|
|
|
| |
| | | |
Bredero en ‘de neghen’.
Een onverklaarde passage in Moortje
(vv. 1718-19)
In Moortje, het welbekende kluchtspel waarin G.A. Bredero ‘Terentii Eunuchum heeft nae-ghevolght’, komt een uitdrukking voor die tot nu toe geen afdoende verklaring heeft gevonden. Daar de inhoud van het stuk in grote trekken voldoende bekend is, kan het hier volstaan de passage in kwestie in zijn engere kontekst te situeren.
In het ‘eerste uytkomen’ van het vierde deel houdt Klaartje Klonters, het dienstmeisje van de Amsterdamse snol Moy-aal, een emotioneel sterk geladen monoloog. Opgewonden geeft ze uiting aan haar vrees dat de pocherige zeekapitein en hopman Roemert herrie zal schoppen op het komende banket, omdat Frederik, de welgestelde broer van het mooie meisje, dat Roemert aan Moy-aal bezorgd heeft, nu plots is komen opdagen.
Het meisje vreest het ergste:
...Hopman Roemer is ghesteurt, maer al te dapper!
Die seyt vast binnens monts gants lijden 1); ik kapper
En hacker lichtelijck op. O bloedt! hy wiert soo gram
Met dat daer Frederijck des Magets Broeder quam
By men Vrouw / Hy gaf haer een gesicht / die de neghen
Een doot-slach souden doen /...... 2)
De bezorgers van moderne tekstuitgaven van Moortje hebben met deze ‘neghen’ geen blijf geweten. G. Kalff beperkt er sich toe deze ‘neghen’ te verklaren als ‘er negen’3). Aan de vraag waarom er precies negen moeten zijn en waarom juist aan hen een ‘doot-slach...doen’ een bewijs zou zijn van bijzondere krijgslust en verbolgenheid, wordt stilzwijgend voorbijgegaan. Trouwens, ‘er negen’ is nu niet precies
| | | | hetzelfde als ‘dé negen’. Men heeft toch duidelijk de indruk dat Bredero over een bepaalde groep van negen, ‘die negen, weet je wel’ sprak, niet over een zomaar lukraak of uit de rijmnood gekozen aantal personen.
In zijn verzorgde uitgave van het stuk heeft F.A. Stoett zich wel degelijk deze moeilijkheid gerealiseerd. Na ‘de negen’ als ‘negen mannen’ verklaard te hebben, haalt hij enkele voorbeelden aan van een telwoord voorafgegaan door het bepaalde lidwoord. Over de woorden ‘een gesicht die de neghen / Een doot-slach souden doen’ beperkt hij zich tot de uitleg: ‘een zeer boos gezicht’ en besluit met de woorden: ‘de uitdrukking is mij niet duidelijk’4). Hierin volgde hij het WNT, waar men s.v. negen leest: ‘In de volgende plaats (d.i. het citaat uit Bredero) wordt gewag gemaakt van het doden van negen personen te gelijk; op welk geval dit ook een toespeling moge zijn, het schijnt dat de naam negendoder er mede in verband staat’5).
De negen, waarnaar het dienstmeisje in de passage uit Moortje verwijst, waren in Bredero's tijd blijkbaar zo goed bekend dat enige verdere precisering overbodig werd geacht. De woorden ‘de negen’ riepen zonder twijfel bij de toehoorders onmiddellijk een beeld op van negen verwoede vechters, beroemde heldhaftige en kloeke strijders. Als Klaartje als haar mening te kennen geeft dat de aanblik van Roemert zo schrikaanjagend is dat hij eruit ziet alsof hij zelfs ‘de negen’ zou kunnen doden, is deze verwijzing duidelijk bedoeld als het toppunt van vechtlust en manhaftigheid.
