voor het zinsaccent van geenerlei beteekenis zijn, vallen reeds door hun enclitisch gebruik te weinig in het oor, om met een woord in het andere vers te allitereeren. Een dergelijke gelijkheid merkt men wel op het papier, maar niet bij het hooren der verzen op2).
Het is interessant hiernaast te plaatsen:
| 1,3-4: |
ok síns hamars um saknađi |
Het woord síns, dat in de daling staat en ook naar zijn betee- | | | | kenis van ondergeschikt belang is, draagt juist alleen den rijmstaf van het oneven vers en moet dus terwille van de alliteratie door een bijtoon naar voren worden gebracht1). Het is dan ook een vers, dat al zeer onbevredigend klinkt en ook nauwelijks door een beroep op hoogen ouderdom kan worden verdedigd. Indien men spreekt van onbeholpenheid van den dichter, dan geeft men van zulke verzen nog geen verklaring; integendeel de dichter, die om andere redenen door allen zoo hoog geprezen wordt, kan kwalijk in de techniek dezer poëzie zoo een stumper zijn geweest. Eerder zou men kunnen aannemen, dat hij dichtte, zooals hij meende, dat het kon of behoorde; dan zou hij gewerkt hebben in een tijd, waarin het gevoel voor den vorm van het alliteratievers aanmerkelijk verzwakt was2).
Nu kan ook eerst het volle licht vallen op twee versparen, die reeds verschillende malen zijn besproken.
| 1. |
vs. 1,1-2: |
reiđr var þá Vingþórr |
er hann vaknađi |
| |
13,1-2: |
reiđ var þá Freyja |
ok fnasađi |
Ik behoef er niet aan te herinneren, dat dit vers een belangrijke rol gespeeld heeft in de bewijsvoering, dat de Þrymskviđa zeer oud zou zijn. Immers het eerste vers zou een volmaakte alliteratie vertoonen, indien men in de plaats van reiðr las vreiðr. Maar hiertegen valt op te merken: a. het parallelle vers 13,1 zou met het invoegen van den ouden vorm niet gebaat worden. Indien hier reið buiten de alliteratie kan staan, dan is dit ook mogelijk in 1,1. Men zou echter deze tegenwerping kunnen ontzenuwen, door te zeggen, dat de dichter, juist uit het verlangen een parallelvers te maken, zich hier om het stafrijm minder bekommerd had en dat dit dan nog niet het geval behoefde te zijn geweest met het vers, dat tot voorbeeld diende. b. Het is geoorloofd, dat een niet zuiver attributief gebruikt bijv. nmw., ook al staat het in het begin
| | | | van een vers, niet aan de alliteratie deelneemt (vgl. E.A. Kock, Fornjermansk Forskning, § 12). c. Ook al zou men, op grond van de alliteratie, moeten besluiten tot het lezen van een vorm met v, dan zou het nog geen bewijs voor hoogen ouderdom zijn, want dit woord heeft in de poëtische traditie nog langen tijd de v behouden, ook nadat het in de spreektaal als reiðr werd uitgesproken (vgl. F. Jónsson, Norskislandske kultur- og sprogforhold i 9. og 10. årh. blz. 264-266). Er is dus niet voldoende reden, een vorm vreiðr in de plaats van den overgeleverden te zetten.
| 2. |
vs. 26, 5-6: |
át vaetr Freyja |
átta nóttom |
| |
28, 5-6: |
svaf vaetr Freyja |
átta nóttom |
Het laatst genoemde verspaar vertoont in het geheel geen alliteratie. Men heeft deze ongehoorde licentie op twee manieren pogen op te heffen. Gering meende, op grond van de door hem aangenomen, maar door Läffler met klem van redenen bestreden, alliteratie van v en vocaal, als rijmstaven te kunnen gebruiken vaetr: átta (zie ook Sijmons, Edda blz. CLXXIV). Dat de varieerende woorden hierdoor in de ingangsdaling zouden komen te staan, veroordeelt alreeds deze opvatting. Anders trachtte Läffler (Pipping's Studier i Nordisk Filologi IV, blz. 105 vlgg. en V, 5 blz. VI) deze moeilijkheid op te lossen. Hij wilde in het laatste vers átta emendeeren tot sjau. Vóór deze opvatting spreekt, dat men dan een regelmatige verdeeling der rijmstaven verkrijgt, nl. át: átta en svaf: sjau. Maar er zijn niettemin verschillende bezwaren. Allereerst maakt men aldus een drielettergrepig vers, welk type in de Þrymskviđa wel meer voorkomt, maar welks aantal men toch niet door emendatie moet vermeerderen. Indien men wil aannemen, dat men sjau tweelettergrepig zou kunnen lezen, dan geschiedt dit weer op grond van den wel algemeen aangenomen, maar niet bewezen, hoogen ouderdom van dit lied. Eindelijk wordt het schilderachtige parallellisme naar mijn oordeel ten zeerste geschaad, indien men een verandering in het getal aanbrengt en dit te meer, waar op de tweede plaats een kleiner aantal
| | | | nachten zou worden genoemd dan op de eerste. Een beroep op de afwijkende getallen der Þrymlur (waar van 18 en 14 nachten gesproken wordt, nl. III, 2 en 13) gaat niet op, daar hier juist het parallellisme verstoord is en de getallen bovendien geheel van die der Þrymskviđa afwijken1). Ik ben dan ook van meening, dat hier geen enkele reden tot emendatie aanwezig is. De verzen zijn voortreffelijk en niemand zou er aanstoot aan genomen hebben, indien men niet in een zoo oud gedicht, als men de Þrymskviđa vooronderstelde te zijn, een inbreuk op de regels van het stafrijm ontoelaatbaar had geacht. Wij moeten erin berusten, dat de dichter het parallellisme dezer verzen belangrijker achtte dan het stafrijm.
Eindelijk verdienen besproken te worden de gevallen van eindrijm in de Þrymskviđa. Merkwaardig zijn de regels 1,2 er hann vaknaði en 1,4 ok saknaði. Terwijl Sijmons (Edda blz. CCXLVI) dit rijm prijst om zijn ‘sinnfällige malerische Wirkung’, noemt Gering het toevallig - alweder een bewijs, hoe subjectief de Eddakritiek maar al te vaak is. Gering kwam tot deze wonderlijke opvatting, wijl hij een zoo eerbiedwaardig gedicht als de Þrymskviđa niet besmet wenschte te zien met een zoo modern kunstmiddel als het eindrijm. Toch zijn rijmen in de Eddapoëzie niet onbekend, hoewel zij inderdaad meermalen den indruk maken, bij toeval te zijn ontstaan. In een vers als Sig. sk. 3,5-6: Vǫlsungr ungi ok vega kunni heeft men den gelijken klank misschien nauwelijks opgemerkt. Gewoonlijk is het eindrijm echter een kunstmiddel, om twee naar inhoud en vorm parallel gebouwde verzen nog nauwer samen te binden. Dit rijm heeft zijn oorsprong, althans zijn grootste verbreiding, in de poëzie der magische formules en het is zeker niet toevallig, dat onder de toch altijd vrij zeldzame voorbeelden van eindrijm in de Edda juist eenige van dergelijke regels voorkomen:
| | | |
H v. |
85,1-2: |
brestanda boga brennanda loga |
| Skírn. |
28,3-4: |
á þik Hrímnir hari á þik hotvetna stari |
| HHu I, |
27,1-2: |
varđ ára ymr ok iárna glymr |
| Sigrdr. |
19,5-6: |
hveim er þaer kná óviltar ok óspiltar |
| Brot |
4,1-2: |
sumir ulf sviðo sumir orm sniðo. |
Dit zijn rijmen van tweelettergrepige woorden, terwijl de Þrymskviđa het zeer zeldzame geval van een drielettergrepig rijm vertoont. Mij zijn behalve dit voorbeeld alleen nog bekend:
| Guđr I, |
15,3-4: |
haddr losnaði |
hlyr roðnaði |
| Am. |
37,5-6: |
hǫmlor slitnoðo |
háir brotnoðo |
Maar van al deze voorbeelden wijkt toch het rijm der Þrymskviđa in één opzicht af: terwijl wij anders altijd het rijm zien optreden aan het eind van twee verzen, die samen een verspaar vormen, verbindt het in de Þrymskviđa twee versparen met elkander. Deze plaats van het rijm bewijst dan tevens, dat voor den dichter van dit Eddalied niet meer het korte vers, maar het verspaar de verseenheid was geworden, zoodat hij de strophe opbouwde uit twee of meer versparen. Dit nu kan, zooals wij boven reeds opmerkten, onmogelijk zoo heel oud zijn. Een dergelijk rijm is eerder als tamelijk jong te beschouwen. Het staat in dit Eddalied niet op zich zelf; ik zou er ten minste de volgende aan willen toevoegen, die wel niet zoo duidelijk zijn, maar toch in het licht van 1,2-4 bezien, bewijzen, dat de versparen en niet de enkele verzen met elkaar in verbinding worden gebracht:
| 10,1-4: |
hefir þú ørindi |
sem erfiði |
| |
seg þú á lopti |
long tíðindi. |
| 25,3-6: |
hvar sáttu brúđu |
bíta hvassara |
| |
sáka ek brúđu |
bíta breiðara1). |
Betreffende den metrischen bouw van de Þrymskviđa merken wij dus op, dat deze zeer eenvoudig en gelijkmatig is, hier en daar zelfs eentonig. Het vers zet gaarne zwaar in, om dan in een of meer onbetoonde lettergrepen uit te loopen;
| | | | het einde
is opmerkelijk frequent. Verschillende strophen bestaan uit geheel of grootendeels gelijk gebouwde verzen en deze zijn van dien aard, dat de indruk gewekt wordt, dat het verspaar voor den dichter als eenheid gegolden heeft (vgl. str. 29). De alliteratie is zeer vrij toegepast; de dichter veroorlooft zich allerlei licenties, die in andere Eddaliederen in veel mindere mate worden gebruikt. Soms dicht hij verzen, die geen alliteratie hebben (13,1-2), of zeer gebrekkig zijn (1,3-4). De dichter schijnt de rijmstaven niet meer als een organisch element van het alliteratievers te voelen, maar eerder als een ornament te beschouwen. Dit alles verraadt een dichter, die werkzaam was in een tijd, toen het oude alliteratievers in verval was geraakt. Dit kan men, blijkens het bewust gebruik van eindrijm, aanvullen met de opmerking, dat in zijn tijd het rijmvers een belangrijke plaats naast de oude poëzie moet hebben veroverd.
| |
2. De Taal
Ook de taal van de Þrymskviđa zou bewijzen, dat dit lied zeker tot aan de IXe eeuw terug reikt. De argumenten zijn de volgende:
| 1. | Het gebruik van ongecontraheerde vormen.
a. Indien men verzen, die uit drie lettergrepen bestaan nader beschouwt, dan blijkt het soms, dat zij door het invoegen van oudere vormen, vierlettergrepig kunnen worden gemaakt.
| Aldus |
17,2: |
þrúđugr áss (<
sur) |
| |
18,3: |
þegi þú, Þórr (< Þonarr) |
Voor de weerlegging van deze bewering verwijs ik naar Hj. Lindroth, Namn och Bygd 1916 blz. 164 vlgg.
b. Vormen als féar (29,3 en 32,3) en léa (3,6). Het handschrift heeft de vormen fiár en liá. Ook al is het waarschijnlijk, dat men deze vormen als tweelettergrepige moet lezen, dan bewijzen zij nog niets voor den ouderdom van het gedicht. In een jong gedicht als Guđr II vinden wij
|
| | | |
| ook 25,3 fiǫlð allz féar. Neckel heeft Beiträge blz. 450 deze vormen terecht verklaard door een poëtische traditie (vgl. het betreffende vreiðr opgemerkte). Maar ook een andere verklaring is mogelijk. In Noorweegsche dialecten wordt de hiaat tusschen twee op elkander volgende vocalen nog langen tijd bewaard, vooral als de eerste klinker sterk accent heeft. Met name is dit het geval met féar, dat tot omstreeks 1350 steeds aldus wordt geschreven en dus ook zoo zal zijn uitgesproken (vgl. M. Haegstad, Gamalt Trøndermaal, Vid. Selsk. Skr. Kristiania, Hist. fil. Kl. 1899 Nr. 3 blz. 33). |
| 2. | De vorm vreiðr, dien men in 1,1 aangenomen heeft. Ook hier geldt dezelfde verklaring als voor 1b. Hij kan berusten op poëtische traditie, maar in Noorweegsche dialecten (bijv. in Setesdal) wordt tot op den huidigen dag de v in deze positie nog uitgesproken. |
Nadat men deze argumenten heeft moeten opgeven, heeft men er later weer andere aan toegevoegd. Neckel, Beiträge blz. 50 zegt in zijn betoog over den ouderdom der Þrymskviđa: Hapax legomena sind kvenváðir, typpa, þrúðugr, óðfúss, brúðfé, (nach Detter - Heinzel). Maar een dergelijke opsomming bewijst weinig, daar een woord nog niet tot een oudere periode der taal behoort, indien het slechts eenmaal voorkomt. De hier genoemde woorden schijnen mij al heel weinig bewijskrachtig.
| kvenváðir 16,3. Dit woord is eerder als een jongere samenstelling te beschouwen, overeenkomend met kvenklaeði, kvenfǫt, anderzijds met herváðir en nijsl. fiskivoðir. Ik acht het wel mogelijk, dat de dichter dit woord gekozen (of gemaakt?) heeft als een grappige tegenstelling tot de krijgshaftige herváðir, die den machtigen Þórr beter zouden passen. |
| typpa 16,8. Dat een woord als dit niet in de literaire taal voorkomt, is niet bevreemdend. Het kan daarom wel in de omgangstaal bekend zijn geweest; de Noorweegsche wetten noemen typpingsdúkr en typtklaeði, waarmede hooge pyramidevormige hoofddoeken bedoeld zullen zijn geweest, die
|
| | | |
| nog lang op IJsland werden gedragen. Neg heden kent het IJslandsch een werkwoord typpa ‘als een knop ergens op zetten’; in het Noorweegsch heeft het de beide beteekenissen ‘de top ergens afnemen’ en ‘ergens een punt aanmaken’. In Setesdal kent men nog de typlebaand ‘band om het haar’. Is deze opvatting de juiste, dan wijst een dergelijke mode zeker niet op de IXe eeuw. |
| þrúðugr 17,2. Naast de bekende woorden þrúðinn þurs, þrúðhamarr (naam voor Mjǫllnir in de Lokasenna), den eigennaam Þrúðheimr (Þórr's woning volgens Grímnismál), þrúðmóðugr (van een reus gezegd in Hárbarđsljóđ), is dit hapax niet zoo vreemd. Het nieuwijslandsche þrúðugur is mogelijk een herinnering aan ons gedicht. |
| óðfúss 26,7. Daarnaast staat de afleiding óðfúsi, dat in de saga's gebruikt wordt. |
| brúðfé 29,3. Dit is ook niet een woord, dat zoo overoud, zelfs zoo zeldzaam behoeft te zijn; het is de naam voor het geschenk van de bruid aan de verwanten van den bruigom. Fritzner verwijst s.v. naar enkele bronnen, waarin van een dergelijk gebruik op het Noorsche platteland gesproken wordt; maar ik kan die boeken niet raadplegen. Wel lees ik in de nagelaten aanteekeningen van Landstad, uitgegeven onder den titel Fra Telemarken, Skik og Sagn (Norsk Folkeminnelag XV) blz. 45, dat de bruid op het eind van den bruiloft aan verwanten en ambtenaren ‘brudegaver’ uitdeelde, die in wanten en linten bestonden. - Het woord is overigens zeer doorzichtig. S. Blöndal in zijn Islandsk-dansk Ordbog I, 113 vermeldt het woord brúðfje, maar als verouderd. Dit bewijst toch wel, dat het voor een Eddalied geen bijzonder hoogen ouderdom kan aangeven. |
Eindelijk hecht Neckel zeer veel waarde aan de uitdrukking 24,1-2: var þar at kveldi um komit snimma, die hij door de verbinding met het volgende verspaar ok fyr jǫtna ǫl fram borit, aldus wil verklaren, dat var hier een schrijffout voor varð is en wij dus een plusquamperfectum van een intransi- | | | | tief werkwoord, vervoegd met verða, zouden moeten aannemen. Dit wordt bestempeld als een ‘typisch fossiel’, dat door zijn poëtischen vorm bewaard zou zijn gebleven. Ter vergelijking wordt o.a. aangevoerd Heliand 5748 thuo warth âband cuman. Er staat echter geen varð, maar var en wij moeten geen fossielen construeeren, waar de overlevering ze niet kent. Indien wij vertalen: ‘toen was de avond gekomen en het bier opgediend’, dan zien wij, wat het eigenaardige van dezen zin is: een, stellig foutieve, maar in onze spreektaal nog veelvuldig voorkomende, ellips bij de verbinding van een overgankelijk en een onovergankelijk werkwoord. Die verzen der Þrymskviđa zouden dus even goed jong kunnen zijn. Er is bovendien nog een andere vertaling mogelijk: ‘men was daar 's avonds vroeg aangekomen’; deze wordt verdedigd door Heusler in Gött. gel. Anz. 1903 blz. 699 en F. Jónsson in Arkiv f. Nord. Fil. XLIV, blz. 250.
