Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 120


auteur: [tijdschrift] Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde


bron: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 120. Uitgeverij Verloren, Hilversum 2004


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 44]

Luc de Grauwe
Zijn olla vogala Vlaams, of zit de Nederlandse filologie met een koekoeksei in (haar) nest(en)?

Abstract - Ever since its discovery in 1931, the sentence hebban olla vogala nestas hagunnan (etc.) has been regarded by Dutch and Flemish scholars as ‘the earliest scrap of Netherlandish that has been recorded in England’ (K. Sisam). Starting from the very first word (hebban), usually interpreted as an indicative 3 pl (vs. OE habbađ), they have tried to demonstrate the South West Flemish character of the sentence. A thorough re-analysis, however, shows that most forms could just as well be (Old) English, in particular Kentish - no surprise at all given that the ms. stems from Rochester. At best, the text could be described as linguistically mixed.

1 Inleiding

T-shirts, sierborden, een opschrift boven een boog in het vroegere gebouw van de Leidse UB aan het Rapenburg: ze dragen alle de tekst van het zo langzamerhand meest besproken, in elk geval Oud-Ingveoonse zinnetje Hebban olla vogala...; een bekende Vlaamse folkgroep is ernaar vernoemd. Het werd, zoals algemeen been erkend1 neergeschreven in de abdij van Rochester in het Zuid-Engelse graafschap Kent, in het laatste kwart van de elfde eeuw, en het manuscript waarop het als probatio pennae is neergekrabbeld bevindt zich thans (als Ms. 340) in de schitterende Bodleian Library te Oxford - maar geen Engelsman, laat staan een anglist die het kent, afgezien dan van zijn ontdekker, bibliothecaris-filoloog Kenneth Sisam. Volgens hem en sindsdien, sedert 1931, geldt het zinnetje - bij Sisam overigens nog zonder enige taalkundige vorm van argumentatie - voor ‘by far the earliest scrap of Netherlandish that has been recorded in England’.2 Dat is het zo al 70 jaar gebleven voor de allermeeste neerlandici, sedert Sisam op het bijna fatale idee kwam, via de Nederlandse anglist Swaen,3 M. Schönfeld in de arm te nemen, die blijkbaar maar al te graag dat Oudnederlandse, meer bepaald Oud-West-Vlaamse karakter bevestigde in een eerste artikel (uitgerekend in dit Tijdschrift)4 van een schier eindeloze reeks. En of er intussen over dit kleine zinnetje ‘tramme-

[p. 45]

lant’ is geweest!5 Een culminatiepunt bereikte de bijna cultische verering van de toch wat enigmatisch blijvende uitlating - zij het nu een smachtende verzuchting dan wel een etymologisch taalspelletje of wat dan ook - in de tentoonstelling, gehouden te Amsterdam in de zomer van 1998 naar aanleiding van het 200-jarig bestaan van de (Nederlandse) Koninklijke Bibliotheek: het handschrift met de ‘moeder van alle Nederlandse zinnen’ mocht er warempel (voor het eerst in zijn geschiedenis wellicht) Oxford voor verlaten en was er, naast een uitvergrote kopie, in een mooie rechtopstaande vitrine te bewonderen. En ook het grote televisieminnend publiek van ‘De Lage Landen’ mocht een graantje meepikken: in de vijfde aflevering van de (tweede) grensoverschrijdende reeks met diezelfde naam (door de VRT-TV 1 uitgezonden op 22 juni 2003 te 20.35 u.) mochten de bekende Vlaamse journalist en ‘ontmythologiseerder’ Marc Reynebeau en de Nederlandse all-round-artiest Jos Brink mooi ‘beamen’ dat dit inderdaad ‘ons’ aller(-)oudste zinnetje is. Het ‘h.o.v.’-virus heeft al danig toegeslagen!

Het is onbegonnen werk, hier alle mogelijke opvattingen van andere onderzoekers over zowel de taalaspecten als de literair-historische situering van het fragmentje (als het dat al is) systematisch en in extenso6 weer te geven. Niettemin zal hier, waar het pas geeft of zelfs noodzakelijk is, daaraan gerefereerd moeten worden. Vooraf moet in elk geval worden gezegd, dat Schönfeld in zijn eerste artikel in het Leidse Tijdschrift van 1933 als extra-linguïstisch, en wel grafisch argument lapidair aangeeft dat ‘thu niet op ags. wijze met de rune þorn geschreven is’,7 maar pas 25 jaar later, in zijn tweede, postuum verschenen artikel in datzelfde tijdschrift (1958/59) als zijn bron Sisam noemt, die hem blijkbaar in een brief twee zulke argumenten aan de hand had gedaan:

that this [probatio pennae, LdG] was actually written into the Ms. by a Fleming...I incline that way a) because of the general appearance of the handwriting; b) because there is a fair chance, not a certainty [!, LdG], that an Anglo-Saxon would have written pu [,] not thu.8
Dat betekent dus dat, al was een Vlaming de schrijver geweest, die niet noodzakelijk een Vlaamse zin moet hebben neergepend. J.M. De Smet heeft in 1954 vermoed dat ene H. Wanley in 1705 in een Catalogus van Angelsaksische handschriften bij de beschrijving van ms. 340 in de rechterhoek het woord ‘dutsch’ heeft geschreven, wat ‘aldus de taak van K. Sisam vergemakkelijkte’,9 maar op een foto van het handschrift ‘is niet te zien of er werkelijk dutsch staat’.10 Bewijskrachtig is derhalve ook dit twijfelachtige gegeven allerminst.

