[p. 132]

Levinus Lemnius, een Zeeuwse bron van Kiliaan

Levinus Lemnius is een van de 99 auteurs die Kiliaan in de bronnenlijst in het voorwerk van zijn Etymologicum van 1599 vermeldt; ook in de tekst van zijn woordenboek verwijst hij bij enige artikelen uitdrukkelijk naar Lemnius. Bijna al deze artikelen heb ik kunnen terugvinden in twee Latijnse werken van Lemnius, De Miraculis occultis naturae libri IIII en Similitudinum ac Parabolarum quae in Bibliis ex herbis atque arboribus desumuntur dilucida explicatio. Deze werken heb ik tevens als bron kunnen aanwijzen voor andere artikelen van Kiliaan met de vermelding zeland. (Zeeuws) en voor artikelen zonder speciale vermelding.

1. Lemnius en zijn werk

Volgens J. Fruytier (Nieuw Ned. Biografisch Woordenboek, VIII, Leiden, 1930, kol. 1028-1031) werd Levinus Lemnius (of Lemse1) geboren te Zierikzee in 1505, studeerde hij geneeskunde te Gent en te Leuven en vestigde zich in 1527 als geneesheer in zijn geboortestad. Hij studeerde ook theologie en werd priester na de dood van zijn vrouw. Hij overleed te Zierikzee in 1568.

Van Lemnius zijn de volgende werken bekend: De astrologia liber unus. De termino vitae liber. De honesto animi et corporis oblectamento (Antwerpen, M. Nutius, 1554); De occultis naturae miraculis libri II (Antwerpen, G. Simon, 1559); De habitu et constitutione corporis (Antwerpen, G. Simon, 1561); Herbarum atque arborum quae in bibliis passim obviae sunt explicatio (Antwerpen, G. Simon, 1566). Van deze laatste uitgave, die zich o.a. in de K.B. te Brussel bevindt, kende Fruytier alleen de latere bewerking onder de boven reeds aangehaalde titel Similitudinum ac Parabolarum...explicatio (Antwerpen, G. Simon, 1569), die echter ook reeds in 1568 verschenen was (een exemplaar hiervan berust eveneens in de K.B. te Brussel). Als postuum

[p. 133]

verschenen vermeldt Fruytier nog De Zelandis suis commentariolus (Leiden, Plantijn, 1611), reeds in 1609 opgenomen in de Batavia illustrata (Haarlem) van P. Scriverius; ik heb gemerkt dat dit werk echter niets anders is dan een afzonderlijk uitgegeven hoofdstuk (IV, 2) uit De Miraculis occultis naturae.

2. De Miraculis occultis naturae

In het tweede werk van Lemnius, De Miraculis occultis naturae, heb ik het meest overeenkomst met artikelen uit Kiliaans Etymologicum kunnen vinden. Lemnius vulde zijn eerste uitgave, die nog maar twee boeken (libri II) telde, in 1564 aan tot vier boeken (libri IV); een nieuwe uitgave werd in 1567 gedrukt door Plantijn voor rekening van G. Simon en in 1573, 1574 en 1581 bezorgde Plantijn uitgaven voor zijn eigen rekening. Andere uitgaven verschenen nog te Gent, Leiden, Keulen, Heidelberg en Frankfort; ook werd dit werk in het Duits, Frans, Italiaans en Engels vertaald. Het werd in 1583-1584 op de Spaanse lijst van verboden boeken geplaatst.

Bij de vergelijking met Kiliaan heb ik de uitgaven nagekeken bezorgd te Antwerpen door G. Simon in 1564 en door C. Plantijn in 1581; ik citeer deze laatste uitgave, die de titel draagt De Miraculis occultis naturae libri IV. We kunnen veronderstellen dat Kiliaan, die immers van 1558 tot 1607 als corrector bij Plantijn werkzaam was, ijverig aantekeningen maakte uit een boek dat hij op de drukkerij in handen kreeg.

De uitgave van 1581 telt 470 pagina's en bevat behalve de vier boeken De Miraculis als aanhangsel nog De Vita cum Animi et Corporis incolumitate recte instituenda liber unus, een boek dat voor de verwantschap met Kiliaan echter van geen belang is. In het voorwerk vinden we een opdracht van Plantijn aan Ortelius (1574) en van Lemnius aan Erik XIV van Zweden (1564), wiens lijfarts Lemnius' zoon Guilielmus was. Het hele werk is in het Latijn geschreven, waarbij Lemnius echter af en toe een woord in de volkstaal vermeldt, voorafgegaan door vulgo, populari voce, Belgis dicitur, Belgae of nostri, nostrates, indigenae vocant enz.; een aantal van deze woorden heeft Kiliaan in zijn woordenboek overgenomen.

[p. 134]

Elk van de vier boeken heeft Lemnius ingedeeld in hoofdstukken over allerlei ‘verborgen wonderen der natuur’; het eerste hoofdstuk van het eerste boek handelt bijv. over de natuur als instrument van God, De Naturae Diuinitatis instrumento. De hoofdstukken waarin ik overeenkomst met Kiliaans Etymologicum heb gevonden, zijn de volgende: II, 30, Lapides seu Gemmae terra marique erutae, vel animantium corporibus exemptae, qua vi ac facultate polleant (p. 210-213); III, 3, De Aurae atque aeris effectu (p. 280-297); III, 4, De Pyxide nautica, vulgo Compas (p. 297-303); III, 9, De salis conficiendi ratione singulari atque inaudita (p. 319-330); IV, 2, De Zelandiae insulis, ac gentis huius natura, conditione, moribus, origine (p. 336-360); IV, 19, Multa animantium, piscium, alitum, insectorum genera absque semine progenerari...(p. 430-433).

