|
|
|
| |
| | | |
Homonymie en identiteit van woord en moneem.*)
Het lijkt niet zonder gevaar, iets te willen opmerken over woordhomonymie. Er is reeds veel gezegd en geschreven over dit onderwerp en bovendien schijnen alle problemen opgelost. De hele kwestie immers is niet erg ingewikkeld als we lezen: ‘Woorden in dezelfde taal met geheel verschillende betekenis kunnen dezelfde vorm hebben (....). In dit geval spreekt men van “homonieme” woorden of “homoniemen”.’1) Op deze wijze gesteld kan er inderdaad weinig twijfel zijn over de homonymie van twee woorden. Helaas is de zaak niet zo eenvoudig als hij hier gesteld wordt; homonymie nl. roept automatisch een ander probleem op, t.w. dat van de woordidentiteit. En ten aanzien van deze tweede kwestie is ook al weer veel geschreven, maar de standpunten hierbij zijn zeker niet zo eensluidend als gesuggereerd zou kunnen worden door bovenstaand citaat.
Vooropgesteld zij dus, dat een nader onderzoek van de homonymie impliciet betekent: een confrontatie met het probleem van de identiteit, of dit nu het morfeem, het woord, dan wel de woordgroep aangaat. Homonymie en identiteit betreffen beide de vorm en de ‘betekenis’ van een taalteken; gegeven het feit, dat de vorm ons een blijvende controle biedt op ieder teken, stellen we de vorm primair in ons onderzoek. Als werkhypothese nemen we aan, dat twee gebruiksvormen niet identiek zijn wanneer ze in vorm verschillen. Loop en loopt, Jan en Jans zijn dus niet twee woorden, het zijn er vier. Als woordvormvarianten beschouwen we die vormen die verschillen voorzover dit door de omgeving geconditioneerd is, en wel de klankomgeving. Als dus was gerealiseerd wordt als [waz] in ik waz er 't eerst, noemen we dit waz geen apart woord maar een woordvormvariant van was. In de eerste
| | | | plaats nl. wordt hier alleen de spraakklank aangetast, maar de foneemstructuur blijft onveranderd; fundamenteel in waz zijn ook de fonemen W, A en S. Bovendien kan de betrokken zin ook gerealiseerd worden zonder dat een variant optreedt, dus zonder sandhiverschijnselen: ik was er 't eerst: [was]. Kennelijk is het foneem S geïntendeerd, of de realisatie nu [s]-achtig of [z]-achtig uitvalt. Een dergelijke wisseling is niet mogelijk bij de gebruiksvormen loop / loopt; kennelijk zijn dit twee woorden. Varianten zijn voor ons dus (niet-wezenlijke) afwijkingen in realisatie, die of personaal of (klank)contextueel geconditioneerd zijn. Pas wanneer veranderingen optreden die gesystematiseerd zijn, geïntendeerde afwijkingen van de ‘andere’ vorm, spreken we van niet-identieke vormen. We onderstrepen nog eens dat dit een werkhypothese is; er zijn taalkundigen die Jan en Jans beschouwen als een woord met een variant d.w.z. als een identiek woord. We hopen aan het slot van deze verhandeling duidelijk gemaakt te hebben, waarom een dergelijke opvatting ons onjuist lijkt.
Een tweede punt vraagt ook nog enige aandacht, voordat we de betekenis-vorm-verhouding aan de orde stellen. Met enig recht zou men staande kunnen houden, dat dienaar en diender, wagen en wagon dezelfde woorden zijn, omdat ze doubletten zijn van één grondvorm. Zo redenerend echter zouden we niet alleen onze werkhypothese onmogelijk maken (vormverschil, dus geen identiteit), maar bovendien zouden we een wijze van benadering introduceren die niet verantwoord is bij 't onderzoek van een systeem: de diachronische benadering. Zo ergens, dan is hier een strikte scheiding nodig tussen synchronische en diachronische analyse. Homonymie en identiteit immers gelden voor de taal van nu, voor een gesloten systeem dus. Dit geldt temeer, omdat gebruiksvormen nu als identiek ervaren kunnen worden die dat honderd jaar geleden niet waren, terwijl anderzijds nu homonymie bestaan kan, waar een eeuw geleden nog volledige identiteit bestond. Terecht geldt dan ook, dat ‘de kloof tussen synchronische en diachronische opvattingen bijzonder duidelijk is met betrekking tot homonymie’.2)
| | | |
Zoëven hebben we geconstateerd, dat het probleem homonymie-identiteit niet beperkt hoeft te worden tot de categorie van het woord. De onderlinge verhouding vorm-betekenis komt op drie niveaus aan de orde. Het laagste niveau - zo men tenminste een hiërarchie wil zien - is dat van het morfeem. Daarboven is de geleding van het woord, waarin eveneens een vorm en een betekenis verbonden zijn, en als derde niveau is er dat van de woordgroep (zo men liever wil: van de zin).
In de orde van het syntagma - en dat kan zowel een onderdeel van een zin als een zin in z'n geheel zijn - zou men inderdaad kunnen spreken van ‘grammaticale homonymie’ voor sommige tekens.3) Bekend is de opmerking van Lodewijk XVIII tegen zijn artsen: ‘Depêchez-vous, charlatans.’ (Charles attend). Er is op gewezen hoe een verschil in accentuatie en intonatie ook een verschil in structuur aangeeft en dus een verschillende interpretatie mogelijk maakt. Daarmee rijst dan bij ons de vraag of er inderdaad gesproken mag worden van homonymie. Indien men nl. de intonatie en het woordgroepsaccent beschouwt als een syntactisch middel, dan moet men constateren dat in negen van de tien gevallen slechts schijn-homonymie optreedt: de woordvormreeks mag dan gelijk zijn, maar dergelijke reeksen buiten een intonatiepatroon komen nu eenmaal niet voor. En aangezien homonymie alleen maar plaats kan vinden in het taalgebruik, dient de intonatie als wezenlijk middel aanvaard te worden. Overigens sluiten wij de grammaticale homonymie buiten ons onderzoek: ze is niet goed te analyseren als niet eerst de woordhomonymie bestudeerd is, mede omdat ze er veelal een gevolg van is.
De problemen die ontstaan bij het introduceren van homonymie op morfematisch niveau zijn van uiteenlopende aard. Om te beginnen is er de homofonie van woordvormen en morfemen: (de) loop en loop-(plank), en nog verwarrender het woord en - het morfeem /en/, het woord ver - het morfeem /ver/. Alleen al omdat hier twee zeer verschillende niveaus vergeleken en op elkaar betrokken worden, is het goed het morfeem in eerste instantie buiten beschouwing te laten.
| | | | Daar komt bij, dat men zich kan afvragen of homofonie in de morfematische orde wel een rol speelt in het taalgebruik. Het morfeem immers is gekwalificeerd als ‘uitsluitend een moment in een woord’, zodat de vraag naar identiteit hierbij in het gebruik niet rijzen kan voor de niet-taalbeschouwer. Als taalgebruiker geldt voor ons de identiteit alleen bij het woord, de minimum free form; bovendien is het de vraag in hoeverre we in het taalsysteem morfemen onderscheiden moeten.
We stellen vast: homonymie en identiteit vormen in wezen een probleem dat geplaatst moet worden in de orde van het taalgebruik, of beter: dat een benadering vanuit het taalgebruik vereist. Voor ons is een beperking noodzakelijk tot het woord, de eenheid van het taalgebruik. Voor de zgn. grammaticale homonymie en de morfematische, spreken we voorlopig liever van homofonie; hierbij komt het probleem van de identiteit niet aan de orde en in feite is er dus eerder sprake van klankovereenkomst dan van vormgelijkheid. Wat het taalgebruikskarakter van homonymie en identiteit betreft, het volgende: als we naast elkaar stellen de woordvormen bleek en bleek, dan zullen we aan beide een serie kwalificaties moeten toekennen, voordat we ze herkennen: substantief of adjectief bv. en verder semantische eigenschappen. Blijkens de noodzaak van deze semantische en semantisch-syntactische karakteristieken, is een benadering vanuit de gebruiksorde gegeven. Maar bovendien: alleen in het taalgebruik kunnen problemen ontstaan t.a.v. de homonymie; in de taalschat zijn twee woorden identiek of ze zijn het niet - dat hoeft in principe geen problemen te geven.
