[p. 220]

Welle, wellen, wallen, walwort(el) waelwortel

Het Middelnederlands heeft ongetwijfeld, evenals 't Ohd. en 't Mhd., het verbum wellen gekend in de zin van volvere, draaien, wentelen, rollen, en 't substantief welle in die van cylindrus, rol; sucula, windas en phalanga, kaapstander.

In verschillende oude lexica vinden we de woorden genoemd. Zo geeft Plantijn (1573) o.a. ‘Welle, welboom = cylindrus, vel sucula’; en ‘wellen om de nieuw schepen int water te rollen = phalangae’; alsook ‘wellen = voluere, deuoluere, circumuoluere, peruoluere’. Bij Kiliaen (Ed. 1777, blz. 798) vinden we: ‘Welle = cylindrus, sucula, palanga (sic); welhout = cylindrus; welsteen = cylindrus’; en ‘Welle = voluolus: lignum teres instar cylindri’. Verder noemt hij ‘wellen = voluere’ en ‘wellinghe = volutatio’: Als ‘vetus. Fland’ noemt hij nog ‘Welle = Vertigo capitis’. Hadr. Junius geeft in zijn Nomenclator (Ed. 1596), blz. 244a het Lat. Voluolus o.a. weer door 't Nederl. rolblock en welle.

Al zijn welle en wellen dus zeker in 't Mnl. in gebruik geweest, 't zijn toch woorden, die, buiten de genoemde lexica, zelden of nooit zijn aangetroffen. In 't Duits is dat geheel anders. In 't Ohd. en 't Mhd. ontmoeten we reeds het sterke verbum wëllan (wal, wullum, giwollan). We lezen 't o.a. in Otfrids Evangelienbuch (IV, 35, 37)1): ‘Uuulun se, êr se fuarin heim, tharafuri mihilan stein’ (= Ze wentelden, eer ze huiswaarts gingen, een grote steen er voor). En in een metrische vertaling van Genesis (12de eeuw) heet 't2): ‘Er (nl. Adam) wolt die sculde wellen uf sine gesellen’ (= Hij wilde de schuld afwentelen op zijn vrouw) en enkele regels verder: ‘Si (nl. Eva) wal die scult uf die nateren’ (= Zij wentelde de schuld af op de slang).

In 't latere Mhd. treffen we 't o.a. aan bij Dav. von Augsburg (zie

[p. 221]

M. Haupt, ZfdA, 9, 30): ‘alse wunderlich daz waere, der von leimen (= leem) unde winde ein bilde ze samene wulle (st. praet. v. wellen), diu doch beide lîplich (= stoffelijk) sint, michels (= veel) wunderlicher ist, daz ein mensche von erden unde von geiste ze samene gefüget ist.’

In Ohd. (OS.) glossen3) vinden we de stam van dit werkwoord, als substantief gebruikt, in gi-uuelli (= kronkeling van een slang) en geuuel (= spira, kronkeling).

Het, met de stam van dit werkwoord samengestelde, substantief welbôm vinden we bij Lexer in zijn Mhd. Wtb. i.v. welle-, welboum aangehaald uit Die deutsch. historienbibeln des mittelalters (Ed. Merzdorf S. 322): ‘daz schaft (= de schacht) sînes spers was als (= alzo, even) grôsz als ain welbôm (var. webpaum),’ waar de overeenkomstige plaats (1 Sam. 17 vs. 7 in de Nederl. Statenvertaling) heeft: ‘Ende de schacht sijner spiesse was als een weversboom’. Hier heeft welboom dus de zin van ‘draaiende boom in een weeftoestel’4).

In een andere betekenis kwam 't woord in 't 16de-eeuwse Nederrijns voor; G. van der Schueren toch geeft in zijn Theuthonista (Ed. Verdam, blz. 291): ‘eyn welboem = chelindrus (l. chylindrus), dair men den acker mede gelijck maeckt’. Hier is 't dus een stenen rol, zoals die bij de landbouwers ook nu nog in gebruik is (zie beneden).

Jos. Maaler spreekt in zijn ‘Die Teütsch spraach’ (1561), S. 488b van ‘Der Wellbaum umb den das seil an oder abgewunden wirt, dicker inn der mitte, vnden vnd oben dünner’. Hij vertaalt 't verder met sucula, axis (= windas, as).

