|
|
|
| |
| | | |
Hollands stadsdialect ca. 1800
Johannes Le Francq van Berkhey heeft in zijn lange leven een overstelpende hoeveelheid geschriften uitgegeven, waarvan het onderzoek nog nauwelijks -, en de bibliografie nog in het geheel niet begonnen is. Zijn weetlust was even onverzadigbaar als zijn schrijfdrang. In zijn Natuurlijke Historie van Holland heeft hij van die tot in de kleinste details afdalende weetgierigheid een onvergankelijk monument opgericht, maar ook in zijn kleine geschriften kan hij het nooit laten allerlei door hem opgemerkte bijzonderheden van natuur- en volksleven te signaleren. Zo ook in een mij dezer dagen toevallig onder ogen gekomen klein geschriftje uit 1804: De Leydsche Spinster in Zegepraal of de Vrije Huwelijks-Keus. Het is het in enigszins Catsiaansen trant gestelde verhaal van een zeldzaam mingeval, dat op waarheid schijnt te berusten (de ondertitel luidt: ‘Een waar Origineel’), nl. hoe een patricisch heer, na een nogal bewogen leven, een Leidse spinster tot vrouw neemt. Als na veel bezwaren het huwelijk tot stand gekomen is wordt
De jonge vrouw bij 't gansch geslecht
Geëerd...naar haar rang en staatsie,
Wijl de ommegang en conversatie
Haar, naar wellevende manier,
Een weinig meer de jufferzwier
En houding nu deed observeeren,
maar op een punt kan zij haar afkomst niet verbergen: haar Leids dialect blijft die verraden. Het aardige is nu dat Berkhey dit detail te baat neemt om een aantal waarnemingen te spuien die hij op dit gebied gedaan heeft en die hij in de volgende uitweiding meedeelt (blz. 34-35):
Maar een gewoonte kleeft haar aan,
Die somtijds glimplag deed ontstaan,
Wanneer de Dames samen praaten,
En in 't salet op theetje zaten,
Daar elk wat nieuws verteld en snapt,
Dan heeft haar tongval haar beklapt;
| | | |
Want eb vor hebben, kayk voor kijken;
En aait voor heid, en dergelijken,
De basterdtaal van Layds wallon,
Was die zij niet verzaaken kon.
Doch door de tijdsveranderingen,
Gelijk met zeer veel' andre dingen,
Had ook gewoonte hier geleerd,
Dat zij wel eert, waar men verkeert.
Er waren onder al die klapsters
Van 't vrouwe soortje, ook wel eens snapsters,
Die men wel uit haar Moederstad
Een weinig te berispen had:
Men kon somtijds ook wel eens smaalen
Op 't Amsterdamsche peel voor paalen,
Een neelde met een bleeuwe dreed,
De sloys voor brug, voor straat de street.
De Zeeuwsche piute voor een pute,
En elders voor de schuit een schute,
De Haagenaars voor kijken, kik,
De Haarelemmer hebt, voor ik,
De Gouwenaars voor kindren, kaijndren,
Voor meisje, meychie, slinder slaijndren,
Met duizend andre wisseling
Van spraak en taalverandering,
Door Taalgeleerden zelfs voldongen,
Zoo de ouden zingt zoo piept de jongen;
Natuur steld aan de spraak de wet
Van Sibboleth en Scibboleth.
De mededelingen op zichzelf laten we voor wat ze zijn; met name de ‘Zeeuwsche piute’ klinkt wat vreemd. Maar als een vroeg blijk van belangstelling voor dialectverschijnselen als zodanig en vooral voor hun sociale betekenis leek mij de passage aardig genoeg om ze even onder de aandacht te brengen.
Leiden, Februari 1971.
C. Kruyskamp
|
|
|