We gaan ons nu bepalen tot het woord zoals zich dat manifesteert in het taalgebruik, dus in een context. Voorlopig volstaan we met Bloomfields typering ‘minimum free form’4), al menen we niet dat hiermee het woord volledig getypeerd is. Wanneer geïntendeerd en gesystematiseerd vormverschil aanwezig is (Jan en Jans) spreken we van twee woorden: identiteit tussen twee vormen vraagt echter meer dan alleen vormgelijkheid. Algemeen wordt aanvaard, dat twee woor- | | | | den identiek zijn als ze in vorm, syntactisch en semantisch gelijk zijn. Treedt echter syntactische ongelijkheid op, dan willen sommige linguisten één, sommige twee woorden onderscheiden en zouden we al met homoniemen te doen hebben in het laatste geval.5) En daarmee zitten we ook al volledig in de problematiek; gelijkheid van vorm geeft geen moeilijkheid, maar welke criteria leggen we aan om vast te stellen of er sprake is van semantische of syntactische gelijkheid? We kunnen ons er nl. mee verenigen dat twee woordvormen identiek zijn, als behalve hun vorm ook hun syntactische en semantische kenmerken gelijk zijn, maar hoe bepalen we zoiets?
Voor Bally is er kennelijk geen probleem; hij zegt nl.: ‘zodra de betekenissen van een woord, hoe verschillend ze ook zijn, elkaar op een of andere wijze oproepen, kan men niet meer van homonymie spreken’.6) Zo zouden we dan moeten besluiten tot identiteit, maar wat houdt dat ‘elkaar oproepen’ in? We weten dat er zgn. betekenissferen bestaan en in deze sferen kunnen woorden opgeroepen worden, die uitermate weinig correlatie bezitten. Bovendien is hier zo'n sterk subjectieve inslag denkbaar, dat verschillende taalbeschouwers ook tot heel verschillende uitkomsten komen. Dat elkaar oproepen - eventueel een associatief proces - zou men zelfs kunnen interpreteren als een bewijs van homonymie, omdat vormgelijkheid een zekere associatiedwang meebrengt: de moderne poëzie biedt bewijzen te over hiervan.
Een moeilijkheid van vergelijkbare aard vinden we bij Reichling, ook al relativeert die zijn stelling door de homonymie tot een strikt persoonlijke ervaring te verklaren: daar komen we later nog op terug. Voor hem dan zijn twee woorden ‘identiek, en dus niet homoniem, als ze in hun conjuncte gebruiks-vormen één reeks vormen zó, dat de verschillende vormen vergeleken, een of meer geledingen blijken gemeen te hebben. (...) Synchronisch beschouwd vertonen bank 1 (zitmeubel) en bank 2 (crediet-instelling) dit niet. Het zijn twee woor- | | | | den.’7) We veronderstellen Reichlings theorie over de disjunctieve relevantie der betekeniselementen bekend en we onderschrijven graag, dat deze leer een aanvaardbare analyse van de woordbetekenis inhoudt, al zullen we verderop enige restricties trachten aan te brengen. Maar we mogen ook de subjectieve aspecten van deze leer niet uit het oog verliezen. Zo weten we dat een bioloog en een baby met elkaar kunnen converseren b.v. over een koe, ‘omdat de beide gebruiks-vormen een verschillend interpretatie-niveau uitmaken van eenzelfde betekeniseenheid’.8) Maar dat impliceert ook, dat de ‘reeksen’ persoonlijke reeksen zijn en dat de gemeenschappelijke geledingen dikwijls moeilijk opspoorbaar zullen zijn. Inderdaad geldt hier dat ‘men kan geloven in twee homoniemen pen, de samenhang ontdekken en dan geloven in één woord pen’.9) We willen hiermee dus niet beweren dat het bovenstaande onjuist is, maar wel constateren we: hier is ons geen methode gegeven die een voldoende objectieve norm biedt voor het onderscheid
homoniem-identiek.
Naar die methodiek wordt wel gezocht door Godel, die voortwerkt op de principes van De Saussere (waarschijnlijk gaat ook Bally's opzet in deze richting, maar hij komt niet verder dan een aanduiding). Ook bij de laatste is het uiteindelijk criterium - waar andere criteria dus falen - gelegen in het associatieve vlak: als ik zeg ‘onderwijs’ roept dit innerlijke woorden op als ‘onderwijzer’, ‘les’, ‘school’ enz.10) ‘Alleen in het systeem van associatieve of geheugenverbindingen kan men proberen een scheiding aan te brengen tussen homonieme tekens en semantische variaties van een identiek teken.’11) Het is duidelijk echter, dat wij hier hetzelfde bezwaar laten gelden als bij Bally, zelfs nog in versterkte mate. Zo kan bank 1 mij bij oproepen de notie ‘liefde’, maar een bankbediende die zich aangetrokken voelt tot de typiste van zijn chef kan deze associatie juist hebben bij bank 2.
| | | | We ontkennen natuurlijk niet, dat deze benadering wel eens hulp zou kunnen bieden bij twijfelgevallen, maar als methode zien we hierin toch geen oplossing. We wijzen er bovendien op dat we hier niet te doen hebben met de reeksvorming zoals die o.m. door Reichling en Uhlenbeck is genoemd, te weten die van de morfologische valentie: ‘associatif et mémoriel’ ligt veeleer in een intuïtieve orde en vooralsnog achten we niet bewezen, dat deze benadering ‘een criterium verschaft dat minder subjectief is dan het taalgevoel van de individu’.11)
Voorlopig zien we dus dat we wel op weg kunnen geraken met het onderscheid homonymie/identiteit, maar een goede methodische aanpak hebben we toch nog niet; het valentie-principe in morfologische zin is trouwens ook te beperkt en roept een problematiek op die we liever even uitstellen. Wel weten we dit: waar partiële homonymie (Bally) optreedt, zullen zich zelden problemen voordoen; woorden immers die evident tot verschillende woordsoorten12) behoren, verschillen zozeer in syntactische en morfologische valentie, dat iedere taalgebruiker ze zal ervaren als niet-identiek (bleek (adj.) - bleek (subst.)). Blijft het vraagstuk van de totale homonymie, waarin de vorm gelijk is, de woordsoort niet verschilt (en daarmee bestaat ook een sterke gelijkgerichtheid in grammatische valentie) en alleen de betekenissen onderling afwijken.
We bepalen ons nu eerst tot de homoniemen hoofddoek 1/ hoofddoek 2, gerealiseerd in de zinnen ‘Mijn vrouw heeft in Parijs alweer een nieuwe hoofddoek gekocht’ en ‘We beschouwen deze Matisse als het hoofddoek van onze kleine tentoonstelling’. Het lijdt geen twijfel dat we hier met homoniemen te doen hebben: adnominaal is er een duidelijk verschil de / het en dit niet in de orde van de / het uniform, waar de wisseling personaal en niet relevant is. Het is speciaal deze kwestie met hoofddoek geweest die bij de bestaande theorieën problemen bleef geven en die ons ertoe gebracht heeft nieuwe wegen en uitwegen te zoeken. Ter verklaring van het feit nl. dat deze gebruiksvormen niet identiek zijn, moeten we onze aandacht richten op de
| | | | grondvormen, t.w. de morfemen /hoofd/ en /doek/. Nu is de moeilijkheid, dat over homonymie en identiteit van morfemen helemaal niets bekend is; daar komt bij, dat men van het morfeem /doek/ niet zeggen kan hoe het adnominaal bepaald wordt, aangezien een morfeem ‘woordbouwelement’ is, niet realiseerbaar buiten het woord om en dus niet combineerbaar met een woord tot een syntagma. Morfemen hebben m.a.w. slechts woordbouwvalentie en geen ‘woordgroepbouwvalentie’. Over dat laatste beschikken alleen woorden. Voor het identiteitsprincipe van polymorfematische woorden en in dit geval composita, zullen we dus moeten zoeken niet in orde van het morfeem maar van de ‘grondwoorden’ <hoofd> en <doek>. Nu weten we van het woord hoofd dat het als betekeniselementen o.m. heeft ‘lichaamsdeel’, ‘voornaamste’, ‘chef’, ‘geestelijk’, terwijl doek o.m. heeft als elementen ‘lap stof’, ‘schilderij’. Aangezien we in (het) doek en (de) doek kennelijk met homoniemen te doen hebben, bepalen we ons nu tot het problematische hoofd. In hoofddoek 1 is het betekeniselement ‘lichaamsdeel’ relevant; in hoofddoek 2 het element ‘voornaamste’. Hoewel de vraag: metafoor of niet, geen direct belang heeft in deze hele zaak, willen we ter voorkoming van misverstand nog wel opmerken, dat de gemiddelde taalgebruiker in het laatste geval geen metafoor (meer) zal zien; hoogstens op diachronische gronden zou men hier beeldspraak kunnen onderscheiden.
