[p. 81]

‘Wat nieuws’ e.d. als aanduiding van personen

Woordgroepen van het type iets/niets/wat goeds waren al in de mnl. periode gewoon - eerst vooral met bijvoeglijke naamwoorden uit de omgangstaal, goets, quaets, liefs, nieus, in de 15e en 16e eeuw ook met literaire als poetelycks, claghelycks en daarna steeds gevarieerder. De productiviteit van het patroon bleef en nam misschien zelfs toe op den duur, al kan die indruk ontstaan doordat we uit onze tijd ook het mondeling taalgebruik kennen. Het materiaal dat in de woordenboeken en in enkele studies genoteerd werd, vertoont een vrijwel gelijkblijvend beeld met één opvallend kenmerk: deze uitdrukkingen hebben daar geen betrekking op personen. In de jongeman die ‘wat lekkers versierd’ heeft en daarmee op een meisje doelt, zou men op grond daarvan een taalvrijbuiter kunnen zien, die met zijn ordinaire opmerking een nieuwe gebruiksmogelijkheid opende. Dit nu is in strijd met de feiten. Zelfs wanneer hij als eerste zich zo uitdrukte, deed hij dat naar oud model, want met woordgroepen van het genoemde type werden al van de middeleeuwen af ook personen aangeduid. Die gevallen zijn echter op één na niet in de woordenboeken opgenomen. Alleen WNT VIII 2060 geeft een voorbeeld uit een Terentius-vertaling van Van Ghistele (ao 1555): ‘Sy en zijn niet wel content Die wat liefs hebben: maer seer tonvreden Als de ouders haer willen besteden En een vrouwe gheven teghen haren danck’. De verklaring ‘een meisje beminnen’ omschrijft ‘wat liefs hebben’ als geheel in aansluiting bij de latijnse tekst (omnes qui amant), wat liefs op zichzelf betekent eenvoudig ‘een geliefde’. Volgens een toegevoegde aantekening zonder bronvermelding zou de uitdrukking in de 18e eeuw op de Veluwe nog dezelfde betekenis hebben gehad. Ook Van Ghistele was hiermee geen taalvernieuwer, zoals uit onderstaande gegevens zal blijken. Ze zijn niet systematisch bijeengezocht, maar tijdens lektuur genoteerd. Er is zeker meer te vinden.

[p. 82]
[Dat is al juist gebleken, want redacteur Prof. Dr. C.A. Zaalberg wijst nog op wat jongs voor ‘een baby’, in WNT VII 343, met voorbeelden van Huyghens tot Wolff en Deken; in K.B. 853 A 106 uit een anoniem ‘Echtdicht, Ter eeren...Meynert van Bueren...Met Dieuwertjen Jacob...15 Oct. 1617’
Slaet handen aen de Ploech, malcander niet bedriecht (= teleurstelt?),
En maect dat ghy wat Iongs te saem in slape wiecht - en in K.B. 852 F 367 uit een ‘Ghesang der Musen’ (huwelijk van W.F. de Leeuw en Aeltien A. Kodden, 24 Iunij 1618).
Schickt dat het naeste Iaer oft oock in korter dach,
U, op zijn Moeders schoot, wat jonghs toe lachen mach]

Voor de 16e eeuw vormen de amoureuze refreinen van Anna Bijns (vóór 1528) een belangrijke bron. In nr. 9 van de Nieuwe Refreinen klaagt de dichteres over ‘vriendts ontrouwe’ en nr. 10 vervolgt met ‘Wat liefs te dervene es groote pijne’. Drie formuleringen wisselen elkaar hier af, het derven van lieve, liefs derven en wat liefs te derven en worden in direct verband met elkaar gebruikt:

 
Het derven van lieve es souter dan brijne -
 
Wat liefs te derven es groote pijne;
 
 
 
Liefs derven doet somtijts veel nachten waken -
 
Die wat liefs moet derven, crijgt mager caken.

Wat liefs doelt hier niet op liefdeservaringen of iets dergelijks, maar is synoniem met lief, geliefde, in dit geval een mannelijk persoon.

Meer voorbeelden zijn er van wat nieus, een nieuwe minnaar of minnares:

 
Al mochtmen na wat nieus om troosts gewinnen spueren,
 
Het waer onmoghelijck (10 d).
 
 
 
Dat ic wel aen wat nieus zoude gheraken,
 
Ic kenne tes waer, ic en cans niet messaken,
 
Maer ic ben te reene (38e).
 