[p. 46]

2 Een ‘toegevende’ lezing van hebban

Ondertussen staat het buiten kijf dat reeds het allereerste woord steeds als kroongetuige is opgeroepen om het ‘Nederlandse’ karakter van het zinnetje te ‘bewijzen’, Schönfeld deed het al en Gysseling heeft dit in zijn Corpus als het ware geconsacreerd: hebban, weliswaar reeds zonder de eind-dentaal van de Oudgermaanse, uit het Indogermaans geërfde uitgang van de indicatief presens 3e persoon pluralis; die staat in die modus tegenover de Ingveoonse vormen met uitgestoten -n-11 zoals de Oud-Engelse (= oe.) eenheidsmeervoudsvorm habbad12 als ‘klassieke’ West-Saksische (West Saxon) vorm. Geen van de onderzoekers echter is ooit op het idee gekomen, zich af te vragen of hebban niet evengoed een oe. vorm zou kunnen zijn; dat is het nu uitgerekend wel, maar dan in de modus optatief: klassiek West-Saksisch hoebben, jonger habbon.13 Klankwettig is echter in deze en andere vormen met bb-geminaat een -e- te verwachten,14 die hier inderdaad in het Oud-Kents algemeen is, zoals onder meer en precies blijkt uit de optatief hebbe (naast hoebbe en habbe) in vroege Kentse teksten.15 Wat meer is, de ‘Kentse Glossen’ bij de Proverbia Salomonis (late tiende eeuw) hebben in die modus en dat tempus bijna overal de uitgang -an, een enkele keer -on; -an-vormen worden ook in het jongere West-Saksisch talrijker; in de Mercische Rushworth Glossen 1 is ze eveneens de meest voorkomende auslaut.16 De -a- in die auslaut is te verklaren als een van de vele schrijfwijzen voor de [ə], waarin de vokalen van de onbeklemtoonde eindlettergrepen aan het samenvallen waren,17 net zoals dat trouwens ook in andere Oud-Germaanse talen het geval was - op dit verschijnsel in de Oudoostnederfrankische Wachtendonckse Psalmen heeft Schönfeld zelf reeds gewezen.18 Maar wat ook de fonetische realisatie van hebban kan zijn geweest, de schrijfwijze in deze werkwoordsvorm kan perfect en bepaaldelijk wijzen naar de oude taal in Kent, waar ons zinnetje toch is geschreven.

Maar hoe past nu een in het Kents mogelijke optatief/conjunctief als equivalent bij een duidelijke indicatief (Abent) in de Latijnse tekst, waarbij het in de grond onbelangrijk blijft of die laatste nu een ‘glossa superscripta’ is bij een oorsponke-

[p. 47]

lijk Nederlandse liefdesversje voor Nederlandsonkundigen (zo o.a. Gysseling in CG II-1:127) dan wel of ook het omgekeerde denkbaar en mogelijk is, als tenminste beide tekstjes samen een ‘etymologische grap’ (bedoeld is een als grappig overkomende overeenkomst tussen de aparte woordvormen, te beginnen met hebban ~ abent), een ‘taalkunstje’ vormen (zoals Caron 1963: 257V. = Caron 1972: 194V. betoogt).

Het valt op dat - anders dan in de vaak vergeleken bijbelse verzen Mattheus 8:20 en Lucas 9:58 (‘Vulpes foveas habent, et volucres caeli nidos’)19 - het werkwoord vooropstaat, wat met Van Ginneken niet als een zogezegde ‘Keltische woordvolgorde’ (‘aandoenlijk van naïviteit’) hoeft te worden beschouwd, zoals hij die nog zag in Goethes ‘Sah ein Knab’ ein Röslein stehn’.20 Weijnen schrijft met betrekking tot de periode na het oudst overgeleverde Germaans, het Gotisch:

Later is de pv. meer naar voren gekomen. Zelfs heeft hij reeds in oudgermaanse tijd ook in mededelende zinnen, vaak op de eerste plaats gestaan. De onl. zin hebban olla vogala [...] levert hiervan een bewijs. In het mnl. is die constructie echter al een zeldzaamheid geworden.21
Maar Weijnen wijst gelukkig ook op een aantal zinsconstructies die wél deze ‘verb-first’-positie bezitten; deze hebben de persoonsvorm uitgerekend in de conjunctief staan.22 De soort bijzin die m.i. hier, gelet op het hele zinsverband, het meest in aanmerking komt, is de concessieve.23 Ik waag daarom een heel andere hertaling dan alle totnogtoe geleverde: ‘Laten nu nog alle vogels nesten gebouwd hebben, behalve ik en jou - wat verwachten jullie nu?’. Misschien is die Germaanse zin dan te lezen nà de Latijnse, als een soort reflectie erop. En de laatste deelzin hertaalt dan vvat unbidat g[h]e nu, zoals dunkt me met Gysseling CG II-1:130 moet worden gelezen.24 Meteen toont die lezing nogmaals aan, dat Germaans en Latijn hier elkaar niet 100% dekken; afwijkingen tussen beide teksten hoeven dan ook niet te verwonderen, die kunnen mekaar ook variëren. Het idee van een etymologisch spel boet er dan ook mee in. Trouwens, dan had onze auteur er toch zeker voor gezorgd, zijn allereerste woord hebban met een correct lat. habent25 te verbinden; de h-aferesis in het Latijn, weze het nog middeleeuws, verwondert

[p. 48]

toch bij een voor geleerd gehouden monnik (en/of is de hele vorm ‘corrupt’ voor een conjunctief habeant?). Toegegeven, we blijven er het raden naar hebben, wie de schrijver met ik, jij en jullie kan bedoeld hebben; is de concessieve bijzin een (al dan niet gevarieerd) citaat en richt de penneprobeerder zich met jullie (in gedachte, wel niet veel meer) tot zijn medebroeders in Rochester of tot zijn lezers in't algemeen, zo in de zin van: ‘wat verwachten jullie dat ik nu neerschrijf?’? Het rijm thu: nu26 is dan of toevallig of ronduit schalks bedacht, en hoeft geen bewijs te zijn voor de interpretatie van het geheel als oorspronkelijk liefdesvers (evenmin trouwens als voor de thesis van een etymologisch spel).

3 Het ‘cruciale’ olla en de vogels in nesten

Is met dit eerste woord meteen ook de eerste domino gevallen en de geponeerde, bij gebrek aan oud materiaal maar moeilijk te bewijzen Oud-Nederlandse/Oud-West-Vlaamse herkomst ingeruild voor de (mogelijke) Oud-Kentse situering, waar de overlevering een vorm hebban wel aannemelijk maakt, dan kan men zich gelijk afvragen of ook de overige woorden en vormen niet eenvoudigweg als (op zijn minst) insulair Ingveoons, zo mogelijk Kents kunnen worden verklaard.

Bij het tweede woord, olla, lijkt het al mis te lopen; deze vorm komt niet voor in het Oe.; in de Saksische en Kentse dialecten is wel de voor deze zuidelijke groepen typisch ‘gebroken’ klank ea (i.e. eall) rond 1000 in ae en vanaf 1100 in a overgegaan.27 In het West-Vlaams daarentegen vindt men - naast al - in de dertiende eeuw ol en ols te Brugge (waar het nu nog zo gesproken wordt), maar ook in St. Omaars, het argument bij uitstek voor Gysseling om onze monnik uit die stad (met bekende abdij!) vandaan te laten komen.28 Minder problematisch is de uitgang -a (sterk masc. nom. pl.), ook al verwacht men hier klassiek westgerm. -e; de vorm op -a komt hier niet enkel voor in het Oudsaksisch en oostelijk Oudnederfrankisch,29 maar ook in het Oe., hoewel hij enkel in noordelijke teksten (Rituale van Durham, Lindisfarne Gospels) blijkt te zijn geattesteerd.30 Maar wegens zijn anlaut blijft de vorm voorlopig een crux en kan ik hem pas definitief beoordelen na de behandeling van alle andere.

Maar meer tot veel geluk hebben we nu bij de volgende: vogala vertoont in zijn anlaut een v- (gespeld u-) die - althans in de uitspraak - sedert de tiende eeuw voorkomt in zuidelijk Engels, waaronder het Kents; de spelling u = v, die voor het eerst in het midden van die eeuw in Wiltshire optreedt, breekt daar pas in de Middelengelse (= me.) tijd goed door (nog in hedendaags Engels vat en vixen).31 Ook svarabhakti-vocalen treden op: zo laat-West-Saksisch fugolas en fugelas (tgo.

[p. 49]

vroeger fuglas).32 Wat meer is, de Kentse priester Dan Michel schrijft in zijn Ayenbite of Inwyt (1340) uogel (Sg.), uogels (Pl.) met <-o->, waar het Oe. de oergerm. u heeft bewaard: fugol; zo ook oe. full, wulf, wull maar Ayenbite: uol, wolf, wolle33 (Nieuwengels fowl, full, wolf, wool). Deze jongere <o>-spelling komt in Engeland weliswaar pas sedert de tweede helft van de twaalfde eeuw voor en vertegenwoordigt daar bovendien een <u>-uitspraak,34 maar reeds in de Oe. tijd zijn er dubbele schrijfwijzen als cnucian/cnocian, spora/spura, spornan/spurnan.35