Laten we nu, voordat we verdergaan, nog eens duidelijk vaststellen, dat de morfeemtheorie ons geen uitweg biedt uit de impasse; /hoofd/ en /doek/ zijn in de twee gebruiksvormen homofoon, maar verder gaan we ook niet. Als abstracties kunnen ze nl. niet gemeten worden met de maatstaf der homonymie/identiteit, hetgeen blijkt bij <doek>; de woorden doek zijn hier homoniem zoals adnominaal blijkt, maar die adnominale kenmerken ontbreken bij het morfeem principieel. Het morfeem nl. - en we zeiden al dat het voor ons gaat om geactualiseerde vormen in het taalgebruik, dus om zelfstandige vormen - ‘het morfeem is, in tegenstelling tot het woord, geen linguistische eenheid. Het is alleen maar een moment in een woord’.13)
| | | |
Deze moeilijkheden uit de morfologie stellen ons dus voor de noodzaak te werken met wat we genoemd hebben: de grondwoorden. Zijn nu die twee grondwoordvormen <hoofd> die als morfeem optreden in de homoniemen hoofddoek 1 en 2 identiek of niet? Men zou zo zeggen: ja. Maar dat brengt ons toch wel in een wat onoverzichtelijke situatie. Het woord hoofd is nl. een woordvorm verbonden met de reeks betekeniselementen die we zoëven genoemd hebben: een vorm met een semantisch veld.14) Maar wat constateren we nu bij hoofddoek 1 en 2? In hooddoek 1 heeft <hoofd> uitsluitend het betekeniselement ‘lichaamsdeel’ en in 2 heeft <hoofd> alleen de semantische waarde ‘voornaamste’. De grondwoorden, de morfemen, de woorddelen of hoe men ze dan ook noemen wil, verschillen zeer duidelijk in waarde, hebben naar inhoud geen relatie met elkaar. Dit geldt voor de woordvormen zoals ze in de woordvoorraad, dus in het systeem van de taal aanwezig zijn. In dat systeem heeft hoofd een hele serie disdisjunctief relevante elementen, maar de momenten /hoofd/ in de twee genoemde homoniemen hebben dat bepaaldelijk niet. Nu kan men, ter verklaring van deze verwarrende situatie, drie kanten op:
| a) | men kan zeggen: <haofd> is toch geen woord, ook geen grondwoord, maar een morfeem. En de beide morfemen /hoofd/ in de homoniemen 1 en 2 zijn niet-identiek; het eerste morfeem heeft als onveranderlijke waarde ‘lichaamsdeel’ en het tweede ‘voornaamste’. Deze verklaring komt ons onaanvaardbaar voor: beide morfemen hebben nl. een betekeniswaarde die disjunctief element is uit het lexicale veld van het woord hoofd en dit wijst duidelijk in de richting van wèl identiteit der morfemen. Zelfstandig beschouwd zouden ze niet-identiek zijn, in hun relatie tot het woord hoofd wel identiek. |
| |
| b) | Men kan nu zeggen: dan aanvaarden we toch een ‘grondwoord’ <hoofd>, aangezien zo het dilemma vermeden wordt. Maar dat is
|
| | | |
| alleen maar een verschuiving van de problematiek. Want nu zou de situatie als volgt worden: in de woordenschat, i.e. het taalsysteem, is aanwezig het woord hoofd met zijn zeer gevarieerd lexicaal veld, maar er zijn ook in aanwezig de homoniemen hoofddoek; en deze homoniemen hebben grondwoorden <hoofd> 1 en <hoofd> 2 die niet alleen onderling sterk verschillen, maar ook van het woord hoofd in zeer sterke mate afwijken wat hun betekenisconstellatie betreft. |
| |
| c) | Tenslotte zou men kunnen zeggen: hoofddoek is geen woord uit het taalsysteem, zoals bv. hoofd of doek, maar het is een gebruiksvorm, een typische taalgebruiksact (opvallende verschillen tussen gelede en ongelede woorden, zowel structureel als semantisch, zijn al eerder geconstateerd.15)) De samenhang tussen hoofd en de morfemen /hoofd/ is daarmee dan in ieder geval aanvaardbaar. Wat gebeurt er immers bij actualisering? Als we zeggen: ‘Zijn hoofd heeft de vorm van een ei’, dan is hier geactualiseerd het element ‘lichaamsdeel’; niet geactualiseerd zijn de andere, ons bekende elementen. Zo zou dan ook de woordvorming (hoofd + doek>) hoofddoek een actualisering zijn, iedere keer opnieuw; we actualiseren dus niet het woord hoofddoek, maar we vormen iedere keer uit de bestaande elementen een ‘nieuwe’ verbinding. Op deze wijze ook kan in hoofddoek 1 het element ‘lichaamsdeel’ geactualiseerd zijn en in hoofddoek 2 ‘voornaamste’; beide composita zijn geen systeemgegevens, maar gebruiksvormen, zoals zinnen gebruiksvormen zijn. Scherp gesteld: in de woordenschat komen geen gelede woorden (althans geen composita) voor, maar alleen ongelede; composita zijn gebruikscombinaties, vergelijkbaar met ‘andere’ woordgroepen. |
Voor deze derde verklaring pleiten nog andere gegevens, eveneens uit het problematisch gebied identiteit/homonymie. Homoniem zijn voor ons de ‘wijzen’ in de volgende zinnen: ‘De wijzen kwamen uit het oosten’ en ‘Dit liedje kent verschillende wijzen’. Dat we hier niet tot identiteit mogen besluiten, tonen ons de ermee verbonden en- | | | | kelvouden, die zelfs in vorm verschillen en dus geheel aparte woorden zijn. We zien dus: enkelvoudige vormen geen enkele relatie, meervoudige vormen plotseling homoniem. En ter verklaring van de niet-identiteit grijpen we terug op een enkelvoud, dat kennelijk bewijskracht heeft, al is het een ander woord. Waar precies ligt het verband tussen wijs en wijzen? Dat ligt in het feit, dat wijzen niet een woord is op de manier waarop wijs dat is; wijzen is een gebruikscombinatie, de realisatie van een aantal systeemgegevens, net zoals in de winkel niet één systeemgegeven is, maar de realisatie van een hele groep principes uit het systeem. We willen hiermee niet stellen dat het ongelede woord wèl een systeemgegeven is - daarover straks meer - maar alleen dat gelede woorden het zeker niet zijn. Vandaar ook dat we het begrijpelijk achten dat onlangs de woordgroep en het gelede woord in één categorie werden ondergebracht, al zouden wij dat niet willen doen; maar zo kon geschreven worden: ‘Het aantal combinaties is oneindig, het aantal onontleedbare taaltekens daarentegen is eindig’.16)
We komen nu echter in een lastig parket: ongelede woorden zouden deel uitmaken van het taalsysteem, gelede niet. (Wij zeggen hier, in tegenstelling tot Reichling, dat woorden tot het taalsysteem behoren; hij noemt naast het systeem echter de taalschat.17) In feite is dit laatste natuurlijk ook een fundamentele orde voor het gebruik. De terminologie verschilt dus, maar de opvattingen zijn wel gelijkgericht.) Wel zou deze opvatting al een hele reeks verschijnselen vereenvoudigen. Het grote vraagstuk: zijn Jan en Jans twee woorden of varianten van één woord (men spreekt hier dan wel van correlaten18)) zou hiermee opgelost zijn. In het taalgebruik zijn het dan nl. twee woorden, maar ze gaan beide terug op één woord in het systeem.
Maar al is het gemakkelijk op deze wijze de afwijkende betekenisstructuur van gelede woorden te verklaren, toch blijft men enigszins onwennig staan tegenover het principiële verschil geleed/ongeleed. Om
| | | | te beginnen moet men bv. maar aannemen dat een geleed woord gevormd wordt op basis van een ongeleed, maar is dat synchronisch gezien wel zo? Welk proces bv. volg ik, wanneer ik naast het mij bekende onwennig het neologisme wennig zou vormen? Men begint zich door dat zeer principiële verschil tussen geleed en ongeleed af te vragen of het woord inderdaad wel een systeemgegeven is, zoals nu een kleine dertig jaar in de Nederlandse linguistiek wordt aangenomen. We beginnen te twijfelen aan het feit of het woord de grondslag van het taalsysteem is. Een twijfel die niet alleen opgeroepen wordt door de inzichten van Martinet, maar ook door bepaalde uitlatingen van bv. Bloch en Nida.
Zo beschouwt Bloch twee woorden als identiek, wanneer ze gelijk zijn van betekenis en verschillend van vorm, althans voorzover dit vormverschil bepaald wordt door de fonische of syntactische omgeving. In het Japans ‘is op deze wijze nán̄ “wat?” (voor een dentale consosonant) hetzelfde woord als náni (voor een niet-dentale consonant, een vocaal of een pauze); de vormen van de copula dá, na en no “is”, die een distributie hebben overeenkomstig de syntaxis van de omringende woorden, zijn alle drie hetzelfde woord’.19)
Het is duidelijk wat hiervan de consequentie is: als dá, na en no één woord vormen, dan moet Bloch ze beschouwen als varianten op een grondvorm. Of daarbij die grondvorm dá dan wel na is, doet niet ter zake; het enige wat hij met zekerheid kan constateren is dit: die drie vormen zijn gebruiksvormen, zijn taalgebruiksvarianten. En als varianten behoren ze tot dat gebruik alleen en niet tot het systeem: in dat systeem is er wel een basisvorm, maar hoe die gerealiseerd wordt, ligt in de omgeving, d.w.z. in de gebruiksorde. Hetgeen zou bevestigen dat ook het ongelede woord een grondvorm heeft in het systeem, welke grondvorm niet hetzelfde is als het betrokken woord zoals we dat in het taalgebruik ontmoeten.