 
 
Ic hoope, lief, het sal u noch eens berouwen,
 
Dat ghij u liefte hebt laten vercouwen;
 
Al hebdij in wat nieus vermaeck gecregen,
 
Ic moet mij lijden (40b, met de stok: Ic mocht ooc van rouwe aen een ander slaen).
[p. 83]
 
Laet ghij mij om wat nieus, ghij mochtet wel clagen (40d).
 
 
 
Zal ic trouwe saeyen en ontrouwe maeyen?
 
Neen ic, wat nieus doeget hertken verfraeyen,
 
Dus willic ooc ergens wat nieus op spooren (67a).
 
 
 
Nu ic zijn ontrouwe wel hebbe verstaen,
 
Zoo hebbe ic mij saen met wat nieus verseldt (67d).
 
 
 
Al hebbic nu wat nieus geroken,
 
Daer mede hebic mij selven gewroken (67e).
 
 
 
Croken wildij trouwe, liefte es vervloogen,
 
Getogen heeft u wat nieus, ic hebt geroken (70b).
 
 
 
Ja lief, hebdij wat nieus en heb ic mijnen sack? (73c).

In de liefdesfantasieën van Anna Bijns komen geen platte woorden voor. Wat liefs en wat nieus zijn gebruikt in het romantisch milieu van ‘eigen zijn’, volmaakte trouw, gebroken harten en sterven van smart; daar vielen ze blijkbaar niet uit de toon. Het is nodig dat op te merken, omdat verdere voorbeelden uit de kroeg- en bordeelsfeer komen.

Uit Heynken de Luyere (ao 1582), die ‘wat lichtachtich (was) in allen zijn vermeten’, blz. 11:

 
Sy vraechden huer (de waardin) terstont ten eersten beghinne
 
Hebdy hier niet nieus dat sidt in muyten?
 
Men sal geen broot voor vrienden sluyten.
 
 
 
En begherdu, seytse, geenen wijn noch bier?
 
En souden wy niet? wa iae wy in trouwen.
 
Hebdy oock wat propers, brenghet ons hier.
 
Och, hier woont (seydese) soo frayen dier.
 
Laetse comen (seyde de Pape) gheringe, waer esse?
 
Sy ontboter eene, daer quammer wel sesse.

Hebdy oock wat propers? (wat bijzonders) heeft geen betrekking op het voorgaande, maar leidt tot de informatie van de volgende regel.

In gelijke omgeving ligt dit citaat uit Lichte Wigger (1617) over ‘een fraye meit’:

1185
K'sit noch al en denk, wat het voor een mag sijn.
 
Je bent wel om ruicken, je slacht de haeswinden,
 
Je weet altijd wat vremts, hier of daer te vinden.
[p. 84]
 
K'loof niet of sy moetent'jou comen seggen, asse wat nieus crijghen.

Tenslotte terug naar een ballade ‘int sotte’ uit de 14e eeuw, nr. 16 van de Gruuthuse-liederen. Een man bezingt zijn weerzinwekkende geliefde afwisselend in hoofse termen en in platte.

 
Soe boot mi haer anscijn
 
Ende zoe sanc in fransois,
 
Recht als een ongherich zwijn
40
So ghinc haer zoete voys.
 
Mi dincke, ic minne gheerne iet moys,
 
Ic halp haer zinghen, re mi, fa.

Mi dincke betekent ongeveer ‘wat mij betreft’: Ik, omdat ik gek ben op...., zong ik met haar mee. Als object kan ‘fraaie zang’ bedoeld zijn, maar in verband met het hele lied lijkt ‘een mooie vrouw’ ook hier niet onwaarschijnlijk.

 

Wat....voor personen heeft al een lange geschiedenis. Het gebruik was vrij t.a.v. geslacht en sociale sfeer, zoals bij Anna Bijns en Van Ghistele bleek. Voorkeur ontstond toch, wanneer het om vrouwen ging die om lichamelijke kwaliteiten gewaardeerd moesten worden. Wat dit betreft, sluit het aan bij het gebruik van onzijdige substantieven voor vrouwen, als ding, dier, stuk, lekkertje, of met Byateris in de Spaansche Brabander:

 
Als de getrouwde mannen iewers een nieuw hairtje sien,
1525
Sij durven mij veur elken gangetje niet minder as een nobel bien.
 
O 't is en hiet goet, och se houwen soo veul van de nieuwigheitjes.
 
Ik heb daar nou een meisje, o bloet sy kan heur ambacht freítjes.
 
Is er iemant belust op wat versnapelings onder den hoop,
 
Die komt en reis an, sij gerijft elk na sijn gelt en hiel goet koop.

Daarmee zijn we terug bij de jongeman uit het begin, voor wie ‘lekkers’ misschien ook een substantief was.

 

Amersfoort

B.H. Erné