[p. 56]

Lexicologische kanttekeningen IV

BRASSEN. Tot staving van een bet. ‘brouwen’, eigenlijk van bier, ‘doch ook, bij uitbreiding, in toepassing op het ondereenmengen, -roeren en -koken van andere mengsels’ citeert WNT i.v. Brassen (II) colijn van rijssele, De Spiegel der Minnen 131:

 
Ick brasse ick brouwe, ick blase ic stoke,
 
Als Saturnus, tis wonder wat ic coke,
 
Hier in de ketel der memorien

en Den Handel der Amoureusheyt H 3b:

 
Twerck moet gheroct werden, zou 't gesponnen zijn,
 
Zal 'tbier ghebrast werden, 't moet begonnen zijn
 
Te brouwene, alzoo ick nu 'twerck begost hebbe.

Geen van beide aanhalingen kunnen de veronderstelde betekenis steunen. In De Spiegel der Minnen stelle men ick brasse ick brouwe gelijk met ick brasse en brouwe en dit brassen en brouwen vatte men op als kokkerellen (vgl. kiliaen: brassen ende brouwen Confundere & miscere, commiscere aquas frugibus, coquere ceruisiam). In Den Handel der Amoureusheyt is brassen = consumeren, verbruiken, drinken (vg. brasser in de bet. ‘drinker’ en ‘doorbrenger’); de aanhaling hoort dus thuis onder Brassen (I).

 

COMMERCAUSE. Op grond van Siecke Stadt 1197:

 
Hier staet mijn soon, Meer dan Eenen.
 
Sulck Veel, sijn broeder, is vuijt om hem te verslinnen.
 
Al wat hij weet mit arbeijen te winnen,
 
tsijn niet dan commercausen, alst compt ant noepen.
 
Het gaet al met hongarige beeten ter keelen binnen,
 
ja duert gebreck sijn kinderen crijten en roepen,

aanvaardt WNT i.v. Kommer (I), Samenst., enz., het bestaan van een woord kommercause in de bet.: ‘zaak, geval, van beslagneming’. Dit woord heeft echter nooit bestaan. Voor commercause leze men commercanse. Zo o.a. in Huis van Idelheit 733:

[p. 57]
 
Hy nu wil ick weer timmeren beghinnen
 
daer en leyt niet an ick moet myn mansen
 
Ick leyt al toe met commercansen

en elders (rijmend op glansen en playsance). De aanhaling uit S. Stadt hoort dus thuis onder Kommerkans. N.b. Ook de interpunctie in r. 1197 is in WNT ten onrechte foutief genoemd: alst compt ant noepen (als het er op aankomt, after all) hoort wel degelijk bij tsijn niet dan commercausen (l. commercansen).

 

DRALAERT. Terecht heeft Verdam (MNW i.v.) beseft, dat dit woord in Pelgrim 41a:

 
Wat peynstu, sot, geloefstu desen dralaert, geloeft hem niet...,
 
Hij en doet niet, dan hi de menschen moeyt ende quelt,

niet de betekenis heeft, die kiliaen vermeldt: draeler/draelaerd. Cunctator, cunctabundus, cessator. Toch wil hij verband leggen en wel door draelaerd op te vatten als draelgast (droelgast, dreylgast), tafelschuimer. Ik meen, dat wij er niets anders in behoeven te zien dan een afleiding van dralen = spotten, een in de 16e eeuw voor dit werkwoord veelvuldig aangetroffen betekenis (zie t.z.t. mijn Rhet. Gloss. i.v. Dralen, bet. B).

FIGUREUS. Dit artikel in MNW steunt op één bewijsplaats, t.w. Hs. Yp. 28b:

 
Die rechte colerijn es wel gescapen ende snel ende figureus
 
ende hi heeft die leden wel geladen met vleesche.

Naar het schijnt is figureus hier een bijvorm van vigureus, vigoreus, krachtig, zodat het artikel geschrapt kan worden.