a. Woorden waarbij Kiliaan uitdrukkelijk de naam Lemnius vermeldt

Voor dertien artikelen waarbij Kiliaan in zijn Etymologicum de naam Lennius vermeldt, heb ik De Miraculis als bron gevonden:

De Miraculis (1581) Etymologicum (1599)
p. 339:...atque apud Caesarem in Commentariis, Ambachts heeren, Ambactos. Eo enim nomine designant Belgae illustres aliquot viros, penes quos est summa rerum, atque in coloniae alicuius seu municipij ambitu, ulloque territorio, dominatus. ambachts-heeren. Ambacti: illustres viri, penes quos est summa rerum, & dominatus in coloniis, municipiis & territoriis. Leuin. Lemnius.
p. 287:...fit ut infantes atque impuberes implacabili tussu infestentur, kindthoest Belgae vocant... kind-hoest, kich-hoest, kinckhoest. Tussis sicca & inanis. vulgò tussis puerilis. quòd infantes & impuberes ca maximè infestentur. ita Lemnius.

Voor een deel van dit artikel heeft Kiliaan zeker een andere bron gebruikt.

p. 326: Cley à verbo Cleuen deductum, quod inhaerere est. Kleye, kleem, leem. Argilla...dicitur à kleuen, inquit Lemnius, quòd inhaereat.

Ook hier is de verklaring van Lemnius slechts een toevoeging aan het artikel van Kiliaan.

[p. 135]

p. 321:...candidissimum sal eliciunl. Id genus Cleijnzout nominant, vel Clinczout, quod glebae inter se collisae propter duritiem, ut silices, sonitum clangoremque edant. klinck-zout, klijn-zout. Genus candidissinum salus2), cuius glebae inter se collisae, propter duritiem vt silices sonitum clangoremque edunt. Leuinus Lemnius.
p. 295-296:...exeruciato hospite, adactisque domesticis ad commonstrandum thesaurum, omnia conuastant, ac dirupiunt: kneuelaers nunc passim appellantur, à violentia quam inferunt, ac contorquendis hominum membris. kneucler. Grassator...effractor. dicitur kneueler: quòd hominum membra contorqueat, miserosque excrutiet adigatque ad demonstrandum thesaurum. Leuin. Lemn.

Hier heeft Kiliaan de tekst van Lemnius weer gebruikt als een etymologische verklaring bij zijn artikel.

p. 339: (De Zelandiae insulis)...ex Cornelio Tacito colligi potest...Mattiacorum illos nomine designat...à Maet...voce geutilitia ac vernacula nominantur, hoc est, coniuncti ac sociati... Maet, med-maet, mactken. Socius, collega, aequalis, compar. ang. matche. hinc Zelandi Matiaci Tacito dicti, a sociali concordia. Leuin, Lemnius.

Hoewel Kiliaan bij dit artikel de auteursnaam Lemnius vermeldt, vertoont het eigenaardig genoeg meer overeenkomst met de volgende tekst uit L. Guicciardini, Omnium Belgii, sive inferioris Germaniae regionum descriptio: Certe vernacula illa vox, qua hodieque Zelandi utuntur, dum collegas suos & compares à sociali concordia nuncupant Maet...non obscure videri queat à Mattiacis derivata, quorum metropolim, non Mattiacum...sed Mattium...Tacitus nominat (p. 347 in de uitgave uit Arnhem, 1616; de eerste Latijnse uitgave, die ik niet heb kunnen vinden, verscheen te Antwerpen in 1587). Nu is het wel opvallend dat de hier aangehaalde tekst uit een Additamentum in de Antwerpse uitgave komt en dat Guicciardini op de voorgaande bladzijde uitdrukkelijk de mening van Lemnius, dat de Zeeuwen Mattiaci genoemd werden, verwerpt. Omdat Kiliaan voor een ander artikel van zijn Etymologicum, nl. stapel, dit zelfde Latijnse werk (p. 181) van Guicciardini zeker heeft gebruikt, vermoed ik dat hij beide teksten kende, maar dat hij zich opzettelijk wilde beroepen op de mening van Lemnius.

[p. 136]

p. 340: Cum autem haec insula praeter fundi aliquot appendices serius illi annexas (Polders nostri vocant) octo miliarinm ambitum conficiat... polder. Agger...insula parua: & Fundi appendix insulae seriùs annexa. Leuin. Lemnn. Agri...
p. 355-356: Sunt autem multis Zelandiae locis herbidae planicies...alluuione adijciatur...quae verò parcius gramine virescunt, nee uberem adhuc pabuli copiam suppeditant, à pascendo vellendoque Scorren vocant. Schorre. Planities est herbida, alluuione adiecta, parciùs gramine virescens, minus vberem pabuli copiam suppeditans: à pascendo vellendoque dicta. Leuin. Lemnius.
p. 301: Pistoletten oft Sincrocren, quod manu capulo illorum, tamquam clauo, admota, excussisque, è silice scintillis, in obuios detorqueant... sengh-roer, vier-roer...Leuin. Lemnius sinck-roer dici putat, à roer, id est clauus nauis quod manus capulo tanquam clauo admota, excussisque è silice scintillis in obuios detorqueatur...
p. 213:...piscium genera...ut lncio fluuiatili... Snoeck. Lucius, piscis. Adr. Iun. lucius fluuiatilis, Leuin. Lemn.

