[O Heere, staet doch altijt in mijnen sinne]

Op de wijse: O Kranckheyt des vleys nu wilt u truiren laten.

 
O Heere, staet doch altijt in mijnen sinne,
 
Mijn Siele verlanget om by u te zijn,
 
Mijn hert' is ontbroken door uwe minne,
 
Och wanneer sal ick komen voor u anschijn?
 
2. Gy kleyne vergadering' wilt niet vreesen,
 
Wie verwint sal de Kroone ontfaen,
 
Ick kome tot u en laet u geen Weesen,
 
O mijn uytverkoren en wilt u niet verslaen.
 
3. Gy schoonste onder de kinderen der menschen,
 
Mijn ziele verlanget om by u te zijn,
 
Nae u saligheyt moet ick altijdt wenschen,
 
Och wanneer sal ick komen voor u aenschijn?
 
4. Staet op mijn vriendinne wilt nader komen,
 
Wie verwint, sal de Kroone ontfaen,
 
Mijn Bruyt, gy hebt my het herte ontnomen,
 
O mijn uytverkoren en wilt u niet verslaen.
 
5. O Heere, komt doch tot mijner baten,
 
Mijn Siele verlanget om by u te zijn,
 
Gy zijt mijn sterkheyt en wilt my niet verlaten,
 
Och wanneer sal ick komen voor u anschijn?
 
6. Ick ben u trooster wilt u niet vervaren,
 
Wie verwindt sal de Kroone ontfaen,
 
Ick sal u in 't vyer, en water bewaren,
 
O mijn uytverkoren, en wilt u niet verslaen.
 
7. O Heer, hoe sal ick u ten vollen dancken,
 
Mijn Siele verlanget om by u te zijn,
 
O Edel Wijnstock lavet doch u rancken,
 
Och wanneer sal ick komen voor u aenschijn?