Verslagen en mededelingen van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde 1902


auteur: [tijdschrift] Verslagen en mededelingen van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde


bron: Verslagen en mededelingen van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde 1902. Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde, Gent 1902


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 59]

Lezing.
Het Woordenboek der Nederlandsche Taal en de critiek in Zuid-Nederland.

De stichter van het Woordenboek der Nederlandsche Taal heeft er in zijn classieke Inleiding op gewezen, hoe weinig zakelijk de critiek was, waaraan het Woordenboek tot dan toe werd onderworpen, en de hoop uitgesproken dat daar verandering in zou komen.

‘Thans, nu eindelijk een Deel is afgesloten, is de tijd voor meer gezette en grondige critiek aangebroken. De hernieuwde uiteenzetting van de geschiedenis, den aard en de bestemming onzer onderneming, door mij in deze Inleiding gegeven, kan medewerken om haar het juiste standpunt aan te wijzen. Stelt zij zich ten doel, ons plan in verband met de behoeften der natie te beoordeelen, na te gaan of wij aan het voorgenomen bestek getrouw zijn gebleven, of te midden van zooveel verscheidenheid de eenheid behoorlijk in acht is genomen, of wij voldaan hebben aan de eischen der hedendaagsche wetenschap, en of onze opmerkingen van practischen aard iets kunnen bijdragen om den bloei der taal te bevorderen: dan mogen wij van hare beschouwingen nuttige leering en bruikbare wenken

[p. 60]

verwachten, die ons bij het voortzetten van den arbeid goede diensten kunnen doen. Vervult zij daarbij tevens hare taak - waarop men tot dusverre niet lette - om het Nederlandsch Woordenboek in zijn aard en aanleg te vergelijken met andere werken van dezelfde soort, door naburige volkeren aan hunne talen gewijd, dan zal het karakter van het onze des te beter in het ware licht treden, en zoo zal zich allengs een billijk en onpartijdig oordeel vestigen over de wijze, waarop wij aan het vertrouwen onzer lastgevers hebben beantwoord.’(1)

Van die grondige en gezette critiek is, zoover ik weet, niets gekomen. In Noord-Nederland is het vóor als na gebleven bij op- en aanmerkingen over details. De opzet van het Woordenboek zelf is niet meer ter sprake gebracht, te minder, daar die opzet langzamerhand de veranderingen onderging, welke door de gewijzigde begrippen op taalkundig gebied noodzakelijk werden, en het groote werk zoodoende op het standpunt der voortschrijdende wetenschap bleef.

In Zuid-Nederland is de toestand eenigszins anders geweest. Langen tijd is hier om zoo te zeggen in 't geheel geen spraak geweest van critiek. Althans zoolang De Vries leefde: zijn persoonlijkheid hield ze op eerbiedigen afstand. Eerst sedert zijn dood schijnt men den moed gekregen te hebben op het Woordenboek aanmerkingen te maken, waarbij men

[p. 61]

het meestal, in tegenstelling met hetgeen zich in Holland voordeed, wel degelijk op den aanleg van het werk gemunt heeft, maar merkwaardigerwijze steeds zorgvuldig vermijdt zich op dat ‘juiste standpunt’ te plaatsen, door De Vries in de Inleiding aangewezen. Men schijnt het er hier vooral op te willen toeleggen, het werk der jongere Redactie tegenover dat van den Meester te stellen, alsof zij het door dezen vastgestelde plan was ontrouw geworden; met een zonderlinge verblindheid doet men de opvolgers allerlei verwijten, waarvan iedereen, die de zaak ook slechts oppervlakkig maar te goeder trouw onderzoekt, onmiddellijk zal erkennen dat ze aan een verkeerd adres gericht zijn en, gesteld dat ze gegrond blijken, niet die opvolgers, maar den Meester zelf treffen. Met een woord, men krijgt den indruk, dat de Zuidnederlandsche critici alleen daarom zoolang gezwegen hebben, omdat ze De Vries niet aandurfden, terwijl ze voor de jongere Redactie noch denzelfden eerbied noch dezelfde vrees kunnen koesteren. Tot nog toe was die critiek vrij beknopt en verscheen ze anoniem, - redenen om er niet op in te gaan. Maar daar is thans verandering in gekomen: ons geacht medelid, de heer Claes heeft zich wat uitvoeriger uitgelaten en is met open vizier in 't krijt getreden: in de Dietsche Warande en Belfort(1) en in De Vlaamsche Kunstbode(2)