Junius schrijft in zijn Nomenclator (1583): Lucius...B. Snouck (p. 53). Hoewel het eigenaardig is dat Kiliaan alleen dit Latijnse equivalent uit Lemnius heeft gehaald, wordt dit toch bevestigd door het feit dat hij uit dezelfde Latijnse zin van Lemnius een verklaring voor het woord schelvis heeft overgenomen, maar dan zonder vermelding van de auteursnaam; dit woord bespreek ik verder nog.

p. 432:...Galeus glaucus à colore, Belgis Sprinckhaye dictus, quod incredibili agilitate quatuor cubitorum altitudine è mari exiliat, ac celerrimo cursu extra periculum se subducat, ne praedae lauienae pateat. sprinck-haye. Galeus glaucus: piscis incredibilii agilitate quatuor cubitorum altitudine è mari exiliens, ne praedae ac lanienae pateat. Lemnius.
p. 285:...flaccido colore tepefacta languescant ac nauseant, Belgae wanlustich vocant... wan-lustigh. Languens, nauseans flaccido colore, vt interpretatur Leuin. Lemnius.
p. 345: (Scaldis)...siquidem sinistra...Flandriae oras ac littora persequitur, alioque nomine insignitus, de Honte à latratu ac fremitu vocatur... (plaatsnamen, p. 733)
Honte. Honta: Scaldis fluuius, per Flandriae litora Zelandiam petens, à latratu & fremitu dictus: Leuin. Lemn.

We merken op dat slechts voor enkele van deze dertien artikelen Lemnius de enige bron voor Kiliaans Nederlandse trefwoord was;

[p. 137]

blijkbaar was dit het geval voor ambachts-heeren, klinck-zout / klijnzout, schorre, sprinck-haye en wan-lustigh. Meestal zijn de verklaringen uit Lemnius toevoegingen aan artikelen die Kiliaan vermoedelijk reeds uit een andere bron had overgenomen. In de meeste gevallen, alleen nl. niet bij ambachts-heeren, polder en snoeck, wil Kiliaan een etymologische verklaring staven met het gezag van Lemnius. Het is opvallend dat hij bij deze etymologieën juist zo vaak de auteursnaam vermeldt. Typisch is bijv. dat hij bij schorre, met een etymologische verklaring, de naam Lemnius opneemt, maar niet bij garse, dat hij uit dezelfde zin van Lemnius overneemt, maar dan zonder etymologische verklaring.

b. Zeeuwse woorden

Verscheidene woorden, inzonderheid die waarbij Lemnius schreef apud nos, nostri, nostrates of indigenae vocant, nam Kiliaan over zonder de vermelding van een auteursnaam, maar met de afkorting zeland., één keer met vetus. Hiermee gaf hij blijkbaar aan dat hij dit woord zelf niet kende, maar dat hij het als gewestelijk (of verouderd) beschouwde.

De Miraculis (1581) Etymologicum (1599)
p. 325:...cum hae pecudes caeli statu humido hydropisi ac tumoribus strumosis obnoxiae sint, nostri den Bot vocant... botte. zeland. Hydrops ac tumor strumosus ouuium.
p. 322:...quod nostrates, quoniam exigua infusa aqua marina diutius torretur atque aduritur, Braedtzout vocant, sal splendidum, luciduni, speciosum, friabile... braed-sout. zeland. Sal torridus qui exigua infusa aqua marina, diutiùs torretur atque aduritur: sal splendidus, lucidus.

Ik merk op dat Kiliaan hier een fout van Lemnius herstelt door aan het Latijnse sal terecht een mannelijk genus toe te kennen. Het woord braadzout heeft in het WNT slechts bewijsplaatsen uit de woordenboeken van Kiliaan en Hexham.

p. 355-356: Sunt autem multis Zelandiae locis herbidae planicies ac viridantia floridaque, prata nullis cincta aggeribus...alluuione adijciatur...Horum quaedam à virenti gramine ac laeta pabulatione Garsen indigenae vocant... garse. seland. Pratum viridans nullo cinctum aggere: herbida planities alluuione adiecta.

[p. 138]

Zoals ik in de vorige paragraaf reeds gezegd heb, staat Garsen bij Lemnius in dezelfde zin als Scorren; dat Kiliaan bij garse de vermelding zeland. voegt, wordt vermoedelijk bepaald door Lemnius' woorden indigenae vocant en door het feit dat Kiliaan het woord zelf niet kende. Het MnlW schrijft (i.v. gras) dat gars(e) in Zeeland het meest voorkomt en het WNT (i.v. gors) dat gors en garse ‘langs de monden der groote rivieren, bepaaldelijk in Zuid-Holland’ de betekenis hebben van ‘buitendijks aangeslibd land dat bij gewone vloeden niet meer onderloopt’. In het Woordenboek der Zeeuwse dialecten (redactie Dr. Ha. C.M. Ghijsen, Den Haag, 1959-1964) vinden we alleen: gors, buitendijks land, nog in plaatsnamen.

p. 321:...Cleijnzout nominant, vel Clinczout... Klijn-zout. zeland. j. klinckzout.

De ontlening van klinck-zout, klijn-zout, met de auteursnaam Leuinus Lemnius, heb ik in de vorige paragraaf reeds vermeld. Klijnzout, dat Kiliaan als een Zeeuws woord beschouwde, heeft in het WNT verscheidene Zeeuwse, Utrechtse en Noord-Hollandse bewijsplaatsen uit de zestiende en de zeventiende eeuw; voor klinkzout, dat bij Kiliaan eigenaardig genoeg geen beperkende aanduiding krijgt, vinden we er slechts één Utrechtse bewijsplaats uit 1624 en de boven aangehaalde plaats uit Lemnius.

p. 355:...ea loca...multis incuruis voraginibus, ac verticosis fossis, per quas Oceani aestus voluitur, (nostrates Creken vocant)... Kreke. zeland. Vorano incurua: fossa verticosa. & Crepido. ang. creke.