Voor de uitgang -a kan men maar bezwaarlijk verwijzen, zoals reeds Schönfeld gedaan heeft,36 naar een zo oostelijke Nederfrankische vorm als het berga van de Wachtendonckse Psalmen. De wisseling -a naast (telkens) couranter -as in de nom.pl. van masculiene a-stammen is in Ingveoonse dialecten niet onbekend: dezelfde Schönfeld verwijst naar het Oud-Gents (Sclota naast geldindas) en het Oudsaksisch,37 maar er zijn ook oe. voorbeelden: in Noord-Humbrische teksten staat soms het zwakke -a(n) in plaats van het sterke -as en omgekeerd.38 Maar zelfs als men die wisseling voor het Kents niet zou aannemen, is er nog steeds die andere verklaring van alweer Schönfeld:

Zou men het onwaarschijnlijk achten, dat een schrijver in één kort zinnetje twee verschillende pluralisuitgangen bij woorden van dezelfde klasse zou gebruiken, dan zou men in de -a van vogala invloed van 't voorafgaande olla kunnen zien.39
En wat nestas betreft, hier heeft Krogmann al lang de argumentatie van Schönfeld ontkracht dat het masculiene genus (blijkens -as) in dit woord - nog voortlevend via het Mnl. in het West-Vlaams40 - niet in het Oe. zou voorkomen; Krogmann noemt bijbelse vindplaatsen in het West-Saksisch (nystas, Mattheus 8:20) en Noord-Humbrisch (nestas, Lucas 9:58).41 Ook als men zich schaart bij het koor van die neerlandici die een -as-meervoud in onze eigen kuststreken (in het echte ‘Poldernederlands’ dus) voor autochtoon verklaren42 - en ik wil ze graag geloven -, is nestas met evenveel recht, zo niet meer, insulair te noemen.

[p. 50]

4 Vijf ook insulair niet ongebruikelijke vormen

En datzelfde geldt voor de volgende vijf vormen (dus incluis thu), te beginnen met hagunnan: het werkwoord met zijn typisch prefix a- en zijn vocaal -u- in het participium praeteriti is in het Oe. wel, in het schaars overgeleverde Oudnederlands niet geattesteerd.43 De uitgang -an komt wel degelijk naast en na het ‘klassieke’ -en voor,44 met stijgende frequentie naar het latere Oe. toe, waar -an/-on ‘wohl durch Unsicherheit der Schreibung wegen der Abschwächung der Endungsvokale zu erklären’ is.45 De prothetische h- (ook in hic, zie verder) is ook het Oe. niet onbekend, zo bijvoorbeeld in de ‘Kentse Glossen’ van 730 (herian voor erian),46 dus nog vóór de Anglo-Normandische tijd waar dit (en het omgekeerde) verschijnsel (de aferesis) was toegenomen.47

Hinase kan opnieuw in zijn geheel insulair zijn: hit is de normale vorm, alleenheersend in het Oe., pas vanaf de twaalfde eeuw geflankeerd door it;48 de Ayenbite heeft enkel hit.49 Daarentegen is hit in het Oud-West-Vlaams veeleer zelden te vinden.50 Na komt, naast no, nawiht, nalles als negatief partikel in ‘nondependent concessions’ voor,51 en ook se (met lange of korte e) is - in tegenstelling tot wat

[p. 51]

vele auteurs tot in recentste tijd toe hebben beweerd52 - in Brittannië naast ‘klassiekere’ vormen als si/sie (en ) wel degelijk bekend, en wel onder meer uitgerekend in Kent, hetzij als ‘satznebentonige Form oder als Ersatz für w[est]s[ächsisch] ’.53 Elisie van -t- voor n (of assimilatie van de eerste dentaal aan de tweede?) zal wel een niet-taalgebonden colloquiaal verschijnsel zijn dat onder meer voorkomt in enigszins gelijkaardige gevallen als oe. droh(t)nian, foes(t)nian en later in sterfp ne > sterf ne (Ayenbite 75/2).54

Hic met h-prothesis is voor het Middelengels geattesteerd, maar mocht de vorm toch een ‘gewaagde conjectuur’ (vgl. Schönfeld 1933:5) zijn, dan kan men nog denken aan de sg. fem. van het anaforisch pronomen oe. hio,55 Kents me. hie/hi;56 in dat geval zou de monnik ook bedoeld kunnen hebben: ‘behalve zij en jij, waarop wachten jullie (twee)?’

End (conjunctie) kennen we (naast and en ond) uit onder meer de Kentse oorkonden;57 de veel jongere Ayenbite heeft de vorm ook nog een keer, naast gewoonlijk an/and/ant en eenmaal met vocalische auslaut ande. De anlaut met a-, die een hier onzekere Gysseling in ons manuscript niet wil uitsluiten,58 past natuurlijk nog beter bij het Engels.

5 Het afsluitende vraagzinnetje

De uu in uuat is (weliswaar pas) in Middelengelse tijd ‘in südlichen und mittelländischen Handschriften in satznebentonigen Wörtern, so wat für what59 aan te treffen. De Ayenbite heeft in dit en andere woorden wel nog altijd hu-,60 maar een enkel wet (265/17) verraadt toch ook voor Kent het verstommen van de oudgerm. h-.

