[p. 289]

Sprokkelingen

4. Over eenige dierensoort- en eigennamen

Er bestaat eene naam- of namenkunde1) (onomatologie), een afdeeling of ‘vak’ der taal- en letterkunde. Maar deze bepaalt, beperkt zich niet tot de namen der menschen, maar strekt zich ook uit over die der dieren; waarmede mijne studiën over en uitgave van ons onvolprezen Nederlandsch dierenepos mij meermalen in aanraking gebracht hebben2).

Bij ietwat nadere beschouwing blijkt alras dat wij ook hier, bij de dierennamen - evenals trouwens bij de dieren zelven en bij de menschen - hebben te onderscheiden tusschen soorten en geslachten, en derhalve tusschen:

A. De soort namen, toepasselijk op alle leden van eenzelfde geslacht of soort (en ras) van dieren, en ook, naast de Latijnsche, in de natuur wetenschap der dierkunde of zoölogie3) gebruikelijk; te vergelijken met de geslachts namen der menschen.
B. De eigennamen van een familie of een geslacht der dieren, door het volk (aanvankelijk wellicht slechts in scherts) ontleend aan de voornamen der menschen; soms ook wel als roep- of loknaam gebruikelijk: een ‘vak’ der taal- of der volkskunde (‘folklore’). Vooral deze soort van (Nederlandsche) namen is in de volgende bladzijden bedoeld en besproken.
[p. 290]
C. De individueele eigennamen, ‘voornamen’ van één, beroemd of bekend, dier; alleen gebruikelijk in den beperkten kring van gezin of naaste omgeving, of in de litteratuur: zulke als Belisarius' paard1) Bala (zie straks), Rollants strijdros Veillantif, dat van Charlemagne: Tercendur, of dat van den Comte Murgleis: Tachebrun (alle drie in de Chanson de Roland) of, vooral, het beroemde, in Zuid-Nederland zoo populair gebleven ‘Ros Beiaert2) (rosbeier enz.) der Vier Heemskinderen; 't best te vergelijken met het middeleeuwsch gebruik der ‘benaming’ (wederom in het heldenepos), zelfs van levenlooze, doch vermaarde en den eigenaars vertrouwde, dierbare voorwerpen, in de eerste plaats natuurlijk beroemde zwaarden, als dat van Charlemagne: Joyeuse3), van Rollant: Durandal, van Olivier: Halteclere, van Turpin: Almace, van den Emir: Précieuse (alle vijf weer in de Ch. de Rol.)4) en van Siegfried, in de Nibelungen: Balmung, van Ecke: Eckesachs, van Heime: Nagelrint enz.

Aan de bespreking der hierboven, onder B, nader bepaalde dieren(soort)eigennamen ga vooraf een beknopte opgave van enkele werken of opstellen over deze stof:

J. Grimm, Thiernamen, Cap. XI van zijn Reinhart Fuchs (1834), s. CCXII-CCL (nog steeds van waarde en beteekenis).

Edw. Schröder worde eershalve, als de grootmeester der hedendaagsche ‘Deutsche Namenkunde’5), na Grimm, genoemd; al heeft hij toevallig op dit onderdeel, ‘vak’ zijner lievelingsstudie, n.f., slechts één opstel geschreven, t.w. over den (individueelen) eigennaam van ‘Belisar's Ross’ (Bala).

[p. 291]
H. Hirt, Etymologie der nhd. Sprache (1909), 131-6.
H. Suolahti, Die deutschen Vogelnamen (1909).
O. Schultz, Zu dem Übergang von Eigennamen in Appellativa, in Zschr. f. rom. Philol. XVIII (1894) 130-7.
E. Langlois, Table des noms propres de toute nature, compris dans les Chansons de geste imprimé[e]s (1904).
E. Martin, Table alphabétique des noms propres, in zijne uitgave van den Roman de Renart. III. Observations. Supplém. 113-21 (1887).
A. Lübben, Die Thiernamen im Reineke Vos (in Gymn.-Progr. Oldenburg, 1863).
J. Winkler, De Nederlandsche Geslachtsnamen (1885), 372-400: ‘Geslachtsnamen aan namen van dieren ontleend’. - Dez., Studiën in Namenkunde (1900).
J. Reinius, On transferred names, appellations of human beings, chiefly in English and German (1903); door Stoett, in zijne uitgave van Drie kluchten enz., 152, genoemd, maar mij onbekend gebleven.