Nader inzicht in die grondvorm krijgen we door de opvatting van Nida. Die spreekt van ‘semantisch verbonden vormen’ (let wel: vor- | | | | men) en rekent daaronder bv. ‘to run and a run in her stocking’.20) Wij zijn verplicht hier te spreken van homoniemen, aangezien de morfologische (en dus ook de semantische) kenmerken verschillen bij beide woorden en bovendien het syntactische gebruik. En toch, wanneer we die homoniemen nader analyseren, krijgen we weer het gevoel dat we op de verkeerde weg zijn; zelfs door te spreken van transpositie21) of van correlaten wordt het wezen van overeenkomst en verschil althans synchronisch niet aangegeven. We spreken hier van homoniem, maar impliceert homonymie niet: toevallige vormovereenkomst bij wezenlijk semantisch verschil (zie ook Bally)? En is er bij (to) run en (a) run wel te spreken van wezenlijk semantisch verschil en van toevallige vormovereenkomst? Natuurlijk is er semantische samenhang en is vormgelijkheid niet toevallig; maar van identieke vormen willen we toch ook weer niet spreken, wegens de aperte syntactische verschillen. Passen we dit onderscheid toe op Nederlandse voorbeelden, dan constateren we (ik) loop en (de) loop zijn niet identiek, vanwege:
| a) | de formele verschillen: het combinatieveld (syntactische valentie) is dermate uiteenlopend, dat er zelfs geen raakvlakken zijn. Wil men spreken van de morfologische valentie van een woord - voor ons is zoiets nog dubieus - dan zijn ook hier de verschillen evident, terwijl |
| |
| b) | in semantisch opzicht naast samenhang ook een aantal verschilpunten kunnen worden aangetoond. Semantisch bv. impliceert (de) loop iets ‘substantivisch’, hetgeen van (ik) loop bepaald niet gezegd kan worden. |
En hiermee zijn we dus weer ten dele vastgelopen, net als bij de gelede woorden; er is een samenhang in vorm en betekenis die principieel is en die een gemeenschappelijke achtergrond doet vermoeden; maar identiteit is uitgesloten om bovenstaande redenen. Een uitweg uit de impasse schijnt ons Martinet te bieden met zijn theorie van het moneem. Als zodanig beschouwt hij het kleinste ‘teken’ uit ons taalge- | | | | bruik, waarbij teken inhoudt: betekenaar + betekenis. Een moneem is daarmee niet equivalent aan een woord; in werkt bv. hebben we twee monemen, t.w. <werk> en <t>. Is dit dan niet hetzelfde als het morfeem in de bestaande theorie? Nee, in zekere zin is het moneem zelfs tegenovergesteld in waarde; het morfeem immers is een onderdeel van een geleed woord, een abstractie daaruit zo men wil (the morpheme is not a linguistic unit). Het woord is een linguïstische entiteit die ‘t.o.v. gelijksoortige bouwsels waarmee het in onmiddellijk verband voorkomt, uiteenplaatsbaar is’22); maar een morfeem bezit deze zelfstandigheid niet en is bouwelement zonder isoleerbaar linguïstisch bestaan. Het moneem uit Martinets theorie echter is fundamenteel voor de eenheid van het taalgebruik, het woord; sterker dus nog, hij ziet onze hele taalschat niet als bestaande uit woorden, maar uit monemen; woorden zijn daarbij niet meer dan ‘een autonoom syntagma, gevormd door niet scheidbare monemen’.23) Martinet
vindt het ‘woord’ een onhanteerbare grootheid in de linguïstiek; de begrenzing is dikwijls heel moeilijk, omdat men het verschil tussen woord en woordgroep niet altijd kan aanwijzen. Daarom acht hij de term ‘syntagme autonome’ verkieslijk en met de term ook het bouwprincipe: ‘Voor het verstaan van de grondslagen der taalstructuur dient de aandacht gericht te worden op het autonome syntagma, en niet primair op dat bijzondere soort autonome syntagma, dat gekenmerkt word door onscheidbaarheid van zijn onderdelen en dat valt onder de rubriek “woord” samen met de monemen die niet in dergelijke syntagma's voorkomen.’24)
Martinets ideeën, mede gebaseerd op de studie van niet-Europese taaltypen, konden moeilijk een vaste begrenzing vinden van het woord. Maar voor ons, die ons baseren op het Nederlands, is het woord een realiteit die absoluut niet weg te denken is uit het taalgebruik. Grensgevallen zoals hij ze uit het Frans noemt, hebben juist
| | | | krachtens hun grenssituatie geen bewijskracht; en de isoleerbaarheid van het woord bewijst inderdaad dat het een eenheid is in de linguïstiek. Maar - en hier distanciëren we ons van Reichling - het is de eenheid van taalgebruik en niet de eenheid die voor gebruik klaar ligt in het systeem (of in de taalschat, zo men dit prefereert).
Steun voor deze ‘middenweg’ tussen Reichlings en Martinets visies vinden we in een veelvuldig geuite bewering, dat de woordbetekenis niet alleen uitsluitend in een context is te begrenzen, maar dat ze ook uitsluitend contextueel wordt uitgedrukt: ‘the central concept of the whole of semantics...is the context of the situation’25). Uiteraard hoeft dit niet te betekenen dat het woord niet isoleerbaar zou zijn, maar het impliceert wel dat het woord zijn wezenlijke woordwaarde alleen heeft in het gebruik; woord is vorm en betekenis26), maar zijn bestaan buiten het taalgebruik vindt zeker geen bevestiging in deze betekenistheorie.
Zelf zouden we de situatie graag aldus gesteld zien: het woord is de eenheid van taalgebruik; het is de kleinste betekeniseenheid van dit taalgebruik en als zodanig zelfstandig gerealiseerd (één-woordzinnen) of in combinatie met andere woorden. Deze eenheid van taalgebruik releveert aan de systeem-eenheid, t.w. het moneem. Ieder woord heeft een of meer geactiveerde lexicale elementen die aanwezig zijn in het moneem. Het is voor dit moneem, dat de semantische structuur geldt van een serie disjunctief relevante lexicale elementen zoals door Reichling geschetst. Uiteraard zijn er ook meer-monematische woorden, de zgn. gelede woorden; wij noemen een woord geleed als het bestaat uit meer dan één moneem.27)
Gezegd zij, dat de zaak hier scherp gesteld is en minder fundamenteel verschilt van vorige systemen dan zou kunnen lijken. Ook de theorie van Reichling laat een wezenlijk verschil zien tussen het woord
| | | | uit de taalschat (ons moneem) en het geactualiseerde woord; wij vinden echter dat dit ‘langue-woord’ zo fundamenteel verschilt van het ‘parole-woord’, dat het eerste een andere naam verdient, en dit temeer omdat het ‘woord’ uit de taalschat bepaalde woord-waarden mist. Dat we het ‘parole-woord’ woord blijven noemen, hangt samen met onze benadering, nl. steeds weer vanuit het (waarneembare en controleerbare) taalgebruik.
We zullen nu proberen deze theorie te demonstreren aan enkele voorbeelden; ze zal hopelijk de moeilijkheden oplossen die ontstonden bij de composita en tevens het probleem homonymie/identiteit weer in onze gezichtskring brengen, nu in een wat helderder vorm.
Om te beginnen kunnen we ons paar loop / loop veel beter karakteriseren in de onderlinge verhouding. Men kan nl. zeggen dat het homonieme woorden zijn die gevormd zijn van een identiek moneem. De fundamentele samenhang ligt hiermee vast, maar het gebruiksverschil van de gebruikseenheden (woorden) is evenzeer evident.
En wat de semantische structuur van het moneem betreft het volgende: de woorden (ik) loop, (jij) loopt, (wij) lopen kunnen in een gegeven zin volledige gelijkheid demonstreren in lexicale opbouw: ‘Ik loop (jij loopt enz.) sinds enige weken in de ziektewet’. Nu zijn deze woorden zelfs niet homoniem, maar het is dan toch wel merkwaardig dat ze in het lexicaal-semantische vlak niet of nauwelijks van elkaar afwijken. Nogmaals, men kan dan zeggen: er is een zekere samenhang of correlatie tussen deze vormen, maar de vraag is dan gewettigd: waar ligt die samenhang? De morfeemtheorie biedt hier in zoverre geen houvast, dat het morfeem niet meer is dan een abstractie, terwijl loop niet eens een morfeem heeft, omdat het ongeleed is (tenzij men een o-morfeem introduceert, hetgeen weer op andere bezwaren stuit).