Welle, als substantief (nomen agentis) gebruikt, treffen we in dezelfde zin als wëlboum aan in 't Mhd.

Ook 't Mnd. kent 't, speciaal in de zin van ‘alles was cylinderrund ist, Walze’. K. Schiller u. A. Lübben geven daarvan in hun Mnd. Wtb. V, 665 o.a. de volgende bewijsplaats uit Wism. Inv. f. 128: ‘enen sclypsteyn myt ener holten wellen vnde enen myt ener iseren wellen’.

[p. 222]

En L. Diefenbach, Novum Gloss. Lat.-Germ. mediae et infimae aetatis, S. 269, vermeldt: ‘Occabulum, een welle, daermen die grote cluten mede brect’.

Het tegenwoordige Nederd. kent 't substantief welle ook nog. In Westfalen5) vinden we 't in de zin van cylinder, rol, in 't bijzonder als stenen rol, waarmee men de akkergrond gelijk maakt (syn. Klaute). Ook gebruikt men 't daar in de betekenis van langwerpig rond stuk; men spreekt daar b.v. van ‘ne welle bueter’. In Göttingen-Grubenhagen komt 't ook voor in de algemene opvatting van rondhout b.v. in ‘Mühllwelle’. In Waldeck vinden we wäle in de zin van ‘Wellbaum am Webstuhl6).

De begrippen rollen en rond liggen ook ten grondslag aan het gebruik van de verbale stam wel, welle, als substantief gebruikt, in de zin van bundel rijshoul, takkebos. In deze betekenis zien we het reeds in 't Mnd. van de Gött. Urk. I, no. 385, waar we lezen: ‘pro virgulis. staken unde wellen’. Ook Diefenbach haalt in zijn Nov. Gloss. etc. S. 167b uit een 15de-eeuws handschr. aan: ‘fasciculus = welle, burdelin’. In tal van Hd. dialecten komt 't ook nu nog in deze opvatting voor. Ook verschillende Nedersaks. dialekten kennen 't nog in die zin, alsook in die van bos stro; zo geeft H. Böning (Plattd. Wörterb. f.d. Oldenb. Land, S. 131): ‘Welle = Bündel Stroh, Reisig’. Voor Göttingen-Grubenhagen vermeldt G. Schambach (t.a.p. S. 293) o.a. ‘Welle. Ein Stücn Rundholz oder Stangenholz; auch ein Bund solches Holzes’, terwijl J. ten Doornkaat Koolman, Wörterb. d. Ostfr. Spr. III, 533, zegt: ‘Welle = zusammen gerolltes Bund Stroh oder Reisig’. Verder vinden we bij K. Bauer-H. Collitz. (Waldeck. Wörterb. S. 111) wälere, de substantievisch gebruikte stam van 't frequentatief wälern, wellern, genoemd als ‘walzenförmig gebundenes Reiserbund’.

De begrippen bos stro en garf, schoof zijn zeer nauw verwant. Het behoeft dus niet te verwonderen, dat welle ook in deze laatste opvatting (schoof) in 't Neders. gebied in gebruik was en is. Schambach (t.a.p. S. 293) geeft dan ook o.a. ‘Welle. An einigen Orten auch eine

[p. 223]

Garbe’. In deze zin is 't ook de Saks. streken van ons land gebruikt. Hieruit is de afleiding en betekenis te verklaren van de nu nog in Groningen voorkomende term welhoak (d.i. haak, door de zichter gebruikt om de halmen bijeen te houden voor vorming van schoven). Het verbum wèln heeft in deze Groninger kleistreken nog de betekenis van schoven vormen (zie ook Gron. Volksalm. v. 1847, blz. 105 vlg.).

