Vaderlandsche letteroefeningen. Jaargang 1844


auteur: [tijdschrift] Vaderlandsche Letteroefeningen


bron: Vaderlandsche Letteroefeningen. G.S. Leeneman van der Kroe en J.W. IJntema, Amsterdam 1844


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

Lente en Herfst. Verspreide en nagelaten Dichtloveren van A. van der Hoop. Te Rotterdam, bij H. Nijgh. 1842. In gr. 8vo. XXIII en 269 bl. f 4-20.

Rec. is nimmer blind geweest voor de groote dichterlijke gaven van den Heer van der hoop, en zoo dikwijls hij zijn oordeel over diens poëzij voor het publiek bragt, getuigde zijne aankondiging van zijne waardering van des dichters verdiensten, en van de groote verwachting, welke hij van zijne werken meende te mogen koesteren, en waaraan niet altijd voldaan werd. Als hij daarbij vrijmoedig de gebreken aantoonde, waardoor de dichtstukken van van der hoop ontsierd werden, hij deed dit niet met oogmerk, om dezen iets in het minst te kort te doen, maar enkel in de hoop, dat die aanwijzing den Dichter zelven strekken zou tot eene aansporing, om zijne verzen te volmaken en alzoo de hooge verwachtingen volkomen te vervullen, waartoe zijne eerste optrede als dichter ons regt had gegeven.

Bij de aankondiging van deze nagelaten gedichten acht Rec. zich echter niet geroepen, om, gelijk hij vroeger meermalen deed, eene eigenlijke beoordeeling dezer stukken te geven. De vriendschap gaf dezen bundel in het licht; het is het laatste, wat wij van de hand des begaafden mans kunnen ontvangen; hij zelf heeft slechts eenige stukken

[p. 281]

aangewezen, die hij vooral wenschte te zien opgenomen, en zou misschien deze of gene verzen, op wier toon en inhoud wij zouden meenen aanmerkingen te moeten maken, ter zijde hebben gelegd, indien hij, in bedaarde oogenblikken ze nalezende, zelf eene keuze had moeten doen. De taak van den Uitgever van nagelaten letterarbeid is moeijelijk. Vooringenomenheid met het werk van den vriend, schroomvalligheid, om ongebruikt te laten, wat de overledene zelf ligt op hoogen prijs stelde, de vrees, om aan de eer zijner nagedachtenis te kort te doen door het opnemen van stukken, die in de oogen van anderen minder waarde kunnen hebben, dat alles vereenigt zich, om den arbeid des Uitgevers lastig en bezwarend te maken.

De Heer greb heeft zich van zijne taak met ijver en naauwgezetheid gekweten, en vindt men ook al hier of daar stukken, die men liever zou hebben willen missen, de bundel zal de nagedachtenis van den Dichter geene oneere aandoen. Gedeeltelijk bestaat dezelve uit fragmenten van onvoltooide dichtstukken, waarvan wij het eerste: De Deensche Vesper, vooral met genoegen lazen. Het tweede stuk: Christus, bestaat uit losse fragmenten; waarin de theologische denkwijze van den Dichter hier en daar zeer uitkomt, niet altijd evenzeer zijne theologische of uitlegkundige kennis. Doch vooral onder de kleinere stukken zijn er vele, die wij gaarne in dezen bundel zien opgenomen, en die zoowel van 's Dichters gaven, als van zijne goede gevoelens, vooral van liefde voor vrouw en kroost, getuigen. Allen, die de poëzij van van der hoop bij zijn leven hebben hooggeschat, bevelen wij dan ook gaarne deze verzameling aan. Vinden zij hier en daar vroegere gebreken van zijnen dichttrant weder, zij zullen er ook veel goeds, veel fraais in aantreffen, dat het hen zal doen betreuren, dat de dood den Dichter zoo vroeg heeft weggerukt.

De Heer greb heeft de hulde der vriendschap aan den overledene gebragt in een wèlgeschreven stuk ter zijne nagedachtenis. Opmerkelijk was ons daarin de wijze, waarop over de Gids wordt gesproken. In de redevoering van den Heer meijer over van der hoop werd ons Tijdschrift bitter aangevallen, als had het de verdiensten van den Dichter miskend, en in tegenoverstelling daarvan werd de Gids ten hemel verheven. Hier daarentegen lezen wij van ‘een nieuw maandschrift, uit den côterie-geest van eenige jeugdige let-

[p. 282]

terbeoefenaars en aankomende dichters geboren. Met vele kundigheden, maar bitter weinig humaniteit toegerust, ving dat maandschrift aan, de erkende verdiensten van velen te verguizen. Ook van der hoop deelde in dat lot, en weldra ontzag men zich niet, van zijn neerlaag en val te spreken.’ (Bl. XVI). Wij laten het hier gevelde oordeel aan zijne plaats, maar weten moeijelijk de verschillende opiniën der twee lofredenaars overeen te brengen. Wij voor ons hebben van der hoop als Dichter altijd hooggesteld, schoon wij het dikwijls betreurden, dat hij nog niet meer geworden was, wat hij had kunnen zijn. Doch ook nu erkennen wij in hem een sieraad onzer letterkunde, wiens talenten groot waren, en wiens naam als die van een gelukkig beoefenaar onzer poëzij, als van eenen waarachtigen Dichter, zal blijven leven.

Deze bundel is allerkeurigst uitgevoerd, en met een fraai portret van den Dichter versierd. Voor een en ander verdient de Uitgever hoogen lof.