[p. 62]

heeft hij verschillende artikelen over 't Woordenboek geplaatst, en ten slotte heeft hij het als een duren plicht beschouwd, ‘dewijl... niemand anders die taak schijnt op zich te willen nemen’, de in het tweede dezer artikelen uitgesproken beweringen hier in de Academie grootendeels woordelijk te herhalen, vermeerderd met eenige andere, en zoogenaamd toegelicht met meer voorbeelden. Ook al bond mij niets aan het Woordenboek noch aan de Redactie, toch zou ik thans het oogenblik gekomen achten om de uitgebrachte critiek te bestrijden en een poging te doen om een gezonder opvatting over aanleg en strekking van ons Taalmuseum ingang te doen vinden. Het feit echter, dat ik lid ben Uwer Academische Commissie voor het Woordenboek en tevens correspondeerend lid der Redactie in Zuid-Nederland, maken mij dit optreden tot een plicht. Aan de eene zijde komen in geen enkel der verslagen Uwer Commissie, waaraan ik heb medegewerkt, aanmerkingen voor in den aard van die welke wij uit den mond van ons medelid hebben gehoord; is die critiek juist, dan is er alle reden om te beweren, dat Uwe Commissie niet op de hoogte der haar opgedragen taak is. Aan de andere zijde treffen talrijke aanmerkingen den Zuidnederlandschen adviseur der Redactie persoonlijk.

Als we daarenboven nog bedenken, dat de bedoelde critiek in deze vergadering met het epitheton ‘onpartijdig’ is bestempeld en het besluit der Academie, het stuk in hare Verslagen op te nemen,

[p. 63]

in het oog van het verder staand publiek als een soort van officieele sanctie geldt, terwijl het eigenlijk slechts een beleefdheid is, dan zal men het, hoop ik, billijken dat ik het voor het Woordenboek en zijn samenstellers opneem, daar die critiek niet slechts onpartijdigheid mist, maar het gevolg is van verkeerd inzicht in den aard, den aanleg en de strekking van het Woordenboek, en vooral - het spijt me dat ik het zeggen moet, want het klinkt vrij onwaarschijnlijk - van onnauwkeurig lezen en verkeerd verstaan van wat er metterdaad in 't Woordenboek te lezen, van wat er zwart op wit gedrukt staat.

I.

De eerste vraag welke onderzocht wordt is deze: Is het Woordenboek algemeen voor Zuidgelijk voor Noord-Nederland?

Het antwoord luidt kortaf neen, op verschillende gronden, die wij nader willen beschouwen.

Na er met blijkbare instemming aan herinnerd te hebben, dat de drie redacteuren, De Vries. Te Winkel en David, niet alléén de bouwstoffen voor het Woordenboek konden bijeenbrengen, zegt de heer Claes:

‘In zijn Verslag namens de Commissie van het Woordenboek, door De Vries in 1862 te Brugge voorgelezen, noemt hij twee dozijnen Noordnederlandsche geleerden, “landgenooten van naam”, zegt hij, “allen mannen van gezag in wetenschap of praktijk”, die zich volgaarne bereid hadden ver-

[p. 64]

klaard hem “met hunne kennis en hunnen ijver ter zijde te staan”; daarnaast noemt hij geenen enkelen Zuidnederlander!’

Met eenig recht kan men vragen, waarom de heer Claes, toen hij zich wilde vergewissen van het aandeel der Zuidnederlanders in het verzamelen der bouwstoffen voor het Woordenboek, er niet liever de Inleiding heeft op nageslagen, waar De Vries immers voor het laatst en definitief verslag heeft gegeven over de hulp welke hij heeft mogen ondervinden. Evenzoo, waarom de mededeelingen over het apparaat van 't Woordenboek in de laatste jaren bij herhaling gedaan, laatstelijk in de circulaire door Uwe Woordenboekscommissie aan alle leden der Academie gezonden, geignoreerd worden.