De als adjectief gebruikte verbale stam (vgl. gaaf naast geven; (aan) genaam naast (aan) nemen) ontmoeten we reeds in 't Ohd. in de, rechtstreeks uit 't begrip rollen voortvloeiende7), betekenis van rond. We vinden 't in het compositum sinwel, sinewal (= volkomen rond) b.v. in de Ohd. ‘Genesis und Exodus (Ed. Jos. Diemer, I, S. 5 vs. 9): ‘er schuf ouz dem leime einen man nach sinem bilde getan (= gevormd), daz hobit (= hoofd) machet er sinwel, dar ubir zoch er im (= hem) ein uel’8). In 't Mhd. treffen we 't woord o.a. aan in Lamprecht's Alexander, vs. 1453 (Ed. K. Kinzel, S. 127):

 
‘dô er ginc ze râte
 
daz er ime sante drâte
 
einen guldînen bal
 
scône unde sinewal.’9)

[d.w.z. toen besloot hij, hem dadelijk een mooie, ronde, gouden bal te zenden].

In 't Mnl. is 't alleen aangetroffen in de Sassenspiegel I, 70 (Ed. B.J.L. de Geer van Jutphaas, blz. 40), waar gesproken wordt van ‘Enen sinenwolten10) scilt’, terwijl de variant (Hs. C.) ‘enen ronden scilt’ heeft.

[p. 224]

Het Mnl. W. geeft, buiten de woordenboeken, van wellen geen enkel voorbeeld uit de literatuur en van welle slechts één uit de Rek. van Zeeland, no 275. Deze plaats is echter zo onduidelijk, dat de betekenis van welle daaruit niet vast te stellen is.

Toch was 't substantief welle in genoemde zin aan 't eind van de middeleeuwen en ook in de 16de eeuw nog niet uitgestorven, want Marnix spreekt in ‘Het eerste Lofsanck Esaie’ (d.i. zijn berijming van Jesaja 5 vs. 1-2 en 7) van ‘een wijnpers met haer wellen’, en ook in zijn berijming van psalm 55 vs. 5 gebruikt hij 't woord: ‘Ick soude mijne vlucht versnellen Uyt dese stormen ende wellen, End soud' ontgaen dees wervelwinden’.

Een ogenblik zou men hier bij wellen kunnen denken aan een Germanisme in de zin van golven, maar 't is toch wel duidelijk, dat hij hier met wellen iets anders bedoeld heeft; immers in de onberijmde vertaling spreekt hij ook niet van baren of golven, maar alleen van ‘den wint die met den storm gedreven is’. Als we nu in 't oog houden, dat drijven ook draaien kan betekenen, zoals o.a. blijkt uit Vondel's eerste Rey van Engelen in de Lucifer (vs. 289), waar hij spreekt van ‘wat draeit, en wort gedreven, Om 't een en eenigh middelpunt’, dan is 't duidelijk, dat wellen hier draaiwinden betekent en synoniem is van ‘wervelwinden’ in de volgende regel.

Voor welle in de opvatting van draaiing kunnen we het bij Kiliaen als ‘vetus. Fland.’ opgegeven ‘welle = vertigo capitis’ (= draaiing in 't hoofd, duizeling) vergelijken. In Comoedia V etus of Bootsman-Praetje (Ed. 1718) vinden we in de woordenlijst als synoniem van ‘wielen’ ook ‘wellen = draaikuilen omtrent het landt’ (draaikolken).

Uit de betekenis rollen, draaien ontwikkelde zich gemakkelijk die van in beweging zijn. In deze opvatting vinden we wellen bij Jac. Revius, Overijsselsche Sangen en Dichten (Ed. W.A.P. Smit, I, 204), waar hij zinspeelt op een schipbreuk en zegt: ‘Wij wellen in het sant’, d.w.z. doordat het schip nog steeds werkt, in beweging is door de beukende golven, raakt 't steeds dieper in 't zand.

In deze zin vinden we 't ook bij Kiliaen, als hij welle opgeeft als synoniem van ‘sinck-sand = arena instabilis omnia absorbens et hau-

[p. 225]

riens’ en ‘wel-sand’ in de betekenis van ‘drif-sand, drijfsand (= arena mobilis)’.

Ook Revius gebruikt 't substantief ‘wellesant’ in deze zin (t.a.p. I, 240), evenals W. à Winschooten, Seeman, blz. 356, waar hij spreekt van ‘welsand, drijfsand, sand dat niet vast leit, maar driftig is’ (d.w.z. niet in rust).