We gaan nog een stap verder: de woorden loop, loopt en loopje zou men moeten zien als losse, op zichzelf staande elementen in de woordenschat (het systeem); en elk van die woorden zou dan een serie disjunctief relevante betekeniselementen bezitten die merkwaardigerwijs in zeer grote mate parallel zouden lopen. De vraag rijst nu of met deze opvatting ook niet een taalapparaat verondersteld wordt dat overbelast is. We zijn het er over eens, dat taalbeheersing niet inhoudt het
| | | | ‘leren’ van alle mogelijke feitelijke zinnen of feitelijke woordgroepen; maar betekent het ‘leren’ van alle mogelijke gelede woorden ook niet het verwerven van een vrijwel onbegrensde en onbegrensbare voorraad? Vergelijken we nog even: loop, loop, loopt, lopen, lopen, te lopen, gelopen, lopend, liep, liepen. Dit zijn dan tien woorden, waarvan sommige homoniem mogen heten, maar die niet-identiek zijn. En hoe is het gesteld met hun semantische structuur? Alle tien hebben ze een basispatroon dat gelijk is, al zijn er natuurlijk ook wel verschillen. Voor de taalgebruiker zou dit inhouden, dat hij voor deze tien woorden tien semantische patronen te leren heeft, die lexicaal in grote mate parallel lopen; bij een aantal van 1000 werkwoorden zou dat inhouden: tienduizend lexicale patronen. Aanvaarden we echter de moneemtheorie en zien we het moneem als fundamenteel voor het woordgebruik (en voor de woordvorming), dan behoeft de taalgebruiker slechts 1000 patronen te leren + ongeveer tien secundaire monemen (hoeveel dat er precies zijn, kunnen we hier in 't midden laten; het is hier de plaats niet voor de presentatie van een uitgewerkte moneemtheorie). Op deze wijze, dat is te begrijpen, laat zich de voorraad ‘bouwelementen’ reduceren tot een fractie van wat momenteel het woordenboek biedt, aangezien dit geldt voor alle gelede woorden, van welke aard ook.
Men kan hier tegenwerpen dat heel veel composita niet gewoon een lexicale optelsom zijn van hun monemen, maar dat zijn woordgroepen evenmin; in witte rozen staan de betekenissen der beide woorden niet los naast elkaar, maar de ene bepaalt de andere nader; sterker nog, in de zin Hoe maakt U 't? gelden nog andere normen van ‘gecombineerd betekenen’. Maar dit alles impliceert toch niet dat iedere woordgroep en allerlei zinnen deel uitmaken van taalschat of systeem?
We nemen nog een ander voorbeeld: in België heb ik enige jaren geleden het woord vijs (= schroef) leren kennen. Vrij gemakkelijk heb ik daarop de zin geformuleerd ‘Wilt U die lamp eens wat beter vast vijzen?’ We kunnen hier vijzen een denominatief noemen, maar dat vertelt alweer niets over de relatie ad hoc. (De) vijs en (ik) vijs zijn homoniem in traditionele zin, maar het parallellisme in lexicale structuur is te evident om te besluiten tot homonymie zonder meer. Erkent men echter in beide gebruiksvormen hetzelfde moneem
| | | | <vijs>, dan kan men daarna zonder bezwaar zeggen dat dit toegepast is in twee homonieme woorden.
We kunnen nu dus, uitgaande van het taalgebruik, een drietal geledingen onderscheiden in een hiërarchische verhouding:
| a) | een aantal woorden met hun distributieregels; |
| |
| b) | een aantal monemen met hun distributieregels; |
| |
| c) | een aantal fonemen met hun distributieregels. |
Dit alles nu wijst in de richting van een taalbouw, waarin de woorden gebruiksvormen zijn en geen systeemgegevens; maar hoe kan een woord behalve over een lexicaal veld ook over een combinatieveld beschikken, als het geen entiteit is uit het systeem, de langue? Voordat we op deze kwestie ingaan, beperken we eerst ons studieterrein tot wat wij zullen noemen: primaire monemen; dat zijn die monemen die of zelfstandig een woord kunnen vormen of als centraal morfeem in een woord optreden; secundaire monemen noemen we die monemen die niet zelfstandig een woord kunnen vormen en die in een geleed woord als perifeer morfeem optreden (<t> in loopt).
Bezien we nu het moneem <koe> dan schijnt dat in eerste aanleg niet te beschikken over een combinatieveld, maar wel over een lexicaal veld. Het kan nl. optreden in het woord koe, maar ook in koehandel, koeig, koe-achtig, koeioneren (een goed voorbeeld van herinterpretatie in volksetymologie). Daar staat tegenover dat een moneem als <op> op geen enkele manier als <koe> woorden vormt (‘ophandel’ etc.); hetgeen zeer begrijpelijk is als we ons bewust zijn van de lexicale structuur van dit moneem. Het komt ons dan ook voor dat we de situatie aldus mogen stellen:
in principe bezitten alle monemen morfeem-kwaliteit: ze kunnen met een of meer andere monemen een geleed woord vormen; deze combinatiemogelijkheden hangen samen met de lexicale structuur van de betrokken monemen: zo is <boek> combineerbaar met <handel>, maar niet met <op>; <binnen> zou echter in een gegeven situatie wel combineerbaar zijn met <handel>, net zoals nu met bv. <haven>;
ieder primair moneem is per se woordvormend; tot welke woordsoort
| | | | de gevormde woorden behoren, hangt samen met de lexicale structuur van het betrokken moneem. Zo zal <op> vanwege zijn gegeven lexicale structuur niet gerealiseerd kunnen worden in een verbaal woord, althans niet in een ongeleed verbaal woord. Anderzijds mag men hieruit niet afleiden, dat de syntactische valentie een moneem-kwaliteit is; dat is simpelweg niet zo, omdat monemen geen syntagma kunnen vormen; ze kennen dus geen syntactische toepassing of combinatie, en daarmee geen som van combinatiemogelijkheden of syntactische valentie. Wel echter hangt die valentie samen met het lexicale patroon van het moneem. Als we zeggen ‘Ik droom een wonderlijke droom’, dan kan het gemeenschappelijk moneem deel hebben in heel verschillende woorden vanwege zijn ‘handelings’-karakter; dat zien we duidelijker bij vergelijking met bv. ‘Ik op een wonderlijke op’. Hier nl. is de semantische structuur van het moneem zodanig, dat actualisering in een verbaal of substantivisch woord niet mogelijk is. Het bovenstaande vatten we samen in de (voorlopige) begrenzing: de syntactische valentie van een woord is de som van zijn gebruiksmogelijkheden, op basis van de semantische structuur der integrerende monemen.
Het moneem is dus fundamentele bouwvorm voor het woord; ieder woord is een gebruiksvorm, waarbij uit het moneem gerealiseerd zijn èn de bouwprincipes voor het woord èn een aantal lexicale elementen die disjunctief relevant zijn (evenals trouwens de morfologische mogelijkheden). Het moneem heeft (in onze opvatting die afwijkt van die van Martinet):
| 1) | een lexicaal veld; lexicale valentie; |
| |
| 2) | een woordbouw- of morfologische veld: morfologische valentie. |
Het woord heeft een syntactisch veld, dat echter samenhangt en gebaseerd is op de twee bovengenoemde kwaliteiten van de samenstellende monemen of het geactualiseerde moneem.