Als in unbidat met Gysseling, CG II-1:130 een auslautende -t gelezen mag worden, hebben we te maken met een uitgang (praes.indic., eenheidspluralis) die

[p. 52]

(naast -d) in talrijken getale in de ‘Kentse Glossen’ is vertegenwoordigd; ‘vielleicht gehören sie überhaupt zu den Kennzeichen des Kentischen’!61 Ook de voorafgaande vocaal a is normaal voor het Oe.62 En in diezelfde tijd komt als verbaal prefix ook reeds un- voor, in plaats van het klassiekere an(d)-/on(d)-,63 dat in ons werkwoord bovendien nog concurreert met â-: oe. âbîdan (ne. abide) naast onbîdan.64 Het wegvallen van de dentaal in un- wijst alweer toch eerder naar het Engels dan naar het (Middel)nederlands met zijn ontbiden (en ontbeiden).

Het persoonlijk voornaamwoord 2e pluralis is in het Oe. normaal ge (met korte of lange e (idem in de 1e pers. we), in het Middelengels 3ee, verkort 3e;65 in laatstgenoemde periode vinden we ook de gh-schrijfwijze, maar enkel voor de stemloze (velaire of palatale) spirant (naught, rough, high). Wat Gysseling heeft gezien als ‘nog een boogje’ van de g is misschien veeleer de eerste e van de reeds in het Oe. voorkomende dubbele spelling -ee.66 Maar na het eenheidsmeervoud unbidat zou desnoods, mét de klassieke interpretatie, uue als perfect mogelijke oe. vorm kunnen blijven staan - ook al wordt dan in ons vers voor de <w> niet het wynn-runeteken (evenmin als de þorn-rune in thu) gebruikt.67

6 Samenvatting

Samenvattend kan ik dus niet met absolute zekerheid stellen dat ons tekstje (Oud-) Engels, bepaaldelijk Kents is, maar dat het met eenzelfde stelligheid Oud-West-Vlaams kan genoemd worden, lijkt me al evenmin zeker. Ook het recentste pleidooi van Cotman en Taeldeman ten gunste van het Vlaams bracht daar geen verandering in: het ene van hun beide hoofdargumenten (-e in hinase) heb ik hierboven al weerlegd, en van hun ander tekstkenmerk - de vele a's in onbeklemtoonde lettergrepen, die zij met Tavernier-Vereecken als Vlaamse schrijfwijze voor evenzovele sjwa's opvatten - moeten zij in hun slotzin toegeven dat het

minder bewijskracht aanreik[t] voor de West-Vlaamse origine van de probatio dan we aanvankelijk gedacht hadden: a als spelling voor de reductievocaal was in de eerste eeuwen van het tweede millennium ook in andere delen van het West-Germaanse areaal mogelijk (p. 231).

[p. 53]

Alles heeft uiteindelijk te maken met het sterk gelijklopende, Ingveoonse karakter van de taalvariëteiten aan beide zijden van het Kanaal, vooral daar waar de Straits of Dover slechts een heel minimale geografische barrière vormen.68 Daar is door meer dan één vorser voldoende op gewezen. Lokaliseerde trouwens niet Gyseling (CG II-1:129) zelf het versje in de buurt van Sint-Omaars (Saint Omer) precies omdat daar, ‘o.m. blijkens de plaatsnamen op tûn, de Engelse taalinslag het sterkst’ was? Dat is dus in het heel ‘uiterste zuidwesten van ons taalgebied, dat zoveel gemeenschappelijke trekken vertoont met het Engels’ (CG II-1:128).

En hebben niet reeds Schönfeld en Caron zelf de mogelijkheid van anglicismen geopperd?69 Hier nu is volgende taalpragmatische overweging op zijn plaats: uitgaande van het blote feit dat de tekst nu eenmaal in Kent is geschreven, kan men geredelijk verwachten dat men zich daar in de ‘landstaal’ uit of, als men niet uit de streek afkomstig is, zich daaraan aanpast of zelfs al een tijd aangepast heeft. Alleen, zo'n persoon kan uiteraard eigenaardigheden uit zijn eigen dialect als ‘residu’ hebben bewaard, ook in geschrifte. Veeleer dan West-Vlaams met een Kents vernisje (de ‘anglicismen’!) is onze tekst misschien geïntendeerd Kents met West-Vlaams substraat, dagzomend in het residu...olla. Daarbij valt echter te bedenken dat Gysselings ol(s)-vindplaatsen (o.a. te Sint-Omaars) pas uit de dertiende eeuw stammen.70 Of is olla toch maar = jonger Kents oella > alla? Of nog: is de o- van olla ergens door die in omnes, ‘etymologisch’ of hoe dan ook, uitgelokt of ermee in verband te brengen? Dan hoeft er zelfs geen West-Vlaming aan te pas te komen. En nog: alla is van oudsher ook in Noord-Engeland thuis71 en wij zagen al dat de auslaut -a in zowel olla als vogala voor dat gebied geattesteerd zijn; dan blijft alles een intern-Engelse ‘Ausgleich’. Wie zal het zeggen? In elk geval: aan nestbevuiling heb ik niet willen doen, en men drage zijn ‘h.o.v.’-T-shirt gerust verder. Het (aller)laatste woord is wellicht nog niet gezegd; wat staat ons nog te wachten?72