Tegenover deze vermeende bewijzen van hoogen ouderdom steekt de datiefvorm Þór vreemd af. Men heeft daarom vs. 9,7 moetti hann Þór geëmendeerd tot: moetti Þóri en het daarmee herschapen tot een kenteeken van ouderdom1). Dit is natuurlijk niet geoorloofd, te meer waar men de geheele overlevering tegen zich heeft. Wanneer Bragi nog den vorm Þóri gebruikt en dit in de Þrymskviđa niet het geval is, dan kan men op grond der overlevering niet anders concludeeren, dan dat dit Eddalied jonger is.
Hierop wijst eveneens de vorm þekði 31,4 in plaats van het oude praeteritum þátta. Reden tot emendatie is hier al evenmin2).
| |
3. De verhouding tot andere Eddagedichten
Er zijn reeds talrijke overeenstemmingen met andere Eddaliederen aangewezen, maar ondanks het materiaal, dat tot ver- | | | | gelijking is verzameld, zijn de resultaten van dit onderzoek over het geheel nog zeer onzeker. Tusschen de onderzoekers heerscht hier een groot verschil van opvatting. De voornaamste moeilijkheden, die zich hierbij voordoen zijn: 1. de beoordeeling van de afhankelijkheid der eene plaats ten opzichte van de andere is in vele gevallen volkomen subjectief. Men vindt vaak de beide tegenovergestelde meeningen met evenveel stelligheid uitgesproken; 2. de dateering der Eddaliederen is nog zoo onzeker, dat men voor het beoordeelen der relatieve chronologie te weinig gegevens heeft.
Wij zullen de voornaamste gevallen bespreken.
Met de godenliederen vertoont de Þrymsk viđa merkwaardigerwijze slechts weinig punten van overeenstemming.
De Hymiskviđa, waarin ook een avontuur van Þórr wordt verhaald, komt het eerst in aanmerking, om te worden vergeleken. De eenige plaats van beteekenis is deze:
| Hym. 15,5-8 |
Þrkv. 24,5-10 |
| át Sifiar verr, áđr sofa gengi einn međ ǫllo øxn tvá Hymis. |
Einn át oxa átta laxa,
krásir allar þaer er konor skyldo drakk Sifiar verr sáld þriú miađar. |
Gewoonlijk vat men de verzen der Hym. als jonger op, dan die der Þrkv. Ik betwijfel, of men op grond van de verzen zelf, tot deze conclusie zou zijn gekomen, indien men niet reeds van te voren overtuigd was geweest van den hoogen ouderdom der Þrkv. De overeenstemming bepaalt zich hiertoe, dat in beide gedichten Þórr een geweldigen eetlust toont, waarin hij nog de reuzen overtreft. Wij mogen aannemen, dat de eigenschap der onverzadelijkheid oorspronkelijk aan de reuzen toekomt (misschien wijst de naam iǫtunn er nog op, als het germ. *etanaz terecht met ‘eten’ verbonden wordt). Maar Þórr, die in alles de trollen overwon, moest hen ook hierin de baas zijn. Bijzonder heidensch behoeft deze trek niet te zijn; hij behoort eerder thuis in sprookje en volkssage. Beide gedichten noemen Þórr gaarne Sifiar verr, een benaming, die op zich zelf geen nadere verwantschap kan bewijzen, te meer daar zij ook elders voor- | | | | komt: in Grettirs AEfikviđa (waarvan de echtheid echter zeer twijfelachtig is) staat in str. 7 hjǫlp Sifjar vers (= lijsterbes); in een gedicht over Þórr door Eysteinn Valdason (van omstreeks 1000) heet hij Sifjar rúni. De bewijskracht voor de afhankelijkheid van het eene gedicht ten opzichte van het andere moet dus vooral in de gebruikte woorden of in de bijzonderheden der voorstelling gelegen zijn. In dit opzicht is de Hym. evenwel eenvoudiger en minder burlesk dan de Þrkv. Zij vertelt niet anders, dan dat Þórr twee ossen opeet; de Þrkv. spreekt van een os en daarenboven van acht zalmen, alle krásir en drie tonnen mede. Indien wij deze gedichten vergelijken met de talrijke Middeleeuwsche balladen, die dit tooneeltje met voorliefde beschrijven (vgl. de plaatsen bij Bugge - Moe, Torsvisen i sin norske
form blz. 45-47 en mijn Studiën over Faerösche balladen blz. 227-230), dan zien wij, dat de Þrkv. geheel aan den kant der folkeviser staat en de Hym. een meer epischen stijl vertoont. Nu kan men wel hiertegen opmerken, dat de bewijskracht dezer balladen niet zeer groot is, daar zij onder den invloed kunnen staan van de Þrkv., maar er kan in allen geval uit blijken, dat een dergelijk tooneeltje in den smaak der latere Middeleeuwen viel.
De vergelijking der beide Eddaplaatsen kan m.i. nauwelijks tot een ander resultaat voeren, dan dat de Þrkv. aan de Hym. ontleend heeft. Neemt men de omgekeerde verhouding aan, dan laat men zich door literairhistorische overwegingen leiden. Wij kunnen hiervan uitgaan, dat beide gedichten op de een of andere manier samenhangen; hetzij zij uit een zelfde streek of uit den zelfden tijd stammen, hetzij het eene onmiddellijk op het andere teruggaat. Indien de dichter der Hym. aan de Þrkv. dit tooneeltje zou hebben ontleend, dan zou hij een, voor een Middeleeuwsch dichter opmerkelijke ingetogenheid hebben betracht, door zijn voorbeeld zoo sober na te volgen.
De Vǫluspá vertoont ook eenige punten van overeenkomst.
| 1. Þrkv. 7,1-2: |
hvat er međ ásom |
= Vǫl. 48,1-2. |
| |
hvat er međ álfom? |
|
| | | |
Deze gelijkheid is zeker niet toevallig. Mij dunkt het 't waarschijnlijkst, dat deze verzen oorspronkelijk in de Vǫl. thuishooren, daar hier een bijzondere aanleiding bestaat tot deze verontruste vraag; immers er volgt onmiddellijk op: gnyr allr iǫtunheimr, aesir ro á þingi. Ook de Þrkv. spreekt van de wereld der reuzen, maar in de tamme versregel: hví ertu ein kominn í iǫtunheima? Indien deze verhouding der gedichten juist is, dan zou blijken, dat de dichter der Þrkv. verzen aan andere gedichten ontleent, om aan zijn verhaal eenig relief te geven, waarbij hij zich te weinig rekenschap geeft van de eigenlijke portée der verzen.
2. De formule Þrkv. 2,6-7: iarðar hvergi né upphimins herinnert aan Vǫl. 3,5-6: iǫrð fannz aeva né upphiminn. Zij komt ook voor Vafþr. 20,4-5: hvaðan iǫrð um kom eða upphiminn en in Oddr. 17,5-6: iǫrð dúsaði ok upphiminn, Het is eveneens een epische formule in de Westgermaansche epiek, vgl. Wessobrunner gebet 2: dat ero ni uuas noh ûfhimil; verder Heliand vs. 2886, Andreas vs. 799. De Þrkv. wijkt van al deze gedichten hierin af, dat de formule, die in zich zelf allitereert en dus een verspaar behoort te vullen, over twee tot verschillende paren behoorende verzen wordt verdeeld; dit is stellig een argument tegen de oorspronkelijkheid van dit gedicht. Samenhang in het bijzonder met de Vǫluspá blijkt nog hieruit, dat in deze beide gedichten de woorden iǫrð en upphiminn door né worden verbonden, terwijl dit elders door een aaneenschakelend zinsverband geschiedt.
| 3. Þrkv. 14,1-4: |
senn vóro aesir allir á þingi ok ásynior allar á máli. |
Vǫl. 23,1-4: |
þá gengo regin ǫll á rǫkstóla, ginnheilog gođ, ok um þat gaettuz. |
Het is niet noodig, hier aan een directe ontleening te denken; daarvoor is de woordenkeus te verschillend. Slechts kan men dit opmerken, dat een op zoo plechtige wijze samengeroepen godenvergadering in den noodtoestand, dien de Vǫluspá beschrijft, volkomen past. Daarentegen schijnen zij mij in de
| | | | Þrkv. niet die beteekenis te hebben, terwijl het vermelden van de ter bijeenkomst aanwezige godinnen niet den indruk van ernst wekt.
In de Vegtamskviđa (Baldrs draumar) komen dezelfde verzen voor, als Þrkv. 14,1-4. Zij leiden hier het gedicht in. Ook in dit geval neemt men gewoonlijk aan, dat de Þrkv. deze verzen het eerst zou hebben gehad. Dit toegegeven, is daarmee niet veel gewonnen, daar men Baldrs draumar algemeen in de tweede helft der XIIe eeuw dateert1). De Þrkv. is dan ouder, maar hoeveel ouder blijkt niet. Indien dit Eddalied ongeveer drie eeuwen eerder was gedicht, dan begrijpt men nauwelijks, hoe een dichter, die iets van Balder vertelde wilde, op het zonderlinge idee kwam, een verspaar uit de Þrkv. te halen en dat nog bovendien op een zoo prominente plaats te zetten. Begrijpelijker zou het in allen geval zijn, wanneer deze gedichten in denzelfden tijd ontstaan waren. Naar mijn meening past deze pompeuze aanhef beter bij de Baldrs draumar, dan in de Þrkv. en ik zou daarom geneigd zijn aan te nemen, dat de verzen hier zijn gemaakt naar het voorbeeld van de Vǫl. en vervolgens in de Þrkv. zijn overgegaan2).
F. Jónsson, Lit. Hist. I, 150 wijst nog op de gelijkheid der verzen Þrkv. 9,1-2: þá fló Loki, fjaðrhamr dunði en Bdr. 3,5-6: fram reið Όðinn, foldvegr dunði. Maar het werkwoord dynja, dat in beide regels genoemd wordt, is toch niet voldoende, om een naderen samenhang te bewijzen; misschien zou de gelijke bouw der versparen er nog voor kunnen pleiten. Er is dan in elk geval op te letten, dat het verspaar van Bdr. metrisch beter is dan dat der Þrkv.
De Lokasenna kan in dit verband ook nauwelijks worden genoemd. Dit gedicht gebruikt eveneens een enkele maal den naam Hlórriða en evenals Freyia in Þrkv. 13,7-8 vergiarnasta ge- | | | | noemd wordt, treft Lok. 17,2-3 deze beschuldiging Iđunn. De overeenstemming berust uitsluitend in het woord; de dichter der Lok. gebruikt het ook van Frigg (str. 26,3 [þú] hefir ae vergiǫrn verit) en het past volkomen in zijn voorstelling der goden en godinnen. Betreffende de onderlinge verhouding der gedichten is niets met zekerheid te zeggen.
Met verschillende heldenliederen heeft de Þrkv. grootere overeenstemmingen. Hiertoe reken ik voornamelijk Brot, Guđr I en III, Vǫlkv.
De Helgakviđa Hjǫrvarđssonar wil ik echter eerst bespreken.
| 1. Þrkv. 10,1-2: |
Hefir þú ørendi sem erfiđi? |
HHj 5: |
hǫfum erfiđi ok ekki ørindi. |
| 11,1-2: |
Hefi ek erfiđi ok ørindi. |
|
De overeenstemming bestaat ook hierin, dat er in beide gedichten van een bodetocht sprake is; maar die tocht heeft in elk van hen een geheel ander doel. Het komt mij vreemd voor, dat de dichter der HHj bij het beschrijven van Atli's bodetocht aan dien van Loki zou gedacht hebben. Ik acht het eerder waarschijnlijk, dat hier een vaste formule gebruikt is, waarin de woorden ørindi en erfiði voorkwamen. Maar het verbinden van deze woorden is dan alleen werkzaam, wanneer zij in tegenstelling tot elkaar worden gebruikt, zooals wij het ook in de prozaliteratuur herhaaldelijk vinden. Zoo in de lafs saga ins helga: kvóðust haft hafa mikit erfiði ok ekki á leið komit. Dan heeft de dichter der HHj de uitdrukking gebruikt, zooals die in den volksmond luidde, terwijl zij in de Þrkv. aan de eischen van de vertelling werd aangepast. Maar ook hier zien wij, dat hij geen juiste maat weet te houden: hij ontneemt er de pointe en geeft er toch een sterk relief aan, door ze in vraag en antwoord te varieeren.
2. In beide gedichten wordt gesproken van gullhyrnðar kýr (Þrkv. 23,2; HHj 4,3); het verband is echter geheel anders. Ook elders wordt in de on. literatuur van dergelijke koeien gesproken, bijv. Heilagramanna sǫgur: Þórr goðd! ef þú gjörir
| | | |
mik heilan, þá mun ek foera þér gullhyrnðan oxa. Voor het bewijzen van eenigen samenhang is deze plaats al evenmin geschikt als de vorige1).
Het Brot, ook wel genoemd Sigurđarkviđa en forna, vertoont in enkele opzichten overeenkomst met de Þrkv.
| 1. |
Þrkv. 2,1-2; 3,3-4; 9,9-10; 12,3-4 = Brot 6,3-4 |
| |
ok hann þat orđa, allz fyrst um kvađ. |
|
| 2. |
31,1-2: |
Hló Hlórriđa Br. hugr í briósti. |
10,1-4: |
Hló þá Brynhildr, boer allr dunđi, eino sinni af ǫllum hug. |
| 3. |
24,1-4: |
var þar at kveldi um komit snimma, ok fyr iǫtna ǫl fram borit. |
12,1-2: |
fram var kvelda, fjǫlđ var drukkit. |
De overeenstemmingen zijn zeer zwak; de laatste berust alleen op gelijkheid van situatie2). De tweede heeft iets meer beteekenis; wij stellen de bespreking uit tot de behandeling van Guđr. III. Eindelijk is de eerste overeenstemming zeker niet toevallig, maar deze inquitformule komt ook voor in Oddrúnargrátr, str. 3 (gevarieerd in str. 8,7-8), terwijl te vergelijken is Grottasǫngr 7,1-2; en hann ekki kvað orð it fyrra. In Brot komt zij eenmaal voor, in Þrkv. en Oddr. wordt zij gebruikt als een formule en heeft dus geen praegnante beteekenis meer. Maar het allz fyrst in de Brotstrophe heeft haar volle waarde: zij drukt uit, dat de gedachte ‘Waar is Sigurd nu?’ zich vóór alle andere aan Guđrún opdringt. Er spreekt hier dus meer voor afhankelijkheid van de Þrkv. (en Oddr.)
| | | | van Brot, dan omgekeerd1). Voor de dateering is daarmee niet veel gewonnen, daar men het over den tijd, waarin het Brot gedicht werd, niet eens is. De kwestie is te moeilijker, omdat er schijnt te moeten worden aangenomen, dat een oorspronkelijk gedicht later werd omgewerkt en verbreed. Het oude lied wordt meestal zeer vroeg gedateerd: in de Xe, ja zelfs in de IXe eeuw2).