FORNEEL. In de bet. ‘steenen of ijzeren rondbogen voor den onderbouw van een huis, enz.’ citeert MNW diericx Mem. 2, 107:

 
De kerke sal den voerseyden werclieden leveren de fermeele
 
(l. ferneele) (sic!) ghestelt met haren toebehoerten, daer sy
 
up welven zullen.1).
[p. 58]

Tussen haakjes voegt Verdam hieraan toe: ‘de vorm fermeel zal wel de ware niet zijn, doch ook de hier gegeven verklaring is niet volkomen zeker.’ Ten onrechte, geloof ik, heeft Verdam hier aan de echtheid van fermeel getwijfeld. Het komt mij voor, dat ferneel (uit ofr. fornel = ‘four; voûte, arcade’) hier niet van toepassing is en dat formeel (uit ofr. formele = ‘forme, modèle’) een goede zin oplevert.

 

KRAKEN. In de dene, Test. 8b:

 
Dat Ick... noch aldereerst zoude dit Liedeken maacken
 
ende zynghende craecken

en 34a:

 
Een liedtje voyzig kraken

wil WNT i.v. Kraken (I), sub bet. B, 4 kraken opgevat zien als ‘de nek breken’. Maar hoe zou iemand een liedje maken om het daarna zingende ‘de nek te breken’? Of hoe moet men zich voorstellen, dat iemand een liedje op aangename, melodieuze wijze (want dat betekent voyzig!) ‘de nek breekt’? De juiste betekenis van kraken is hier zingen, zoals in O.L.H. Minnevaer 244:

 
Wijfken laet ons noch een döntken craken
 
so mögen wij met vröchden aen tbrassen raken

en voorts in Hs. TMB, C, fol. 82v (‘een deuntken craken’) en Hs. TMB, G, fol. 76 (‘die voys craken’) en vermoedelijk nog bij vondel 4,524 (aang. in WNT t.a.p., sub bet. B, 2):

 
Zoo leerden wy eer kraecken Davids galm
 
En goude noot, om 't pit van zijnen psalm.

LOKSPREUK. In een onbewaakt ogenblik heeft WNT i.v. Lokken (I), Samenst. uit Leuv. B. 4,213:

 
Locspreukens, lantmeukens, die sotkens bedrieghen,

geconcludeerd tot het bestaan van een woord lokspreuk. Wat dan het daarmee rijmende lantmeukens moet betekenen, zegt de redacteur niet. Evenmin hoe die ‘lokspreukjes’ en die mysterieuze ‘lantmeukens’ de ‘sotkens’ (= dwaze, dartele jonge mannen) zouden moeten bedriegen. Bedoeld zijn natuurlijk lichte of lichtzinnige meisjes als vogels

[p. 59]

(spreeuwtjes en meeuwtjes) voorgesteld (voor de toepassing van vogelnamen op mensen, zie men mijn opmerking in N. Taalg. 1955, blz. 271, waaraan nog kunnen worden toegevoegd koekoek, kok, roek en weiten).

 

ONGETIJDIG. Drie van de vier betekenissen, die WNT van dit woord onderscheidt, geven aanleiding tot kritiek. Allereerst wordt als bet. 1) ‘ontijdig’ opgegeven, met cats 2,589a:

 
Het is om niet gepoogt door ongetijdig kijven
 
Een kind van goeden aert geduurig aen te drijven

als bewijsplaats. Ongetijdig betekent hier echter niet ‘ontijdig’, maar ‘onbehoorlijk, ongepast’ of ‘onbehouwen’, zoals in everaert 89 (vg. ook ald. 545):

 

... jn vergharynghe van volcke vyntmen onghetydeghe peckers

 

Leenhof der Ghilden 161:

 
Den ongetijdigen Dries als een rouwaert
 
Is vinder vanden Leenen, wijt en breet

en 304:

 
Den ongetijdigen Dries hevet teenemale
 
Te Leene gehouwen over langen tijen

(het verband in de laatste aanh. wijst duidelijk op de bet. ‘onbehoorlijk, onbehouwen’, dus niet ‘zedeloos’, zoals Kruyskamp meent) en de brune, Emblem. 289 (aang. in WNT sub bet. 4): ‘zijn tijd slecht kiezende, niet kunnende afwachten’):

 
Een ongetijdigh volck van onbeschaemde wijven.