[p. 54]

Bibliografie

Ayenbite - Dan Michel's Ayenbite of Inwyt or Remorse of Conscience. Volume 1: Text, by Pamela Anderson. Oxford University Press, 1965 (= Early English Text Society, Original Series, No. 23).
Berteloot 1984 - A. Beneloot: Bijdrage tot een klankatlas van het dertiende-eeuwse Middelnederlands. Deel I: tekst. Deel II: platen. Gent, 1984.
de Bo 1892 - L.L. de Bo: Westvlaamsch Idioticon. Gent, 18922.
Bremmer 1989 - Rolf H. Bremmer: ‘Is de Nederlandse meervouds-s van Engelse komaf?’. In: Amsterdamer Beiträge zur älteren Germanistik 28 (1989), p. 77-91.
Brunner 1965 - Karl Brunner: Altenglische Grammatik. Tübingen, 19653.
Brunner 1967 - Karl Brunner: Abriss der mittelenglischen Grammatik. Tübingen, 19676.
Campbell 1959 - A. Campbell: Old English Grammar. Oxford, 1959 (reprint 1964).
Caron 1954 - W.J.H. Caron: ‘Quid expectamus nunc?’. In: TT 6 (1954), p. 62-67. Ook in Caron 1972, p. 187-191.
Caron 1963 - W.J.H. Caron: ‘Het taalspel van de probatio pennae’. In: TNTL 79 (1963), p. 254-270. Ook in Caron 1972, p. 192-206.
Caron 1972 - W.J.H. Caron: Klank en teken. Verzamelde taalkundige studies. Groningen, 1972.
CG - M. Gysseling: Bouwstoffen voor een woordarchief van de Nederlandse taal. Corpus van Middelnederlandse teksten tot en met het jaar 1300. Reeks I: Ambtelijke bescheiden, 's-Gravenhage, 1977, 9 dln. Reeks II: Literaire handschriften, 6 dln.: 1-2 Den Haag 1980-1981, 3-6 Leiden 1983-1987.
Colmjon 1957 - That thusendigste jâr. Oudsaksische kroniek met Inleiding, Aantekeningen en Bibliographie bezorgd door Gerben Colmjon. 's-Gravenhage, 1957. [fake]
Cotman-Taeldeman 2003 - Frédéric Cotman & J. Taeldeman: ‘hebban olla uogala revisited’. In: Amsterdamer Beiträge zur älteren Germanistik 57 (2003), p. 221-232 (= Quod vulgo dicitur. Studiën zum Altniederländischen, hg. von Willy Pijnenburg, Arend Quak und Tanneke Schoonheim).
Cowan 1957 - H.K.J. Cowan: ‘Opmerkingen over Oudnederfrankische structurele grammatica’. In: TNTL 75 (1957), p. 161-180.
Derolez 1974 - R. Derolez: ‘Cross-Channel language ties’. In: Anglo-Saxon England, edited by Peter Clemoes (et alii). Cambridge University Press, 1974.
Frings 1934 - Th. Frings: ‘Ein altniederlandischer Satz des 11. Jahrhunderts’. In: Beiträge zur Geschichte der deutschen Sprache und Literatur 58 (1934), p. 280-282.
van Ginneken 1936/1937 - Jac. Van Ginneken: ‘Het oudste gedichtje in de Nederlandse taal’. In: Onze Taaltuin 5 (1936/1937), p. 54-57.
Goossens 1982 - Jan Goossens: ‘Oudnederlandse en Vroegmiddelnederlandse Letterkunde’. In: TNTL 98 (1982), p. 241-272.
Gradon 1979 - Dan Michei's Ayenbite of Inwyt. Vol. II: Introduction, notes and glossary by Pamela Gradon. Oxford University Press 1979 (= Early English Text Society, No. 278).
Heeroma 1952 - Klaas Heeroma: ‘Oudengelse invloeden in het Nederlands’. In: TNTL 70 (1952), p. 257-275.
van der Horst 2003 - Joop M. van der Horst: ‘De plaats van de persoonsvorm in de “Wachtendonckse Psalmen”’. In: Amsterdamer Beiträge zur älteren Germanistik 57 (2003), p. 269-280 (= Quod vulgo dicitur. Studien zum Altniederländischen, hg. von Willy Pijnenburg, Arend Quak und Tanneke Schoonheim).
van der Horst - Marschall 2000 - Joop van der Horst en Fred Marschall: Korte geschiedenis van de Nederlandse taal. Den Haag, 20004.
Jacobs 1927 - Jozef Jacobs: Het Westvlaamsch van de oudste tijden tot heden. Groningen, Den Haag, 1927.
Jordan-Crook 1974 - Handboek of Middie English Grammar: Phonology by Richard Jordan, translated and revised by Eugene Joseph Crook. The Hague-Paris, 1974.
Ker 1957 - N.R. Ker: Catalogue of Manuscripts containing Anglo-Saxon. Oxford, 1957.