De Oddrúnargrátr heeft behalve de zoo even besproken inquitformule nog een paar plaatsen, die aan de Þrkv. herinneren:
| 1. |
3,5-6: |
ok hon inn um gekk endlangan sal, |
vgl. Þrkv. 27,4 |
| |
9-10: |
ok hon þat orđa allz fyrst um kvađ. |
Þrkv. 2,1-2 enz. |
| 2. |
32,1-3: |
þá kom in arma út, skaevandi móđir Atla. |
Þrkv. 29,1-2: |
inn kom in arma iǫtna systir |
| 3. |
34,7-8: |
nú er um genginn grátr Oddrúnar. |
Þrkv. 32,9-10: |
svá kom đins sonr endr at hamri. |
Ofschoon de laatste twee plaatsen op zich zelf beschouwd weinig bewijskracht hebben, meen ik toch, dat de overeenkomstige plaats in het gedicht - in beide gevallen geheel aan het eind - er op wijzen kan, dat hier ontleening moet worden aangenomen. Een slotvers, dat het einde van het verhaal aankondigt, vinden wij zelden in de Eddapoëzie; een derde kenschetsend voorbeeld is Guđr. III, 11, 7, dat ik straks bespreken zal3). Het ziet er naar uit, dat Oddr. hier aan Þrkv. heeft ontleend, daar hier de uitdrukking minder eenvoudig is. In dat geval zou men mogen aannemen, dat ook de inquitformule uit de Þrkv. stamt (de ontwikkeling was dus Brot → Þrkv. → Oddr.). De dateering van Oddr. is weer volkomen onzeker; ze varieert tusschen de XIe en XIIIe eeuw; ik voor mij meen, dat de
| | | | laatste dichter bij de waarheid ligt dan de eerste1). Voor de dateering van Þrkv., dat tot de bronnen van dit gedicht kan hebben behoord, is dus voorloopig weinig gewonnen.
Het Eerste Gudrunlied.
| 1. |
Þrkv. 18,3-4: |
þegi þú, Þórr þeira orđa. |
Guđr. I, 24,3-4: |
þegi þu, þióđleiđ þeira orđa. |
| 2. |
27,7-8: |
þikki mér ór augom (eldr of) brenna. |
27,3-5: |
brann Brynhildi, Buđla dóttur, eldr ór augum, eitri fnoesti. |
De verhouding dezer plaatsen is niet zoo gemakkelijk te beoordeelen. Dat er met betrekking tot de eerste een nauwe samenhang kan bestaan, mag men afleiden uit de omstandigheid, dat alleen in deze twee gedichten deze formule optreedt. Verder valt op te merken, dat de metrische vorm van Guđr. I beter is dan die van Þrkv.; hij bewijst bovendien, dat er voor de verandering tot þeggi þú, Þórr, zooals Pipping, Bidrag blz. 106 voorstelt, geen voldoende reden bestaat. De tweede plaats kan echter een toevallige gelijkheid zijn; de uitdrukking is zoo eenvoudig, dat zij wel door twee dichters kan zijn gebruikt, zonder dat zij iets van elkaar wisten. Alleen zou op samenhang kunnen wijzen, dat in de strophe van Guđr I nog voorkomt eitri fnoesti. Dit herinnert aan het ok fnasaði van Þrkv. 12,1, daar gezegd van Freyja, hier van Brynhild. Wel is waar staat het in de Þrkv. in een anderen samenhang dan in de Guđr. I en is het geheel van het ‘branden der oogen’ gescheiden, maar hier tegenover verdient te worden gelet op het zeer zeldzame gebruik der werkwoorden fnasa en fnoesa in de Edda: behalve in deze twee gedichten alleen in Fáfnismál 18, 12).
| | | |
Men zou nog kunnen aanvoeren, dat Þrkv. en Guđr I beide het woord harðhugaðr gebruiken. Het laatste gedicht bezigt het een paar maal (5,5; 11,5 vgl. 2,3 harzhugar). Van hier kwam het weer in Guđrúnarhvǫt 1,5. De Þrkv. gebruikt het in str. 31,3 van Þórr, op het oogenblik, dat hij zijn hamer terug krijgt. In de skaldenpoëzie komt het nergens voor. Fritzner noemt alleen voorbeelden uit het Noorweegsche Homiliubók. Dit alles zou kunnen pleiten voor een verband tusschen Þrkv. en Guđr. I. Het schijnt een tijd lang als epitheton van Guđrún geliefd te zijn geweest; dit op zich zelf bewijst natuurlijk nog niet, dat de Þrkv. het nu ontleend zou moeten hebben. Wel verdient het opmerking, dat de Guđr. I het gebruikt in verband met een paar verzen, die als een soort refrein worden aangewend (2,5-7 5,1-3 11,1-3, vgl. bovendien 5,4-6 11,4-6); ook de Þrkv. houdt van zulke herhalingen.
Voor de dateering levert de samenhang tusschen beide gedichten voorloopig weinig houvast. Terwijl F. Jónsson en Paasche als tijd van oorsprong het eind der Xe eeuw aannemen, beweert Mogk, dat het niet vóór 1100 kan zijn geschreven. Ook E. Noreen en R.C. Boer beschouwen het als jong; de laatste dateert het zelfs in de XIIe eeuw.
Op de overeenstemmingen met de Guđrúnarkviđa III heeft Neckel (Beiträge blz. 51 vlgg.) reeds gewezen.
| 1. |
Þrkv. 31,1-2: |
Hló Hlórriđa hugr í briósti |
Guđr. III, 10,1-2: |
Hló þá Atla hugr í briósti. |
| 2. |
32,9-10: |
Svà kom đins sonr endr at hamri. |
11,7-8: |
svá þá Guđrún sinna harma. |
Hier bevinden wij ons eindelijk op zeker terrein. Immers zulke overeenstemmingen in twee opeenvolgende strophen kunnen moeilijk toevallig zijn. Daarbij komt, dat een slotvers, zooals deze gedichten hebben, in de Edda elders niet wordt aangetroffen; het slot van den Oddrunargrátr, dat wij reeds vergeleken hebben, is wel naar de beteekenis, maar niet naar den vorm hiermee in overeenstemming. Wij hebben dus het volste recht hier aan een ontleening te denken. Maar aan welken
| | | | kant had die plaats? Beide verzen passen volkomen in elk der gedichten. Het is ook even onverklaarbaar, dat de dichter van Guđr. III, die van de Christelijke ketelproef vertelt, gebruik zou hebben gemaakt van een lied, waarin een avontuur van Þórr beschreven werd, als wanneer het omgekeerde had plaats gehad. Bovendien is de dateering van Guđr. III weer geheel onzeker; de schattingen varieeren tusschen de Xe en XIIIe eeuw. Wij zouden de overeenstemming tusschen beide gedichten het best kunnen verklaren door aan te nemen, dat het eene op het andere invloed heeft uitgeoefend, ook al is het onderwerp, dat zij behandelen, geheel verschillend, hetgeen vooral dan kan gebeuren, wanneer zij in dezelfde periode zijn ontstaan.
Deze opvatting staat dus in tegenspraak met de beschouwingen van Neckel, Beiträge blz. 54. Na uiteengezet te hebben, dat de beide hier genoemde Guđrúnliederen pathetisch en elegisch zijn, vervolgt hij: ‘De menschen, die met zulke oogen de oude heldenwereld aanzagen, hadden zeker geen gedicht als de Þrymskviđa kunnen voortbrengen. Dit zijn twee zeer verschillende werelden!’ Zulke aprioristische beweringen moest men in een ernstige bewijsvoering liever vermijden. Men maakt het zich wel gemakkelijk, wanneer men de Noordgermaansche oudheid in bepaalde perioden verdeelt en ieder van hen een bepaald stempel opdrukt. Is dit geschied, dan is elk gedicht gemakkelijk in te deelen. Maar het leven is nu eenmaal heel wat samengestelder, in de vroege Middeleeuwen niet minder dan in onzen modernen tijd! Waarom zou het onmogelijk zijn, dat in den tijd der bekeering de eene dichter pathetisch het zinkende heidendom beklaagde, een tweede hardnekkig het oude geloof verdedigde, een derde jubelend het Christendom beleed? Ja zelfs, waarom kon dezelfde mensch die verschillende gevoelens niet beurtelings in zijn geest herbergen? In tijden van zulke geestelijke onwentelingen wordt de ziel vaak tusschen uitersten heen en weer geslingerd. Hetzelfde geldt trouwens van de Wikingromantiek in de XIIe en XIIIe eeuw; naast verheerlijking van den ouden heldenmoed
| | | | (die tot het behagen scheppen in dierlijke wreedheid zich kon verlagen, vgl. de Ragnarssaga), kon staan een romantisch dweepen met antiquiteiten (de Friđþjófssaga), en ook een verstandelijk spel met de reeds lang tot dichterpronk geworden mythologie, zoowel als een innig geloof in de idealen van het Christendom. Indien wij dit wisselende spel van stemmingen en levensverhoudingen onderkennen en verklaren, dan eerst hebben wij het verleden begrepen en het in onzen geest tot leven gewekt.
Eindelijk zou ik willen wijzen op een aantal overeenstemmingen met de Vǫlundarkviđa. Zij zijn in dit geval echter van anderen aard. Maar zelden treffen wij een letterlijke gelijkheid, zooals Vǫlkv. 21,5 fiǫlð var þar menia en Þrkv. 23,6 fiǫlð á ek menia, of de uitdrukking endlangan sal, die wij vinden Vǫlkv. 7,4; 16,2; 30,4 en Þrkv. 27,4 (en ook Oddr. 3,6). Daarnaast staan formeele eigenaardigheden. Evenals de Þrkv. maakt de Vǫlkv. een ruim gebruik van parallelle versrijen, die in denzelfden of in iets gewijzigden vorm worden herhaald; voorbeelden zijn: 4,1-2 8,5-8; 7,3-4 16,1-2 30,3-4; 21,1-4 23,5-8; 24,1-25,8 34,5-36, 4; 40,1-4 41, 1-4. Dergelijke uitgebreide refreinachtige herhalingen zijn in de Eddapoëzie niet zoo talrijk; met de Þrkv. en de Vǫlkv. kan zich alleen nog meten de Skírnismál, waar wij echter hoofdzakelijk het gebruik beperkt vinden tot vraag en antwoord. Het komt mij voor, dat wij hierin niet een ouden epischen trek mogen zien. Met den stijl der Germaansche epiek strookt dit niet. Deze was te aristocratisch voor een zoo gemakkelijke hanteering van het taalmateriaal; haar streven is niet de gelijke momenten der handeling door overeenkomstige woordenkeus te accentueeren, zij wenscht veeleer een innerlijke beweging bij een rustig voortschrijden der gebeurtenissen; een telkens teruggrijpen op het reeds gezegde, gepaard met een gelijktijdig voorwaartsgaan. De verstarring der handeling tot gelijkgebouwde typische momenten vinden wij daarentegen zeer sterk ontwikkeld in de balladenpoëzie; een populaire kunst
| | | | bij uitnemendheid. En het is aan de techniek der folkevise, dat mij de hier genoemde Eddaliederen het sterkst herinneren.
Behooren dus de Vǫlkv. en de Þrkv. tot een gelijksoortige groep van gedichten, daar komt nog bij, dat wij telkens bij het lezen van het eerste lied aan het andere worden herinnerd. Wanneer in str. 10 en 11 beschreven wordt, dat Vǫlundr een der ringen mist en daarna ingeslapen, weer tot zijn smart ontwaakt, dan herinneren de woorden vaknaði: saknaði, ofschoon over twee strophen verdeeld, toch wel duidelijk aan den aanhef der Þrkv. Dit te meer, omdat wij in dit gedeelte der Vǫlkv. ook hooren vertellen van zwanenjonkvrouwen (vgl. svanfiaðrar dró), evenals in de Þrkv. van een fiaðrhamr sprake is. Het motief der svanmeyjar, zoo geliefd in de latere volksliteratuur, kan reeds vrij oud zijn; of het terugreikt tot den heidenschen tijd meen ik te mogen betwijfelen. Maar met alle stelligheid ontken ik, dat de fiaðrhamr van Freyja een motief zou zijn, zoo oud, als men de Þrkv. gewoonlijk dateert. Terwijl het veerenkleed in de balladenliteratuur overbekend is, komt het in de geheele Edda slechts op deze eene plaats voor; in de Oudnoorsche bronnen wordt het vermeld in de Þiđrekssaga en de Alexandersaga, dus in late romantische werken, die naar vreemde voorbeelden zijn gemaakt. Wel kent men een vogelgedaante, die door menschen kan worden aangenomen; de Snorra Edda spreekt van een valshamr, de Vǫlsungasaga vertelt van Ósk, dat zij brá á sik krákuham. De oude voorstelling kan niet geweest zijn, dat men een kleed aantrok, maar dat men zich in een andere gedaante veranderde; dat is de beteekenis van hamast en van hamhleypa. In de Þrkv. echter is het een veeren gewaad, dat men aan een ander kan uitleenen en dat zich dus bijv. laat vergelijken met het toestel,
dat Egill, de broer van Vǫlundr, in de Þiđrekssaga vervaardigt. Is dit op zichzelf reeds voldoende, om aan den hoogen ouderdom van dit gedicht te twijfelen, zekerheid hieromtrent verschaft ons de strophe 4, waar het veerenkleed zelfs van zilver of goud schijnt te kunnen zijn. Maar dit is niet de kleedij van een heidensche godin,
| | | | maar van .... Christelijke engelen! In de oe. Genesis 669-670 wordt gezegd: ʒiseo ic him his enʒlas ymbe hweorfan mid feđerhaman. In AElfrics Heiligenlevens (34, 70) lezen wij zelfs: Godes enʒel standande mid ʒyldenum fyðerhaman. En evenzoo heet het in den os. Heliand (vs. 5798) betreffende de engelen: faran an fetherhamon. Het is deze voorstelling, die ook den dichter der Þrkv. voorzweefde, toen hij Freyja een wonderkleed toeschreef, waarmee men in korten tijd door de lucht kon vliegen.
Hoe wij de verhouding tot de Vǫlkv. beoordeelen, zal wel duidelijk zijn. Het is de dichter der Þrymskviđa, die dit motief aan de Vǫlkv. ontleend heeft. Hier hoort het veerenkleed thuis, zooals o.a. blijken kan uit de Þiđrekssaga en dit motief bracht de dichter der Þrkv. op een verdienstelijke wijze te pas. Leert ons dit iets voor de dateering? Nog steeds schijnen wij in het gebied der onzekere speculaties te moeten blijven, daar ook betreffende den ouderdom der Vǫlkv. de meeningen zeer verdeeld zijn. Een groote moeilijkheid is bovendien, dat de overgeleverde tekst kennelijk een latere bewerking van een ouder, misschien van een zeer oud gedicht, is1). Daarentegen kan het jongere gedeelte veel later zijn gemaakt. Ik ben geneigd aan te nemen, dat de episode met de zwaanjonkvrouwen in haar geheel tot een latere bewerking behoort en dan zou ik het, wegens haar uit sprookjesmotieven opgebouwden inhoud, tot de laatste periode der Eddapoëzie rekenen.
