Vaderlandsche letteroefeningen. Jaargang 1826


auteur: [tijdschrift] Vaderlandsche Letteroefeningen


bron: Vaderlandsche Letteroefeningen. G.S. Leeneman van der Kroe en J.W. IJntema, Amsterdam 1826


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

Napoleon te Leyden, oct. 1811.

Aan den Redacteur der Vaderlandsche Letteroefeningen.

 

Mijnheer!

 

In uw geacht Tijdschrift voor Sept. 1826. No. XI. het berigt lezende, hetwelk door den Hoogeerw. van geuns omtrent de gehoorgeving van napoleon te Leyden, 23 Oct. 1811, medegedeeld is geworden, kwam de lust bij mij op, om ook nog het een en ander met betrekking tot die merkwaardige Audientie op te stellen en u toe te zenden. Dat het in uw Maandwerk worde opgenomen, zoo gij het waardig oordeelt, om als een appendix tot het reeds medegedeelde geplaatst te worden. Ik zal hiermede ook voldoen aan den wensch van genoemden Heer, die zijn berigt met de woorden eindigt: ‘Heb ik mij hier of daar in mijne opgave vergist, niets zal mij aangenamer zijn, dan dat zulks, door een' mijner mede oog- en oorgetuigen, liefst door middel van dit eigen tijdschrift, aan het publiek worde onder het oog gebragt.’

Het medegedeelde door den Heer van geuns is, wat de hoofdzaken betreft, volmaakt overeenstemmend met het inderdaad gebeurde. Ik voeg tot hetzelve slechts dit.

Mij was het verzoek van onze toenmalige Stadsregering, om als vertegenwoordiger der Evang. Luth. Gemeente op die gehoorverleening te verschijnen, hoogst aangenaam. Nu, dacht ik bij mijzelven, zal ik dan toch eindelijk dien buitengewenen man eens van nabij zien, hem hooren spreken, en misschien zelf met hem spreken, die de geheele wereld van zijnen roem doet gewagen, en die, gehuwd aan eene

[p. 727]

dochter uit het Oostenrijksch Keizershuis, zijne magt op eenen vasten en onbewegelijken grondslag heeft gevestigd; ik zal den man zien, die daden en krijgsbedrijven verrigt heeft, bij welke die van alle vreegere eeuwen in de schaduw staan, ja als in het niet wegzinken; ik zal eenen man zien, als 't ware eenig in de geschiedenis van vroegere en latere tijden! Er waren, naar mijn oordeel, wel vele punten van vergelijking tusschen napoleon en julius cesar. Ik had steeds bij beiden groote ervarenheid in het krijgswezen gevonden; snelle togten, die den vijand overrompelden, die de zege beslisten. Napoleon wist zijne soldaten door aanspraken tot heldenmoed en tot verduring der grootste vermoeijenissen en ontberingen te ontvlammen; ook cesar had die kunst meesterlijk verstaan. Fijn en geslepen was steeds de staatkunde van julius cesar geweest; napoleon stond hierin met hem gelijk, zoo hij hem niet nog verre overtrof. Nu, beide waren immers ook in het vaderland van eenen machiavelli geboren! -

Wat mij echter napoleon steeds boven julius cesar deed stellen? Cesar was van eene magtige Patrieische familie geboren, en werd door zijne geboorte en betrekkingen van rang tot rang verheven; de arme Elève van Brienne moest zichzelven verheffen.

Ik trad de Audientiezaal binnen; ik zag napoleon, en hoorde hem met zulk eene bewonderenswaardige vlugheid over duizend onderwerpen spreken, Regtsgeleerdheid, Theologie, Geschiedenis, Hierarchij der Paussen, Physica, Mathesis, oude en nieuwe Talen, Moraal, Tolerantie, enz. enz. enz. dat de gedachte bij mij opkwam: welk een buitengewoon mensch! Zoo over alles te kunnen spreken, al is het dan ook maar oppervlakkig, - waarlijk, dit voorondersteit eene buitengemeene kennis! Ware hier iemand, die, als een tweede brutus, de aarde van dien Overweldiger wilde verlossen, mij dunkt de dolk moest zijne hand ontzinken, bij het hooren van zulke schier over alles loopende vragen, bij zulke gezonde reflectiën!

Men had mij veel verhaald van den haast niet te verdragen blik, van den scherpen oogopslag, waarmede hij als in het hart van diegenen lezen wilde, die voor hem verschenen. Dit vond ik niet. Het was zeker geene tronie, op welke de domheid als geteekend staat; maar ook niets zeer buitengewoons. Waarlijk, het was niet die majestueuze, imposants

[p. 728]

houding, niet die alles ter nederbliksemende blik, die aan Engelands groote Koningin, elisabeth, zoo algemeen wordt toegekend, en waarvan ons ook walter scott, in zijn Kasteel van Kenilworth, zoo menigen merkwaardigen trek verhaalt.

Ziet hier mijne gedachten en gewaarwordingen vóór en bij die merkwaardige gehoorverleening. De weinige bescheidene aanmerkingen, welke ik op het berigt van den Heer van geuns te maken heb, zijn:

1) Napoleon zeide tot Prof. boers: Ah! ce calvin, n'a-t'il pas fait bruler le pauvre servet? Verder: Enseignez à vos étudiants surtout la morale. C'est la morale dont les hommes ont principalement besoin. Enseignez leur aussi la tolerance. Ils devont être tolerants envers tout le monde; envers les Catholiques, les Luthériens, même envers les Juifs.

2) Het vaardig antwoord van den Heer kemper op de vraag: Monsieur le Professeur, ne pensez-vous pas que le droit du canon va bien plus vite encore? was, zoo ik meen: Sire! nous esperons que, sous les auspices de votre Majesté, les droits du canon defendront toujours les droits de l'humanité.

3) De Keizer vertoefde na den afloop der audientie nog al eenigen tijd. Ik bleef in de zaal, hoorde hem nog eenige oogenblikken badinerend met den Heer van noort spreken, die Kommandant der Eerewacht was en hem had ingehaald. Vervolgens had ik nog gelegenheid naar hem toe te gaan en hem een rekwest te overhandigen, hetwelk hij met veel beleefdheid aannam, waarop ik echter nooit eenig antwoord heb ontvangen. Nu, hij kreeg ook kort daarna zoo veel in het Noorden te doen, dat hij aan een' prediker in Nederland wel niet kon denken!

4) De achtingwaardige Roomsche Geestelijke, die den Heer ocke vergezelde, was de Heer de ram, Pastoor der Fransch Roomsche Gemeente binnen onze stad.

 

Leyden, 20 Oct. 1826.
j.h. junius, Evang. Luth. Predikant.