 

Naast het sterke verbum wëllan kennen de Germaanse talen ook een intransitief reduplicerend werkw. wallan (wiel of wüel, gewullen) in de zin van bruisen, opwellen, opborrelen, koken11). Het behoort met 't bovenbesproken wellen bij dezelfde Idg. (resp. Germ.) wortel -wel (= draaien), die vooral in de West-Germ. dialekten tot bijzonder rijke ontwikkeling gekomen is.

In 't Ohd. komt 't o.a. voor bij Otfrid (t.a.p. III, 24, 47): ‘Si zi fuaze kriste fíal, unz thaz múat iru sô uuíal’ [d.w.z. zij viel neder aan Christus' voeten, totdat haar hart ‘brandendewerd]12). In 't Os. ontmoeten we 't verbum in de Hêliand vs. 5006: ‘antthat imu wallan quâmun thurh thea hert-kara hête trahni’ [= totdat hem hete tranen kwamen opwellen tengevolge van zijn zieleleed].

In 't 16de-eeuwse Duits treffen we 't o.a. aan bij H. Sachs13), Fabeln und Schwänke:

 
‘Im gen ain prünlein er ersach,
 
Das in aim geling fels aufwiel14).

[Onder 't voortgaan bemerkte hij een kleine bron, die in een steile rots opwelde.]

Na de 16de eeuw gaat 't werkw. in 't Duits tot de zwakke conjugatie over.

[p. 226]

Ook in 't Mnl. komt dit reduplicerende, intransitieve, verbum menigvuldig voor. In de zin van opwellen lezen we 't in J. van Maerlant, Der Naturen Bloeme, XI, 27, waar hij van de vier paradijsrivieren zegt: ‘Ende in ere wonderliker wise comen si uut enen berghe ghewallet’. Als synoniem van opbruisen, borrelen vinden we 't in Van Sente Brandane, vs. 365: ‘Dat vreeselike wonder (zeemonster) bezijden haren scepe ghinc onder, dat zijt hoorden borlen (= brullen) ende wallen’.

In de betekenis koken lezen we 't b.v. in 't Leven van St. Christina, vs. 854: ‘Dwater dat maecte si heet ende deed wallen’; en in Van St. Brandane, vs. 1491, is 't synoniem met gloeien: ‘Hem (nl. de duivels) scoot huut (= uit) haren ghiele (= muil) pec ende vlamme onghiere (= vreselijk, reusachtig) met sulfer-achteghen viere, dat gloyde ende wiel’.

Reeds in 't Mnl. zijn de sterke vormen (wiel en vooral gewallen) zeldzaam en gaat 't werkw. over tot de zwakke vervoeging.

Een enkele maal komt 't ook voor in de transitieve betekenis; het Mnl. W. geeft hiervan één bewijsplaats (9, 1629 vlg.: ‘Daerna salment uut doen ende wallent opt vier’).

In Vlaanderen is 't intransitieve wallen nog in gebruik b.v. ‘Het water walt nog niet’15).

Naast dit intransitieve wallen hebben we ook in 't Mnl. reeds het causativum wellen (= doen wallen, doen koken) b.v. in Bronnen v.h. O. Vaderl. Recht, 3, 750: ‘Soo en sal nyemant smeer wellen smorghens vroe voor sessen ende tsavents nae sevenen’; en bij Jan IJperman, Cyrurgie: ‘Den zieken voedet met verscen voetsele... moruwe (= zachte) eyeren, gekerende melc metten gortte gewelt16).

Uit deze betekenis van doen koken, tot kookhitte verwarmen, ontwikkelde zich die van verwarmen in 't algemeen, verhitten (zonder dat de kookhitte bereikt wordt). In deze zin vinden we 't eerst na de middeleeuwen. Bij Plantijn lezen we: ‘Dat melck wellen = Tieder

[p. 227]

le laict pour faire fourmage’; en ook Kiliaen geeft op: ‘Wellen het melck = Holl. Lac tepefacere conficiendo caseo’17). 't Woord leeft in deze opvatting nog voort in verschillende dialecten in ons land; zo zegt men in Groningen18) b.v. ‘Boontjes veur 't inzetn opwèln’ (d.i. boontjes vóór 't inmaken tot even beneden 't kookpunt verwarmen). In Utrecht en Zuid-Holl. spreekt men nog van ‘biest wellen’ (= bijna tot 't kookpunt verwarmen).