Wij hebben reeds aanwijzingen gevonden, dat de Þrkv. niet zoo oud is, als men gewoonlijk aanneemt. Is de verhouding tot de Vǫlkv. te beoordeelen, zooals wij dit hierboven hebben gedaan, dan zou zij tot de XIIe, misschien zelfs tot de XIIIe eeuw kunnen behooren. Op zulk een late dateering wijst nu ook de omstandigheid, dat het gedicht overeenstemming vertoont met de drie gedichten Guđr. I en III en Vǫlkv. Immers volgens
| | | | de vroegere opvatting zou de Þrkv., die in de IXe eeuw gedicht zou zijn, zich niet alleen eeuwen lang in een onverminderde belangstelling hebben mogen verheugen, zij zou zelfs op het eind der Oudnoorsche periode als voorbeeld zijn gaan dienen voor een aantal heldenliederen, die toch naar hun inhoud weinig of niets met dit lied van Þórr te maken hadden. Daarentegen blijkt van eenigen invloed op de mythologische gedichten niets; de verhouding ten opzichte van de Hymiskviđa is in dit opzicht zeer leerzaam. Gemakkelijk zou zich dit laten verklaren, indien de Þrkv. ontstaan was in dezelfde periode, als die heldenliederen; immers gedichten, die in eenzelfden tijd ontstaan zijn, kunnen, ook al behandelen zij verschillende onderwerpen, heel licht invloed op elkaar uitoefenen, een invloed, die zoowel in de eene als in de andere richting kan hebben gewerkt. Want de overeenkomst tusschen twee gedichten berust dan niet zoozeer op een bewust navolgen van een voorbeeld, als wel op het onderworpen zijn aan gelijke invloeden, die verband houden met de algemeene geestesgesteldheid in zoo een tijdperk.
| |
4. De inhoud van het gedicht
De bewondering voor de schoonheid van dit Eddalied kan onverminderd blijven, ook al meent men, dat het tot de jongste groep der Eddagedichten behoort. Ook de inhoud zal ons gegevens verschaffen, die wijzen in dezelfde richting als de metriek en de taal. Wij bespraken reeds het motief van den fjađrhamr. Nu heeft F. Jónsson juist op enkele details gewezen, die weer voor een hoogen ouderdom zouden pleiten. Het zijn de volgende:
1. De reus Þrymr zit op een heuvel en wacht vandaar den bruidsstoet af. Aangezien nu het sitja á haugi een gewoonte is, die reeds omstreeks 900 verdwenen was, besluit hij, dat een gedicht, waarin dit genoemd wordt, daarom ook ouder dan 900 moet zijn. Zulk een redeneering is wel al te eenvoudig. Hoe oud zou de Krákumál dan wel zijn, waarin zelfs nog het
| | | | snijden van den bloedadelaar wordt genoemd? Er is ook een poëtische overlevering, die oude motieven vasthoudt. Er zijn zelfs perioden, waarin men oudheden opdelft. Bovendien is de verklaring in dit geval zeer gemakkelijk. Wij zagen reeds, dat de dichter zeer waarschijnlijk de Vǫluspá gekend heeft en hier lezen wij in str. 42,1-4:
Þrymr, de heer der reuzen, bespeelde niet de harp, maar hij had andere bezigheid, die echter niet minder hoofsch was: hij vlocht gouden banden voor zijn honden en - wonderlijk daarnaast - hij roskamde zijn paarden. Hoe kon men, zittende op een heuvel - uitdrukking van de machtspositie, die men bekleedde - dit werk verrichten? Terloops wijst F. Jónsson, Arkiv XXI, blz. 11 op deze ongerijmdheid, die Neckel, Beiträge blz. 43, weer zoekt te verdedigen, door aan te nemen, dat deze plaats meer typisch, dan aanschouwelijk is. Inderdaad, maar pleit dit voor den ouderdom?
2. Þórr wordt uitgedost met breiða steina1). Volgens Jónsson wordt hiermee het borstsieraad bedoeld, dat ook wel steinasǫrvi heet en waarvan Snorri vertelt, dat het in lang vervlogen dagen (í forneskju) werd gebruikt. Dit nu is een bloote gissing. Ook in latere eeuwen droegen Noordsche vrouwen groote borstsieraden; de Vǫlkv. weet er bijv. van te vertellen (str. 25,7); zij noemt ze brióstkringlor, dus ronde met edelsteenen bezette spangen. Zij mogen naam en vorm meermalen gewisseld hebben, maar zij bleven tot op den huidigen dag een algemeen bekend sieraad: de bolesøljer en slangesøljer2). De folkevise spreekt er ook eenige malen van en hier heeten
| | | | ze bros(s)e1); ter vergelijking met de Þrkv. is interessant een vers der Noorsche ballade ‘Alv ligg sjuk’ (Liestøl - Moe, Norske Folkevisor Nr. 84) nl. str. 18: gav han henne den brossa brei.
Dit zijn echter onbeteekenende details, waarmee men een resultaat, dat op andere en gewichtiger gronden reeds is bereikt, slechts zou kunnen bevestigen. Hoe staat het met den inhoud zelf? De mythe van Þórs hamer heeft reeds het onderwerp van verschillende besprekingen uitgemaakt; het belangrijkste hierover heeft A. Olrik gezegd in zijn ‘Tordenguden og hans dreng’ in Danske Studier 1905 blz. 140 vlgg2). Hij vergelijkt eenige Eestnische verhalen, waarin Piker of Pikne (de dondergod) zijn doedelzak verloren heeft. Hij krijgt het echter weer terug, door zich te veranderen in een knaap en in die gedaante bij een visscher dienst te nemen. Hij vergezelt dezen naar de woning van den duivel, die den diefstal had gepleegd en krijgt daar door een list zijn eigendom terug. Alleen in de hoofdtrekken van het verhaal is er sprake van overeenstemming tusschen het Eddalied en deze Eestnische sprookjes; zij wijken in de details volkomen af. Olrik is dan ook verplicht, naast een hoofdhandeling, die met de Þrymskviđa zou overeenstemmen, een nevenhandeling aan te nemen, die hij met de Hymiskviđa verbindt: de dondergod, veranderd in een knaap, begeeft zich naar een visscher, krijgt toestemming de zee in te roeien en vangt den reus in zijn net (gelijk Þórr de wereldslang aan het vischsnoer), waarop hij dezen zijn harde slagen doet gevoelen. Maar indien er werkelijk een dergelijke combinatie3)
moet worden aangenomen, wordt daardoor de waarschijnlijkheid van een samenhang tusschen het Eestnische
| | | | sprookje en een Eddalied (ja zelfs twee Eddagedichten) niet verhoogd.
Nu is, naar het oordeel van Olrik, de Eestnische mythe, in vergelijking met de Þrymskviđa, veel eenvoudiger; hij acht het daarom ook zooveel te oorspronkelijker en spreekt zelfs van een primitief mythe-type. Daardoor wordt weer de wijze, waarop de ontleening zou hebben plaats gehad, zooveel te ingewikkelder: de Eesten zouden reeds zeer vroeg onder den invloed van de Arische cultuur zijn gekomen, met name zouden zij zeer veel ontleend hebben van een Litauschen volksstam, de Aestii. Tot deze ontleeningen zou ook de mythe van den dondergod hebben behoord.
Olrik is in deze combinaties niet zeer gelukkig geweest. Waarom aan een zoo vroege periode van ontleening moet worden gedacht, vermag ik niet in te zien. Hoe die mythe er uit gezien moet hebben in die voorhistorische periode, kan men zich moeilijk voorstellen. Ik acht het veel waarschijnlijker, dat dit sprookje van den Eestnischen dondergod uit Scandinavië is overgenomen, evenals in zoo vele andere opzichten de Finsche volkeren aan de kusten der Oostzee den sterken invloed van de Scandinavische cultuur hebben ondergegaan. Die invloed heeft tot aan den modernen tijd ononderbroken bestaan; als een voorbeeld van de talrijke ontleeningen der Eestnische bevolking noem ik de uit Zweden overgenomen nieuwjaarskoeken en kerstbrooden1). Het is dus evenzeer mogelijk, dat de Eestnische ‘mythe’ niet anders is dan een Zweedsch sprookje, dat vertelde, hoe de god van den donder een hem ontstolen voorwerp terugkreeg.
Hoe de verhouding van dit Scandinavische sprookje tot de Þrkv. moet worden beoordeeld, volgt nu vanzelf. Dit Eddalied behandelt juist dit sprookje, dat zelf natuurlijk terug moet gaan op een Oudscandinavische (misschien Oudgermaansche) dondermythe. Maar als mythe was het reeds lang verbleekt
| | | | en het had, nadat het verband met het geloof verloren was, in menig opzicht wijziging ondergaan. De dichter der Þrymskviđa kende dit verhaaltje niet meer als mythe, maar als sprookje.
Want dat de oorspronkelijke mythe er niet zoo kan hebben uitgezien als de inhoud van de Þrkv., spreekt van zelf. Ten hoogste kunnen er mythische elementen in zijn bewaard gebleven. Zoo is de voorstelling, dat de dondergod zijn wapen verliest en op een bepaald tijdstip weer terugkrijgt, wel op te vatten als een oude mythische trek. Ook de verzen 8,1-4:
Ek hefi Hlórriđa hamar um fólginn
átta rǫstom fyr iǫrđ neđan
bewaren de herinnering aan een oud volksgeloof. Tot op heden leeft niet alleen bij de Noordgermanen, maar bij vele andere volken, de voorstelling, dat de dondersteenen zeven of negen vademen diep in de aarde neerslaan en dat zij zich elk jaar (of elke eeuw) een vadem naar de oppervlakte bewegen1). Maar overigens zie ik niet veel oud volksgeloof in dit schertsende godenlied. Noch de verkleedpartij, noch het heen en weer vliegen van Loki, kunnen tot de oorspronkelijke mythe behoord hebben; dat is alles jongere opsiering2).
Het is dan ook van groote beteekenis, dat, zooals E. Noreen (Studier III, blz. 24-25) heeft opgemerkt, van de ‘mythe’ van Þórr nergens elders gewag wordt gemaakt. Geen enkele toespeling op dit verhaal vinden wij in andere gedichten, hoewel er tamelijk veel Þórsliederen bekend zijn. Zelfs de Lokasenna gewaagt er met geen woord van, ofschoon men mocht verwachten, dat Loki de gelegenheid niet zou hebben verzuimd, den draak te
| | | | steken met den geweldigen dondergod, die in vrouwenkleeren naar Jǫtunheim was gegaan. Ook Snorri maakt geen enkele toespeling op dit verhaal. Dit geeft veel te denken. Men kan toch moeilijk aannemen, dat in de geheele Oudnoorsche literatuur hardnekkig het stilzwijgen zou zijn bewaard over den inhoud van een Eddalied, dat zoo geliefd en bewonderd was, dat het gedurende drie eeuwen was blijven voortleven, op tal van heldenliederen invloed zou hebben uitgeoefend in woordenkeus en versbouw, en eindelijk zelfs nog zoo levenskrachtig zou zijn geweest, een balladendichter tot navolging te verlokken. Heeft Snorri, die overigens voor zijn Edda alle andere overgeleverde godenliederen - met uitzondering alleen van het geheel op zichzelf staande gedicht Hárbarđsljóđ - gebruikt heeft, de Þrymskviđa wel gekend? Noreen merkt op, dat men hier niet aan behoeft te twijfelen, daar de Snorra Edda niet een leerboek in mythologie, maar in poëtiek was. In het algemeen kan men uit een argumentum ex silentio slechts zwakke aanduidingen putten. Maar dit stilzwijgen bevreemdt toch wel zeer. Bij de werkwijze van Snorri, die de bronnen zoo ruim mogelijk tracht te raadplegen, is het zeer bevreemdend, dat hij een zoo geestig, levendig verhaal als dit volkomen zou hebben overgeslagen. Juist wat hem in andere mythen zoo aantrok, de min of meer romantische motieven, had hij hier volop gevonden. En eindelijk, zou hij, die Þórr herhaaldelijk beschrijft, zooals hij gewapend met hamer en gordel tegen de reuzen ten strijde trekt, die zelfs weet te vertellen van een keer, toen hij beide thuis had gelaten op een tocht naar de reuzen, zou hij juist deze mythe, die voor het wezen van Þórr, indien zij althans echt ware, welhaast onmisbaar schijnt, hebben verzwegen?
Het komt mij daarom het waarschijnlijkst voor, dat Snorri dit gedicht niet gekend heeft; wat dus impliceert, dat in de Eddacollectie, die hij voor zich had, dit lied nog niet was opgenomen. Maar de Codex Regius bevat het lied wel en in de halve eeuw, die verliep na het opstellen van de Snorra Edda
| | | | (1220-1270 in ronde getallen) is de Þrymskviđa dus onder de Eddaliederen opgenomen. Wil dit zeggen, dat het eerst toen werd gedicht? Dit is natuurlijk niet zeker. Indien het gedicht op IJsland was ontstaan, zouden wij zeker tot deze conclusie moeten komen, daar het niet aannemelijk is, dat Snorri in dit geval het lied niet zou hebben leeren kennen. Men neemt echter algemeen aan, dat de Þrymskviđa in Noorwegen is ontstaan. Dit geschiedt, omdat dit van de dateering in de IXe eeuw een noodzakelijk gevolg is. Maar er zijn dan toch zeker geen gronden, die hiertegen pleiten, eerder argumenten, die dit kunnen bevestigen, daar anders de bewijsvoering wel zeer gebrekkig zou zijn1). Is het hier echter eerst in lateren tijd gedicht, dan zou men kunnen aannemen, dat het wel reeds voor 1220 was ontstaan, maar dat Snorri er nog geen kennis van gekregen had. Heel veel vroeger zal dit toch wel niet geweest zijn, daar men mag aannemen, dat Snorri, die ook eenigen tijd in Noorwegen geweest is (1218-1220), er anders zeker van gehoord zou hebben en er voor zijn Edda van gebruik zou hebben gemaakt. Ook andere redenen, die ik in de volgende paragraaf zal bespreken, wijzen er op, dat de Þrymskviđa niet ouder dan het begin der XIIIe eeuw zal zijn geweest.
| |
5. De verhouding van de Þrymskviđa en de Torsballaden
In hun studie ‘Torsvisen i sin norske form’ hebben Sophus Bugge en Moltke Moe (Christiania 1897) uitvoerig en nauwkeurig de verschillende redacties der Middeleeuwsche balladen met elkander en met andere soortgelijke liederen vergeleken en de verhouding tot het Eddalied pogen vast te stellen. Het onderzoek getuigt van groote geleerdheid en scherpzinnigheid, maar de resultaten zijn, naar mijn meening, volkomen onhoud- | | | | baar. Bij de vergelijking der gedichten, die deze vertelling behandelen, ontdekten zij eenige overeenstemmingen tusschen de balladen en de IJslandsche Þrymlur, die ± 1400 naar het Eddalied zijn gemaakt. Indien die overeenstemmingen van dien aard zijn, dat zij voor een naderen samenhang bewijzend moesten worden geacht, dan zou men dus moeten aannemen, dat ook de Þrymlur tot de bronnen der ballade behoord hebben. Maar Bugge maakt de zaak nog veel ingewikkelder, doordat hij het prototype der Noorweegsche ballade en dat der Deensche folkevise, ieder afzonderlijk op de Þrymskviđa en de Þrymlur meent te moeten laten teruggaan. Dit was reeds, dunkt mij, voldoende reden geweest, om het bewijsmateriaal aan een hernieuwd onderzoek te onderwerpen. Gaat men op dezen ingeslagen weg voort, dan moet men, met Bugge en Moe, tot de zeer onwaarschijnlijke conclusie komen, dat de Noorsche balladedichter eenigen tijd op IJsland heeft gewoond, lang genoeg om kennis te nemen van het Eddalied en de rímur, ja zelfs zou hij uit de Snorra Edda ook nog de uitdrukking Vánabrúðr hebben gehaald. En dit zou nog na 1400 hebben plaats gehad. Daarna zou ook de Deensche dichter, die de Noorsche ballade reeds kende, deze onder invloed alweer van Eddalied en rímur, dus in dezelfde IJslandsche omgeving, hebben omgewerkt.
Dit alles dunkt mij zeer onwaarschijnlijk. Het zal daarom noodig zijn, de door Bugge en Moe als bewijzend geachte overeenstemmingen na te gaan. De schrijvers behandelen op blz. 73 vlgg. deze plaatsen. Om onze kritiek niet te uitvoerig te maken, zullen wij al zulke overeenstemmingen ter zijde laten, die daarvan het gevolg zijn, dat men in de plaats van typisch Eddische woorden en uitdrukkingen jongere termen gekozen heeft. Wij zagen reeds, dat de rímur omstreeks 1400 zijn gedicht; de balladen zijn ons overgeleverd in redacties uit de XVIIe eeuw en later en hebben natuurlijk gedurende een traditie van zooveel eeuwen menige verandering ondergaan. Wanneer de Þrymskviđa dus vertelt, dat de reus op een heuvel zit, terwijl de rímur en de balladen het voorstellen, dat hij den bruidsstoet
| | | |
staat af te wachten, dan spreekt deze wijziging van zelf en zij bewijst niets voor eenigen samenhang tusschen de beide laatste. Zulke gevallen zijn er meer onder Bugge's voorbeelden1). Van even weinig beteekenis zijn de gevallen, waar in de nadere detailleering van Þórs menu de jongere bronnen afwijken van het Eddalied. In zulke dingen heeft de fantasie vrij spel en vindt toch ten slotte gewoonlijk hetzelfde. Wanneer dus in rímur en balladen van brooden en een drinkhoorn wordt gesproken, dan bewijst dit, dat beide zich hebben aangepast aan een meer alledaagsch milieu. Wat het voor den samenhang beteekent, dat Þórr in de Þrymskviđa acht zalmen, in de Þrymlur echter tien en in de Noorsche folkevise vijftien van deze dieren verorbert, vermag ik niet in te zien. Eindelijk zegt het Eddalied dat de hamer átta rostum onder den grond zich bevindt, de Þrymlur spreken van niu fet, de Noorsche ballade van åtte alni å nie fabna. Bugge en Moe denken, dat de balladedichter de beide getallen hebben gecombineerd. Maar dan tevens rastar en fet zou hebben verwisseld voor ellen en vadems? Wij zagen uit de bovengegeven voorbeelden van het volksgeloof betreffende den dondersteen, dat dit niet acht, maar zeven of negen als getal kent. De rímur hebben dus een der meer bekende getallen ingevoegd. De Noorsche vise heeft daarentegen de wel meer voorkomende getallenvariatie uit de balladentechniek overgenomen, waarvan de schrijvers zelf op blz. 41 verschillende voorbeelden geven.