Ten slotte moge ik hier een paar mijner eigene, hierbeneden dikwijls aangehaalde, opstellen over deze stof vermelden, in Tschr. XIX 183-93, XXV 22-4, XLIII 80; zie ook mijne Reinaert-ed.3, blz. 37, noot 33, en het register op dit Tschr. XXVI-L, blz. 56-71).

Van de hierboven, onder A, bedoelde dierensoortnamen vereischt hier alleen eenige vermelding of nadere bespreking - voor zoover die niet in het Ned., het Mnl., of het Etymologisch Wdb. (Franck-Van Wijk-Van Haeringen) gegeven is - die categorie van, eigenlijk tautologische, namen, die samengesteld zijn uit den ouden, maar verouder(en)den, en den hierom, ter verduidelijking, daarachter gevoegden, meer modernen (of wel algemeenen soort)- naam; eenigszins te vergelijken met samenstellingen als Gelder-, Griekenland (< mnl. Gelre, Grieken) en appel-, pere-, pruimeboom2).

[p. 292]
borsebeer = bors, (manlijke) beer (ursus); zie Ned. Wdb. III 579, alsmede Biestkens, Kl. van Claes Kloet, 5.
damhert < lat. damus, fr. dain.
eendvogel, reeds Mnl., doch bevreemdend, daar eend immers nooit en nergens verouderd of vreemd geworden is (Ned. Wdb. III 3824-5, Mnl. Wdb. II 550, en ook Rein. II 6883).
elpendier, olifant (Mnl. Wdb. II 620)1).
everzwijn, reeds Mnl. (a.w. IV 756)2).
lint-, lindeworm, eig.: ‘slang-slang’, doch mnl.: draak, nnl: ingewandsworm (zie a.w. IV 652 en Franck-Van Wijk-Van Haeringen).
mormeldier, marmot; zie Ned. Wdb. IX 1145-6, Hirt 136.
muildier, -ezel; zie over deze beide namen Ned. Wdb. IX 1204-6.
rendier (onr. hreinn, oeng. hrân).
struisvogel (voorheen meestal omgekeerd: vogel struis, o.a. ook op gevelsteenen; zie b.v. H.W. Alings, Amsterd. Gevelsteenen, 117).
walros, -rus, omgezet uit onr. (h)rosmhvalr; zie Franck-Van Wijk, en verg. ook narwal.
walvisch (eng. whale, onr. hvalfiskr).
windhond, en nogmaals verduidelijkt: hazenwindhond.
zeehond3) < mnl. seehont; toch zeker wel - ook onder invloed der overtalrijke, met see- samengestelde (zee)dierennamen (Mnl. Wdb. VII 39-40, 858-89, 867, 868, mede tot deze categorie behoorende namen - uit sele, sael (hont2)), oeng. seolh, neng. seal (waaruit het, thans voor kleedij veel gebruikte sealskin); Canis marinus (Maerlant, Nat. Bl. IV 254-77, inz. 274), thans: Phoca vitulina. Zie L. Willems, in VMVA. 1934, 863, 867; mijn Exeg. Comm. op Rein. I, blz. 109, 234, en Baudet, Maaltijd en Keuken in de ME., 854).