Deze negen beroemde helden zijn de negen ‘ridders’ die zich sinds het begin van de veertiende eeuw in Westeuropa in een grote bekendheid mochten verheugen. In Hennen van Merchtenens vijftiende-eeuwse Cornike van Brabant wordt ernaar verwezen6), en niet minder
| | | | dan vier versies van een Mnl. gedicht getiteld ‘Van den IX Besten’, zijn uit de late middeleeuwen tot ons gekomen:
| 1. | Een uitvoerige versie, onvolledig op het einde (vv. 709) komt voor in de Koninklijke Bibliotheek te Brussel, Hs. 837-845, fols. 170 v.-183 v.7). |
| 2. | Een fragment van 44 vv. (alleen de inleiding) werd uit een Hs. in zijn bezit door M. De Vries gedrukt. Het komt overeen met de Brusselse versie8). |
| 3. | Een korte versie in een Hs. van het toenmalige Kon. Ned. Instituut te Amsterdam (72 vv.)9), thans de Kon. Ned. Acad. der Wetenschappen. |
| 4. | Een gewijzigde bewerking komt ook voor in het Comburgse Hs. te Stuttgart (fols. 268c-271a), die, zonder inleiding, onmiddellijk aanvangt met de eerste van de negen ‘ridders’ (vv. 584)10). |
Onder de andere verwijzingen naar de ‘negen besten’, die in de Middelnederlandse letteren worden aangetroffen11), vermelden we ‘een exempel van heren’ door Willem van Hildegaersberch12). Verder is er de volgende passage bij Boëthius, De Consolatione philosophiae: ‘ghelijc men van de neghen besten ende andren leest, die overmits haren manlijken daden ende ghewerken met eewigher vermaertheit leven sullen’13).
De negen dapperen zijn volgens deze traditie gegroepeerd in drie groepen van drie:
| | | |
Ende om dat die bible es so claer,
Hebbicker drie in prise geset,
Die waren in die Joetsche wet;
Ende drie int Heidensce leven,
Die de auctore hebben verheven;
Ende drie die na die coemste ons heren,
Kerstine ridders waren met eeren,
Die tgeloeve metten swerde
Hilden met edelre hoverde 14).
Drie helden zijn Joden, drie zijn heidenen en de laatste groep bestaat uit drie ‘kerstine ridders’.
De Joodse dapperen zijn Josue die ‘die van Amelec verwan / Ende oec den coninc van Basan’15), David ‘stout ende vrome in elken strijt’, die vijfduizend man sterk was: ‘was gherekent in zine weere / Goet voer Vm man’, en Judas Makabeus, ‘noint ne hadde dese rudder vaer’!
De heidenen zijn vertegenwoordigd met Hector, ‘so coenen ende so stout ten zwaerde’, Alexander de Grote die was ‘so vromen metter hant’ dat hij zijns gelijke ‘noint en vant’, en natuurlijk ook Julius Caesar, de ‘stoutste metten zwaerde, / die men vant in zinen tijt’.
De ‘kerstine ridders’, ten slotte, zijn ‘Artur van Bertaengen’, Koning Arthur, die de reus Richoen in een tweegevecht ‘slouch...doot’, Karel de Grote, ‘vrome bouen al zine ghenoete’, en ‘Godeueert van Bulgoen’, Godfried van Bouillon, ‘die therte drouch van een lyoen’ en ‘slouch...teenen slaghe / eenen ruese ontwee, sonder zaghe’.
Deze indrukwekkende prestaties van de negen helden brengen er de dichter van het Comburgse handschrift toe zijn lezers tot besluit uit te dagen:
Die betere rudders wille prisen
Dan si waren in haren tijt,
Die wilse nomen sonder respijt!
| | | |
Roemert moet er inderdaad wel zeer schrikwekkend uitgezien hebben om Klaartje de indruk te geven dat hij het zelfs tegen deze beroemde vechtjassen met succes zou kunnen opnemen.