Dit is alles. Met de bewijskracht der gegevens voor een samenhang tusschen de Deensche redacties en de rímur is het al niet beter gesteld. Ik sla weder geringe afwijkingen in de uitdrukking over2). Ook moeten de schrijvers er zelf reeds op wijzen, dat verschillende uitdrukkingen, die eenigszins met die in de Þrymlur overeenstemmen, in talrijke andere Deensche bal- | | | | laden eveneens voorkomen1). Wanneer de rímur en een Deensche redactie (evenwel niet de oudste, maar de moderne Jutsche redactie C) daarin overeenstemmen, dat de zee, waarover Loki vliegt, door twee parallelle uitdrukkingen wordt aangeduid, dan zou deze gelijkheid alleen dan iets bewijzen, als in beide gedichten dezelfde bewoordingen waren gekozen. De vise echter spreekt van over søer og salten vand, de rímur zeggen einn veg lógu sem geima. Verder stemmen beide jonge bewerkingen daarin overeen, dat zij het verhaal, hoe Þórr den hamer terug krijgt, uitvoeriger behandelen, dan dit in het Eddalied het geval is. Ook dit zou alleen van waarde zijn, indien de latere detailleering dezelfde was; de schrijvers wijzen er echter zelf reeds op, dat dit niet het geval is.
Wij kunnen derhalve de gedachte aan eenig nader verband tusschen de IJslandsche rímur en de Skandinavische balladen opgeven. Daardoor wordt de verklaring van de verhouding der verschillende bewerkingen veel eenvoudiger: in Noorwegen werd de stof van de Þrymskviđa in den vorm van een folkevise behandeld en deze ballade werd later in Zweden en Denemarken omgewerkt. Dit is met tal van andere balladen eveneens het geval geweest, die naar fornaldarsaga's zijn bewerkt; in het bijzonder is te vergelijken de vise Sigur Svein, die gedeeltelijk op de Grípisspà teruggaat2).
Toch blijven er nog moeilijkheden genoeg, vooral indien wij uitgaan van een Eddalied, dat omstreeks 900 zou zijn ontstaan. Want wij vragen alweer: hoe was het mogelijk, dat een lied met heidensch mythologischen inhoud zooveel eeuwen in Noorwegen bewaard bleef, zoodat zelfs een balladedichter er nog door werd opgewekt tot een nieuwe behandeling van het avontuur? Was dan het Christendom spoorloos aan deze overlevering voorbijgegaan? Waren de talrijke afgodsbeelden van Þórr, dank zij het ijveren der beide Ólafs en hun nazaten, wèl alle
| | | | verbrand en verbrijzeld, maar was dit gedicht, dat van dien afgod vertelde, zoo nauwkeurig van geslacht tot geslacht overgeleverd? En was die traditie mondeling voortgeplant? In dien dit het geval was geweest, dan zou men zich moeten verbazen, dat zij zoo ongerept was gebleven; want wel zijn er voorbeelden, dat een mondelinge overlevering getrouw wordt bewaard, maar wanneer vele eeuwen zijn verloopen en onderwijl zoo geweldige veranderingen hebben plaats gehad, als de bekeering tot het Christendom en de overgang van den wikingtijd tot de op Westeuropeesche leest geschoeide Middeleeuwen, dan gaat de traditie gewoonlijk niet volgens een rechte lijn, dan dringen allerlei nieuwe elementen het verhaal binnen.
Of was dit oorspronkelijk Noorsche gedicht later uit de IJslandsche schriftelijke traditie weer Noorwegen binnengekomen? Dit zou mogelijk zijn: Sigur Svein bewijst het. Maar dan staat men weer voor de vraag, waarom de balladedichter uit de talrijke liederen der Edda juist dit gedicht gekozen had, daar toch de heidensch-mythologische stof minder aantrekkelijkheid voor hem moet hebben gehad? Men zou kunnen antwoorden: de opgewekte, schertsende toon, de geestige vertelling, de luchtige spot met de heidensche goden, die voor hem een ijdele stoffeering waren, als voor de Westeuropeesche dichters der klassieke goden en godinnen, kunnen ook een balladendichter hebben getroffen. In dit opzicht was inderdaad de Þrymskviđa wel het meeste van alle godenliederen der Edda geschikt, om door een Noor der XIIIe eeuw te worden begrepen en gewaardeerd.
Maar is het eigenlijk niet bevreemdend, dat een lied van omstreeks 900, nog zoozeer naar den smaak der balladendichters was? Wij wezen reeds op de motieven, die zoo wonderlijk dicht de wereld der sprookjes naderden: het vliegkleed van Freyja, de geweldige eetlust van Þórr. Wij kunnen daarnaast er op wijzen, dat ook formeel geen Eddalied de ballade zoo dicht nadert. Sijmons wijst ook (Edda I, blz. CCCXX) op een ‘balladenmässige lust an leichten variationen, an wiederholun- | | | | gen und parallelsätzen’. Ik noteer de volgende, wel zeer talrijke gevallen van variatie der gedachte door verschillende woorden: 1,5 1,6; 6,3-4 6,5-6; 10,5-6 10,7-8; 14,1-2 14,3-4; 13,7-10 17,3-6; 21,5 21,6; 23,2 23,3; 29,9 29,10; 30,3-4 30,5-6 30,7-8; 31,5-6 31,7-8; 32,5-6 32,7-8; van parallellisme met geringe wijziging der woordenkeus: 1,1 12,1; 3,1-2 12,1-2; 4,1-2 4,3-4; 7,1 7,2; 7,1-2 7,5-6; 7,7-8 8,1-2; 11,5-6 18,7-8; 11,7-8 22,5-6; 12,7-8 13,9-10; 15,5-6 17,5-6; 23,5 23,6; 25,3-4 25,5-6; 26,5-6 28,5-6; 29,1-4 32,1-4; van herhalingen der zelfde verzen: 2,1-2 = 3,3-4 = 9,9-10 = 12,3-4; 5,1-6 = 9,1-6; 8,5-8 = 11,5-8; 10,1-2 = 11,1-2; 12,7-8 = 20,5-7; 15,1 17,1 18,1 20,1 22,1 25,1 30,1; 15,5-16,8 19,1-12; 26,1-4 = 28,1-4; 26,7-8 28, 7-8. Een dergelijke opeenhooping van deze stijlmiddelen zal men vergeefs in de Oudgermaansche epiek zoeken; zij is daarentegen gewoon in de balladen. Ten slotte verraadt het Eddalied haar jong karakter niet minder duidelijk door haar fouten tegen de regels der alliteratie en haar neiging tot het eindrijm aan het eind der versparen1).
Daarom beschouw ik de Þrymskviđa als een typisch voorbeeld van epigonenkunst. Het is gedicht in den tijd der wikingenromantiek, die vooral in de XIIIe eeuw bloeide. Dus in
| | | | dien wonderlijken tijd, toen men de oudste curiositeiten naast de nieuwste uit West-Europa geïmporteerde snufjes beoefende, toen men gedichten maakte in den galdervorm en rijmende skaldenverzen, toen men een aantal avontuurlijke saga's schreef of bewerkte en met gansche reeksen strophen naar den ouden trant versierde, maar tevens het populaire genre der balladenpoëzie diepe wortels schoot, toen men het heidendom vierde in den Vǫlsaþattr of den Vikarsbálkr, maar toch ook Christelijke liederen als Líknarbraut en Lilja dichtte.
In dien tijd der tegenstellingen laat zich het ontstaan van de Þrymskviđa het best verklaren. Het is jong van gewaad en maakt toch een ouderwetschen indruk. De dichter heeft de oude voorbeelden goed bestudeerd en toch is hij doortrokken van den nieuwen geest. De omstandigheid, dat een Noorsche ballade ditzelfde gegeven behandelde, maakt het waarschijnlijk, dat het ook in Noorwegen werd gedicht. Wij hebben langzamerhand bewijzen genoeg gekregen, sedert Axel Olrik er met nadruk op wees, dat men in Noorwegen niet minder deelnam aan de Oudnoorsche romantiek, dan op IJsland.
De vraag naar de verhouding tusschen Eddalied en ballade dient dan ook anders gesteld te worden. De ballade is niet een bewerking naar een in handschrift overgeleverde redactie van het Eddalied. Ten minste dit behoeft het niet te zijn. Beide gedichten kunnen in dezelfde periode zijn ontstaan en wie zou willen uitmaken, wie de eerste was, de pseudo-Eddadichter of de balladedichter? Slechts dit kunnen wij zeggen: de Þrymskviđa toont duidelijk, dat zij ontstond in een tijd, toen de folkevise reeds gemeengoed was geworden. Want de techniek der ballade past de dichter van dit Eddalied voortdurend toe en hij heeft daarvan meer begrip dan van de stilistische eigenaardigheden der oude allitereerende poëzie.
De wijze, waarop hij zijn Eddalied heeft gedicht, verraadt, hoe vreemd hij er innerlijk tegenover stond. Hij heeft getracht door enkele uiterlijkheden den schijn van iets ouds te wekken; hij weet dat ongecontraheerende vormen en bepaalde epische
| | | | formules in een dergelijk gedicht thuishooren. Hij plundert andere gedichten, die hij heeft leeren kennen, maar laat zich gemakkelijk verleiden het voorbeeld een weinig - maar soms juist iets te veel - aan te dikken. Dat gebrek aan maat verraadt den epigoon.
Het is nu ook te verklaren, dat de Þrymskviđa veel meer herinnert aan de heldenliederen, dan aan de godenliederen der Edda. De eerste waren, ook in den Christelijken tijd, blijven voortleven, terwijl de belangstelling voor de godenverhalen, met name in Noorwegen, aanmerkelijk verzwakt was. De heldensagen werden ook gaarne in balladenvorm naverteld en gingen daardoor in de poëzie van den nieuwen tijd over. Er ontstonden in den loop der XIIIe eeuw een groot aantal gedichten over sagenhelden en andere meer of minder historische personen, die bij voorkeur in de eenvoudige maten van fornyrđislag en kviđuháttr werden gemaakt. In dit opzicht was er rijke overvloed. En hier vond de dichter zijn voorbeelden.
Zoo een dichter kende natuurlijk ook de mythologische literatuur. Dat verklaart zijn pronken met godennamen, ook al spelen zij in de handeling niet de minste rol. Hij noemt Heimdallr, hoewel deze anders in de Eddaliederen uiterst zelden voorkomt. Koos hij hem, omdat hij hem had leeren kennen als mensoekir Freyju en stamt zijn epitheton hvítastr ása uit zijn bijnaam Hvíta-áss? In omschrijvingen brengt hij verder te pas Óđinn, Njǫrđr en Sif. Loki wordt aangeduid als Laufeyjar sonr, een omschrijving, die alleen in de Lokasenna optreedt en die de dichter hier kan hebben leeren kennen. Het komt mij hoogst onwaarschijnlijk voor, dat deze benaming, die zoo geheel het resultaat schijnt van mythologische combinaties, reeds in de IXe eeuw in zwang zou zijn geweest. Dit zelfde geldt van Sif en vooral van V r, de personificatie der huwelijksgelofte. De Þrymskviđa is verder het eenige Eddalied, waarin het halssieraad van Freyja, het Brísingamen, wordt genoemd. Ook dat bewijst niet, dat het gedicht oud moet zijn. Uit de skaldische kenningar blijkt reeds, dat men
| | | | het Brísingamen steeds als een karakteristiek attribuut van deze godin heeft beschouwd1).
Maar wat kan een dichter in de XIIIe eeuw bewogen hebben, een lied over Þórr te dichten? Wij antwoorden: geen andere heidensche god was daartoe beter geschikt. Hij was de held der talrijke avonturen met reuzen en trollen, wiens grootste deugd zijn ongebreidelde vechtlust was. In de Lokasenna is hij de eenige, die Loki van geen antwoord weet te dienen; hij kan slechts dreigend uitschreeuwen: þegi þú, rǫg vaettr, þér skal minn prúđhamarr, Miǫllnir, mál fyrnema! Aan den anderen kant was er in de fornaldarsaga, zoowel als in de kaempeviser geen dankbaarder motief dan een strijd met reuzen. Wat lag dus meer voor de hand, dan ook van den geweldigen dondergod, van wien het volksgeloof tot op den huidigen dag nog te vertellen weet, een lustig reuzenavontuur te dichten?
Want dit dunkt mij zeker: van eenig geloof aan Þórr is in dit lied geen sprake. Dit is op zich zelf reeds voldoende, het aanmerkelijk later dan de IXe of Xe eeuw te stellen. De Þrymskviđa is een travestie van de oude godenwereld. Þórr is de onbeholpenheid in persoon; hij weet geen verstandig woord te zeggen, maar moet zich door anderen, voornamelijk door den sluwen Loki, in dit vernederende avontuur laten leiden. De gedachte, hem als bruid uit te dossen, is een kostelijke vondst; een werkelijke Noordgermaansche mythe kan dit niet zijn geweest. De matelooze overdrijving van zijn eetlust is al evenzeer in den burlesken toon. Þórr komt eerst tot handelen, als hij den hamer in zijn handen voelt en dan slaat
| | | | hij als een grimmige woestaard alles kort en klein. Ik kan in geenen deele F. Jónsson toestemmen, dat ik, bij het lezen van de verzen:
‘een innerlijk beven’ gevoel, den indruk krijg van ‘het ernstige en verhevene der situatie.’ Het blijft een kostelijke grap, niet het minst door het onmiddellijk volgende trekje van de deerlijk ontgoochelde oude zuster van den reus.
Waar haalde de dichter dit verhaal vandaan? Zooals ik reeds opmerkte, de mythe - om dit woord, hoe misplaatst ook, nog eens te gebruiken - komt nergens elders voor. Toch is het gegeven niet zoo moeilijk te vinden. Het volksgeloof van den dondersteen bewijst reeds, dat de gedachte bestond, dat de dondergod zijn wapen kon wegwerpen, dus voor een tijd kon verliezen. De oude verhalen behandelen meermalen het motief, dat de goden iets kwijt raken; Loki is dan gewoonlijk de redder in den nood. Het verhaal van den reuzen-bouwmeester, is er een typisch voorbeeld van; in dit geval ook daarom interessant, omdat daar eveneens sprake is van den door een reus gestelden eisch, Freyja als vrouw te bezitten. Hiermee zijn reeds alle hoofdelementen aanwezig: Þórr heeft zijn hamer aan de reuzen verloren en als losprijs moet dienen het bezit van Freyja. De dichter weet niet te vertellen, op welke manier de dondergod zijn wapen verloor; hij maakt het zich gemakkelijk door de lezers in medias res te verplaatsen. Verder heeft hij als avontuur gekozen het motief van den als bruid verkleeden man. Om dit te vinden had de dichter niet ver te zoeken; met name de balladenliteratuur is bijzonder rijk aan verhalen, waarin een man zich als vrouw, of omgekeerd een vrouw zich als man verkleedt. Het zou, dunkt mij, geen heidensch dichter zijn ingevallen, den zoo algemeen vereerden dondergod, in een zoo belachelijke, en wat meer zegt, in een
| | | | zoo met alle goede zeden strijdende situatie te laten optreden: op dit punt waren de oude Scandinaviërs zeer gevoelig. Eindelijk is de scene van het overmatige eten niet anders dan een komisch toegiftje, dat in het geheel niet dient tot ontknooping der handeling, maar slechts tot versterking der komische werking. Ook dit motief kon een dichter der XIIe eeuw overbekend zijn.
En eindelijk de ontknooping? Hoe komt de hamer weer in het bezit van Þórr? Door de voorstelling, dat hij dienen moet tot wijding van het huwelijk. Dit is weinig in overeenstemming met den inhoud van het gedicht zelf, in zooverre de bruid als losprijs voor den hamer aan den reus was uitgeleverd. Hij had dus het gestolen voorwerp aan Loki moeten teruggeven en een bijzondere list, het voor den dag te brengen, behoefde niet. Maar het gewenschte effect wordt alleen bereikt, wanneer de gewaande bruid zelf den hamer in handen krijgt en zich nu als den geweldigen god openbaart. Bedacht de dichter daarom den uitweg, den hamer als een middel tot huwelijkswijding in den schoot der bruid te laten leggen?