Dit eenmaal zoo zijnde ben ik wel verplicht aan te toonen, dat hetgeen de heer Claes gezegd heeft zonder eenige bewijskracht is, zooals duidelijk blijkt, als men den geheelen passus met de noodige aandacht overleest. De Vries spreekt daar nl. over de bezwaren, welke de Redactie ondervond met betrekking tot de terminologie der onderscheiden vakken van kennis en bedrijf die buiten het bereik zijner studiën lagen, en noemt vijftien Hollandsche geleerden op, die hunne hulp hadden toegezegd voor woorden betreffende: natuurkunde, geneeskunde, ontleedkunde, dierkunde, scheikunde, godgeleerdheid, zeewezen en scheepsbouw, krijgsbouw, bouwkunde, waterstaat, aardkunde, landbouw, bouwteelt, plantenkunde, schoone kunsten, staat-

[p. 65]

huishoudkunde en rechtsgeleerdheid. Ik vraag het in gemoede, waren er in het jaar 1862 Zuidnederlandsche geleerden die de Redactie van 't Woordenboek op het gebied der genoemde wetenschappen en bedrijven konden voorlichten? Noem mij onze mannen van gezag in wetenschap of practijk, die in het jaar 1862 de Nederlandsche terminologie kenden der natuurlijke en geneeskundige wetenschappen, van waterstaat, zeewezen, scheepsbouw, krijgswezen enz.! Ze waren er niet! Maar al waren zij er geweest, dan hadden zij zich die terminologie alleen eigen kunnen maken door omgang met Noordnederlandsche geleerden en boeken, en wat dan? Moest hetzelfde werk twee maal verricht worden? Wel waren hier menschen genoeg, minder of meer grondig bekend met de technische woorden eigen aan een aantal bedrijven, als landbouw, bouwkunde, de verschillende handwerken, scheepsbouw, in een zekere mate ook zeewezen, enz., maar dat waren geen geleerden, bekwaam om de Redactie voor te lichten. En al was dat anders geweest, als De Vries ook geen enkelen dergelijken Zuidnederlander noemde, aan wie de schuld?

Laat ons eens de geschiedenis der voorbereiding van 't Woordenboek meer in bijzonderheden nagaan, en het verslag ter hand nemen door De Vries op het vierde Congres, in 1854 te Utrecht gehouden, voorgedragen. Daarin vindt men achteraan, als Bijlage C, een lijst der ingekomen en toegezegde bijdragen voor 't apparaat van 't Woordenboek.

[p. 66]

Als wij die lijst even doorloopen, dan zien we dat de volgende afkomstig zijn van Zuidnederlanders:

SCHRIJVERS Ingekomen of toegezegde bijdragen BEWERKERS
Poirters Masker van de wereldt Dautzenberg.
Poirters H. Hof van den Keyzer Dautzenberg. Theodosius en enkele kleinere stukken. Dautzenberg.
  Dautzenberg.
Ogier De Seven Hooft-sonden. Heremans.
Bilderdijk Ziekte der geleerden. J. David.
  Ovidius, gedaanteverwisselingen. J. David.
  Zedelijke gispingen. J. David.
Tollens Eenige uittreksels uit de verschillende dichtbundels. Ph. Blommaert.
A. De Buck Vertaling van Boëtius. Snellaert
Heinsius Nederduitsche gedichten. P. van Duyse.
Harduyn Dichtwerken. P. van Duyse.
Zevecote Gedichten. P. van Duyse.
L. De Meyer De Gramschap. P. van Duyse.
M. De Swaen Dichtwerken. Snellaert.
Bilderdijk Al de boven niet genoemde dichtwerken. J. David.
  Verschillende uittreksels. J. van Beers.
Hasebroek Waarheid en Droomen. Heremans.
V. Koetsveld Pastorij van Mastland. Heremans.
  Geschied- en Oudheidkunde. }Jan de Laet.
  Geschied- en Oudheidkunde. }K. Stallaert.
  Geschied- en Oudheidkunde. }M.v.d. Voort.

Dat geeft 10 bewerkers met 16 geëxcerpeerde werken, waaronder een opmerkelijk getal geschriften van Noordnederlanders, en drie onduidelijke opgaven. Daarentegen vermeldt de lijst 60 Noordnederlandsche helpers met 100 werken, in welk getal elk auteur als een eenheid geteld is, terwijl daar verzamelingen onder zijn als de werken van Vondel, Feith, Conscience, Van Lennep, Van

[p. 67]

der Palm, Beets. Wagenaar enz. enz. Doch, dat is het minste. De vraag is, hoe hebben de bewerkers zich van de op zich genomen taak gekweten?

Vooreerst moet worden gezegd, dat noch J. De Laet, noch Stallaert, noch Van der Voort ooit een letter schrifts aan de Redactie hebben gezonden, wat hieruit blijkt dat De Vries hunne namen niet heeft vermeld, toen hij in de Inleiding hulde bracht aan hen die wél hadden geholpen(1). Blijven de anderen.