Met dit alles, dat is nu duidelijk geworden, hebben we het woord gereduceerd tot een typische gebruiksvorm, eenheid van het taalgebruik, maar geen fundamenteel gegeven uit systeem of taalschat. Dat vraagt nog een enkele aanvullende verklaring; we kunnen bv. wel zeggen vaderen, maar niet ‘omen’ (pl. van oom) - en is dat dan geen
| | | | valentieregel van het woord? Nee, dat is een valentieregel van het moneem. Laten we het nog duidelijker stellen: ik kan de ‘reeks’ vormen ken - kennen - herkennen - onherkenbaar; zo zijn er talloze gelede woorden te maken, maar er zijn er ook die we niet in het woordenboek aantreffen. Zo vinden we niet ‘repareerbaar’ en ‘onrepareerbaar’ en men kan zich dus afvragen of men niet toch nog het woord moet beschouwen als een eenheid uit het systeem. Nu is het echter dubieus of deze woorden zo onbestaanbaar zijn als het in eerste instantie lijkt: ik ervaar het gebruik ervan niet als schokkend of erg abnormaal. Maar zelfs als we aannemen dat het gebruik selectief en willekeurig is in zijn woordvorming, dan is ook dat een verschijnsel dat we vaker ontmoet hebben. Ook bij de woordgroepvorming gelden nl. distributieregels die volmaakt willekeurig zijn. ‘Koop nieuwe potloden morgen even is in strijd met het Nederlandse taalgebruik. Vergelijkt men (....): Koop ze morgen even, dan treft men weer een lijdend voorwerp op de tweede plaats in de zin aan, en nu één, dat in een zin die uit deze woorden opgebouwd is, op geen andere plaats kan staan.’28) Zo zijn er voorbeelden te over; we zeggen wel Het valt me zwaar, maar niet ‘Het valt me goed’; wel Mijn vader z'n jas, niet: Die muur z'n spijker’. Voor de bouw van een syntagma gelden wel een aantal regels, maar die regels als zodanig zijn willekeurig bepaald; dezelfde onnaspeurlijkheid (zeker synchronisch gezien) geldt ook voor de woordbouwprincipes. Dit laatste vindt zijn bevestiging in het zgn. dynamische karakter van een taaltoestand; samenstelling en afleiding vinden steeds opnieuw plaats, hetgeen ook bevestigt
o.i. dat woordgebruik te allen tijde woordvorming is,
d.w.z. het actualiseren van monemen in woorden. Wij onderschrijven daarom Schultinks stelling ten volle: ‘Waar anderen, slechts statisch formulerend, uitsluitend zullen zeggen dat een woord als blijheid de elementen blij plus heid in de gegeven volgorde omvat, deins ik er geenszins voor terug blijheid ook synchronisch een afleiding van blij te noemen, gevormd door suffigering met heid.’29)
| | | |
We hebben de theorie slechts in zoverre uitgewerkt als nodig is voor het onderzoek homonymie/identiteit; in een volgend artikel hopen we enkele vraagtekens van de vele die nu geplaatst kunnen worden, op te ruimen. Voor een verdere uiteenzetting, leggen we het volgende nog eens duidelijk vast:
Het woord treffen we uitsluitend aan in een context en daarin is het gebruiksmoment en tevens eenheid van taalgebruik. In het woord zijn enkele elementen uit het morfologische en uit het semantische valentieveld van het moneem of de monemen geactualiseerd. Welke combinaties het (voor deze situatie gevormde) woord aangaat, hangt samen met die beide valentiegebieden, beter gezegd: met de gecombineerde valentiegebieden, aangezien meer dan één moneem woorddeel kan zijn. Het is goed er in dit verband op te wijzen, dat lang niet altijd het primaire karakter overheerst in de woordvorming en zijn syntactisch veld: bij bazig bv. wordt de adjectivische valentie ‘meer’ bepaald door het secundaire moneem <ig> dan door het primaire <baas>; het is dan ook zeer de vraag of in woorden van deze aard niet <ig> het centrale deel is: het zou wel eens kunnen blijken dat men zich bij een analyse tezeer heeft laten leiden door semantische overwegingen.
Het bovenstaande maakt wel duidelijk dat we voor de oplossing van het probleem homonymie/identiteit kennis moeten hebben van het moneem, ook al blijven we ons houden aan het woord als te bestuderen object. Een begrenzing van woordidentiteit moet een beroep doen op het eraan ten grondslag liggende moneem en wel als volgt:
woordvormen kunnen alleen identiek zijn, wanneer de monemen gelijk zijn. Dit houdt niet in dat gelijkheid van moneem ook betekent woordidentiteit. Het impliceert uitsluitend dit: als de monemen verschillen, moet er bij vormgelijkheid gesproken worden van homonymie. Daardoor onderscheiden we dus in de orde van het woord:
| a) | homonymie met gelijk moneem: (ik) loop en (de) loop; |
| b1) | homonymie met één gelijk en een of meer verschillende monemen: (stenen) tafelen en tafelen (eten); |
| b2) | homonymie met verschillend moneem: (ik) deel en (de) deel (boerderij). |
| | | |
In feite moet men b1 en b2 in één categorie onderbrengen door de zaak aldus te stellen: wanneer in twee woordvormen één moneem verschilt, is identiteit uitgesloten.
Is hiermee nu het onderzoek van Bally verworpen, die spreekt van ‘homonymie absolue’ en van ‘homonymie partielle’30), al naar gelang twee vormen identieke functies hebben dan wel behoren tot verschillende categorieën? Dat is zeker niet het geval; een dergelijk onderscheid kan men toch wel aanbrengen als sub-catalogisering. Maar men moet zich wel realiseren dat Bally's indeling geen wezenlijk verschil aantoont in de homoniemen, terwijl het onze dat wel doet. In groep a) nl. hebben we samengebracht die homoniemen die een principiële samenhang vertonen, terwijl groep b) de homoniemen omvat die inderdaad - eigenlijk min of meer in strijd met het Saussureaanse principe - een volslagen toevallige, niet-wezenlijke vormovereenkomst vertonen. Zijn nu onze criteria voor de indeling van vormen naar identiek en homoniem gemakkelijker geworden en moeten we verschillende maatstaven aanleggen voor groep a) en b)? Noch het een noch het ander is het geval. In het begin hebben we nl. al gezegd dat de gebruiksvormen in een context geplaatst dienen te zijn, willen we aan een onderzoek kunnen beginnen; het zijn nog altijd woorden waarmee we te maken hebben. Maar bij gebruiksvormen manifesteren de verschillen (b) zich evenmin duidelijk als de overeenkomsten (a), althans lang niet altijd. Bovendien geldt nog steeds dat niet altijd een objectieve uitkomst verwacht kan worden (zie pen 1 en pen 2), ook al mag men de subjectiviteit niet te ver doorvoeren; wie bv (ik) vrij en (ik ben) vrij als identiek ervaart, beheerst zijn Nederlands niet. Verschillen in ‘ervaring’ gelden dus alleen voor een overgangsgebied en dan nog alleen bij functionele identiteit.
Ons probleem - dat is nu wel duidelijk - is geen vormprobleem, maar een semantisch, inhoudelijk31). Het eerste wat ons dan ook interesseert is de semantische structuur van de monemen die aan de
| | | | betrokken woorden ten grondslag liggen. Meest wezenlijk en ook meest rendabel hulpmiddel bij dit onderzoek is daarom de morfologische valentie van deze monemen. Hieronder verstaan we de mogelijkheid om verschillende woorden te vormen op basis van dit moneem. Dat morfologische valentie niet als een formeel kenmerk moet beschouwd worden, maar als een formeel èn semantisch behoeft geen betoog; morfologie als ‘vormbetekenissystematiek’ is nu wel algemeen aanvaard. Die morfologische valentie wordt trouwens ook door de taalgebruiker toegepast32) in dubieuze situaties. Zo ligt het speelse karakter van Roemer Visschers bekende kwatrijn juist in de morfologische valentie van <bot> (botter, allerbotst).
Hoe moeten we ons nu de semantische structuur van een moneem voorstellen? Ook door diegenen die Reichlings theorie over de disjunctieve relevantie der betekenende momenten kennen, wordt de lexicale waarde vaak beschouwd als een kruiswoordraadsel. In ‘Ik moet die knaap niet’ ‘betekent’ moet: ‘mag’ en in ‘Je moèt thuiskomen’: ‘verplicht zijn’. De betekenisstructuur is echter geen simpel optelsommetje van synoniemen en al evenmin een lijnrechte relatie klankvorm - ‘ding’. Zo hebben wij indertijd voor het moneem <moet> een structuur van een achttal geledingen onderscheiden met o.m. de elementen: een stuwende en een remmende orde; een bovenpersonaal en een personaal aspect; een overheersing van het bovenpersonale; een verzet van het personale; totale betrokkenheid van het subject; een copula-achtige nuance als fundament.33) Het is de constellatie van deze acht elementen, waarbij steeds weer een ander aspect overheersend kan zijn, die bepaalt wat de betekeniswaarde per gebruiksgeval is. We passen dit principe nog eens toe op een willekeurig substantief met alle risico's vandien (men verwart nl. snel het object met de lexicale waarde hierbij). De geijkte synonymie constateert graag:
‘Wat een mooie houten tafel’: ‘meubelstuk’;
‘De tafel is gedekt, moeder’: ‘eetplank’;
| | | |
‘Wat een heerlijke tafel was dat!’: ‘maaltijd’.
Een iets uitvoeriger deductie echter (die overigens niet op volledigheid aanspraak maakt) toont o.m. de volgende elementen aan in het betekenisveld van het moneem <tafel>: A ‘meubel’; B ‘blad (op poten)’; C ‘blad voor werk en maaltijd’; D ‘functioneel begrensde ruimte’ (op 't blad); E ‘functie in die ruimte’. Bij toepassing van dit moneem in het tweede voorbeeld hebben we het element B geactualiseerd, maar ook de elementen A en C zpn aanwezig, zij het minder geprononceerd. Vergelijken we dit moneem nu met dat wat in een woord geactiveerd is in de zin ‘De tien geboden staan gebeiteld in een stenen tafel’, dan rijst de vraag of we hier hetzelfde moneem hebben en of de woorden tafel identiek dan wel homoniem zijn hier. Bij een structuuranalyse van enkele gebruiksgevallen van tafel 2 vinden we o.m. de elementen a ‘vlak’; b ‘blad met zeker omvang en gewicht’; c ‘blad voor bepaald werk’; d ‘blad met functionele ruimte’. We kunnen dus duidelijk vaststellen dat beide vormen ‘een of meer geledingen blijken gemeen te hebben’ (Reichling, 340). Dit impliceert dus gelijkheid van moneem. Dat de woorden verder identiek zijn, leiden we af uit de syntactische valentie die voor beide gelijk is; in zoverre althans, dat het veld van tafel 2 binnen dat van tafel 1 valt.