Fritzner heeft in zijn woordenboek het vermoeden uitgesproken (s.v. hamarr I, 715 en kné II, 307), dat de hamer hier een phallische beteekenis zou hebben gehad. En dit is sedert in alle handboeken en commentaren herhaald. Niets is echter minder zeker dan dat. De argumenten zijn deze: in Saxo Grammaticus (ed. Holder blz. 73), wordt de hamer clavis ‘knuppel’ genoemd en in een geheel andere bron (de late IJslandsche Bósasaga) wordt het woord kylfi in obscene beteekenis gebruikt. Uit een onjuiste benaming van Saxo, die zich wel meer vergiste en een buiten alle mythisch verband optredende, bovendien voor de hand liggende, obscene uitdrukking, kan men niet besluiten, dat Mjǫllnir een phallisch symbool was. En dit zijn toch de eenige gegevens, waarop de meening van Fritzner berust. Wanneer men deze opvatting tracht te steunen, door er op te wijzen, dat Þórr ook een god der vruchtbaarheid is geweest, dan is dit op zich zelf nog niet voldoende. Men dient te bewijzen, dat de hamer (in nog ouderen
| | | | tijd: de bijl) van den dondergod een bijzondere beteekenis in het huwelijksceremonieel heeft gehad. Dit is een vraagstuk, dat niet terloops kan worden behandeld; ik zal daarom volstaan met als mijn meening uit te spreken, dat het wapen van den vruchtbaarheid brengenden dondergod in verschillende belangrijke momenten van het Oudgermaansche leven een groote rol moet hebben gespeeld. Wij vinden daarvoor aanwijzingen uit het steenen en bronzen tijdperk1), misschien ook in moderne huwelijksgebruiken2), zooals het heenstappen van een bruidspaar over een bijl. Het is echter lang niet zeker, dat bij dit gebruik de bijl als het wapen van Þórr werd opgevat en phallische beteekenis had3). Immers men legt ook een bijl (of bezem) op den drempel, wanneer een doopeling naar de kerk wordt gedragen, of indien een lijk uit het huis wordt gevoerd. De bijl is in deze gevallen niet vruchtbaarheidssymbool, maar apotropaion4). Natuurlijk bewijst het voortleven van dergelijke gewoonten tot in onzen tijd, dat een gedicht, waarin wij zulke opvattingen vinden, daarom nog niet overoud behoeft te zijn.
Eenvoudiger dunkt mij de verklaring, dat de dichter den hamer als het heidensche substituut van het kruis heeft gekozen. Wij weten, dat men langen tijd afbeeldingen van den hamer als een beschermend symbool heeft gedragen, volgens S. Müller (Nordische Altertumskunde II, 280-281) komt dit gebruik eerst in de tweede helft der Xe eeuw op5). Dit maakt het wel zeer waarschijnlijk, dat het een navolging van het Chris- | | | | telijk gebruik is, een kruis als magisch afweermiddel te dragen1). De dichter, die het kruis als wijdingssymbool bij de huwelijksinzegening kende, heeft dit vervangen door den hamer, die de bruid - dat wil zeggen Þórr - op den schoot gelegd wordt, opdat de dondergod in de gelegenheid zal zijn, daarmee zijn wraaklust te koelen2).
In plaats van een overoud gedicht, waaruit men kostelijke gegevens kan putten voor onze kennis van het Noordgermaansche heidendom, beschouw ik dus de Þrymskviđa als een werk der late epigonenkunst. Het blijft desniettemin een der mooiste Eddaliederen, maar waarom zou een mooi gedicht altijd oud moeten zijn? Wie er aan zou mogen twijfelen, dat men in Noorwegen, waar de poëzie niet zoo schijnt te hebben gebloeid als op IJsland - althans in de ons bekende bronnen treedt de Noorsche literatuur geheel in de schaduw van die der IJslanders - tot zoo een meesterstukje nauwelijks in staat zou zijn geweest, die zij er aan herinnerd, dat in dezelfde eeuw, waarin de Þrymskviđa volgens onze meening is ontstaan, ook het Draumkvae'e werd gedicht. En dit heeft Axel Olrik terecht beschouwd als het schoonste lied, dat in Noorwegen gedurende de Middeleeuwen is geschreven; wij kunnen er aan toevoegen, dat het zich vergelijken laat met het beste, dat er op het gebied der visionaire literatuur elders in Europa is verschenen3).
De Þrymskviđa wint in literair-historisch belang, wat zij aan mythologische waarde verloor. Zij geeft ons een inzicht in een zeer interessante periode der Scandinavische Middeleeuwen.
| | | | Oude en nieuwe tijd ontmoeten elkaar in dit gedicht. De allitereerende poëzie beleeft nog een laten, maar schoonen bloei, voor men bezwijkt voor de bekoring van de vlotte en luchtige folkeviser.
| |
6. De wisselwerking tusschen de oude en de nieuwe kunst
De ballade vervangt in Scandinavië de populaire strafrijmende epiek; zij is er tevens een voortzetting van, in zoover de oude stoffen in nieuwen vorm gegoten, aan de komende geslachten worden overgeleverd. Het verschil tusschen beide dichtsoorten wordt niet uitgedrukt door de tegenstelling van staf- en eindrijm; zij vooronderstellen een geheel andere mentaliteit bij de menschen, die in die kunst behagen scheppen. De folkevise, verbonden met zang en dans, gedicht in een vloeienden, luchtigen versvorm, is een voortbrengsel van Zuidelijker volken, waar de mensch tot zorgelooze blijheid meer geneigd is. Hoe geheel anders is het stugge alliteratievers, voortschrijdend in den zwaren maatstap van zijn rijmstaven en met de waardigheid van zijn statigen stijl. Hier staat lyriek tegenover epiek. Het thema der aettesaga is de verbeten strijd om macht en aanzien der familie, dat der romantische verhalen en der balladen is daarentegen de liefde.
Ondanks dit diepgaande verschil in karakter hebben beide kunstsoorten gedurende een overgangsperiode naast elkander bestaan. De ballade heeft het niet gewonnen, dan na een hardnekkigen strijd en na tal van concessies aan haar tegenstander. Het zal in de eerste plaats noodig zijn, die periode van overgang chronologisch te bepalen. Natuurlijk zal de ontwikkeling in de verschillende Scandinavische landen niet in denzelfden tijd, noch op dezelfde wijze hebben plaats gehad. Denemarken, dat op vele wijzen met het kontinentale Europa verbonden was, lag open voor de nieuwe kunststroomingen; hier zal de ballade het eerst zijn binnengedrongen. Vandaar verspreidde zij zich naar Zweden en Noorwegen en vervolgens naar IJs- | | | | land en de Faerøer. Hoe veel tijd moest er verloopen, aleer de nieuwe kunstsoort naar een naburig volk was doorgegeven? Men rekent gewoonlijk met geslachten, uitgaande van de opvatting, dat de nieuwe kunst eerst op de eene plaats moet zijn ingeburgerd, voor zij vandaar wordt doorgegeven. Maar dit behoeft niet altijd het geval te zijn. Wij kunnen niet zeggen, hoe langzaam of hoe vlug een dergelijke voortplanting geschiedt en wij zijn misschien al te gauw geneigd een tegenstelling te maken met onzen modernen tijd der vele verkeersmiddelen. Maar ook in de vroege Middeleeuwen voeren de schepen af en aan tusschen de Scandinavische landen onderling en de overige landen van West-Europa; men was niet minder op nieuwtjes belust, dan in later eeuwen; de aankomst van een schip op IJsland was een gebeurtenis, die benut werd om zich op de hoogte te stellen van al wat er in het buitenland voorviel.
In de XIIIe eeuw is er in Noorwegen groote belangstelling voor de Fransche literatuur; door toedoen van koning Hákon Hákonsson wordt in 1226 de Tristan van Thomas vertaald, in denzelfden tijd nog andere romantische gedichten en de lais van Marie de France. Dat in dien tijd, toen de overlevering alleen kon geschieden door middel van handschriften en dus slechts langzaam en met moeite zich over verre afstanden kon verspreiden, de voornaamste werken der Fransche literatuur in ongeveer een halve eeuw na hun ontstaan Noorwegen bereikt hebben, acht ik een bewijs voor de open belangstelling, die men in het Noorden voor de producten der Westeuropeesche cultuur had. Het blijkt tevens, dat Noorwegen ook rechtstreeks in contact stond met het buitenland.
Maar de balladen zijn geen strengleikar, die op hoog bevel worden vertaald. Zij glippen ongemerkt de grens over, passen zich aan de nieuwe omgeving aan en zijn ingeburgerd voor men het weet. De plaatsen, waar in de literatuur van de balladen gesproken wordt, helpen ons dus betrekkelijk weinig voor de dateering van deze kunst; zij geven alleen een ter- | | | | minus ad quem. Immers dit genre kan reeds veel langer zijn bekend geweest dan het oogenblik, waarop er voor het eerst van gewag wordt gemaakt. Wanneer Saxo Grammaticus ons vertelt, dat de Sassische zanger Sivard in 1131 voor Knut Laward ‘speciosissimi carminis contextu notissiman Grimilde erga fratres perfidiam’ in herinnering brengt (ed. Holder blz. 427), dan mogen wij daaruit niet besluiten, dat toen eerst de ballade in Denemarken werd ingevoerd, dat deze in het Duitsch voorgedragen ballade het voorbeeld voor alle latere zou zijn geweest1).
Ik geloof, dat wij het recht hebben, met Grundtvig (Danmarks Gamle Folkeviser III. inl.) aan te nemen, dat de folkevise tot het begin der XIIe eeuw, zoo niet nog vroeger, terugreikt. Het getuigenis der Sturlungasaga weegt, dunkt mij, zwaar. Hier wordt verteld, dat op een bruiloft te Reykjahólar in 1119 allerlei vermaak het feest een bijzonderen luister gaf: er was behalve skemtun góð ok margskonar leikar, baeði dansleikar, glímur ok sagnaskemtun. Deze plaats is vaak aangehaald als een bewijs, dat de balladen als dansliederen toen reeds (toen voor het eerst?) op IJsland bekend waren. Geheel zeker is dit niet. Die dansleikar kunnen spelen zijn geweest, waarbij werd gedanst, maar waarbij toch nog niet eigenlijke balladen ter begeleiding werden gezongen. Wellicht waren het slechts korte lyrische strophen, zooals er gezongen werden, naar de overlevering wil, reeds toen Jón bisschop op IJsland was (1105): liedjes, die men elkander onder het dansen toezong, waarbij de liefde het hoofdthema was en het niet steeds ingetogen toeging.
De bruiloft op Reykjahólar onderscheidde zich ook door allerhande sagnaskemtun. Gelukkig geeft ons de Sturlungasaga hieromtrent meer bijzonderheden; tot de saga's, die werden voorgedragen, behoorden een verhaal van Hrómundr Grípssonr, van
| | | | een wiking Hrǫngviđr en van het openbreken van een grafheuvel. Dat schijnen dus verhalen geweest te zijn in den trant der fornaldarsaga's. Is deze mededeeling echt1), dan hebben wij hier dus het bewijs, dat men reeds in het begin der XIIe eeuw naast de traditioneele familiesaga het luchtiger genre der zuiver op fantasie berustende verhalen (lygisǫgur noemden haar de strenge IJslanders zelf) bestond. Voor de meening, dat in 1119 voor het eerst dergelijke saga's werden voorgedragen, zooals Heusler geneigd is aan te nemen, geeft de tekst der Sturlungasaga geen bewijs.
Toch zullen wij niet veel verder kunnen teruggaan. De fornaldarsaga kenmerkt zich door een groot aantal motieven, die in de Middeleeuwsche literatuur van geheel Europa worden aangetroffen en die vooral in den loop der XIIe en XIIIe eeuw hun intrede doen. De ontwikkeling der romantische saga valt dan ook, wat Noorwegen en IJsland betreft, in dezen zelfden tijd, waarschijnlijk iets later. Nu behoeven de verhalen, die in 1119 werden voorgedragen, niet hetzelfde karakter te hebben gehad, als de ons overgeleverde fornaldarsaga's, maar zij gingen dan toch wel in dezelfde richting, daar juist dit type van verhalen - avonturen met wikingen en haugbúar - in de latere romantische saga met voorkeur gekozen wordt. Was het dus niet het eerste voorbeeld van een optreden der nieuwe kunstrichting, een der allereerste was het stellig wel. En daaruit mogen wij misschien de conclusie trekken, dat op dezen bruiloft ook de dansliederen als kortelings ingevoerd vermaak zijn te beschouwen.
Dat die dansliederen van een anderen aard waren dan de oude allitereerende poëzie, behoeft niet te worden betoogd. Zij kwamen, met de dansen, uit het buitenland; zij hadden als kenmerk het eindrijm. Er zijn enkele sporen van bewaard: de Sturlungasaga (1, 348) vertelt naar aanleiding van een twist tusschen Saemundr Jónsson en Loptr Pálsson, dat er een kviðlingr in omloop was, dat luidde:
| | | |
Dat is een gedichtje naar den nieuwen stijl. Maar het is geen ballade. Wij krijgen uit de Sturlungasaga den indruk, dat men bij den dans in hoofdzaak zulke ex tempore gedichte spotliedjes zong; de saga vertelde reeds eerder (I, 342), dat men over dienzelfden Loptr danza marga ok margskonar spott annat maakte. Hier zijn de dansliedjes dus niet anders dan schimpversjes.
Nu ligt dit ook aan den aard dezer bron. De Sturlungasaga verhaalt van de eindelooze veeten tusschen de voornaamste IJslandsche geslachten; zij geeft een beeld van ontaarding, dat wij niet dan met afschuw lezen. Wie het verhaal dezer gebeurtenissen te boek stelde, kon moeilijk enkele onschuldige balladen opteekenen, maar daarentegen wel de spotliedjes, die de vijandschap aanwakkerden.
Werden er toen reeds balladen gezongen? Grundtvig heeft daarvoor een gewichtig argument naar voren gebracht. Hij wijst er op dat de liedjes, die de Deensche historische gebeurtenissen bezingen, ook naar IJsland zijn overgebracht, maar dat in deze alleen die personen worden behandeld, die in de XIIe eeuw leefden. Balladen uit de XIIIe eeuw, dus bijv. liederen van Dagmar, zijn daarentegen niet op IJsland bekend geworden. Hieruit kan men slechts besluiten, dat de Deensche folkeviser wel gedurende de XIIe eeuw naar IJsland werden overgebracht, maar dat in de XIIIe eeuw deze toevoer werd afgesneden, misschien doordat nu vooral Noorsche liedjes aftrek vonden. Maar dat bewijst dan tevens, dat de balladenliteratuur uiterlijk in het begin van de XIIIe eeuw op IJsland beoefend werd1).
| | | |
Deze conclusie is voor ons onderzoek voldoende. Omstreeks 1200 kende men in IJsland, en dus a fortiori ook in Noorwegen, de moderne ballade. Natuurlijk kunnen zij aanmerkelijk ouder zijn; wat Denemarken aangaat, mogen wij dit met zekerheid aannemen1) en dan maakt de nauwe cultureele samenhang tusschen de Scandinavische landen het meer dan waarschijnlijk, dat Noorwegen en IJsland niet zoo lang zullen zijn achtergebleven.