Volgens het MnlW was creke in het middelnederlands vooral Zeeuws en Zuid-Hollands; ook het WNT geeft voor deze betekenis bewijsplaatsen uit Cats (Zeeland) en Berkhey (Zuid-Holland). Voor Crepido en ang. creke had Kiliaan blijkbaar nog een andere bron.

p. 314:...Astaci...Gammari, populari voce Creeften, Creuitsen... Kreuisse, kreuitse. flan. zeland. j. kreeft. Astacus, cammarus. ger. krabs, krebs: sax. kreuet. gal. escriuissc: ang. creuis, creuyshe.

Vermoedelijk steunt Kiliaans aanduiding zeland. op Lemnius, maar de vorm kreuisse, de aanduiding flan. en de equivalenten in andere talen

[p. 139]

zullen uit andere bronnen komen. Flan. wijst waarschijnlijk op het Naembouck (1562) van Lambrecht, waarin we lezen: Creuitse: Escreuisse; wellicht had Kiliaan alleen dit nog maar geëxerpeerd in 1588, toen hij schreef: Kreuitse. fland. j. kreeft. Cancer. Volgens het WNT komen de vormen krevisse, krevitse soms in het middelnederlands en het oudere nieuwnederlands voor; het MnlW geeft voor crevitse, krevetse vooral Vlaamse bewijsplaatsen.

p. 355:...ea loca quae nostri Stellen, vel potius Stallen, hoc est, caulas ac pecorum stabula vocant, nostro etiam tempore multis incuruis voraginibus, ac verticosis fossis...Creken... stelle, stalle. vetus. j. kreke. Fossa verticosa.

Hoe goed Kiliaan zijn bronnen over het algemeen ook excerpeerde, hier heeft hij een fout gemaakt! Hij stelt stelle, stalle gelijk met het boven reeds vermelde creke, dat bij Lemnius in dezelfde zin staat, terwijl Lemnius stellen, stallen duidelijk omschrijft als caulas ac pecorum stabula. Zo heeft Kiliaan als vetus (waarom is niet duidelijk) een ‘spookbetekenis’ van stelle opgenomen, die nog in het WNT vermeld wordt als verouderd, nl. ‘kreek in de zin van inham van de zee, riviermonding, als toevluchtsoord voor schepen’. Voor de betekenis die stellen, stallen in feite bij Lemnius heeft, ‘opgeworpen hoogte op de schorren in Zeeland als toevlucht voor de schapen tegen hoge vloeden’, geeft het WNT verscheidene bewijsplaatsen. Ook in het Woordenboek der Zeeuwse dialecten vinden we stelle met de betekenis van ‘schaapskooi, in 't bijzonder op hoger gedeelte van een schor’.

p. 339: Veynout sese vocant etiam qui apud nos consulatu funguntur, quod Latinis collegam sonat... Veyn-out, veyn-noot, vennoot3), ven-noot, veyn-gnoot. hol. zeland. fland. Socius. & Collega, socius in magistratu, aut publico munere.

Het WNT schrijft dat in het middelnederlands de vorm veinoot het meest voorkomt, maar ‘alle voorbeelden zijn in het westen te localiseren’.

[p. 140]

Samenvattend merken we op dat voor vijf van deze acht Zeeuwse woorden Lemnius blijkbaar de enige bron voor Kiliaans trefwoord was; alleen kreke, kreuisse / kreuitse en veynoot heeft hij vermoedelijk nog in andere bronnen gevonden. Opvallend is dat Lemnius bij zeven van de acht woorden (alleen niet bij Cleijnzout) schrijft dat het zo genoemd wordt door ‘nostri’, ‘nostrates’, ‘indigenae’ ‘populari voce’ of ‘apud nos’; ongetwijfeld was dit een aanwijzing voor Kiliaan om het als typisch Zeeuws te beschouwen.

c. Woorden zonder een speciale vermelding bij Kiliaan

Enige woorden tenslotte heeft Kiliaan uit Lemnius overgenomen zonder er in zijn woordenboek de auteursnaam of de vermelding zeland. bij te voegen; vaak gaat het hier over een aanvulling of een verklaring bij een artikel. De hier volgende Nederlandse trefwoorden beschouwde de Duffelse lexicograaf blijkbaar als algemeen gebruikelijk in de lingua Teutonica.

De Miraculis (1581) Etymologicum (1599)
p. 298:...nostratibus Zeylsteen vocatur, quòd eo cursum nautae instituant, ac securè velificentur. seyl-steen. Magnes, siderites: lapis quo nautae cursum instituunt ac securè velificant.

Hoewel Lemnius bij Zeylsteen schrijft: ‘nostratibus vocatur’, noemt Kiliaan het toch geen Zeeuws woord; dit woord was inderdaad in het middelnederlands vrij algemeen en komt bijv. ook voor in het Dictionarium Tetraglotton (1562) van Plantijn, waaraan Kiliaan zeer waarschijnlijk meegewerkt heeft. Ik merk nog op dat Kiliaan ten onrechte van velificari, dat een deponens is, een actief werkwoord maakt.

p. 432:...Galeus Centrina, vulgo Speerhayc, quasi dicas, lanceatos aut aculeatos galeos... sper-hayc. Galeus lanceatus aut aculeatus. vulgò centrina, piscis genus.

Hoewel het hier eigenlijk over een etymologische verklaring gaat, verwijst Kiliaan toch niet naar de auteur Lemnius. Waarschijnlijk heeft hij voor zijn artikel niettemin enkel deze bron gebruikt. Voor speerhaai, benaming voor de doornhaai, geeft het WNT slechts twee bewijsplaatsen, uit de gespecialiseerde dierkundige werken van Houttuyn en Schlegel.

[p. 141]

p. 347: Asellus piscis, Cabbeliau. Kabeliau, kableau. j. bollick. Asellus piscis.