Met deze laatste opvatting hebben we tevens kleur bekend t.a.v. de syntactische valentie en de syntactische toepassing als criterium voor homonymie/identiteit. Het spreekt eigenlijk wel vanzelf, dat we niet zonder dit criterium werken kunnen. Om te beginnen zijn woorden nu eenmaal gebruiksvormen die als wezenlijk kenmerk hun verbanden hebben. Maar bovendien wordt het moeilijk woorden met gelijk moneem te onderscheiden als men geen beroep doet op de syntactische mogelijkheden. Het is overigens wel van belang het onderscheid tussen syntactische valentie en toepassing in het oog te houden. ‘Ik loop naar huis’ en ‘De loop der geschiedenis’ biedt het onderzoek naar de morfologische valentie geen oplossing; het moneem immers heeft een ‘verbale’ en een ‘substantivische’ valentie. Toch zijn de woorden loop niet identiek, aangezien ze beide een geheel verschillende syntactische toepasbaarheid en toepassing hebben. Ter controle hierop kunnen we een beroep doen op Godels methode in zoverre, dat men een
| | | | vervangingsproef doet met woorden die syntactisch in dezelfde velden vallen als deze twee homoniemen, bv. ga en gang.
Een schijnbare afwijking hiervan vinden we in de volgende gevallen: ‘Ik vind dat heel erg’ en ‘Ik vind dat erg leuk’. Het moneem <erg> is gelijk in beide woorden, maar men zou kunnen besluiten tot homonymie op grond van verschillende syntactische toepassing. In feite echter zijn de adjectivische en de adverbiale toepassing niet zozeer verschillend, dat dit aparte woorden doet veronderstellen. In principe kan ieder adjectief-moneem adjectivisch en adverbiaal worden toegepast, beter gezegd: in een adjectivisch of adverbiaal gerealiseerd woord worden toegepast. De syntactische valentie rechtvaardigt geen indeling in aparte woordsoorten, hetgeen bevestigd wordt door de morfologische valentie. Deze opvatting wordt gedeeld door de visie van De Groot, die op goede gronden betoogt dat adjectief en adverbium in één woordsoort thuishoren.34) Temeer omdat hij woorden als zelfs, juist in een aparte categorie onderbrengt, kunnen wij ons met deze zienswijze verenigen.
Nog een voorbeeld ter afsluiting: in de zin ‘Het doek waarvan deze doek gemaakt is’ treffen we twee niet-identieke woorden doek aan. Weliswaar is het moneem gelijk voor beide woorden, maar de adnominale woorden verschillen en daarmee de syntactische valentie. Nogmaals: men vergisse zich niet met (de) deksel / (het) deksel. Hier hebben we kennelijk te doen met één woord, aangezien de adnominale woorden verwisselbaar zijn; dit woord heeft verschillende verbindingsmogelijkheden en de syntactische valentie is dus ruimer.
Twee criteria staan ons ter beschikking voor ons onderscheid: een contextuele analyse, gecombineerd met een onderzoek naar de morfologische valentie, maakt ons duidelijk of we met één dan wel met twee monemen te doen hebben. Bij gelijkheid van moneem is een syntactisch valentie-onderzoek noodzakelijk om uit te maken of de nog niet gecatalogiseerde vormen identiek of homoniem zijn; we kunnen hierbij gebruik maken van Godels associatieve proces. Uit onze analyse resulteert dan het volgende schema:
| | | |
(+ = gelijk; - = ongelijk)
|
woordvorm |
moneem |
synt. valentie |
woordaantal |
|
| a |
+ |
+ |
+ |
1 |
beeld/beeld |
| b |
+ |
- |
+ |
2 |
bank/bank |
| c |
+ |
+ |
- |
2 |
loop/loop |
| d |
+ |
- |
- |
2 |
deel/deel |
| Toepassingen: |
a) Dat houten beeld gaf een goed beeld van de verscheurdheid van onze tijd. |
| |
| |
b) Voor de Rotterdamse Bank stond een bank, waarop je kon zitten. |
| |
| |
c) In de loop van de week loop ik nog even bij je langs. |
| |
| |
d) Op de deel van onze boerderij deel ik allerlei voorwerpen uit. |
Tenslotte passen we onze criteria toe op twee paren gebruiksvormen, waarbij wij tot ander uitkomsten menen te moeten komen dan de linguisten die hierover geschreven hebben. Om te beginnen het niet eenvoudige geval van de correlate vormen van het werkwoord zijn. Ligt er in ‘Hij is gekomen’, ‘Hij is soldaat’, ‘Hij is thuis’ geen ‘gemeenschappelijk betekeniselement’ zoals Van Holk schrijft35) en is ‘hun distributie zo grillig dat we er geen grammaticale betekenis mee kunnen associëren’? Allereerst willen we wel opmerken, dat we ook niet geloven in een gemeenschappelijk betekeniselement, als hiermee bedoeld zou zijn: een grootste gemene deler. Wel echter geloven we hierin, in de zin die Reichling eraan geeft en we menen zelfs dat het niet moeilijk is in de drie woorden is gemeenschappelijke geledingen te vinden, die voor ons één gemeenschappelijk moneem indiceren.
Welke betekeniselementen treffen we nl. aan in de drie toepassingen?
| | | |
| I |
Hij is thuis. |
totale betrokkenheid van het subject;
voltooidheid van de actie (niet in temporele zin);
subject geplaatst in een actie, erin gelocaliseerd;
ongekwalificeerd ‘doen’. |
| |
| II |
Hij is soldaat. |
totale betrokkenheid van het subject;
identificatie subject-predikaatsnomen;
voltooidheid van de actie;
ongekwalificeerd ‘doen’. |
| |
| III |
Hij is gekomen. |
voltooidheid van de actie (actie die in het deelwoord genoemd is);
aliquo modo verbindend tussen subject en deelwoord (d.w.z. de ‘inhoud’ daarvan);
ongekwalificeerdheid van het ‘doen’ maakt deze verbinding mogelijk. |
Het komt ons voor dat deze eerste (zeker uit te breiden) analyse van de betekenisstructuur voldoende gemeenschappelijke elementen laat zien om de conclusie te rechtvaardigen, dat we hier met één moneem te doen hebben.36) We zijn dus verplicht de syntactische valentie te onderzoeken om na te gaan of er toch eventueel van homonymie sprake is. Inderdaad verschilt hier de syntactische toepassing; maar hoe is het met de valentie van de drie vormen? Welnu, deze valentie is in alle drie de gevallen verbaal; maar bovendien liggen de toepassingen per se zo dicht bij elkaar, dat er grenssituaties kunnen ontstaan die gelijkheid van de toegepaste gevallen suggereren. We volstaan met het noemen van enkele voorbeelden:
| Hij is in zijn nopjes. |
} grensgeval tussen I en II |
| Hij is in zijn knollentuin. |
} grensgeval tussen I en II |
| Het huis is beschadigd. |
} grensgeval tussen II en III |
| Die cake is goed gelukt. |
} grensgeval tussen II en III |
| | | |
Vergelijk verder toepassingen als ‘Dat is hij’ (in antwoord op de vragen: Is hij thuis? Is hij gekomen? Is hij soldaat?) Hier is de syntactische toepassing zozeer gelijk, dat zekere samenhangen in syntactische valentie niet ontkend kunnen worden.