De idee van de negen homines fortes, opgevat als even zoveel soorten van kloekmoedigheid, komt in verscheidene vormen ook in de Franse literatuur van de latere middeleeuwen voor. In een kavalkade die te Atrecht in 1336 plaats had en waarvan de beschrijving door een ooggetuige, een burger van Valenciennes, tot ons is gekomen, blijken de negen reeds van de partij te zijn: ‘Sy y eult dedens .iij. crestyens, .iij. Sarazins et .iij. juifz’16). De personen die ze uitbeelden dragen ook reeds hun wapenschilden, die men trouwens ook in latere heraldische traktaten beschreven vindt17).
Sinds de vermelding van de ‘neuf preux’ in de Prise d'Alexandrie (1370) van Guillaume de Machaut, wijzen verscheidene getuigenissen erop dat deze negen mannen, weldra gevolgd door een analoge reeks van negen vrouwelijke helden, een van de onderwerpen zijn geweest, die bijzonder veel op de tapijten uit de veertiende en vijftiende eeuw werden uitgebeeld18).
De oudste, bijzonder fraaie volksprent, waarop enkele van de ‘neuf preux’, gekleed als middeleeuwse ridders met zwaard of lans en wapenschild, staan afgebeeld, is uit Picardië afkomstig. Ze dateert uit de tweede helft van de vijftiende eeuw19). Jammer genoeg is geen Nederlandse volksprent bekend waarop deze helden worden voorgesteld.
Er is evenmin een Nederlands volksboek over de ‘negen besten’ bewaard gebleven. Toch moet er een dergelijk werk wel in omloop zijn geweest. Dit wordt bewezen door het feit dat, wellicht als gevolg van
| | | | het succes van dit werk, bij ons ook een analoge serie van Der .ix. Quaesten ontstond. Van dit werk is een enkel exemplaar bewaard gebleven in de Universiteitsbibliotheek te Gent. Het werd te Antwerpen door Jan van Doesborch gedrukt in 152820).
Deze ‘slechtsten’ zijn stuk voor stuk bedoeld als tegenhangers van de ‘negen besten’. Ze zijn op gelijkwaardige wijze in drie groepen van drie ingedeeld: de Joden Jerobas, Achab en Joran; de heidenen Caïn, Nero en Pilatus; de ‘Christenen’ Judas Iskarioth, Machamet (d.i. Mohammed) en Julianus Apostata.
Ook in Engeland waren de negen helden van oudsher bekend. Richard Lloyd in 158421) en Thomas Heywood (1640)22) beschreven uitvoerig de levens en heuglijke daden van de negen. De eerstgenoemde handelt over de mannelijke helden, de tweede heeft het over de analoge reeks vrouwelijke heldenfiguren.
Deze beroemde lui moeten in Engeland zo sterk op de verbeelding hebben ingewerkt dat ook hier - zoals in de Nederlanden - gelijkaardige reeksen van negen personen het voorwerp van allerhande drukwerkjes uitmaakten. Dit is o.m. het geval met Robert Fletchers The nine English Worthies (1606)23), R. Johnsons The nine worthies of London (1592)24) en Robert Vaughans The pourtraitures of nine moderne worthies (1622)25).
Vooraleer deze bijdrage te besluiten, kan er nog even op gewezen worden dat ook op speelkaarten de namen van de ‘preux’ en de ‘preuses’ dikwijls voorkomen. Rond het einde van de zestiende eeuw werden op de figuren van de Franse speelkaarten de namen toegevoegd van David (op schoppenheer), Alexander (op klaverenheer), Julius Caesar (op ruitenheer), enz. Ook de vrouwelijke helden (Ju- | | | | dith, Pallas, Rachel, enz.) komen op de kaarten voor. Nog in een recent werk wordt beweerd dat ‘nul ne sait comment fut choisi cet étrange assortiment de noms’ en dat ‘personne n'a hasardé à ce sujet la moindre hypothèse’26). Het lijdt geen twijfel dat de namen werden gekozen uit de bekende reeks van negen populaire mannelijke en vrouwelijke helden. De identifikatie wordt trouwens op een van de kaarten van een dergelijk Frans spel uit de achttiende eeuw zelf aangegeven: tussen de voeten van klaverenboer staan de letters SPREUX, d.i. (LE)S PREUX.