Tot de hierboven, bij B, bedoelde soort van dierennamen behooren

[p. 293]

o.a. ook die, veelal op -eel uitgaande, welke aan de huidkleur ontleend zijn, en dus eigenlijk verschillende dieren en ook dierensoorten aanduiden (kunnen): zulke als mnl. Bruneel, mlat. Brunellus, de ezel (zie mijne Rein.-ed.3, blz. 93-4; Ned. Wdb. III 1674-5); maar ook Bruin, bruin paard, of heel in 't algemeen: paard (t.l.a.p.) en Bles, paard met een bles, witte plek op 't voorhoofd (Ned. Wdb. II 2826-7; verg. ook Streuvels, bov., blz. 290, noot 1), Grauweel, grijs paard (Ferg. 879, door Verdam noch Overdiep q.t. her- en erkend); Moreel, zwart paard (Velthem IV 73, 3370; Rose 12865; X Goede Boerden V 2: Niederdeut. Schausp., edd. Bolte-Seelmann, 16); Rosseel, de eekhoorn, maar ook een van Reinaerts zoontjes (zie mijne Reinaert.-ed.3, blz. 101); voorts Grauwtje, de ezel (Ned. Wdb. V 614); wellicht oorspronkelijk ook de naam ezel zelf (Kern sr., in Taal- en Letterbode V 25); maar eveneens het bov., blz. 290 reeds genoemde (en beroemde) paard der Vier Heemskinderen: Beiaard, oorspr.: roodbruin (zie mijn Exeg. Comm. op Rein. I 1270, blz. 75-6). Enz. enz.; dit zijn slechts enkele staaltjes van aan de huidkleur ontleende dierennamen, te talrijk om ze hier alle op te sommen; zie derhalve het Ned. en het Mnl. Wdb. op alle kleurnamen: met of zonder achtervoegsel aan voornamen van menschen ontleende, namen van dierensoorten (als b.v. Jan van Gent). Hier is beperking vereischt, t.w. tot die gevallen, waarin (om niet altijd duidelijke reden) een mans- of vrouwenvoornaam in de algemeene of, veelal, gewestelijke taal - niet zelden ook in verschillende toepassing - wordt gebezigd als (soort)eigennaam (ook wel als roepof lok naam), niet van één individueel dier, maar van alle dieren van éénzelfde zoölogische soort; niet: zekere, bekende, maar: een of de hond. Als zoodanig mogen hier - nogmaals: zonder éénige aanspraak op volledigheid - de volgende genoemd worden; in hoofdzaak die, welke, hetzij al dan niet uit de litteratuur, in de (gewestelijke) Noord- of Zuid-nederlandsche of (Zuid-)Afrikaansche volkstaal overgenomen en min of meer ‘gevestigd’ zijn; maar niet de alleen in de ‘dierensproken’ (in ruimen zin, dus incl. Reinaert I en II) voorkomende1); waar mogelijk met enkele gissingen naar de reden, het ‘tertium comparationis’ der ‘benaming’.

[p. 294]

mogelijk met enkele gissingen naar de reden, het ‘tertium comparationis’ der ‘benaming’.

Aert, de raaf (Kl. v.d. Katmaecker1), 340).

Alke, Aelken, verkl.- en vleivorm van Alijt (= Aleit < Adel-heit', met zéér vroege, reeds Mnl., syncope der -d en ij > ei2). Eigenlijk een roep- en loknaam der gans (of goes)3); maar ook gebezigd als typeerende spotnaam voor eene onnoozele, babbelzieke vrouw, een ‘domme, slappe gans’ (Ned. Wdb. IV 247-8). Verg. in dezelfde beteekenissen mnd. Adelheid de goes (Reinke de vos, 1779, en zie vooral Lübben, Die Thiernamen im Reinke de vos (Gymn.-Progr. Oldenburg, 1863, 33-7), en verder Tschr. IX 182-5, XLIII 80, XLVI 51. De naam is, ‘geleerdelijk’ vergriekscht, met y > u, maar tevens, met toespeling op Al-uut - Rein-uut (‘schoon’, heelemaal op), vervormd tot Aluta, de domme (en drankzuchtige) ‘titelheldin’ in een Latijnsch schooldrama van den Utrechtschen rector Macropedius (Langeveld), ao. 1535 (ed. Bolte, 1897).