Daarnaast stuit men nog op de bet. ‘bandeloos’, soms naderend tot ‘zedeloos’ (niet ‘ongepast, onzedig’, zoals WNT wil, sub bet. 2) op grond van Synon. Lat.-Teut.: Ongetijdigheid, obscenitas). Zo in Proza-Sp. 96d. (aang. in MNW i.v. Ongetidich, sub bet. 3):

(Alexander) wert... gheheel ongetijch ende overdadich, also dat hi dicwijls van sinen nacht sinen dach ende van sinen dach sinen nacht maecte, ende hi gaf hem geheelic toe weelde,

[p. 60]

Mariken van Nieumeghen 564:

 
Tuysschers, vechters, onghetijdige puytieren,
 
Coppelersen, camercatten of sulken dieren,
 
Vandien vint men hier altoos planteyt.

Vermoedelijk heeft deze betekenis ook Robert Lawet door het hoofd gespeeld in Taruwegraen 514:

 
Daer hy tzaet der goddeloose/vutte zal royen
 
Als een onghetydighe vrucht/gheheel puer infame
 
Voor niemant bequame.

ONTSTICHTEN. In een Aanm. achter dit artikel citeert MNW Pol. Balladen 19:

 
Ons werc is verstrooyen, breken, ontstichten,
 
eyghenwijs te makene cousijns en nichten,

waarin ontstichten de moderne betekenis zou hebben, dus ‘kwetsen, aanstoot geven’. Mogelijk heeft eyghenwijs Verdam hier op een dwaalspoor gebracht. Men behoort zich bij het verstaan van deze plaats namelijk te distantiëren van alle eigentijdse associaties. We hebben hier te doen met een fel anti-reformatorisch gedicht en Lucifer himself is aan het woord. Die bewerkt dan minder kinderlijke eigenwijsheid alswel anarchistische opstandigheid. Bij het verstrooyen en breken past dan geen ‘aanstoot geven’, maar ‘vernielen’ of ‘doen wankelen’, d.w.z. de eigenlijke betekenis, die Verdam bekend was uit Voc. Cop. onstichten, exterminare en kiliaen ontstichten, diduere, evertere, destruere.

 

PLUNTJE. In Aanm. 2 achter Plunden vraagt WNT of pluntje in moeten pluntje steken, volgens een aantekening van Gezelle te Gheluwe in West-Vlaanderen bekend voor ‘moeten onderdoen, eens ondergeven, verliezen’ identiek kan zijn met gron. plunt, ‘log voorwerp of persoon’. Pluntje staat in bedoelde zegswijze echter voor pleuntje en pleuntje steken is een bijvorm van bleune steken Vg. de bo i.v. Bleune, enz.: ‘woorden die men gebruikt sprekende van iemand die het spel moet opgeven, die een stout stuk, door eenen anderen verricht, niet kan of durft nadoen’. Naast bleune, enz. steken noemt de bo nog bleune maken, staan, stellen, zijn.

[p. 61]

SCHIENTE. Dit artikel in MNW is gebaseerd op Rose bl. 251, r. 126 e.v.:

 
Dat en wilse niet..................
 
no dor crachte no dor violente (l. violence) (sic!),
 
no dor wijsdoem no dor sciënce (hs.: sciente).

Het handschrift heeft sciente en er is geen aanleiding dit op te vatten als schiente = geschiente. Waarom Verdam dan toch dit artikel construeerde? Hij twijfelt er niet aan, of sciente is in de aanhaling een verkeerde lezing van science. Hoe aannemelijk dit ook schijnt (t en c worden onophoudelijk verwisseld) in het onderhavige geval is sciente authentiek. Want wat in Rose uitvoerbaar was, t.w. het rijmwoord violente emenderen in violence, lukt niet met het tweede voorbeeld van sciente in de castelein, Pyramus en Thisbe A v:

 
Den kinderlijcken tijt is achter bleven/
 
Dies wy begheven/der innocenten staet/
 
Voort aen rysende/naer der scienten graet/
 
Onser imprudenten raet/verkeerende.

Aan innocenten en imprudenten valt hier niet te tornen en dus ook niet aan de echtheid van scienten.

