Vaderlandsche letteroefeningen. Jaargang 1839


auteur: [tijdschrift] Vaderlandsche Letteroefeningen


bron: Vaderlandsche Letteroefeningen. G.S. Leeneman van der Kroe en J.W. IJntema, Amsterdam 1839


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

Grunoos Zegefeest. (28 Augustus 1838.) Door R. Bennink Janssonius. Te Groningen, bij J. Oomkens. 1838. In gr. 8vo. f :-25.
November 1813 herdacht. Dichtregelen door F.H. Greb. 's Gravenhage, bij W.P. van Stockum. 1838. In gr. 8vo. f :-25.

Wanneer eenmaal onze tallooze zangers en zangertjes aan het uitgeven hunner werken begonnen zijn, dan schijnt het, alsof de zucht, om hunne producten gedrukt te zien, tot eene ziekte wordt. Bij elke gelegenheid maken zij verzen, hetgeen hun volkomen vrijstaat; maar ongelukkig is het, dat alles, wat gemaakt wordt, ook het licht moet aanschouwen. Welk eene menigte grootere en kleinere dichtstukken komt er bijna maandelijks uit, en hoe weinig is er, dat geschikt is, om den roem der Dichters en der vaderlandsche Letterkunde te verhoogen! Ook de beide stukjes, aan het hoofd

[p. 139]

dezes gemeld, hadden gerust ongedrukt gebleven kunnen zijn. Het eerste is bij gelegenheid van den thans weder gevierden gedenkdag van Groningens ontzet in 1672. Er is in dezen lierzang hier en daar gang; gemakkelijkheid van versisicatie kan ook den Heere janssonius niet worden ontzegd. Maar er is zoo veel onbepaalds, zoo veel valsch vernuft en loutere klingklang in dit kleine stukje, dat het beter ongedrukt ware gebleven. Wat beteekenen b.v. de ijzeren schachten van den adelaar, aan wien bevolen wordt:

 
... plof met meer dan reuzenkrachten
 
Op 't muurgevaart van 's Bisschops staal,
 
En beuk en kneus in heilge woede
 
Den arm, die aan zijn oorlogsroede
 
Nog 't eerloof hecht der zegepraal?

Of heeft het eenigen zin, als de kracht der stad genoemd wordt

 
De strandrots, waar zich de oorlogszwaarden
 
Van Keulens beirstoet stomp op schaarden?

Heeft het zin, of is het enkel om het rijm, dat er gesproken wordt van de wreed gefnuikte lijfsvasallen? enz. enz. Dat die jonge Dichters niet eerst leeren denken, voordat zij hunne half geborene gedachten in zangen uitstorten!

De Dichtregelen van den Heer greb zijn in IV afdeelingen gesplitst; eene gemakkelijke manier, als men het te moeijelijk vindt of geen tijd heeft, om een goed zamenhangend geheel te maken. Dezelfde aanmerkingen als op de bovenstaande zijn ook op deze dichtregelen veelzins toepasselijk. De tijd is voorbij, dat het onzinnig schelden en razen op napoleon, die overdrevene schilderingen, als ware hij een helgeest enz., in den smaak kunnen vallen. Dat liet zich in de eerste dagen van billijke verontwaardiging en welverdienden haat verklaren. Nu de gemoederen bedaarder zijn geworden, verfoeit men den dwingeland evenzeer, maar men lacht toch om al den onzin, die in rijm en onrijm over hem is uitgebraakt. Dien onzin vinden wij in deze regelen nog eens weder oggedischt. Napoleon is daar eene reusgestalte in den nacht, met den bliksemstaf van d'Oppergod in hand (zeker voor in de hand.)

[p. 140]
 
En bij den straal van vuur, die, door het hevig slingeren
 
Diens schepters, als ontspringt aan zijne ontzagbre vingeren,
 
Zien wij de Maagd van Nederland!

Als dat geen bombast is, weet Rec. er niets van. En met dienzelfden bombast is I, II en III opgevuld. Waarlijk, het is jammer, dat IV, waarin gang en warmte is, vergezeld moet gaan van deze smakelooze en onzinnige wartaal! Het goede papier is wel geduldig, en ons publiek wel ligt voldaan, als het met deze dichtregelen November 1813 naar wensch en behoefte herdacht vindt.