Hoewel de overeenkomst hier wellicht nog door andere bronnen verklaard zou kunnen worden, is ontlening aan Lemnius toch waarschijnlijker, daar Kiliaan op dezelfde bladzijde een verklaring voor het woord schelvis (cf. hierbeneden) heeft overgenomen. Voor de verwijzing naar bollick is secundaire invloed van de Thesaurus (1573) van Plantijn goed mogelijk, die schrijft: Kabbelliau, oft bolck. Moulue fresche. Ichthyocolla, molua recens, merula, asellus.

p. 213:...piscium genera...ut...Callarijs, quos Belgae Schelvisch nomine indigetant, à scaba cute ac squamata. schel-visch. Asellus minor, asellus Callarias4): pisris scabra & squamata cute: squamis densè contectus obductusque, ac velut lorica munitus.
p. 346-347:...Schelvis denominari...à squamis potius, vulgò Schellen...appellatum censeam, quibus densius contectus obductusque est, ac velut lorica munitus...  

Hoewel Lemnius deze etymologie als een persoonlijke mening naar voren brengt (censeam), neemt Kiliaan ze toch zonder bronvermelding over.

p. 430-431: Ita sunt apud Belgas corniculae quas monedulas vocant petraeas, quòd in praeruptis saxis atque excauatis petris, non in arboribus nidulentur, vulgo Steen cauwe. steen-kauwe. Monedula petrea: cornicula in praeruptis saxis & excautis petris nidulans.

Hoewel Kiliaan dit woord zonder enige beperkende aanduiding opneemt, blijft het een vraag in hoeverre het algemeen was; het WNT vermeldt immers Kiliaan als enige bewijsplaats ervoor.

p. 342: Primus enim portus, ac nauium cymbarumque statio, à qua conscensa naui aut scapha traijcimus, Veer Belgis dicitur, aliis Vaert: Latinè traiectus & transuectio. Vaer, vaerd, veer. Traiectus: locus vbi traiicitur fluuius: Portus, & nauuium cymbarumque statio, à qua, conscensa naui aut scapha, traiicimus: portorium. ger. phor, phord, phurt.

[p. 142]

Ik merk op dat Kiliaans artikel in 1588 slechts ging tot en met traiicimus; het woord portorium en de Duitse equivalenten komen dus wel uit een andere bron. In 1574 luidde Kiliaans artikel nog enkel: Vaert, Vaer daermen ouergheset wort met den schepe; zoals ik in mijn studie over De bronnen van drie woordenboeken uit de drukkerij van Plantin (1970, p. 319) geschreven heb, is hier invloed van Maaler mogelijk. Kiliaans artikel van 1588 en 1599 staat echter duidelijk onder invloed van Lemnius, zodat het WNT (i.v. Vaart, I, 12) ten onrechte de identificatie van vaart en veer bij Kiliaan toeschrijft aan invloed van de Nomenclator van Junius (Traiectus...B. T'veer, den vaert, d'ouertocht).

p. 323:...verticuli, vulgò woruel, ima parte fusis commodius torquendis rotandisque adhibetur. Woruel, weruel, wordel, werdel. Verticillus, verticulum, verticillum, spondylus: annulus qui ima parte fusis commodius torquendis rotandisque adhibetur.

Het slot van zijn artikel heeft Kiliaan blijkbaar uit Lemnius gehaald.

p. 301: Pistoletten oft Sincroeren (zie boven bij sengh-roer, sub a). (lijst van bastaardwoorden, p. 714)
  Pistolet. j. sengh-roer.

Voor vijf van deze acht woorden zonder een speciale vermelding heeft Kiliaan behalve Lemnius nog een andere bron gebruikt; van de drie andere woorden zijn er twee zeer zeldzaam, sperhaye en steenkauwe (Kiliaan beschouwde ze blijkbaar toch niet als Zeeuws, misschien omdat Lemnius erbij schreef: vulgo en apud Belgas), en is het derde een bastaardwoord, pistolet.

3. Similitudinum ac Parabolarum explicatio

De volledige titel van het tweede werk van Lemnius dat Kiliaan als bron van zijn woordenboek heeft gebruikt, luidt: Similitudinum ac Parabolarum quae in Bibliis ex herbis atque arboribus desumuntur dilucida explicatio. Zoals boven reeds gezegd werd, verschenen er te Antwerpen uitgaven van in 1566 (onder de titel Herbarum atque arborum...), 1568 en 1569; later zagen nog uitgaven het licht te Erfurt,

[p. 143]

Lyon en Frankfort en werd het werk vertaald in het Frans en het Engels. Bij de vergelijking met Kiliaan heb ik de uitgaven nagekeken bezorgd door G. Simon te Antwerpen in 1568 en die verschenen te Erfurt in 1581 en te Frankfort in 1596. De Erfurtse uitgave komt goed overeen met de Antwerpse, maar de Frankfortse komt er minder mee overeen voor de Nederlandse woorden. Ik citeer altijd de Antwerpse uitgave.

De uitgave van 1568 telt 134 folia tekst, verdeeld in 49 hoofdstukken; ze bevat een opdracht van Lemnius uit 1566 aan de abt van de Sint-Bernardsabdij te Hemiksem, die kort daarna protestant werd. Evenals De Miraculis is het in het Latijn geschreven, met af en toe ook woorden in de volkstaal. Zoals de titel het zegt, wil Lemnius in dit werk gelijkenissen en parabels uit de Schrift, die betrekking hebben op planten en bomen, verklaren. De hoofdstukken dragen als titel telkens de naam van een plant, bijv. 8. De Salice (ff. 22r-24r); 10. De herba Borith (ff. 25v-27v); 16. De Carice, scirpo, iunco palustri, papyro (ff. 41v-45r); 24. De Resina, Belgicè Hers (ff. 59v-62v); 26. De Hysopo (ff. 66v-67v); 36. De malo Punico, vulgo Granaet appelen (ff. 83v-85r).