Eelen(?) platvoet, de beer (ursus)? Zie Styenvoort4) LIII 27.
Gerrit, de gent, manlijke gans (Katmaecker, 337); maar ook wel: de kraai of de ekster (Ned. Wdb. IV 1683).
Goyen (zie Tschr. XL 170) claps, de ekster (Styenvoort LIII 14).
Griet, zekere vogel; ook: een bekende visch (Ned. Wdb. V 699).
Grimbeert, de das, zie mijne Rein.-ed.3, blz. 94-5.
Hanne(n), het nuchtere kalf, maar ook: de (tamme) ekster (Ned. Wdb. V 2108-10).
Hannewuit, de ekster, of de roetaard, of de meerkol (Vlaamsche gaai) (Ned. Wdb. V 2110); verg. ben., Wouten, Wouter.
[p. 295]
Hannik, de zwarte kraai, of de roek, of de tamme ekster (t.a.pl.).
Hans, de ezel, of de stier, of de beer (manlijk zwijn), of het paplam, of de vleeschvlieg (Tschr. XIX 191, Ned. Wdb. V 2114).
Hein, zekere visch, of zekere soort van spin; ook: zekere (vreemde) vogel (Ned. Wdb. VII 478).
Hein Langbeen, de ooievaar (Styenvoort LIII 31).
Herri, de ezel (Katmaecker 332-3).
Jan, hoewel de, in 't algemeen, ‘gemeenste’ (ook in tal van verbindingen voorkomende) mansnaam, hier alleen in Jan van Gent, als naam voor den stier, of den kater, of wel de basaangans of stumper (Ned. Wdb. VII 183-192, 217).
Kees, de aap, de meerkat, de baviaan; ook: het varken (Ned. Wdb. VII 2006). Over keeshond zie bov. blz. 292, noot 2.
Klaas, de Vlaamsche gaai (Ned. Wdb. VII 3268).
Koen (‘Kuen’?), de ooievaar (Katmaecker, 336; zie Stoett's aant., blz. 386).
Koppe(n), de hen; zie mijne Rein.-ed.3, blz. 96-7; Exeg. Comm., blz. 37; Vondel, ed. WB., III 115 vlgg.1).
Lampe, de haas (in den Mnd. Reinke de vos, maar ook te Deventer e.e. in Nederlandsch ‘Sassenland’ wel aldus genoemd?). Verg. mnl. Lampreel, het konijn (Rein. II), en zie Lübben, a.w. 31-3; O. Glöde, in Zschr. f.d. deut. Unterr. V 585 flgg., en Rein.-ed.3, blz. 97.
Markolf, de meerkol, of de (snaterende) ekster (Tschr. XIX 189-
[p. 296]
90); verg. de samenspraak (‘dialogus’) tusschen (den wijzen koning) Salomon en (den dwazen, zotten nar) Marcolphus, edd. De Vreese en De Vries. Zie ook Lübben, a.w.
Ma(a)rtijn, Ma(a)rten, Mertijn enz., de aap (Rein. II 4411, 4536, 6857; Styenvoort LIII 25; Vondel, War. der Dieren, LXXX 1: ‘sim Marten’; zie ook Tschr. XLII 313-4, Ned. Wdb. IX 49-50).
St. Ma(a)rtensvogel, niet onwaarschijnlijk: de bonte of zwarte specht; zie mijne Rein.-ed.3, blz. 109-10.
Melis (< Aemilius), ‘cratte, tratte’(?) (Katmaecker 338).
Metken < Machteld (< Mahthild > Mathilde, zie Förstemann, Deut. Namenbuch, I 1083), de geit (Tschr. XLIII 80); ook > nhd. metze, hoer!
Mewus, Meeuws < Bartholomaéus; (verg. Teeuwis < Matthéus), de kater (Styenvoort, LIII 111); verg. Stoett, Spreekwdb.3 no. 2133.
Pieter, de kater, of (elders?) het winterkoninkje (Ned. Wdb. XII 1580, 1582).
Pieterman, zekere bekende visch (a.w. XII 1591).
Piet(je) = Pieter, de scholekster, of het winterkoninkje, de haas, de worm in het fruit; vooral de kanarievogel (onomatopoëtisch, naar het ‘piepend’ ‘gezang’ of geluid), maar ook de haarluis (Katmaecker 334, Tschr. XIX 191, Ned. Wdb. XII 1580, 1582).
Reinaert, Reintje, Reinken enz., de vos (zie Rein.-ed.3, blz. 100).
Richard, de blauwvoet, een soort van valk of sperwer (Tschr. XIX 191, Ned. Wdb. II 2799).
Swestaert,? (Styenvoort LIII, 17).
Thonis, Teunisvarken het zwijn, < St.-Antönisvarken (Tschr. XIX 192).
T(s)jirk (friesch = nnl. Dirk, Derk), de tureluur (Ned. Wdb. XVII 247-8: tjerk).
Trui, de zeug, ook: het moerkonijn; >trui, van voren en van achteren dicht wambuis. Zie Reinke de Vos, ed. Prien, Anm., 5, 235: froye, zeker een schrijf- of drukfout voor Troye (F iplv. T of F iplv. T) (paard van) Troje1) (Styenvoort LIII 4; Antw. Liedb. CLV,
[p. 297]
str. 8 (troey), Mnl. Wdb. VIII 702; Kil.; Vondel, War. d. Dier. XCVII 1).
Willem, de ‘verre’ (jonge stier) (Katmaecker 335).
Wouten, Wuit(k)en, het lam (Tschr. XI 68; XXI 104; XL 166, noot 2; XLIII 80; Styenvoort LIII 29).
Wouter, het schaap (inz., in Friesland: een met de flesch grootgebracht am), de vlinder, de Vlaamsche gaai, de slak (Katmaecker 341, Tschr. XIX 187-92, XL 172 vlgg.).
Wouterloot < fr. gautrelot, de ekster of de meerkol (Tschr. XIX 188-92).