In de XIIIe eeuw bloeien dus naast elkaar de Eddapoëzie en de folkevise, de laatste in haar opkomst en ontwikkeling, de eerste in haar periode van ondergang. Wat dit voor de ballade beteekent, is duidelijk: zij zal ongetwijfeld den invloed dier oude poëzie hebben ondergaan. De vraag naar den oorsprong der ballade is nog steeds niet opgelost; men neemt algemeen aan, dat zij teruggaat op Westeuropeesche, met name Fransche voorbeelden. Maar hoever die invloed ging, is niet zeker. Is het lyrische deel der folkevise, de zoogenaamde stevstamme, aan het Westeuropeesche danslied ontleend en is de ontwikkeling tot epische folkevise, waarvan de langademige Faerøsche gedichten het eindpunt vormen, een bijzonder Skandinavische ontwikkeling? Of was het uitheemsche voorbeeld reeds een verbinding van vertellend lied en lyrisch refrein? Het laatste is wel waarschijnlijk, althans de overgeleverde Oud-fransche liederen toonen reeds een duidelijke neiging in deze richting2). Maar dan is de inhoud toch meer aan de omstandigheden, waaronder zij werden gemaakt, aangepast; de stof der chansons de geste vormde nimmer den inhoud van deze liederen. Dat is het karakteristieke der Scandinavische balladen, dat zij de oude epische stoffen en daarnaast natuurlijk ook talrijke nieuwe motieven, behandelen en dit vertellend gedeelte
| | | | tot het hoofddeel van het gedicht maken, terwijl het lyrische element slechts als refrein een bescheiden plaats inneemt. Ik ben van meening, dat deze ontwikkeling te verklaren is juist door den invloed der oude epische poëzie, die ook in korte gedichten de heldensagen behandelde en dus een geschikte stof leverde voor den inhoud der nieuwe dansliederen. In Scandinavië ging men dus verder op den reeds in Frankrijk ingeslagen weg, maar in plaats van een door uiterlijke omstandigheden ingegeven inhoud, koos men nu de geliefde verhalen van helden en reuzen. Het feit, dat ook de Engelsche ballade hetzelfde karakter als de Scandinavische folkevise vertoont, behoeft hier niet tegen te spreken, want men kan met reden vooronderstellen, dat zij onder sterken invloed van de kunst der Noordgermanen gestaan heeft, die in Engeland zoo een belangrijk deel der bevolking vormden. De omstandigheid, dat de Engelsche ballade vooral in het Noorden bloeide, wijst reeds in deze richting1).
Deze opvatting vindt nu een bijzonderen steun in den formeelen invloed, die de oude epische poëzie op de ballade heeft uitgeoefend. De Noorsche taal was eenmaal gewend aan de eischen der allitereerende poëzie; den dichters zaten de maten van het fornyrđislag zoo vast in het hoofd; het was gemakkelijker rijmstaven dan rijmwoorden te vinden.
Wie de Westnoorsche volksliederen, in het bijzonder de Faerøsche doorleest, moet wel getroffen worden door de talrijke herinneringen aan de Oudnoorsche poëzie. En dit ondanks het feit, dat in de laatste eeuwen de ballade zich langzamerhand steeds meer aan de eischen der moderne poëzie zal hebben aangepast.
De ballade maakt een zeer ruim gebruik van de alliteratie. De voorbeelden, waar twee versregels een systeem van drie
| | | | staven vertoonen, zijn te talrijk om op te sommen; enkele duidelijke gevallen mogen daarom volstaan1):
| Sigur Svein (NF 115) str. 23 |
da riste Grane rysen av |
| |
og ryggjen brotna sund'e |
| Ormalen unge (L 8) str. 20 |
da skaut en stauren i auren ne |
| |
de skrangla i kvite tenn |
| Iven Erningsson (NF 6) str. 9 |
bitre branden i hende tak |
| |
ok bjo deg so til feste |
| Hemingjen aa Harald Kungjen (GF 1) str. 15 |
saa syntes kungen, som saag derpaa |
| |
som skjönnune rapar av himli. |
Daarnaast vinden wij niet minder talrijke voorbeelden van een grooter aantal rijmstaven en van kruisalliteratie:
| Unge Herr Peder pa sjøen (L 82) str. 8 |
ein svevn så sterk var fallin honom på |
| |
fer syndunne var så stor |
| Hemingjen aa Harald Kungjen (GF 1) str. 4 |
han ae' som ormen i augo sjaa |
| |
aa ellen o'nasó fröser |
| Ivar Elison (GF 4) str. 1 |
far hass blei paa vognó vegjen |
| |
dae baust ikje fyr en bót |
| str. 9 |
fljote folen paa staddi stende |
| |
no fedder han faksi graa |
| Nornagests ríma (SK blz. 71) str. 5 |
allir duttu teir deyđir niđur |
| |
öxin stóđ í stokki viđ |
| Dvörgamoy II (SK blz. 89) str. 34 |
moyjin sat viđ silvdrigiđ skinn |
| |
dvörgur i smiđju stendur |
| Gongu-Rólvs kvaeđi (EK 16) str. 26 |
tá tók at bendast í breiđum báti |
| |
skulvu borđ og bítar |
| Frúgvin Margreta (FA 17) str. 170 en 171 |
tvinni sukku sexti skip |
| |
niđur for Skotlands líđ |
Merkwaardig talrijk zijn de voorbeelden van versregels met
| | | | drie rijmstaven. Deze zijn in een groot aantal gevallen verdeeld volgens het gewone schema (aaax). Daarnaast vinden wij ook andere verdeelingen, zooals aaxa; axaa; xaaa. Soms allitereeren nog een of meer woorden van de volgende regel mee.
| aaax Noorw. |
branden beit og brynja sleit L 29, 24 |
| |
deđ stupađ i stoga báđ stólar og borđ L 38,6 |
| |
men akte deg, Iven Erningsson NF 6,5 |
| |
eg ae ung i aldrom me LM 3,4 |
| |
hògg du, Hauk, mitt hòvu av LM 8,40 |
| |
IJsl. |
svört eru segl á skipunum IF 5,3 |
| |
hjó hann hann međ hvössu sverđi IF 28,22 |
| |
Kristin kastar kodda blá IF 52 A 29 |
| |
Faer. |
eingun unnar so öđrum vael SK 2,203 |
| |
silkiserk ok skarlak reytt SK 4,85; FA 8,49 |
| |
af báđum borgum bođiđ var SK 7,49; FA 14,94 |
| |
stigur so sterkt á stinnan legg FK 6,27 |
| |
eitt kom ael af útnyrđingi FK 14,46; FA 5,18 |
| aaxa Noorw. |
Sigurđ slog međ leikesoppen L 9,3 |
| |
fysst aa fremst a Signe fruva LM 11,10 |
| |
sume slaer han hausen sunde L 9,39 |
| |
Faer. |
kongurin klappar sàr á knae SK 8,97 |
| |
og bitran brand i hendi bar SK 16,16 |
| |
Sjurđur slaktar neyt og seyđ FA 14,10 |
| |
so var skeggiđ á risanum sítt FK 12,75 |
| axaa Noorw. |
sa skaut han til den skoma sjessa L 4 A 13 |
| |
han klappa henne på kvite kinn NF 12,14 |
| |
han sette seg neđ på sengjestokk L 55,24 |
| |
aa setje derundi stolpar av staal LM 14,10 |
| |
Faer. |
dimmur er hesin dökki dagur SK 4,69 |
| |
skeggiđ er sum sotiđ svart FK 6,41; FA 14,68 |
| |
mikil var tann mannamugva FK 16,13 |
| |
triggjar voru tjörutunnur FA 17,147 |
| xaaa Noorw. |
kongjen fekk inkje anna att NF 127,26 |
| |
kvi tru denne fride fljote folen NF 50,19 |
| |
hoyrer du fruve, fager og fin NF 66,15 |
| | | |
| |
saa ha 'en saa fager ei fotefaer GF 5,34 |
| IJsl. |
hann tók i hennara hvita hönd IF 4,4 |
| |
eg sa sigla sextan skip IF 42 A 14 |
| Faer. |
aldan breyt i baeđi bord FK 16,22 |
| |
eitt var hár í hala á hesti SK 6,37 |
| |
hann hevur nu allt i einum orđi SK 15,24 |
| |
eg eri ti raedd av risans ráđum FA 1,44 |
Dergelijke verzen zijn bij honderden te tellen; uit de willekeurige plaatsing der rijmstaven blijkt, dat de oorspronkelijke beteekenis der alliteratie vergeten is en de staven slechts als versiering zijn bedoeld; zij vormen niettemin een integreerend deel van de balladestrophe en ontbreken bijna nooit geheel. Dit is te opmerkelijker, daar de folkeviser gedurende zoovele eeuwen zijn overgeleverd en dus aanmerkelijk van hun oorspronkelijken vorm zullen zijn afgeweken; wanneer nu toch de alliteratie nog steeds zoo een groote rol speelt, mag men daaruit afleiden, dat zij in de XIIe en XIIIe eeuw een onmisbaar bestanddeel is geweest1). Het verband met de oude epische poëzie is daardoor boven allen twijfel verheven.
In de taal der balladen zijn de sporen van het verband met de oude epiek natuurlijk zwakker; vormelementen blijven langer bewaard, dan eigenaardigheden van uitdrukking en woordenkeus. Des te opmerkelijker is het, dat wij soms nog een typische kenning aantreffen, met name in de Faerösche en IJslandsche balladen, zooals: randargny (SK 1, 13, 89-91, 96), benjarkolv (SK 1, 107), glastriskeið (SK 4, 18), urðarseyð (SK 4, 29), benjardögg (SK 6,4) en menjalundur (IF 18, 7), Rínarmálm (IF 23 C 25), gullhlaðsreið (IF 24 B 10), lauka ná (IF 49, 15). In de Noorweegsche balladen zijn zij in den
| | | | loop der tijden door meer moderne uitdrukkingen vervangen.
Deze aanwijzingen mogen volstaan. De overeenstemmingen zijn van dien aard, dat men aan een historisch verband moet denken. De boven reeds gemaakte opmerking, dat de ballade de voortzetting is van de allitereerende epiek, kan dus in dezen zin worden aangevuld, dat het balladevers de erfgenaam van het fornyrđislagvers is.
Hierbij dienen wij te onderscheiden tusschen twee vormen van het balladevers: de tweeregelige en de vierregelige strophe. Het is zeer waarschijnlijk, dat de eerste de oorspronkelijke was en dat zich daaruit de strophe van vier verzen heeft ontwikkeld, doordat het taalmateriaal steeds uitgebreider werd en tot vergrooting der strophe dwong. Soms kan men in de overlevering eenige etappes dezer ontwikkeling naast elkaar bewaard vinden1). Het aantal heffingen der verzen in de oude strophe is vier, dus juist het aantal van het verspaar in het fornyrđislag. De IJslandsche spotstrophe, die wij boven meedeelden, onderscheidt zich in niets van een fornyrđislg-helming, dan door het rijm aan het eind der even verzen. Een merkwaardig pendant hiervan is het liedje, dat koning Knoet zou hebben gezongen, toen hij langs het klooster van Ely roeide:
Merie sungen đe muneches binnen Ely,
đá Cnut ching reu đer by.
Roweđ, cnites, noer the land
and here we þes muneches saeng!
De metrische vorm staat nog zeer dicht bij het oude alliteratievers, maar het verband is toch aanmerkelijk losser geworden, door het verval van het stafrijm. Het is niet onmogelijk, dat de Deensche traditie in dit opzicht veel vroeger verzwakt was, dan in de Westscandinavische landen of eerder, dat de gebrekkige vorm is te wijten aan de vreemde taal, waarin het lied is gedicht of vertaald.
Een verspaar van het fornyrđislagtype kan onveranderd als
| | | | balladevers worden gebruikt; men heeft slechts aan het eind van den regel het rijm toe te voegen. Maar het kon niet uitblijven, dat de gezongen ballade zich op den duur aanmerkelijk van het klassieke voorbeeld moest verwijderen. Waar het rijm vereenigde, waren de rijmstaven overbodig; zij blijven slechts als een onmisbaar geacht sieraad bewaard, maar hun plaats in het vers was aan geen regels meer gebonden. Daar het gedicht als dansbegeleiding werd gezongen, althans sterk gecadanseerd werd voorgedragen, werd het rhythme losser; het neerzetten der voeten markeerde de heffingen, die dus met kracht werden uitgesproken en ook wel langer werden aangehouden, maar wat daar tusschen stond, kon in sneller tempo worden gezegd. Daar ook in de jongere taal het taalmateriaal door het toenemend gebruik van pronomina, partikels en andere zwak betoonde woorden, die in de oude taal konden ontbreken, sterk vermeerderde, werden de dalingen met meer lettergrepen gevuld. Men vergelijke:
| Edda |
| Þrkv. 29, 1: inn kom in arma (iǫtna systir) |
| Guđr II, 19,5: inn gengu þá (iǫfrom líkir) |
| Am 45,1: inn kom þá andspilli |
| Folkevise |
| Ivar Elison GF 4,17: inn saa kjeme den smaadrengjen |
Dit zijn volkomen gelijke versregels, maar de inhoud van het balladevers is gelijk aan de helft van het verspaar in de Eddavoorbeelden; terwijl hier het werkwoord in de daling staat, is het in de jongere poëzie tot heffing geworden, doordat er andere woorden zijn toegevoegd, die het gewicht van het werkwoord hebben verhoogd. Het eindpunt van deze ontwikkeling is, zooals wij opmerkten, de vierregelige strophe.
Maar in de XIIe en XIIIe eeuw stonden dus Eddalied en ballade zeer dicht bij elkaar, vooral wat de verstechnische elementen betrof. In stilistisch opzicht verschilden zij zeker aanmerkelijk. Het gebruik als danslied werkt de stijlmiddelen van de herhaling en het parallellisme in de hand; het lied is
| | | | er immers niet om zijns zelfs wil, maar als begeleiding van den dans. Gezongen door het volk in zijn breede lagen, onderging de ballade bovendien dezelfde ontwikkeling, die elke volkskunst kenmerkt; versterking der typische formule en verzwakking van het vermogen tot individualiseering. Dit nu heeft weer invloed uitgeoefend op de laatste phase der Eddapoëzie, die het kenmerkendst door de Þrymskviđa wordt vertegenwoordigd. Beschouwen wij nu alles in verband - het verval van het oude alliteratievers, het gebrek aan begrip voor de rol der rijmstaven in het vers, de neiging tot eindrijm, de schematische stijl met zijn vele en omvangrijke herhalingen en lichte variaties, en daarenboven de luchtig-schertsende toon van het gedicht, dat een verzonnen verhaal tot inhoud heeft, het ontbreken van elke toespeling, hetzij op dit Eddalied, hetzij op de mythe, die er in zou zijn behandeld - dan kunnen wij met meer recht besluiten, dat de Þrymskviđa tot de jongste voortbrengselen der Eddapoëzie behoort, dan dat het een zoo hoogen ouderdom zou hebben, als men gewoonlijk aanneemt. Het belang van dit gedicht is gelegen in het licht, dat het verspreidt over de periode van wisselwerking tusschen de oude allitereerende poëzie en de ballade.
Leiden, April 1928.
j. de vries.
|
1)Den oldnorske og oldislandske Litteraturs Historie 2 I, 165.
1)Beiträge zur Eddaforschung blz. 44: Wir haben uns mit der tatsache abzufinden, dass schon der helming der Þrymskviđa, eines allgemein zu den ältesten gerechneten denkmals, ein dehnbarer rahmen ist.
2)Het Fornyrđislag, Bijdrage tot de studie der metriek van het Oudgermaansche alliteratievers, blz. 52.
3)G. Neckel, t.p. blz. 50.
4)F. Jónsson, t.p. blz. 166.
5)Norges og Islands Literatur indtil utgangen av Middelalderen, blz. 67.
1)Studier i fornvästnordisk diktning III, 24-25 en Den norsk-isländska Poesien, blz. 79.
2)Ik gebruik in de plaats van de Duitsche termen de volgende Nederlandsche: vers = Kurzzeile; verspaar = Langzeile; daarnaast de termen helming voor de verbinding van twee versparen en strophe in de gangbare beteekenis.
1)Als men de lezing van A volgt, kent het gedicht nog een tweede voorbeeld: 24, 1-2 Hreingálkn hruto en h lkn þuto.
2)Ook in den Heliand vindt men de sporen van ditzelfde gebruik. Wel staan hier de metrisch (en vaak ook voor het begrip van den zin) overbodige aanwijzingen quað he of quâðun sie in de meerderheid der gevallen aan het eind der b-verzen, maar het aantal voorbeelden van plaatsing achter het a-vers is toch nog meer dan de helft van dat, waar zij aan het eind der ‘langzeile’ staan.
1)Ik citeer naar de volksuitgave der Norske Folkevisor van Liestøl en Moe Nr. 45 (II, 18 vlgg.). Ik acht het niet overbodig er op te wijzen, dat de balladen steeds dit strophentype hebben. Men mocht mij anders tegenwerpen, dat de Torsvise naar het Eddalied is gemaakt en daarom dezen bouw vertoonde. Maar men ziet uit het voorbeeld, hoe zelfstandig de balladedichter te werk gegaan is.