Het zou ongetwijfeld mogelijk zijn de bewijzen voor de eeuwenlange populariteit van de ‘negen besten’ nog te vervolledigen. Uit het voorgaande is echter reeds meer dan duidelijk geworden dat in Bredero's tijd de herinnering aan deze helden nog bij het Amsterdamse theaterpubliek levendig kan gebleven zijn. Dat dit inderdaad ook het geval was, blijkt uit de passage uit Moortje die in de voorgaande bladzijden onze aandacht heeft gehad.
UFSAL, Brussel
W.L. Braekman
|
1)gants lijden: bastaardvloek, vervorming van ( bij) Gods lijden.
2)De spelling is die van de editie van 1638 van Bredero's Volledige Werken. De cursivering is van mij. Dit citaat komt overeen met vv. 1714-19 in de moderne uitgaven van dit stuk.
3)G. Kalff, De Werken van G.A. Bredero (Amsterdam, 1890), II, p. 74.
4)F.A. Stoett, G.A. Bredero's Moortje (Zutphen, 1931), p. 177, aantekening bij v. 1718.
5)Het verband met negendoder is wel niet gerechtvaardigd. Een negendoder is een naam die wel eens aan de grauwe klauwier of de klapekster gegeven wordt. De ‘negen’ in deze naam betekent alleen dat deze vogels zeer moorddadig zijn voor andere vogels. Cf. Grimms Deutsches Wörterbuch: ‘ein neuntödter wirt er geheiszen, dasz er alle tag neun vögel tödten sol’.
6)N. de Pauw, Middelnederlandsche Gedichten en Fragmenten (Gent, 1893), I, p. 596.
7)N. De Pauw, Op. cit., pp. 602-634.
8)M. De Vries, ‘Fragment eener Berijmde Zamenspraak uit de XIII e Eeuw, benevens Eenige oude Spreuken en het Begin van een Gedicht, getiteld “Van neghen den besten”’, Nieuwe Werken van de Mij. der Ned. Letterk. te Leiden VI (1844), 124-186. Het gedicht staat op pp. 154-156.
9)N. De Pauw, Op. cit., pp. 599-601.
10)E. von Kausler, Altniederländische Gedichte (Leipzig, 1886), II, pp. 141-161.
11)Men vgl. Middelned. Wdb. IV, 2304 s.v. negen(e).
12)W. Bisschop en E. Verwijs, Gedichten van Willem van Hildegaersberch ('s-Gravenhage, 1870), p. 149.
13)De Consolatione philosophiae (Gent, 1485), fol. 285 r.
14)M. De Vries, Op. cit., p. 155, vv. 30-38.
15)Dit citaat - en ook de volgende - zijn overgenomen uit de Comburgse versie van het gedicht.
16)P. Meyer, ‘Les neuf Preux’, Bulletin de la Soc. des Anciens Textes français IX (1883), 47.
17)M. Van der Straten-Ponthoz, Les neuf Preux, gravure sur bois du commencement du quinzième siècle. Fragments de l'Hôtel de Ville de Metz (Paris, 1864), pp. 51-53.
18)J.J. Guiffrey, ‘Note sur une tapisserie représentant Godefroy de Bouillon et sur les représentations des preux et des preuses au XV e siècle’, Mémoires de la Soc. des Antiquaires de France XL (1879), 97-110.
19)Een kleurenreproductie vindt men in J. Adhémar, Imagerie populaire française (Electa, Milaan, 1968), p. 49.
20)Een afbeelding van de titelpagina bij L. Debaene, De Nederlandse Volksboeken (Antwerpen, 1951), p. 261.
21)R. Lloyd, A Briefe discourse of the actes and conquests of the Nine Worthies (London, 1584); STC n o 16634.
22)Th. Heywood, The exemplary lives and memorable acts of nine worthy women of the world (London, 1640); STC n o 13316.
26)R. Tilley, Cartes à Jouer et Tarots (Paris, 1967), p. 64.
|
|