Het zij me vergund mijne medeleden even te herinneren aan de statistieken vroeger door sommige leden der Commissie voor Nieuwere Taal- en Letterkunde opgemaakt. Uit die statistieken kan men reeds zien, dat het aantal citaten uit de bovengenoemde werken, die in 't Woordenboek voorkomen, zeer gering is.

Nu heeft men tot nog toe niet openlijk durven beweren, geloof ik, dat de Redactie, hetzij dan De Vries zelf, hetzij zijn leerlingen, de Zuidnederlandsche citaten terzijde legt, alleen maar omdat ze Zuidnederlandsch zijn. Dat ware dan ook vrij ongerijmd. De reden moet dus elders te zoeken zijn, en me dunkt dat niemand een buitengewone dosis denkvermogen hoeft te verspillen om die reden te vinden. Als de Redactie, aan wier betuigingen van liefde voor de Zuidnederlandsche broeders en hunne werken niet te twijfelen valt, zoo weinig Zuidnederlandsche citaten

[p. 68]

geeft, dan kan een kind beredeneeren, dat ze die citaten zeer waarschijnlijk niet heeft. En zoo is het ook werkelijk!

Daaraan is in de laatste jaren bij verschillende gelegenheden herhaaldelijk en met nadruk herinnerd door hen die het wisten; in de circulaire der Woordenboekscommissie werd er zeer bepaaldelijk de aandacht op gevestigd. Wat meer is, De Vries zelf heeft reeds jaren geleden den Vlamingen beleefd, maar onomwonden onder 't oog gebracht, dat hunne medewerking niet was wat hij recht had te verwachten. Laat ons ook eens zijn tweede Verslag, in 1856 te Antwerpen voorgedragen, inzien. Nadat hij gesproken had over de plichten die allen, ‘voor wie de beoefening der taal eene ernstige roeping is’, tegenover het Woordenboek te vervullen hadden, richtte De Vries zich tot de Vlamingen met de volgende woorden:

‘Vergunt ons een woord, tot U in het bijzonder gesproken, Vlaamsche broeders! wier gastvrije ontvangst hier op nieuw getuigt van uwen vaderlandschen zin. Gij hebt aan onze Redactie uw vertrouwen geschonken; gij hebt de taak, die zij aanvaardde, met geestdrift toegejuicht. En te regt. Want het Nederlandsch Woordenboek, dat zij eenmaal aan het vaderland hoopt te schenken, het moet de taal van Zuid en Noord gelijkelijk omvatten; het moet de afspiegeling zijn van de eenheid, die op dit gebied onveranderlijk zal bestaan; het moet Vlaamsch en Hollandsch eens voor al verbinden

[p. 69]

tot ééne gemeenschappelijke Nederlandsche taal. Maar het moet ook een gewrocht zijn van den gelijken ijver, die Vlamingen en Hollanders eendragtig bezielt voor dit edel doel. En dan... zij ons de vraag ten goede gehouden, of uwe medewerking aan die bestemming wel geheel evenredig was. Het is waar, bij ons overzigt van den arbeid, aan Nederlandsche dichters en schrijvers gewijd, hebben ook Vlaamsche namen niet ontbroken: onze Redactie heeft het dankbaar erkend. Maar wij hadden zoo gaarne ze talrijker gewenscht. Het verjongde Vlaanderen heeft immers menig sieraad der letterkunde aan te wijzen, wiens werken aan het Woordenboek groot gewin konden geven. De rijke letterschat van Noord-Nederland is immers mede uw eigendom, dat ruime stof ook voor U beschikbaar stelt. En levert ook hier het praktische leven geen overvloed van kunstwoorden op? Wappert ook de Belgische vlag niet over de wijde zee? Wordt ook niet aan uwe stranden en oevers een waakzaam toezigt gehouden, niet hier vooral getoond, wat werktuigen en stoomkracht vermogen! Heeft de nijverheid en landbouw van Vlaanderen en Brabant, of de handel hier in Antwerpen gezeteld, geene bijdragen te schenken aan onzen vereenigden taalschat? Toch, broeders! mogt ons Verslag, waar het de verzameling van kunstwoorden beschreef, alleen van Noord-Nederlandsche namen gewagen. Rond en openhartig, als ware Nederlanders past, spreekt onze Redactie hier uit wat haar op het