a. Woord waarbij Kiliaan uitdrukkelijk de naam Lemnius vermeldt

Voor slechts één artikel waarbij Kiliaan in zijn Etymologicum de auteursnaam Lemnius vermeldt, heb ik de Similitudinum explicatio als bron gevonden:

Similitudinum (1568) Etymologicum (1599)
f. 14v-15r:...Chondrilla, Sonchos siue Cicerbita, & quae vulgari voce Dens leonis, & rostrum porcinum vocatur, hieracium, quae omnia lacteo succo madescunt...aliae Melck wiet, partim quòd lacte turgescant, partim quòd inuitis hortorum cultoribus erumpant atque eruncandae eruendaeque sint, ne salutares herbas strangulent. melck-weyc. Sonchus, lactucina, lactucella: herba cuius caulis fractus copioso lacte manat. Lemnius Sonchum, dentem leonis, hieracium, condrillam & id genus alias herbas melck-wied dici ait, à melck. i. lac, & wieden. i.runcare: quòd laateo rore madescant, & quòd eruncandae eruendaeq. sint, ne salutares herbas & frulices strangulent.

[p. 144]

Kiliaan vermeldt hier zijn bron, zoals meestal wanneer hij etymologische verklaringen overneemt. Het eerste deel van zijn artikel komt blijkbaar uit een andere bron, maar niet uit Dodoens, die in zijn Cruyde Boeck (1554) schrijft: Sonchi...Sonchus asperior oft syluestrior, In Hoochduytsch Genszdistel, Moszdistel, Hier te lande, Gansen distel ende melckweye (p. 602). Het WNT (i.v. melkwied) noemt de vorm melcweye bij Kiliaan en Dodoens niet gemakkelijk te verklaren; de vorm melkwei komt volgens E. Paque (De Vlaamsche volksnamen der planten, 1896, p. 250) echter voor te Hove, Schelle en Wilrijk, plaatsen in de onmiddellijke omgeving van Duffel, waar Kiliaan, en van Mechelen, waar Dodoens geboren werd.

b. Zeeuwse woorden

Bij twee woorden die hij klaarblijkelijk uit de Similitudinum explicatio heeft overgenomen, heeft Kiliaan de afkorting zeland. gevoegd; deze beschouwde hij dus als typisch Zeeuws.

Similitudinum (1568) Etymologicum (1599)
f. 42v: Sunt passim obuij in sabuletis Zelandicis ac colliculis arenosis Iunci non admodum proceri, cacumine aculeato...quocirca nostrates Helm vocant, quòd vt galea caput, ita iste fruticulus agros muniat, ac tueatur ab arenae impulsu. helm. holl. zeland. Carex, iuncus acutus, mas sterilis: iuncus non admodum procerus in arenosis colliculis Hollandicis & Zelandicis: sic dictus, quòd vt galea caput, ita hic frutex agros muniat ac tueatur ab arenae incursu.

Voor enige Latijnse synoniemen en voor de toevoegingen holl. en Hollandicis heeft Kiliaan blijkbaar nog een andere bron gebruikt. Dit zal niet Dodoens zijn, in wiens Cruyde Boeck we vinden: Helmcruyt. Galeopsis...Vrtica Labeo (1554, p. 51), en Helm...of Halm (Spartum) wast in de...Duynen (1608, p. 1289). Dat Kiliaan helm ook Hollands noemt, kan onder invloed staan van Guicciardini's boven reeds vermelde Omnium Belgii regionum descriptio, waarin we lezen:...fruticem illum, qui Batavis dicitur Helm...hic...arenosos Hollandiae & Zelandiae colles, adversus ventorum injuriam, vel praecipue solet tueri...(1616, p. 321); invloed van de Batavia (1588) van H. Junius is ook mogelijk:...caricem iunci genus acutum durissimum-

[p. 145]

que, non absimile sparto...Helm (p. 15). Het MnlW en het WNT geven voor helm vooral Hollandse bewijsplaatsen.

f. 41v: Carex quae nostris Seck vocatur... Seck. zeland. Carex. ang. segges.

Het oudste voorbeeld voor sek (= zegge) in het WNT komt uit Cats; latere voorbeelden komen ook uit Holland. Het voegt eraan toe: ‘thans minder algemeen dan zegge’. Ook het Woordenboek der Zeeuwse dialecten heeft sek, zegge, opgenomen.

c. Woorden zonder een speciale vermelding bij Kiliaan

Similitudinum (1568) Etymologicum (1599)
f. 83v: De Malo Punica, vulgo Granat Appelen. Malus Punica, à Punica Carthaginiensi regione, & à corticis colore nomen obtinet Granata, quòd mala rubentibus granis scateant. In illa Hispaniae parte, quae Betica dicitur, nunc Granata...frequentissima. graenaet-appel. Malum punicum, vulgò malum granatum: quòd rubentibus granis scateat: vel quòd in granata Hispaniae parte frequentissimè proueniat. ger. granaet oepffel: gall. pomme de grenade: ital. granade: hisp. granado: ang. granate.

Kiliaan heeft voor zijn artikel zeker nog een andere bron gebruikt; vermoedelijk is dit echter niet Dodoens, die in zijn Stirpium Historiae Pemptades sex (Antwerpen, Plantijn, 1583) schrijft: Proueniunt Mala Punica...praecipuè in regno nunc appellato Granatae: quod à frequentia malorum Punicorum (quae vulgo Granata) nomen accepisse creditur...Latinis Malum Punicum: Officinis Malum aut Pomum Granatum: Germanis Granatopffel: Belgis Granaetappel: Italis...Pomo Granato: Hispanis Granadas...Gallis Pommes Granades: Anglis Pomgranat...(p. 782).

f. 14v-15r:...Chondrilla, Sonchos siue Cicerbita, & quae vulgari voce Dens leonis, & rostrum porcinum vocatur...Peerde bloemen ob id Belgis vocantur, quoniam ferè in pratis obuiae equino generi pabulationem suppeditant... peerd-bloeme.j. kancker-bloeme. Melampyrum: triticum vaccinum: condrilla, sonchus, & id genus aliae herbae in pratis ferè obuiae, equino generi pabulationem suppeditantes.