Kettenis - Meyer 1980 - Greet Kettenis en Joke Meijer: ‘Veel trammelant om een klein zinnetje’. In: B. van Selm (red.): De letter doet de geest leven. Bundel opstellen aangeboden aan Max de Haan bij zijn afscheid van de Rijksuniversiteit te Leiden. Leiden, 1980, p. 9-25.
Krahe - Meid 1967 - Hans Krahe - Wolfgang Meid: Germanische Sprachwissenschaft. III: Wortbildungslehre. Berlin, 1967 (= Sammlung Göschen Band 1218/1218a/1218b).
Krogh 1996 - Steffen Krogh: Die Stellung des Altsächsischen im Rahmen der germanischen Sprachen. Göttingen, 1996 (= Studien zum Althochdeutschen, Band 29).
[p. 55]
Krogmann 1943/1947 - W. Krogmann, ‘Altenglisches in einem altniederfränkischenSatz?’. In: Jahrbuch des Vereins für niederdeutsche Sprachforschung 69-70 (1943/1947), p. 138-140.
van Loey 1964 - A. van Loey: Middelnederlandse Spraakkunst. I. Vormleer. Groningen-Antwerpen, 19644.
Marynissen 1994 - A. Marynissen: ‘Het -s-meervoud in het vroegste ambtelijke Middelnederlands’. In: Amsterdamer Beiträge zur älteren Germanistik 40 (1994), p. 63-105.
Marynissen 1996 - Ann Marynissen: De flexie van het substantief in het 13de-eeuwse ambtelijke Middelnederlands. Een taalgeografische studie. Leuven, 1996 (= Studies op het gebied van de Nederlandse taalkunde 2).
Mitchell 1985 - Bruce Mitchell: Old English Syntax. Vol. II: Subordination, Independent Elements and Element Order. Oxford, 1985.
Mooijaart 1992 - M.A. Mooijaart: Atlas van Vroegmiddelnederlandse Taalvarianten. Proefschrift Leiden, 1992.
Mossé 1962 - Fernand Mossé: Manuel de l'anglais du moyen âge des origines au XIVe siècle. II: Moyen-anglais. Tome 1: Grammaire et textes. Paris, 1962.
van Oostrom 1993 - Frits van Oostrom: ‘Omstreeks 1100: Twee monniken voeren in het Oudnederlands de pen over de liefde - De volkstaal komt op schrift’. In: Nederlandse Literatuur, een geschiedenis, hoofdredactie M.A. Schenkeveld-van der Dussen. Groningen 1993, p. 1-6.
Oudnederlands Woordenboek - Oudnederlands Woordenboek, uit te geven door het Instituut voor Nederlandse lexicografie, www.inl.nl/onw/redactie.
Philippa 1981 - Marlies Philippa: ‘De meervoudsvorming op -s in het Nederlands vóór 1300’. In TNTL 97 (1981), p. 81-103.
Philippa 1982 - Marlies Philippa: ‘Problematiek rond het -s-meervoud, een diachroon overzicht’. In: Ntg 75 (1982), P- 407-417.
Philippa 1988 - M.L.A.I. Philippa: ‘Some masculine plurals in North Sea Germanic reconsidered’. In: Nowele 1988, Vol. 12, p. 77-90.
Pijnenburg 1989 - W.J.J. Pijnenburg: ‘De meervoudsvorming in het Vroegmiddelnederlands. Aspecten van het -s- en -er-meervoud’. In: Amsterdamer Beiträge zur älteren Germanistik 28 (1989), p. 57-76.
Pijnenburg 2003 - Willy J.J. Pijnenburg: ‘Das altniederländische Wörterbuch’. In: Amsterdamer Beiträge zur älteren Germanistik 57 (2003), p. 5-18 (= Quod vulgo dicitur. Studien zum Altniederländischen, hg. von Willy Pijnenburg, Arend Quak und Tanneke Schoonheim).
Pijnenburg - Quak - Schoonheim 2003 - W.J.J. Pijnenburg, A. Quak en T.H. Schoonheim: ‘Vorwort’. In: Amsterdamer Beiträge zur älteren Germanistik 57 (2003), p. 1-3 (= Quod vulgo dicitur. Studien zum Altniederländischen, hg. von Willy Pijnenburg, Arend Quak und Tanneke Schoonheim).
Quak 1989 - Arend Quak: ‘Meervoudsvorming in Oudsaksisch en Middelnederduits’. In: Amsterdamer Beiträge zur älteren Germanistik 28 (1989), p. 43-54.
Quak 1992 - Arend Quak: ‘Versuch einer Formenlehre des Altniederländischen auf der Basis der Wachtendonckschen Psalmen’. In: Rolf H. Bremmer Jr. und Arend Quak (Hg.): Zur Phonologie und Morphologie des Altniederländischen. Odense University Press, 1992, p. 81-123 (= Nowele, Supplement Vol. 7).