Uit de betekenis van doen koken, tot kookhitte verwarmen (vgl. boven: wallen als synoniem van gloeien) vloeide die van tot gloeihitte verwarmen (van stukken metaal) licht voort. En als we daarbij in 't oog houden, dat 't intransitieve wallen in 't oudere Duits ook de zin had van ineenvloeien19), dan is 't wel te verklaren, dat wellen reeds in de middeleeuwen gebruikt werd in de zin van aaneenhechten van witgloeiend gemaakte stukken metaal. In deze betekenis ontmoeten w 't o.a. in 't Mnd. Rügische Landr., C. 113 (J.S.H. Dreyer, Monumenta Anecdota I, 229 ff.): ‘Vor alle wellede tuigh, wo idt dar brect, dar idt wellet is, id sy eggetuich edder ander, dar moth de smidt vorandt(?) werden’20). Ook in ons land is 't woord in deze opvatting nog in gebruik bij de smeden.

Voorts ontmoeten we in het 15de- en 16de-eeuwse Duits wallen in de intransitieve zin van aaneenhechten, helen van een wond b.v. in de Zürich. Bibel (1530) in Jerem. 46 vs 11: ‘die wundt wirdt nit wallen’. De beide vormen wallen en wellen treffen we in 't oudere Duits ook aan in de, aan bovengenoemde causatieve zin van wellen nauw verwante, transitieve betekenis van doen dichtgroeien van wonden of aaneen doen hechten van beenderen. Zo haalt Diefenbach21) uit een Mhd. tekst uit 't midden van de 15de eeuw de volgende plaats aan: ‘Plantago (d.i. de Weegbree) heist wegerich vnd pringt zu samen

[p. 228]

mit irer kraft vnd wellet zu samen das zeprochen (= gebroken) ist in dem leip vnd verseret’. En M. Toxites22) zegt in zijn Horn des Heyls (1576), dat de Symphytum off. (= Smeerwortel) in 't Duits Wallwurts heet ‘um ihrer heilsamen wallenden krafft willen’ en dat de plant Beynwelle genoemd wordt, omdat ze ‘Beinbrüch heilet und zusammen wallet23).

En hiermee is nu tevens de etymologie van de Nederl. termen Walwortel, Waelwortel24) en de Duitse Beynwelle gevonden; ze zeggen dus, dat de Smeerwortel wond- en beenhelende kracht heeft.

Nu hebben Dr. J. Verdam (MnlW. IX, 1638-1639) en Dr. J. Franck (Etym. Woordenb. d. Nederl. Taal i.v. waalwortel) wel gezegd, dat we Waalwortel waarschijnlijk te verklaren hebben als ‘Waalsche wortel’, waarin ‘Waalsch’ dan de betekenis heeft van vreemd, exotisch, maar we hebben geen enkele aanwijzing, dat de Smeerwortel (Symphytum off.) bij ons een exotische, uitheemse plant zou zijn.

Als Kiliaen bij Waelwortel, Walwortel naast Symphytum ook opgeeft ‘Alus Gallicus’ en als Petr. Hondius de Waelwortel25) omschrijft als ‘wortel van de Wael’, dan kunnen we dat als onschuldige etymologische liefhebberijen beschouwen, die we mogen laten voor hetgeen ze zijn.

Uit hetgeen we boven opgemerkt hebben is o.i. wel duidelijk ge-

[p. 229]

bleken, dat we bij Walwortel aan samenstelling met wallan (aaneenhechten) niet behoeven te twijfelen26).

Bij Kiliaen vinden we (blz. 83) de term Wal-worte ook nog toegepast op een geheel andere plant, namelijk op ‘Hadick, Ebulus’ d.w.z. Sambucus ebulus of Kruidvlier. Hij verwijst daarbij naar 't Engelse ‘walwurt’.

Voor de verklaring van deze Engelse term walwurt (Wallwort) wil ik gaarne verwijzen naar ‘English Studies’ (Vol. XXVI, No. 6).

 

Groningen

Chr. Stapelkamp