 

SLETSEN. Onder Slets (II), Afl. citeert WNT de castelein, Pyramus en Thisbe D 1:

 
Thisbe slacht veel jonghe slijngherminnen/
 
Diet met haer janckerkens zoet van fletsene
 
Terstont ghereet zijn me te gaen pietsene.

Zoals men ziet staat er op deze plaats fletsene en niet sletsene; het citaat hoort dus thuis onder Fletsen (I): vleien, mooipraten.

 

SPACIE. Verdam wil als bet. 4) uit Oudvl. Lied. en Ged. 290: (n.b. ik citeer naar het handschrift)

 
Hope sprac god gheifs v gracie
 
Wi hebben hier nu langhe spacie
 
Ghehadt van misseliken zaken,

besluiten tot een bet. ‘genoegen, vermaak’. Daarvoor bestaat m.i. geen aanleiding. Het verband wijst veeleer op de bet. ‘gelegenheid’, die

[p. 62]

trouwens veelvuldig wordt aangetroffen, terwijl ‘genoegen, vermaak’ van elders geen steun vindt.

 

SPEUREN - SPOREN. Deze twee werkwoorden zijn in WNT door elkaar gehaspeld. De citaten onder Speuren, bet. A,2 en B,1 en 4 uit de 16e en 17e eeuw horen thuis onder Sporen (I) in een bet. ‘najagen’ of ‘streven, trachten’ waartoe ook de aanhalingen behoren uit corn. van ghistele i.v. Sporen (I), bet. B. Zie voorts t.z.t. mijn Rhet. Gloss. i.v. Sporen.

 

STAERLIC. Mede door gebrek aan andere vindplaatsen gevangen in een etymologisch apriorisme geeft MNW i.v. Staerlike, bet. 2) voor Lev. v. Lutg. 2,3122:

 
Dat hi din viant met gewoude
 
Verijagede ende nit ne wilde
 
Gedogen dat hi langer hilde
 
Die nonne in dole, die so was
 
Staerlic verblindt in dat gedwas,

een bet. ‘stekeblind’, die hier kwalijk past. De juiste betekenis is ‘totaal, volstrekt’.

 

STOVER. Onder de afleidingen van Stoven (I) noemt WNT ook stover, waarvan drie betekenissen worden opgegeven. In de castelein, Const. v. Rhet. 241:

 
Zoo helpe my dat Sottinneken daer an deen sye
 
Ouer dander zye, dBackerkin elck zijdts gheloouere,
 
Ende op de derde zyde Salijn de stoouere:
 
Dats een Triniteit van zotten versaemd in een,

zou stoouere ‘kok’ moeten betekenen. Deze opvatting is waarschijnlijk ingegeven door het beroep van de tweede ‘zot’; koken en bakken liggen dicht bijeen. Andere steun vindt de opvatting niet. Ik geloof dan ook, dat wij met de algemeen gangbare betekenis van ‘badhuismeester’ (zie MNW i.v.) dichter bij de waarheid zijn. Een badhuismeester was bovendien een echte ‘zot’ (= zondaar).

Onder bet. 2) ‘opstoker, aanstoker’ vindt men een aanhaling uit visscher, Brabb. 38:

[p. 63]
 
Die een gerijffelijcke Vrouw wil noemen Hoer,
 
...Een Verklicker Verspier, een Aenbrenger Stover... Die, enz.

Blijkens het verband is stover hier echter gebezigd voor iemand die een valse aanklacht doet, een valse beschuldiging uit.

 

TAPEREN. Ten onrechte, meen ik, ontbreekt dit werkwoord in WNT (zie voorlopig de jager, Freq. i.v.).

 

TEUTEREN. Als bet. 2) geeft WNT i.v. Teuteren (I) ‘sidderen, angstig zijn, onzeker zijn’, gesteund door vier plaatsen, alle ontleend aan hooft's Tacitus-vertaling Ik heb op die betkeenis weinig aan te merken - ze was trouwens gegeven met het latijnse origineel, waar men op deze plaatsen vindt trepidatio, trepidare, enz. -, maar wel wekt het verbazing, dat die betekenis zich volgens WNT laat verklaren uit ‘talmen, treuzelen, niet voortmaken, zeuren, zaniken’ (bet. 1). Ik meen, dat ‘sidderen’ zich helemaal niet uit ‘treuzelen’ laat verklaren. De zaak is dan ook, dat Hooft's teuteren een bijvorm is van het Zuidnederlandse touteren en in WNT dáár, i.v. Touteren, sub bet. 1): ‘Beven, enz.’ thuishoort.