 

Als klapper op het vorenstaande diene, ten slotte, dit alphabetische lijstje, met de algemeene ‘benaming’ der dierensoort voorop: aap: Botsaert (Bokaert), Kees, Martijn; basaangans: Jan; baviaan: Kees, Ma(a)rten; beer (ursus): Brune, Eelen(?) platvoet; blauwvoet: Richard; ekster: Goyen claps, Hannewuit, Wouterloot; tamme ekster: Hannen, Wouterloot; ezel: Boudewijn, Bruneel, Grauwtje, Hans, Herri; (Vlaamsche) gaai: Hannewuit, Klaas; gans: Alijt; gent: Gerrit; haas: Kurtnève, Lampe, Pietje; hen: Koppe(n); (nuchter) kalf: Hannen; kanarie: Pietje; kater: Jan van Gent, Mewus, Tibeert; (zwarte) kraai: Hannik?, Hannen(?); lam: Wouten, Wuitken; (haar)luis: Pietje; meerkat: Kees, Maarten; meerkol: Wouterloot; ooi: Hawi; ooievaar: Hein Langbeen, Koen; paplam: Hans; raaf: Aert; roek: Hannik; roetaard: Hannewuit; schaap: Wouter; scholekster: Pietje; stier: Hans, Jan van Gent; verre: Willem; vleeschvlieg: Hans; vlinder: Wouter; vos: Reinaert, Rein(e)ke Reintje enz.; worm in fruit: Pietje; zeug: Trui; zwijn: Teunis1).

 

Leiden, Sept. 1943.

J.W. Muller