[p. 70]

gemoed ligt, in het volle vertrouwen, dat de taal, door vrienden gesproken, als een blijk van welmeenende belangstelling, een even belangstellend gehoor bij vrienden zal vinden. Welaan dan, Vlamingen! neemt onze zaak met verhoogden ijver ter harte! Draagt vlijtig het uwe bij, opdat ook aan de Vlaamsche taal in het Woordenboek regt worde gedaan! Des te meer zal het een blijvend gedenkteeken zijn onzer broederlijke eendragt’.(1)

Aldus de Hoofdman der Redactie, nu haast eene halve eeuw geleden. Hoffelijker, maar tevens duidelijker kon het niet. Toch is De Vries' stem die eens roependen in de woestijn geweest. Is dat betreurenswaardig en beschamend voor de Zuidnederlanders, het is het nog in veel hoogere mate, dat sommigen onder hen het zoover hebben gedreven, de rollen om te keeren en als beschuldigers der Redactie op te treden. Laat ons hopen dat we dit zonderling schouwspel voor het laatst hebben bijgewoond!

Intusschen is het ontbreken van voldoend materiaal uit Zuid-Nederland wel de hoofdreden, maar niet de eenige reden waarom de Zuidnederlandsche voorbeelden in 't Woordenboek niet talrijker voor-

[p. 71]

komen. Hun getal wordt nog verminderd door deze omstandigheid, dat niet zelden een citaat onbruikbaar wordt doordien er eene of andere fout tegen ons taaleigen in voorkomt; reeds meer dan eens echter heeft de Redactie dergelijke citaten tóch opgenomen, wat wel bewijst dat er van vooringenomenheid geen sprake zijn kan. Intusschen, om in dezen allen twijfel weg te nemen, zal ik enkele mededeelingen doen uit mijn persoonlijke ervaring. Gedurende al de jaren, dat ik als redacteur van 't Woordenboek werkzaam was, heb ik nooit een enkel excerpt uit Heinsius' Nederduitsche Gedichten, toegezegd door P. Duyse, noch uit De Swaen's werken, toegezegd door Snellaert, met mijn oogen aanschouwd. Ik ben twee of drie excerpten uit het Masker van de Wereldt tegengekomen; twee uit het Hof van K. Theodosius; een enkel uit De Buck's Boetius; een tweetal uit de Seven Hooft-sonden; een enkel uit de dichtwerken van J. de Harduyn; een drietal uit Zevecote en even zooveel uit De Meyer's Gramschap. De excerpten uit een paar werken van Bilderdijk door David en die uit Tollens door Blommaert waren betrekkelijk talrijker, ofschoon absoluut genomen toch nog zeer gering Wat Van Beers geleverd heeft, weet ik in 't geheel niet te zeggen.

Uit dit alles moge U blijken, niet alleen dat de Zuidnederlanders weinig geëxcerpeerd hebben, maar ook dat zij slecht geëxcerpeerd hebben. Evenals verschillende anderen trouwens, in wier hulp - om met De Vries te spreken - de Redactie

[p. 72]

zich mocht verheugen(1), hebben zij alleen die woorden opgeteekend, waaraan iets buitengewoons was, een dichterlijk gebruik, een hun vreemde beteekenis, een weinig voorkomende samenstelling, enz. Maar de woorden en uitdrukkingen van dagelijksch gebruik, daar lazen ze over heen. En wilt ge de proef op de som? Een der twee citaten uit het Hof van K. Theodosius, geëxcerpeerd door Dautzenberg, die ik gedurende mijn werkzaamheid te Leiden in handen gekregen heb, was een blad met een bewijsplaats voor oogensbraecke, dat ik tegenkwam onder de samenstellingen van oog. Ik herinner mij nog heel goed, hoe verwonderd ik dat blad papier, dat ik als curiositeit heb bewaard, zat aan te staren, want ik begreep niets van dat vers met dat woord oogensbraecke. Ik las nl.:

‘Maar voor wie stort ick eerst mijn oogensbraecke stroomen, Poirters, H. Hof van Theodosius 182.’

[p. 73]

De eerste gedachte die bij een woordenaar in zoo'n geval opkomt, is natuurlijk deze: Zou dat in 't oorspronkelijke wel zóó staan? Ik nam dus het boek zelf ter hand, en zie, daar leest men:

 
Maer voor wie stort ick eerst
 
Mijns oogens bracke stroomen.