 

TIMPEL. Volgens WNT i.v. Timp, Afl. zou dit woord, uitsluitend aangetroffen in Antw. Sp. i iiij:

 
Staet stille, laet stellen v timpelen,

‘teen’ moeten betekenen. Blijkens het verband is echter hetzelfde bedoeld als timp, d.i. punt van een kap of muts.

 

TITTEL. Als bet. 4) geeft WNT i.v. Tittel (II), ‘kleinigheid, klein ding’. De enige bewijsplaats is de castelein, Const v. Rhetoriken 235:

 
Vveedt dat dees tittelen in allen mannieren
 
Tdicht zeer verschieren, en den zin duerstralen.

Tittel is hier echter een bijvorm van titel in de bet. ‘zaak’.

 

VERCNESEN. Dit artikel in MNW dient te vervallen; er heeft geen werkwoord vercnesen bestaan. In de eerste aanhaling, t.w. Boom der Scriftueren 11:

 
... wilt slaken de pese
 
Mijns drucs verknesen, of gi acht mi cleene,
[p. 64]

is verknesen bijv. naamw., in de bet. ‘ellendig, afschuwelijk, ondraaglijk’. In de tweede aanhaling, uit Pol. Balladen 146:

 
De ghewillighe van Ghendt en sullen oock niet cesseren,
 
Die met haer witte boordekens den vyandt verknesen
 
Voor Meenen...,

is verknesen imperf. van verknijsen in de bet. ‘verjagen, verdrijven’ of ‘in het nauw brengen’.

VERMEESTEN. Onder Meest, Afl. geeft WNT een ww. vermeesten op grond van Gentse Sp. 203:

 
Och, boven dit es noch een confortacye
 
Zeer troostelic, die andere troosten vermeest.

We hebben hier echter te doen met het ww. vermeesen, een bijvorm van vermeersen (zie MNW i.v. en de bo i.v. Vermeerzen).

VERWEGEN. Onder Verwegen, 2e art., sub bet. II citeert MNW Vad. Mus. 5,80 (= Gentse Ref. 25):

 
Dit dier es zo sterk, niet en magh hem verweghen
 
Dreeghementen, tormenten, of zwaerlick ghesleghen
 
Crucen, zieden, braden, ja soullen of steenen.

Deze plaats hoort hier niet thuis. De bet. is niet ‘in beweging brengen’ of ‘aan het wankelen brengen’, maar ‘te zwaar vallen, hinderen, deren’ (het dier is de gelovige mens), vg. MNW i.v. Verwegen, 1e art., bet. I, 1-3.

VRAY. In de bet. 5) ‘voortreffelijk in zijne soort, uitstekend’ zou volgens Verdam (MNW i.v.) vray zijn samengevallen met fray ‘schoon, mooi’. Ik kan het moeilijk geloven. De onder deze betekenis gegeven aanhalingen althans zijn, dacht ik, duidelijk in twee groepen te verdelen, een fray- en een vray-groep. In het kader van deze kanttekeningen wil ik dit niet nader toelichten. Met een analyse van deze citaten zou ik trouwens nog maar half werk leveren. Ook het materiaal onder de bett. 1-4 zou hierop nader moeten worden onderzocht. Ik heb namelijk de indruk, dat Verdam door het gehele artikel heen de dupe is geworden van zijn verwarring van spellingverwisseling en betekenisverwisseling. De zaak is m.i. deze, dat vray weliswaar als fray gespeld wordt maar nooit de betekenis van fray heeft aangenomen.