Een tweede grensgeval waarover we met de schrijver van mening verschillen betreft het volgende:
| I | ‘Voor hardhorenden heeft men allerlei prachtige gehoortoestellen ontworpen.’ |
| |
| II | ‘Wat mèn zegt, moet je met een korreltje zout nemen.’ |
Voor Ten Brinke nu37) heeft men I ‘globaal aanduidende betekenis’, terwijl men II betekent ‘het gewone publiek’. Nu is het natuurlijk zo, dat met het duidelijke woordaccent ook een ander disjunct element uit het betekenisveld van het moneem geactualiseerd is, maar verder berust deze bewering nergens anders op dan op het bekende synoniemenspelletje. En dat, terwijl hier toch een hele serie semantische elementen gemeenschappelijk zijn aan beide vormen:
| I boven-persoonlijk; |
II niet boven-persoonlijk; |
| niet - ik/jij; |
niet - ik/jij; |
| niet vervangbaar door onpersoonlijk je; |
niet vervangbaar door onpersoonlijk je; |
| vierde persoon in het schema der personalia; |
vierde persoon in het schema der personalia; |
| neutraal in waarde; |
denigrerend. |
Bij de verschillen die aanwezig zijn in het lexicale vlak van deze woorden, is er genoeg overeenkomst om hetzelfde moneem te herkennen in beide gebruiksvormen. Dat de syntactische valentie gelijk is voor beide toepassingen zien we duidelijk; ze is zelfs zo zeer gelijk, dat we ook men I een zwaar accent zouden kunnen geven. Voor ons is er dus geen twijfel: we hebben hier te doen met één woord en voor dit woord gaat o.i. zelfs niet op, dat men subjectief duidend zou kunnen geloven in homonymie; de samenhang is daarvoor te sterk.
| | | |
Eén vraag zou men nog kunnen stellen n.a.v. het bovenstaande: als betoogd wordt dat het woord de eenheid van taalgebruik is en het moneem een eenheid uit het systeem, kan men dan wel twee gebruiksvormen identiek achten, als er verschillende semantische elementen in geactiveerd zijn! Is er dan geen aanleiding om van homoniemen te spreken in ‘De man van ons dienstmeisje is ziek’ en ‘Mijn broer heeft zich bij dat ongeluk een echte man getoond’?
Zonder twijfel zijn beide vormen identiek en hebben we met één woord te doen; dat er eenzelfde moneem ten grondslag ligt aan beide woorden blijkt uit een korte structuuranalyse. Maar ook de woorden zijn identiek, aangezien ze in identieke verbanden voor kunnen komen en de syntactische valentie voor beide gebruiksvormen gelijk is. De beide vormen kunnen in diverse verbanden elkaars plaats innemen.
We vatten samen: voor een wezenlijk inzicht in de problematiek homonymie/identiteit hebben we ons beperkt tot het woord. In de contextuele orde waarin we dit moesten doen bleken vooral de composita een dusdanige betekenisstructuur te hebben, dat we voor een juiste verhouding compositum-correlaat woord een ‘grondwoord’ moesten introduceren, het zgn. moneem. Het woord bleek te zijn niet ‘de eenheid van taal en taalgebruik’, maar uitsluitend de eenheid van taalgebruik, waarvoor als systeemgegeven het moneem fundamenteel is. Dit moneem kent behalve een lexicaal valentieveld (opgebouwd uit disjunctief relevante elementen) ook een morfologische valentie (woordvormingsprincipes). De beide laatste valenties mogen niet los gezien worden van elkaar: er is een organische samenhang.
De syntactische valentie is een typische woordeigenschap, zij het dan dat deze valentie gebaseerd is op de morfologisch-lexicale valenties van de samenstellende monemen.
Of we bij gelijk moneem van homoniemen spreken of van één woord hangt samen met die realisaties als zodanig. Bij apert verschillende woordsoorten (syntactisch-semantische categorieën, dus inderdaad klassen van woorden), zoals substantief en verbum, moeten we dus besluiten tot homoniemen. Dat we met homoniemen te doen hebben bij verschillend moneem is vanzelfsprekend.
Het komt ons voor dat deze visie enkele schijnbare verschillen over- | | | | brugt: de opvatting van de semantische inhoud als een contextuele, dan wel als een aan het woord gebonden structuur wordt als zodanig een kwestie van standpunt; voor het moneem is er de eigen semantische structuur, voor het woord als gebruiksvorm is er de gebruikssituatie, dus de context, die duidelijk maakt wat geactiveerd is. Ook het vraagstuk van de samenhang tussen zgn. correlate woorden wordt hiermee bevredigend opgelost: correlatie en transpositie zijn termen die een verschijnsel benoemen, maar die niet duidelijk maken wat en hoe de samenhang is.
Mol (België)
F.G. Droste
|
*)Enkele aspecten van dit probleem werden besproken op het 28ste Ned. Filologencongres te Nijmegen (1964).
1)A.W. de Groot: Inleiding tot de algemene taalwetenschap, Groningen 1962, p. 2.
2)St. Ullmann: The principles of semantics, Glasgow-Oxford 1957, 2de dr., p. 129; vgl. ook R. Godel: Homonymie et Identité, Cah. Ferd. de Saussure VII, p. 8 (1948).
3)C.F.P. Stutterheim: Differences in Accentuation between Homonyms in Pairs of Minimally-Differing Sentences, Lingua XI, p. 401 (1962).
4)L. Bloomfield: Language, Londen 1958, 5de dr., p. 178.
5)Vgl. voor deze kwestie H. Schultink: On Word-Identity, Lingua XI, p. 360 (1962).
6)Ch. Bally: Linguistique générale et linguistique française, Bern z.j., 3de dr., p. 174.
7)Dr Anton Reichling: Het woord; een studie omtrent de grondslag van taal en taalgebruik, Nijmegen 1935, p. 340.
8)Reichling: o.c., p. 323.
9)Reichling: o.c., p. 335.
10)Vgl. Ferd. de Saussure: Cours de Linguistique Générale, Parijs 1955, 5de dr., p. 171.
11)Godel: o.c. resp. p. 12 en p. 15.
11)Godel: o.c. resp. p. 12 en p. 15.
12)Voor de definitie van woordsoorten zie mijn boek Grondbeginselen van de Nederlandse grammatica, Den Haag 1964, p. 79-80.
13)E.M. Uhlenbeck: The study of wordclasses in Javanese, Lingua III, p. 326 (1950); vgl. ook Reichling: o.c., p. 347 evv.
14)De betekenis van een woord willen we niet uitsluitend lexicaal zien, maar als een structuur van twee samenhangende ‘velden’: een lexicaal veld - het ingedachte, inhoudelijke - en een hiermee verbonden grammaticaal veld - som van combinatiemogelijkheden.
15)Uhlenbeck: o.c., p. 329.
16)Dr F. Balk-Smit Duyzentkunst: De grammatische functie, Groningen 1963, p. 34.
17)Dr Anton Reichling: Verzamelde Studies, Zwolle 1961, p. 43.
18)H. Schultink: De morfologische valentie van het ongelede adjectief in modern Nederlands, Den Haag 1962, p. 15.
19)B. Bloch: Studies in colloquial Japanese II, Syntax, Language 22, p. 206 (1946).
20)E.A. Nida: A system for the description of semantic elements, Word 7, p. 9-10 (1951).
21)Schultink: Valentie, p. 34.
22)Reichling: Studies, p. 31-32.
23)A. Martinet: Eléments de linguistique générale, Parijs 1961, 2de dr., p. 112. Mevrouw Balk (o.c., p. 149), met wier opvattingen we het in verschillende opzichten eens zijn, spreekt hier van semantemen. Bally (o.c., p. 287 evv.) en Charles F. Hocket (A course in modern linguistics, New York 1958, p. 148) vinden het woord te complex om te gelden als fundamentele
eenheden van het taalsysteem.
24)Martinet: o.c., p. 115.
25)J.R. Firth: The technique of semantics, TPS 1935, p. 64.
26)Op die onverbrekelijke eenheid van vorm en betekenis in het woord is terecht nog eens de volle aandacht gelegd door Dwight L. Bolinger: The uniqueness of the word, Lingua 12, p. 113-136 (1963).
27)We geven hier geen volledig uitgewerkte theorie; dat heeft Martinet niet gedaan, dat kunnen wij daarom ook niet, omdat we op sommige punten zeer duidelijk met hem van mening verschillen.
28)Dr B. van den Berg: Onderzoekingen betreffende de zinsbouw in het Nederlands, Den Haag 1963, p. 6-7.
29)Dr H. Schultink: De grondslagen van de synchronische, descriptieve methode, Hand. 27ste Ned. Fil. congres, Groningen 1962, p. 45.
31)Vgl. ook John Orr: The flea and the fly, Comparative Literature Studies III, vol. XII, p. 13.
32)Vgl. O. Jespersen: Language, its nature, development and origin, Londen 1954, 10de dr., p. 286.
33)Moeten; een structureel semantische studie, Groningen-Djakarta 1956, p. 22 evv.
34)A.W. de Groot; Structural linguistics and word classes, Lingua I, p. 483 (1948).
35)A.G.F. van Holk: Subcategorieën van het werkwoord; in: Studies op het gebied van het hedendaags Nederlands, Den Haag 1963, p. 74.
36)Vgl. ook mijn artikel: De plaats van de verba van lichaamshouding en lichaamsbeweging in ons copulatieve stelsel, Leuv. Bijdr. XLVII, p. 106-126 (1958).
37)J.S. ten Brinke: Onafhankelijke en afhankelijke grootheden in het taalgebruik, Groningen 1963, p. 106.
|
|