Ik breng dat alles niet ter sprake, om een blaam te werpen op mannen als Dautzenberg, Van Duyse(1), Snellaert, Heremans enz., want ik wensch voor niemand onder te doen in waardeering van elks wezenlijke en erkende verdienste. Maar men moet de wáárheid zoeken, en, hoe onbehaaglijk ze ook zij, onder de oogen durven zien, vóór men met gevolgtrekkingen aankomt die gelijk staan met een blaam voor de Redactie van het Woordenboek.

Doch ik moet hier nog wat bijvoegen. Als men de afleveringen doorloopt, sedert het jaar 1891 verschenen, dan zal men zien dat de aanhalingen uit sommige der zooeven genoemde werken veel talrijker zijn dan men uit bovenstaande mededeelingen zou opmaken. Dit is het geval met Poirters' Masker van de Wereldt en H. Hof van keyser Theodosius, Ogier's Seven Hooft-sonden, De Harduyns werken, De Buck's Boetius. Om alle verkeerde gevolgtrekkingen dienaangaande te vermijden,

[p. 74]

kan het zijn nut hebben mede te deelen dat die werken door de jongere Redactie opnieuw en uitvoerig geëxcerpeerd zijn. De werken van Heinsius werden reeds in 1856 opnieuw geëxcerpeerd onder het toezicht van De Vries zelf(1).

Men zou ook verkeerde gevolgtrekkingen kunnen opmaken uit het feit dat De Vries in zijn Inleiding Blommaert, Dautzenberg, Van Duyse, Snellaert, Van Beers en Heremans met dankbaarheid vermeldt onder hen, ‘die allen, het zij dan in meerdere of mindere mate, onze verzameling van aanhalingen uit verschillende tijdperken onzer letterkunde door hunne bijdragen hebben verrijkt.’(2) Bij het lezen dier uitingen, moet men nl. twee dingen bedenken. Vooreerst was De Vries een uiterst humaan man, die van nature ook voor de geringste hulp dankbaar gestemd was, en tevens niet minder hoffelijk dan humaan: hij zwaaide liever te veel lof toe dan wien ook te ontstemmen door hem den geringen lof, waarop hij recht had, te onthouden. Verder dat in zijn zooeven uit de Inleiding aangehaalde woorden de nadruk moet gelegd worden op de bepaling ‘hetzij dan in meerdere of mindere mate’, en op wie hier ‘het mindere’ of ‘het meerdere’ slaat kan niet alleen blijken uit deze mijne mededeelingen, maar ook en evengoed uit

[p. 75]

alles wat De Vries zelf over het verzamelen der bouwstoffen voor het Woordenboek in zijn Inleiding heeft medegedeeld.

Er is nog meer. Niet alleen in de jaren van voorbereiding, maar ook later heeft het de Redactie aan voldoende hulp ontbroken. Toen ik in de jaren 1890 en 1891 tot een aantal Zuidnederlandsche schrijvers het verzoek richtte, zoo mogelijk een exemplaar hunner werken beschikbaar te stellen om die ten behoeve van 't Woordenboek te excerpeeren, dan hebben de meesten met de grootste welwillendheid aan dat verzoek voldaan: het is mij een aangename plicht, daarvan thans weer met dankbaarheid te kunnen gewagen; maar er zijn er ook geweest die het op de meest onheusche manier hebben beantwoord, een manier die grievend was voor de Redactie in 't algemeen, maar inzonderheid voor den man die 't verzoek met de beste bedoelingen, en geheel uit eigen beweging deed! Hij kon het in geen geval helpen, dat de werken dier vertoornde heeren niet vroeger geëxcerpeerd waren; zij hadden veeleer reden hem dankbaar te zijn, dat hij tijd en moeite veil had om hetgeen nu eenmaal verwaarloosd was, weer goed te maken.

Omstreeks denzelfden tijd kwam het Woordenboek in deze Academie ter sprake. Laat ons eens de Verslagen en Mededeelingen over 't jaar 1890, blz. 209 vlgg. opslaan.