[p. 65]

Duidelijk blijkt dit bijv. in het art. Vraylike. Als bet. I) geeft Verdam ‘waarlijk’, gesteund door Rijmb. 765:

 
Hi (t.w. Adam) vraylike ooc weet
 
quaets ende goets onderscheet

en als bet. 2) ‘op een voortreffelijke wijze’, blijkens Limb. Serm. 205b:

 

Wildi (t.w. de ziel) dor mi gestelike gepassiet ende begraven werden, so behort u in Gode so frailic te levene, dat mi (versta: men) ure ouder seden nit meer in U gewar en werde dan, enz.

 

We hebben in de laatste aanhaling echter niet met vraylike te doen, maar met fraylike (ten overvloede wordt het hier ook nog met f gespeld!), want van de grondbetekenis van vray = ‘waar’ is hier geen spoor te vinden. Men herkent in frailic terstond de betekenis van ‘schoon, goed, voortreffelijk’, zoals in Rose 716:

 
Dese dede die here Dedut baleren,
 
Diet wel ende frailijc daden,

aangehaald in MNW i.v. Frailike, waar de plaats uit Limb.Serm. dan ook thuishoort.

Enkele aantekeningen bij ‘Het Bosken’ van Van der Noot

In de voorname, ‘welhaast’ ideale uitgave van Jan van der Noot Het Bosken en het Theatre door W.A.P. Smit met medewerking van W. Vermeer (Amsterdam en Antwerpen 1953) lees ik bij ‘De Poêt, tot den Leser’ r. 30 e.v. (blz. 55):

 
Dus ontfanct desen boeck en op alsulcken poosé,
 
En tyt ouerleest hem als icken heb ghedicht:
 
Dwelck den tyt is die laes! de menschen ongesticht
 
Besteden ydelyck met groote brasseryen, enz.

ongesticht: ‘niet opgebouwd in het geloof’. Deze betekenis heeft het woord, dacht ik, alleen in Christelijk-godsdienstig spraakgebruik. Daar de strekking van de opdracht eerder stoïsch-rationalistisch is, zou ik ongesticht liever opvatten als ‘ongestadig, wuft’, een betekenis die in de 16e eeuw vrij algemeen was.

[p. 66]

Hetzelfde geldt voor ghesticht in ‘Venus spreect tot Cupido om sommighe oorsaken’ r. 9 (blz. 79):

 
Weer een seeghé, wysé ende ghestichte,
 
Oft een wilt dier, oft woeste Venus nichte,

waar de tegenstelling tot ‘wilt dier, oft woeste Venus nichte’ eerder een betekenis ‘standvastig’ veronderstelt dan ‘gelovig’1).

In het ‘Epitalamon’ r. 20 e.v. (blz. 57) zegt Van der Noot van de Brabantse vrouwen:

 
Want God en heeft gheen vrouwen in geen lant,
 
Met alderley deuchden willen verchieren,
 
Als hy deurghaens dees edel vroukens doet, enz.

Deurghaens wordt vertaald met ‘in het algemeen’. Ik denk liever aan ‘bij voortduring, constant, steeds’. Ten eerste is de laatste betekenis de gewone in oudere taal (de moderne wordt in WNT voor het eerst aangetroffen bij Jan de Witt, waarom ik aan de juistheid van Verdam's 2e bet. twijfel). En voorts past die betekenis ook beter in het verband; ‘over het algemeen’ zou een restrictie inhouden en dus iets afdoen aan de lof der Brabantse vrouwen, wat, geloof ik, niet overeenkomt met 'sdichters bedoeling.

Het woord begryp in hetzelfde gedicht, r. 36, (blz. 58):

 
(Cupido) Wiens begryp hem niet en heeft ghefaelt

en r. 176 (blz. 61):

 
Soo moecht ghy my eerlycken doen versoeken
 
Aen myn maghen die soo discreet wel syn,
 
Dat sy prysen sullen v goet vercloecken,
 
V goet begryp, en v voortstellen fyn,

zou ik ook anders willen verstaan dan de uitgever(s). In de eerste aanhaling wordt gezegd, dat Cupido's ‘begryp’ hem niet en heeft ‘gefaelt’. Wil dat zeggen, dat zijn ‘juist inzicht hem niet in de steek heeft gelaten’? Maar wie zal ooit het wijze inzicht van de blinde

[p. 67]

Cupido prijzen? En zouden in de tweede aanhaling de ‘maghen’, als de minnaar aanzoek komt doen zijn ‘verstand’ prijzen? Ik kan het moeilijk geloven. Op beide plaatsen versta ik onder begryp ‘voornemen, bedoeling’. Cupido heeft zijn doel bereikt en de ‘maghen’ van het gevraagde meisje prijzen het voornemen van de minnaar. Begryp is dan in de tweede aanhaling een synoniem van vercloecken in de zin van ‘verstandige onderneming’ (dus liever niet ‘stoutmoedigheid, durf’) en voortstellen.

