Vaderlandsche letteroefeningen. Jaargang 1826


auteur: [tijdschrift] Vaderlandsche Letteroefeningen


bron: Vaderlandsche Letteroefeningen. G.S. Leeneman van der Kroe en J.W. IJntema, Amsterdam 1826


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

Historia Graecorum et Romanorum Literaria. In usum juventutis concinnavit Henricus Weytingh, Phil. Theor. Mag. et Lit. Hum. Doctor, Gymnasii Campensis Rector. Editio secunda, auctior et emendatior. Delphis Batavorum apud Viduam J. Allart. 1825. oct. maj. XII et 296 pagg. f 2-90.

Van de eerste uitgave van dit voortreffelijk werkje, in 1822 verschenen, hebben wij, in dit Maandwerk, voor Nov. 1823, een welverdiend loffelijk verslag gegeven, hetwelk wij gelooven, dat het zijne heeft toegebragt tot deszelfs meerdere bekendwording en verspreiding, en alzoo tot de spoediger verschijning dezer nieuwe uitgave, welke wij dachten, dat hetzelve meer, dan ééne, hebben zou, althans, naar ons oordeel, verdiende. Ook nu, gelijk te voren, hebben wij er, elders, nog geene aankondiging van vernomen, waarschijnlijk omdat men het ook nu aan de redactie der Maandwerken niet gezonden heeft. Ditmaal willen wij echter, omtrent het stuk voerhanden, nog berigten, dat het auctior et emendatior niet te vergeefs op den titel staat. Want niet alleen zijn de drukfouten verbeterd, is de stijl, schoon reeds goed, nog nader beschaafd, en zijn, in den tekst, doorgaans nuttige veranderingen en verschikkingen gemaakt en aanmerkelijke bijvoegsels ingevlochten, (men vergelijke, bij voorbeeld, Part. I. Sect. IV. §. 6 env. van deze met de vorige uitgave, en Sect. V. §. 4 enz.) maar ook zijn er thans Registers, of Naamlijsten, zoo van de oude, als latere Schrijvers, aangehecht. Wij hebben echter opgemerkt, dat de laatste Index verre af is van volledig te zijn. Behalve vele anderen, is er b.v. van bruckerus niet gewaagd, zoo min als, in den tekst, van de uitgebreidere Historia Philosophica van dezen, waarop wij voorheen opmerkzaam gemaakt hadden Maar meer heeft

[p. 394]

ons verwonderd, dat de geleerde Schrijver ons verlangen, om, bij eene nieuwe uitgaaf, ook, ten dienste van Godgeleerden, gewag te maken van de Grieksche Vertalingen van het Oude, en de Schrijvers van het Nieuwe Verbond en derzelver voorname uitgaven, op bladz. 38 daarmede beantwoordt, dat hij chrysostomus, gregorius nazianzenus en basilius magnus daarom alleen genoemd heeft, omdat zij onder de welsprekende Redenaars behooren; maar dat de overige zoogenoemde Kerkvaders, als die de Godgeleerdheid behandelen, verre buiten zijn bestek liggen. Dit, dunkt ons, is verre van een voldoend antwoord. De gewijde Schrijvers zijn geene Kerkvaders. Ook begrijpen wij niet, hoe het buiten het bestek eens werks, dat, volgens zijnen titel, verslag doet wachten van alle Grieksche en Latijnsche Schrijvers, liggen kan, te gewagen van de Schrijvers der Grieksche Vertalingen van het Oude, of de oorspronkelijk Grieksche Schrijvers van het Nieuwe Verbond. Zoo begreep het jo. alb. fabricius, in zijne Bibliotheca Graeca, niet, gelijk wij voorheen hebben opgemerkt. Zouden de gewijde Schrijvers hier verbannen moeten worden, omdat zij geene oorspronkelijke Grieken waren? Maar onder welken titel komen flavius josephus en philo de jood hier dan voor? Hoe hangt daarenboven (ten aanzien der Grieksche Kerkvaders) met het gemelde te zamen, dat, onder de Latijnen, van tertullianus, minucius felix, eyprianus, arnobius, lactantius, hilarius, ambrosius, hieronymus en augustinus berigt gegeven wordt? Hebben dezen dan ook de Godgeleerdheid niet behandeld? En welke vreemde stelling, dat van een boek, hetwelk van Schrijvers in alle vakken van wetenschap en geleerdheid verslag doet, Godgeleerden alleen uitgesloten zijn, omdat zij Godgeleerden zijn! - Wij houden het daarvoor, dat de Heer weytingh zich eenigzins heeft willen verschoonen, wegens het niet voldoen aan ons voorheen geuit verlangen; doch wij begrijpen niet, dat zijn Ed. zelf die verschooning voor geldend kan houden, daar wij toch wèl weten, dat men gezocht heeft, om iemand te vinden, welke het ontbrekend vak kon aanvullen, hetgeen wij voorheen zelf geoordeeld hadden, dat van zijn Ed. niet te vergen was. Dat men nu niemand gevonden heeft, spijt en verwondert ons. De taak was toch zoo uitstekend zwaar niet; en, wij blijven er bij, hare vervulling behoorde tot de vol-

[p. 395]

ledigheid van dit werkje, waaraan wij verder veel vertier blijven wenschen, en hopen, dat, bij eene volgende uitgaaf, het ontbrekende zal zijn toegevoegd.