Quak - van der Horst 2003 - A. Quak & J.M. van der Horst: Inleiding Oudnederlands. Leuven, 2002.
Quirk 1973 - Randolph Quirk: The Concessive Relation in Old English Poetry. Connecticut 1973 (reprint van Yale Studies' in English, vol. 124, 1954).
Rizza 1993 - Riccardo Rizza: ‘Old Dutch and its position within West Germanic’. In: Das unsichtbare Band der Sprache. Studies in German Language and Linguistic History in Memory of Leslie Seiffert, edited by John L. Flood, Paul Salmon, Olive Sayce and Christopher Wells, p. 3-23 (= Stuttgarter Arbeiten zur Germanistik, Nr. 280).
Samuels 1971 - M.L. Samuels: ‘Kent and the Low Countries: some linguistic evidence’. In: Edinburgh Studies in English and Scots, edited by A.J. Aitken, Angus McIntosh, Hermann Pálsson. London, 1971, p. 3-19.
Sanders 1974 - W. Sanders: Der Leidener Willeram. Untersuchungen zu Handschrift, Text und Sprachform. München, 1974
Schönfeld 1933 - M. Schönfeld: ‘Een Oudnederlandse zin uit de elfde eeuw’. In: TNTL 52 (1933), p. 1-8 (met reproduktie).
Schönfeld 1958/1959 - M. Schönfeld: ‘Hebban olla vogala...’. In: TNTL 76 (1958/1959), p. 1-9.
[p. 56]
Schönfeld - Van Loey z.j. [1964] - A. van Loey m.m.v. M. Schönfeld: Schönfelds Historische grammatica van het Nederlands. Zutphen, z.j. [1964]7.
de Schutter 1998 - de Schutter: ‘Nog eens over de oorsprong van het s-meervoud in het Nederlands’. In TT 50 (1998), p. 121-134.
Seebold 1970 - Elmar Seebold: Vergleichendes und etymologisches Wörterbuch der germanischen starken Verben. The Hague-Paris, 1970.
van der Sijs 2001 - Nicoline van der Sijs: Chronologisch Woordenboek. De ouderdom en de herkomst van onze woorden en betekenissen. Amsterdam/Antwerpen, 2001.
Sisam 1933 - Kenneth Sisam: ‘Mss. Bodley 340 and 342: Aelfric's Catholic Homilies’. In: The Review of English Studies. Vol. IX. - No. 33, January, 1933, p. 1-12.
De Smet 1954 - J.M. de Smet: ‘Het oudste zinnetje in onze moedertaal’. In: LB 44 (1954), p. 98-113.
Stoett 1923 - F.A. Stoett, Middelnederlandsche Spraakkunst. Syntaxis. 's-Gravenhage, 19233.
Taeldeman 1982 - Johan Taeldeman: ‘Ingwäonismen in Flandern’. In: Die Leistung der Strataforschung und der Kreolistik. Typologische Aspekte der Sprachkontakte, hg. von P. Sture Ureland. Tübingen, 1982, p. 277-296 (= Akten des 5. Symposions über Sprachkontakt in Europa. Mannheim 1982).
Tavernier-Vereecken 1948 - C. Tavernier-Vereecken: ‘Nog over hebban olla vogala nestas hagunnan hinase hi(c) anda thu’. In: HCTD 22 (1948), p. 75-91.
VMNW - Vroegmiddelnederlands Woordenboek. Woordenboek van het Nederlands van de dertiende eeuw in hoofdzaak op basis van het Corpus-Gysseling. Bewerkt door: W.J.J. Pijnenburg, K.H. van Dalen-Oskam, K.A.C. Depuydt, T.H. Schoonheim, 4 delen. Leiden, 2001.
Weijnen 1971 - A.A. Weijnen: Schets van de geschiedenis van de Nederlandse syntaxis. Assen, 1971.
Willemyns 1997 - Roland Willemyns: ‘Laatmiddelnederlands (circa 1350-1550)’. In: Geschiedenis van de Nederlandse taal onder redactie van M.C. van den Toorn, W.J.J. Pijnenburg, J.A. van Leuvensteijn, J.M. van der Horst. Amsterdam 1997, p. 147-219.
Willemyns 2003 - Roland Willemyns (Wim Daniëls, red.): Het verhaal van het Vlaams. De geschiedenis van het Nederlands in de Zuidelijke Nederlanden. Antwerpen, Utrecht 2003.
Wright-Wright 1928 - Joseph Wright and Elizabeth Mary Wright. An Elementary Middle English Grammar. Oxford University Press, 19282.

 

Adres van de auteur

 

Universiteit Gent, Vakgroep Duits, Taalkunde, Blandijnberg 2, B-9000 Gent