Ik merk op dat Peerde bloemen bij Lemnius in dezelfde zin staat als het boven reeds besproken Melck wiet; hoewel Kiliaan in beide ge-

[p. 146]

vallen een etymologische verklaring van Lemnius overneemt, vermeldt hij bij Melck wiet de auteursnaam en bij Peerde bloemen niet. Een consequent systeem schijnt hij hier dus niet in te volgen.

f. 75r:...conspicimus hodie validos, vagosque nebulones, quos nostri à liguriendis ollis (nam encenia festaque Genialia passim consectantur) Potboeuen vocant... pot-boeue. Nebulo vagus & validus, encaenia & festa genialia passim consectans: à liguriendis ollis siue poculis dictus.

Hoewel Lemnius schrijft nostri vocant en hoewel Kiliaan voor potboeue blijkbaar geen andere bron heeft gebruikt, noemt hij het toch geen Zeeuws woord. Wellicht kende Kiliaan het zelf; volgens het WNT was potboef vroeger inderdaad vrij algemeen.

f. 25v: De herba Borith quae medicis veteribus Struthion vocatur...cui affinis recentioribus vocata Saponaria, & herba fullonia, Belgis zeep cruijdt, quod ut smigma eluendis maculis adhiberi soleat. seep-kruyd. Saponaria, herba fullonia: struthij genus. herba quae, ut smegma, eluendis maculis adhiberi solet.
f. 60r: Est autem Resina duplicis differentiae...illam Hars nostri vocant...alteram nempe concretam a speculi nitore, quoniam pellucida est & splendescit, Spiegelhars. spieghel-hars. Resina concreta, pellucida: instar speculi splendescens, transluens.
f. 22r: Salix nota arbos à saliendo nomen sortita, quòd celeriter assiliat ac confestim arborescat, Belgis à simili etymologia willige dicta, quoniam promta est ac voluntaria in crescendo. willighe, wilghe. Salix, dicitur willighe, quòd prompta & voluntaria sit in crescendo: sicut Latinè salix à saliendi & crescendi celeritate. ang. vvillovv tree. Gothis vvilga volutas dicitur. Bon. Vulcan.

Voor enige andere woorden, met een minder opvallende overeenkomst, zijn er behalve Lemnius nog andere bronnen mogelijk, bijv. voor Dille. Anethum, dat in de Similitudinum (f. 92r) staat, maar ook bij Dodoens (Cruyde Boeck, p. 298; Stirpium Historiae, p. 296), en voor steen-ruyte. Ruta muraria, in de Similitudinum (f. 67r) en bij Dodoens (Cruyde Boeck, p. 445; Stirpium Historiae, p. 467).

Opvallend is dat Kiliaan bij slechts één van de negen artikelen die hij uit de Similitudinum heeft overgenomen, de naam Lemnius vermeldt. Bij de zes woorden zonder een speciale vermelding staat nochtans telkens een etymologische verklaring en bij zulke verklaringen uit De Miraculis schreef Kiliaan meestal, zij het ook niet altijd, de auteurs-

[p. 147]

naam. Vermoedelijk heeft het al of niet vermelden van de auteursnaam dus wel vaak van min of meer toevallige omstandigheden afgehangen.

4. Samenvatting en besluit

In totaal hebben we bij Kiliaan 38 ontleningen aan Lemnius gevonden, nl. 29 aan De Miraculis occultis naturae en 9 aan de Similitudinum explicatio; hiervan vermeldt Kiliaan er 14 (13 + 1) met de auteursnaam, 9 (7 + 2) met de aanduiding zeland., 1 met vetus en 14 (8 + 6) zonder een bijzondere aanduiding.

De auteursnaam schijnt Kiliaan vaak, nl. in 11 van de 14 gevallen, te vermelden om een etymologische verklaring te staven; toch neemt hij ook in 10 van de 14 gevallen zonder een bijzondere aanduiding (vooral uit de Similitudinum) een etymologie over. Opvallend is wel dat ik in heel het Etymologicum slechts één enkel artikel heb gevonden waar de auteursnaam samen met de aanduiding zeland. voorkomt, en dat is dan juist het enige artikel met de naam Lemnius dat ik diens werken niet heb kunnen terugvinden: Qualer. zeland. Negotiator callidus & catus: polytropus, quales sunt minuti quidam & ignobiles. Leuin. Lemn. Bij het onderzoek van zijn werk kan me natuurlijk nog wel iets ontgaan zijn.

Het is wel geen toeval dat 8 van de 9 woorden uit Lemnius die Kiliaan Zeeuws (zeland.) noemt, in deze bron vermeld werden als apud nos, nostri, nostrates of indigenae vocant; voor Kiliaan was dit een teken dat het over typisch Zeeuwse woorden ging. Toch schiftte hij ook hier nog naar zijn eigen oordeel; bij drie andere woorden heb ik immers eveneens nostri vocant of nostratibus vocatur gevonden, nl. bij Polders, Zeylsteen en Potboeuen. Deze drie woorden waren vroeger echter vrij algemeen en we kunnen veronderstellen dat Kiliaan ze kende; voor polder en seyl-steen heeft hij waarschijnlijk trouwens nog een andere bron gebruikt.