1)Abh. der Phil.-hist. Klasse der sächs. Akad. der Wiss. XXXVII, Nr. 111 (Leipzig 1923).
2)Bidrag till Eddametriken, Skrifter utgifna af Svenske Litteratursällskapet i Finland LIX (Helsingfors 1903). - Ik laat de opvattingen van Gering (neergelegd in zijn opstel Das fornyrđislag in der Lieder-Edda, in het Arkiv för Nordisk Filologi XL, 1924, blz. 12-17) ter zijde, daar hij het doorvoeren van een metrische theorie hooger schat, dan de overlevering der Eddaliederen.
1)Het is natuurlijk niet geoorloofd, ter wille van dit vers, te lezen fnásaði met een lange vocaal in de stamsyllabe, zooals Neckel in zijn Eddauitgave doet (blz. 108).
1)De argumentatie van dr. v.d. Ent blz. 25, die de scansie
 ❘
 verkiest, is verre van overtuigend. Hij wijst op de rustige beweging van het gedicht, waarmee een dergelijke scansie zou overeenstemmen. Maar op dit punt van het verhaal is er toch alle aanleiding tot stootend rhythme, daar hier een ontlading van spanning plaats heeft; ik zou dus een scansie
 alleen daarom reeds verkiezen. Maar dit blijven subjectieve redeneeringen. Ik acht ook den metrischen vorm van de versregels der Hymiskviđa, waar ook de naam Hlórriða voorkomt, voor de Þrymskviđa niet bewijzend en betwijfel bovendien, of men hier een scansie
 zou moeten aannemen. Indien men zegt, dat een regel als 14,7 hvé þeir Hlórriða wel gelezen kan worden als
 , dan houdt men toch te weinig rekening met een natuurlijke accentueering, die reeds blijkens de plaats der rijmstaven eerder zou zijn
 . Eindelijk is het wel bedenkelijk, dat een zoo weinig doorzichtige naam als Hlórriði toch nog altijd als samenstelling zou zijn gevoeld en dat daarom het tweede lid der samenstelling het hoofdaccent zou hebben gehad. Ten hoogste zou men kunnen aannemen, dat het woord een zwevende betoning had, zoodat al naar de omstandigheden nu eens de eerste, dan weer de tweede syllabe het hoofdaccent kon dragen. Eindelijk pleiten voor de accentuatie
 nog de beide plaatsen der Lokasenna 54,6 hór ok af Hlórriða
 en 55,3 heiman Hlórriða
 en wat voor mij den doorslag geeft, in str. 15 der Vellekla van Einarr Skálaglamm (omstreeks 986 gedicht) vinden wij naast elkaar:
In dit gedicht is immers een dergelijke scansie zeer gewoon, vgl. 12,2 harðr, Lopts vinar, barða; 16,4 ríkr ásmegir slíku; 23,4 sjau landrekar randa; 25,4 þrimr hundruðum lunda enz. Wanneer wij in een zoo vroeg gedicht reeds de accentuatie
 doorgevoerd vinden, kunnen wij moeilijk aannemen, dat de Hymiskviđa op een zooveel ouderwetscher standpunt zou hebben gestaan.
1)Dit vers kan natuurlijk ook gelezen worden als
 , maar naast vs. 2 komt de door mij gekozen accentuatie natuurlijker voor. Bovendien is 26,1; 28,1 sat in alsnotra stellig te lezen als
 (wegens alliteratie al: ambótt). Maar heeft hier het prefix al- het accent, dan toch waarschijnlijk ook in alsvartir.
1)ZfdPhil. XLIII (1911) blz. 135. Zie ook Sijmons-Gering, Edda III, 314.
1)Zie voor andere voorbeelden v.d. Ent blz. 60 vlgg.
2)Iets anders staat het met 11, 3-4 þrymr hefir þinn hamar þursa dróttinn. Hier draagt þinn geen hoofdstaf en kan dan ook in het systeem gemist worden. Maar, ofschoon het in de daling staat, valt het toch eerder op, omdat het met een sterkbetoond woord van hetzelfde vers, dat bovendien voorafgaat, allitereert.
1)Of zijn de rijmstaven ok en um? Ook dan zou het vers al heel gebrekkig zijn.
2)De andere gevallen, die v.d. Ent op blz. 64 opsomt, beoordeel ik, zooals men uit het bovenstaande kan afleiden, geheel anders.
1)Zij pleiten eerder tegen Läfflers meening. De bruid zou 18 nachten gewaakt hebben (18 eerder verknoeid uit 8 dan uit 7), en 14 nachten gevast (maar in de Þrkv. juist 8!).
1)Het rijm is hier eerder ontstaan door differentieering van twee parallelle regels.
1)Aldus Sijmons, Edda, Einl. blz. CLXXV. Voorzichtiger drukt hij zich uit in den commentaar III, blz. 316.
2)Zie Sijmons, Einl. blz. CLXXXII.
1)De meening van F. Jónsson, dat Bdr. en Þrkv. door eenzelfden dichter zouden zijn gemaakt en dus het eerste gedicht ‘ook’ tot de oudste Eddaliederen moet behooren, is een der vele onbewezen en onbewijsbare beweringen, waaraan de studie der Edda maar al te rijk is.
2)Zie echter R.C. Boer, Edda II, blz. 109.
1)Voor dergelijke koeien zie Detter-Heinzel aant. bij Þrkv. 23,2 en S. Bugge, Helgedigtene i den aeldre Edda, blz. 282.
2)In de Brotstr. is het gebruik van var begrijpelijk; wat de Þrkv. betreft, hebben wij opgemerkt, dat hier, volgens sommigen, de vorm niet geheel voldoet. De eenige parallel, die Neckel voor zijn constructie aanvoert, stamt merkwaardigerwijze eveneens uit Brot, nl. 11,5 soltinn varð Sigurðr.
1)Uit Heusler's bespreking in Arkiv för Nordisk Filologi XXXVIII (1922) blz. 353 zie ik, dat Mej. Philpotts dezelfde opvatting huldigt.
2)Neckel, Beiträge, noemt het in het algemeen zeer oud; F. Jónsson, Lit. Hist., schat het laatste deel der Xe eeuw; Paasche denkt twijfelend aan de IXe eeuw. E. Noreen, Den Norsk-isl. Poesien, acht het type oud, maar dit specimen jong.
3)HHu I, 56, 10 þá er sókn lokit staat veel verder af.
1)Jónsson, Lit. Hist, I, 302, zegt, dat het niet jonger is dan 1025; Paasche denkt ook aan de XIe eeuw; Neckel, Beitr. blz. 307 eerder aan de XIIe dan aan de XIe eeuw; E. Noreen, blz. 114 noemt het na klassiek; R.C. Boer, Edda II, 289, acht het mogelijk, dat het 't jongste van alle Eddaliederen is.
2)Hier wordt het gezegd van den draak Fáfnir, met dezelfde woorden als in Guđr. I, nl. eitri ek fnoesta. Indien er tusschen deze drie plaatsen een samenhang mag worden aangenomen, zou men als volgorde klaarblijkelijk moeten aannemen: Fm. → Guđr. I → Þrkv.
1)Gewoonlijk wordt het gedateerd in de IXe à Xe eeuw (S. Bugge, R.C. Boer, F. Jónsson, E. Mogk): Paasche denkt zelfs aan de VIIIe eeuw!
1)Lindroth, Namn och Bygd 1916, blz. 165, wil lezen brea steina (= brjá ‘schitteren’). Een aanlokkelijke emendatie, die toch, naar mijn oordeel, overbodig is.
2)Zie K. Visted, Vor gamle Bondekultur, blz. 141 vlgg.
1)Bijv. Haugebonden som leikar og rimar (Lammers, Norske Folkeviser I, 18 str. 7): ei forgyllade brose.
2)Het artikel van A. Vestlund, Edda 1919, waarin hij aannemelijk wil maken, dat een heidensche ritus aan dit gedicht zou ten grondslag liggen, is een voorbeeld van slechte methode in een mythologisch onderzoek.
3)De overeenstemmingen bestaan bovendien slechts in schijn; Olrik kiest de formuleering zoo, dat alle verschillen worden verdoezeld. Daardoor is het hem mogelijk, de wereldslangmythe in dit, naar zijn aard volkomen verschillende, verhaal, ter vergelijking aan te voeren.
1)Zie Album M.J. Eiseni 70. Sünnipäevaks, blz. 134 vlgg.
1)Vgl. o.a. Lindquist, Namn och Bygd XIV, 87; Landtman, Folktro och Trolldom (Finl. Sv. Folkdiktn. VII, 1) blz. 3-4; L.Ph.C.v.d. Bergh, Proeve Krit. Wdb. Ned. Myth. blz. 264; M.J. Eisen, Esthnische Mythologie, blz. 163; O. Loorits, Liivi rahva usund I, blz. 253 enz.
2)Daarom behoeft men nog niet aan een heidensche travestie van een Christelijke legende te denken, zooals K. Krohn, Skandinavisk Mytologi, blz. 202 vlgg., dit doet. Betreffende de verhouding van het Eddalied en de Finsche (Eestnische en Lapsche) sprookjes maakt hij evenwel belangrijke opmerkingen.
1)Het is opmerkelijk, dat ook Sievers, op grond van rhythmisch-melodische overwegingen, dit Eddalied voor Noorweegsch houdt.
2)Zoo bijv. nr. 1. Het Deensche tossegreven zou meer overeenstemmen met þussa gramrinn in de Þrymlur, dan met þursa dróttinn in de Þrkv. Het verschil is dan toch niet groot.
1)Zoo de onder nr. 5 en 6 genoemde gevallen.
2)Zie Edda, Nordisk Tidsskrift for Litteraturforskning XIX, blz. 144-198.
1)Kenschetsend zijn ook de lange inquit-formules. In de
oude epiek worden zij weggelaten òf zij hebben den volgenden typischen vorm: Hild. 45, Hiltibraht gimahalta, Heribrantes suno; Beow. 631, Beowulf maþelode bearn Ecgþeowes; Guđr I, 4, þá kvað Giaflaug, Giúka systir. Deze formules kent ook de Edda, met name in de heldenliederen. Van de godenliederen zijn het alleen de Þrymskviđa en Baldrs draumar, die ze gebruiken; weer een bewijs voor den samenhang tusschen deze beide gedichten. Maar de Þrkv. gaat nog verder op dezen weg; ik herinner aan de boven besproken wending ok hann þat orða allz fyrst um kvað (ook in Bdr.). Geheel in denzelfden geest is de aanspraak 2,3-4 heyrðu nú, Loki, hvat ek nú moeli, die, zoover ik zie, in de Edda hier alleen voorkomt (Fj. 44,1 en HHj 27,1, die alleen de woorden heyrðu nú bevatten, zijn van anderen aard). maar die in de balladen talrijke pendanten heeft, zooals Margjit og Targjei Risvollo (NF Nr. 13) str. 33 Høyrer du rike Targjei, hot eg spyrje deg må.
1)Het is opmerkelijk, dat in den Sǫrlaþáttr, een IJslandsch verhaal uit de XIVe eeuw, verteld wordt, dat  đinn dit sieraad begeerde en, daar Freyja het niet wilde afstaan, een list aanwendde. Hij droeg aan Loki op, het hem te verschaffen. In de Þrymskviđa wordt ook aan Freyja iets te leen gevraagd - nu haar fjaðrhamr - en ditmaal niet te vergeefs. Ook hier is het Loki, die met een boodschap wordt belast. Ik behoef er nauwelijks op te wijzen, dat de list, waarmee Loki het juweel verwerft - in de gedaante van een vloo brengt hij de slapende Freyja er toe, zich om te wenden, zoo dat het halssieraad gemakkelijk losgemaakt kan worden - een zeer verspreid sprookjesmotief is, dat, zooals A. Aarne heeft aangetoond, uit Indië herkomstig is.
1)Zie O. Almgren, Hällristningar och Kultbruk, Stockholm 1926-1927, waarin zeer rijk, maar meermalen zeer twijfelachtig materiaal wordt behandeld.
2)Almgren, t.a.p. blz. 282.
3)Zie G. Wilke, Die Religion der Indogermanen in archäologischer Beleuchtung, Leipzig 1923, blz. 115.
4)Zie Handwörterbuch des deutschen Aberglaubens (van Bächtold - Stäubli) I kol. 745.
5)Müller, t.a. p. I, blz. 150, vermeldt bijlvormige barnsteenparels die in den steentijd als sieraad werden gedragen. Dat bewijst dus, dat dit symbool van den dondergod reeds in dien tijd een onheilwerende kracht werd toegeschreven. Maar het is mogelijk dat in den wikingtijd, onder invloed van het Christendom, dit gebruik op nieuw is opgekomen of wel weder meer algemeen werd. Kan hiermee de overgang ven bijl- tot hamersymbool samenhangen?
1)Ook het hamerteeken op runensteenen was een navolging van het kruis, zie o.a.M. Cahen, Revue de l'histoire des religions XCII, blz. 43.
2)Wat de dichter zich gedacht heeft bij de woorden vígið okkr saman Várar hendi heeft nog niemand verklaard. Als Gering, Edda III, 326 dit vertaalt als ‘durch die hand der Vór, d.h. indem ihr V r anfleht, mit eigener hand unsere weihung zu vollziehen’, dan blijft mij de samenhang even duister. Niet meer licht geeft de vertaling van W. Krause, ZfdAlt. LXIV, 270,
‘weihet uns zusammen mit der hand der trengöttin’. Welke plaats zou in het heidensche huwelijksceremonieel, naast den Mjǫllnir voerenden dondergod, aan deze godin zijn toe te kennen?
3)Zie Moltke Moe, Samlede Skrifter III, (Inst. for sammenlign. Kulturforskning, Serie B IX) blz. 210 vlgg.
1)Men kan zich zelfs afvragen: was het wel een ballade en niet veeleer een of ander episch lied in den Duitschen stijl? Wij kunnen dit uit de woorden van Saxo niet opmaken; het woord cantor beteekent natuurlijk niets.
1)Vgl. A. Heusler, Die Anfänge der isländischen Saga, blz. 20 vlgg.
1)Kaalund, Arkiv f.n. Fil. XXIII, 228 vlgg., wijst er op, dat de ballade op IJsland nooit populair is geweest en dat de overgeleverde fornkvoeđi als opzettelijke vertalingen uit het Deensch zijn te beschouwen. De eigenlijke epische dansliederen waren de rímur. Maar ook deze behooren tot hetzelfde genre van het rijmende en strofische vertellende lied.
1)Ik denk dan aan het straks te noemen, aan Knut den Groote, toegeschreven liedje. Dit wordt, naar Grundtvig meedeelt, gevonden in een kroniek uit het begin der XIIe eeuw, die echter teruggaat op een in het Engelsch gesteld handschrift van het eind der XIe eeuw.
2)Zie mijn opstel in Edda 1918 II, blz. 165-187.
1)Het verband der Deensche ballade met het Duitsche speelmanslied, waarop A. Heusler, Germ. Rom. Monatschr. X, 1922, blz. 16-26, met nadruk wijst, ligt voor de hand; voor de ontwikkeling der Westscandinavische balladen heeft echter dit Duitsche genre nauwelijks, en althans alleen middellijk, beteekenis gehad. Hier had men andere, en betere, voorbeelden.
1)De gebruikte afkortingen beteekenen: NF = Liestøl - Moe, Norske Folkevisor I-III; L = Landstad, Norske Folkeviser; GF = Bugge, Gamle norske folkeviser; SK = Hammershaimb, Sjúrđar kvaeđi; FK = Hammershaimb, Faeröiske Kvaeder; FA = Hammershaimb, Faerøsk Anthologi; IF = Grundtvig-Sigurđsson Islenzk Fornkvaeđi.
1)Soms kan men in parallelle redacties het verval zien voortschrijden. In de Noorsche redactie van Hemingjen aa Gyvri (GF 2) str. 1. staat: fyste loerde han paa Skínó renne / aa Sía te Skjóte reinen; in de Zweedsche echter (Arw. 13) str. 1: först lärde han på Skyde löppa / sedan beeta hiortar och rehn. Het is natuurlijk niet mijn bedoeling, dat de alliteraties, die wij in de balladen vinden, alle teruggaan tot den tijd, waarin het oude allitereerende vers nog leefde.
1)Zie R.C. Boer, Studiën over de Metriek enz., blz. 135-136.
|
|