In r. 369 e.v. van hetzelfde gedicht (blz. 65):

 
Hier werden oock (want twas doen so de wyse)
 
In schotelen voort ghebracht wyt en breet,
 
Seer veelderley en wel ghecockte spyse,
 
Op de tafel soo ghestelt met eendracht,

kan het woord eendracht niet oorspronkelijk zijn. Het rijm (breet) verlangt een woord als bescheet.

In het sonnet beginnende ‘Soo langhe mynen gheest dees leden sal doen ruren’ luiden rr. 10-12 (blz. 90):

 
En v liefde is soo vast in myn herte gheschreuen,
 
Dat noch den langen tyt, noch Atropos geruchten
 
Niet keeren en sullen, ick en sal... enz.

Bij Atropos geruchten is aangetekend: ‘de faam van Atropos, de Schikgodin die de levensdraad der mensen afsnijdt. Of staat hier geruchten onder invloed van het rijm voor gerichten, zodat de zin zou wezen “de beschikkingen van Atropos”?’ - Ik zie hier geen moeilijkheid. Atropos is - naar laat-middeleeuwse, bep. Bourgondische traditie - de Dood (of de dood) en ‘geruchten des doods’, ‘doodsgeruchten’ (waarin gerucht als ‘verschrikking’ kan worden begrepen) lijkt mij in het verband uitstekend te passen.

In de ode, beginnende ‘Onlancx na dat ick was//in Antwerpen ghecomen’ luiden rr. 21 e.v. (blz. 105):

 
En als wy syn berooft//deur die doot van dit leuen
 
So wordt noch al ghelooft//dat wy gedurich sweuen
 
In der gheleerder hant,
 
Dwelck gheen goudt wiet verdooft//en sou cunnen gegeuen,
 
Dan alleen het verstant.
[p. 68]

R. 24 (‘Dwelck gheen goudt, enz.’) wordt weergegeven met: ‘hetwelk geen goud ooit wegneemt en geen goud ooit zou kunnen verschaffen’. Ik vraag me echter af, of wiet verdooft geen tussenzin kan zijn, zoals wier ouer claecht in r. 32:

 
Ist dat v dan behaecht//van ons salt ooc geschien
 
Dat wier ouer claecht//wy onder alle lien
 
Leuende sullen blyuen, enz.

De zin wordt dan: ‘hetwelk geen goud - wie dit ook moge ontkennen (of: wie daar ook iets van zou willen afdoen) - zou kunnen geven’.

In de ode, beginnende ‘K'en was noyt meer verheucht’ wordt in r. 67 (blz. 107):

 
Ontsterffelycken lof / Vyant der gheesten grof

dacht ik, niet ‘God, Gij wie eeuwig lof wordt toegebracht en die de vijand zijt der grove geesten’ toegesproken, maar Fama. In rr. 73 e.v. van hetzelfde gedicht (blz. 108):

 
Ghy die de goede croent / Ende de deuchden loent,
 
Wilt Gerardus naem veuren, enz.

zie ik in veuren niet ‘voeren’, maar ‘vo(o)ren’ = bevorderen, grootmaken.

In het ‘Vireyn’ (blz. 113):

 
Sydy int eten ras en snel
 
En int loopen traech int ontcnopen,
 
Soo moet ghy met de voeten wel
 
Eten, en met den tanden loopen,

is int ontcnopen een bekende rhetoricale rijmlap. De eigenlijke betekenis is ‘om het te zeggen ‘om zo te zeggen’ (ontcnopen = mededelen).

 

J.J. Mak