De betrouwbaarheid van Kiliaan op dialectgeografisch gebied hangt natuurlijk af van zijn bronnen. Van deze 9 Zeeuwse woorden schijnen botte en braed-sout inderdaad een zeer beperkte verspreiding gehad te hebben, voor kreuisse/kreuitse (flan. zeland.), veyn-out/veyn-noot/ven-noot enz. (hol. zeland. fland.) en helm (holl. zeland.) kunnen we zijn

[p. 148]

lokaliseringen, althans voor zijn tijd, aannemen, maar de andere vier woorden waren ruimer verspreid dan alleen in Zeeland: garse, kreke en seck kwamen ook in Zuid-Holland voor, klijn-zout in Utrecht en Zuid-Holland. Deze te enge begrenzing mogen we onze Brabantse lexicograaf echter niet kwalijk nemen; we willen veeleer de ijver bewonderen waarmee hij, zelfs in Latijnse werken, woorden uit andere gewesttalen, die hij zelf niet kende, opspoorde.

Voor zijn Zeeuwse woorden moet Kiliaan nog andere bronnen gehad hebben dan Lemnius. Meer dan twintig zeland.-woorden (waarbij ik geen aanspraak maak op volledigheid) heb ik immers in diens werken niet kunnen vinden: aen-boord/aem-boord (zeland.), aen-boord trecken/onaen-boorden (zeland.), eecken-aen (zeland.), fiecken (zeland.), incke (vetus. zeland.), keers-man (zeland.hol.), kiers-lieden (hol. zeland.), lolle-bancke (zeland.), luyffe (zeland.), lul-pijpe/lulle-pijpe (holl. sicamb. zeland.), mack/mackelick (sicamb. holl. zeland.), macken-loos (zeland.), qualer (zeland. Leuin. Lemn., boven reeds vermeld), stuyte (fland. brug. zeland.), troch (holl. zeland. sicamb. fland.), verkommelen (zeland.), vloten/ vlooten/ vlieten het melck (fland. fris. zeland.), vreyt (zeland.), vroone/vroon-land (zeland.), vroon-heer (zeland.), wan (fland. hol. zeland.), wan-maete (zeland.), weel/weele (hol. zeland.) en weeren-vleesch (fland. hol. zeland. sicamb.).

Tenslotte vermelden we nog het eigenaardige feit dat Kiliaan van de 38 ontleningen aan Lemnius er 23 reeds in 1588 had opgenomen, maar de volgende 15 nog niet: kneuelaer, maet, snouck (althans de verwijzing naar Lemnius), Honte, botte, braed-zout, klijn-zout (klinck-zout, bij Lemnius in dezelfde zin, had hij in 1588 al wel), kreuisse (in 1588 enkel met fland.), stelle/stalle (kreke, bij Lemnius in dezelfde zin, had hij al wel), schel-visch, pistolet (sengh-roer, bij Lemnius in dezelfde zin, had hij al wel), melck-weye, helm en peerde bloem. Beide werken van Lemnius heeft Kiliaan dus reeds vóór 1588 geëxcerpeerd en nog eens opnieuw voor zijn Etymologicum van 1599. Dat Kiliaan verscheidene werken twee keer (of zelfs meer) excerpeerde, heb ik reeds opgemerkt bij mijn bespreking van de kanttekeningen bij zijn Etymologicum (Ts. LXXXVII, 1971, p. 26).

Het is duidelijk dat Kiliaan zijn tekst voortdurend bewerkte en aan-

[p. 149]

vulde. Hij was erop uit de lingua Teutonica zo volledig mogelijk op te nemen, in de eerste plaats de woorden die door de Brabanders gebruikt worden (voces itaque Brabantis in primis vsitatas), zoals hij in zijn voorrede zegt, maar daarnaast ook de woorden uit andere gewesten. Zijn ijver hiertoe kunnen we prijzen met de volgende woorden uit het lofdicht van Balthasar Moretus, opgenomen in het voorwerk van zijn Etymologicum: Vocibus insomnes noctesque diesque legendis transegit, arte seu labore maximus; slapeloze nachten en hele dagen bracht hij door met het verzamelen van woorden, bewonderenswaardig is hij om zijn wetenschap en werkkracht.

Alfabetische lijst van in dit artikel besproken woorden

ambachtsheeren 2a
bot, botte 2b
braedtzout, braedsout 2b
cabbeliau 2c
cley 2a
cleynzout, clinczout 2a, 2b
creeft 2b
creke 2b
creuitse 2b
garse 2b
graenaetappel, granatappel 3c
hars 3c
helm 3b
Honte 2a
kabeliau, kableau 2c
kinckhoest, kindthoest, kindhoest, kichhoest 2a
kleye, kleem 2a
klinckzout, klijnzout 2a, 2b
kneuelaer, kneueler 2a
kreeft 2b
kreke 2b
kreuitse, kreuisse 2b
leem 2a
maet, maetken, medmaet 2a
melckwiet, melckweye 3a
peerdebloem, peerdbloeme 3c
pistolet 2a, 2c
polder 2a
potboeue 3c
scheluis 2c
schorre 2a
seek 3b
seepkruyd 3c
senghroer 2a, 2c
seylsteen 2c
sincroer 2a, 2c
snoeck, snouck 2a
speerhaye, sperhaye 2c
spiegelhars 3c
sprinckhaye 2a
stalle 2b
steencauwe, steenkauwe 2c
stelle 2b
vaer, vaert, vaerd, veer 2c
vennoot, veynout, veynnoot veyngnoot 2b
vierroer 2a
wanlustich, wanlustigh 2a
weruel, werdel 2c
willige, willighe, wilghe 3c
woruel, wordel 2c
zeeperuydt 3c
zeylsteen 2c

 

Leuven

F. Claes, S.J.