De Commissie voor Nieuwere Taal en Letterkunde had zich bezig gehouden met de vraag, waar-

[p. 76]

om het Woordenboek zoo weinig voorbeelden aanhaalde uit Zuidnederlandsche schrijvers, en meende dat die leemte ‘hoofdzakelijk te wijten (was) aan het feit dat de geëerde Redactie wellicht minder bekend (was) met de werken der Vlamingen dan met die der Noord-Nederlanders.’ Ofschoon men uitging van een meening die, zooals uit al het voorgaande blijkt, geheel en al onjuist was, kwam men toch tot het eenig besluit dat rationeel was. Er werd nl. voorgesteld met de Redactie in verbinding te treden, een verzameling van een duizendtal aanhalingen te maken en haar die aan te bieden. Welnu, dit bij uitnemendheid practische plan, dat tot onmiddellijk en weldadig gevolg had kunnen hebben dat voor eens en altijd alle misverstand uit den weg zou geruimd zijn, daar de Redactie de Academie ongetwijfeld op de hoogte zou gebracht hebben van den toestand van haar apparaat, dit voorstel werd verworpen, niettegenstaande het warm protest van den heer Van Droogenbroeck, die zeer duidelijk de positie der Redactie tegenover de officieele machten uiteenzette.

Laat ik u ten slotte nog herinneren aan gebeurtenissen der allerlaatste jaren. Uwe Woordenboekscommissie, langen tijd niets anders dan een verslaguitbrengend lichaam, streeft er sedert een viertal jaren naar op practische wijze werkzaam te zijn. In 1898 werd door haar aan alle gewone en briefwisselende leden een uitnoodiging gestuurd, om ten behoeve van het Woordenboek

[p. 77]

Zuidnederlandsche werken te excerpeeren. Weten de heeren hoeveel leden van de 35 die oproeping beantwoord hebben? Zij waren met diep in de vier!

Doch nog eens, ik breng dit alles niet ter sprake om wien of wat ook te veroordeelen. Ik eerbiedig de overtuiging van de meerderheid dezer Academie, die in 1890 meende dat men meer zou bereiken door zich tot onze Regeering, dan door zich tot de Redactie zelf te wenden. Ik begrijp evenzeer dat in 1898 niet ieder lid der Academie kon klaar zitten om boeken te gaan excerpeeren. En ik zeg ten slotte, evenals de heer Claes: gedane zaken hebben geen keer. Maar ik voeg er bij: bij het vellen van een oordeel moet men ook met die gedane zaken rekening houden.

Het valt dus niet te loochenen, dat het feit, dat het apparaat van 't Woordenboek voor meer dan 99/100 uit Noordnederlandsche excerpten bestond, invloed moest hebben op de samenstelling van 't werk zelf, te meer als men bedenkt dat de werken van Conscience weldra werden geciteerd naar een minder of meer verhollandschte uitgave. Het Woordenboek moest inderdaad, zooals de heer Claes gezegd heeft, de taal van het. Noorden oneindig beter weerspiegelen dan die van het Zuiden. Maar het zal nu wel ieder onbevooroordeeld man duidelijk zijn dat op mijn vraag van daareven: aan wien de schuld? geen ander antwoord te geven is dan dit: aan Zuid-Nederland zelf.

Misschien zal men zeggen: toen de Redactie

[p. 78]

ondervond dat er van Zuidnederlandsche zijde niet de noodige hulp werd geboden, moest zij zelf de handen uit de mouw steken.

Ik zal u weldra de bewijzen leveren, dat zij het niet heeft nagelaten, maar verzoek u eerst de volgende punten te overwegen. Vooreerst heeft De Vries van den beginne af verklaard, dat hij wel bouwmeester wilde zijn, maar geen opperman. En wie hem ongelijk moge geven - niet ik, en de heer Claes blijkbaar ook niet. Ten tweede mag men niet vergeten, dat de financieele middelen der Redactie steeds zeer gering zijn geweest, zoodat zij er nooit aan heeft kunnen denken, op ruime schaal bezoldigd werk te laten doen. En ten derde, dat het publiek veel te ongeduldig was: men wilde tot elken prijs dat het Woordenboek zou beginnen te verschijnen.

Tot het meer Noord- dan Zuidnederlandsch zijn heeft ongetwijfeld ook bijgedragen het door den heer Claes aangehaalde feit, dat de medewerkers van De Vries steeds Noordnederlanders zijn geweest (er is niets tegen om de vijf jaren, dat een Zuidnederlander redacteur geweest is, niet te laten medetellen). Maar ook hier durf ik een bescheiden vraag doen. Toen het eenmaal bleek dat er van een eigenlijke medewerking van David geen sprake kon zijn, was het de schuld der Redactie dat er in België niemand was, die hem kon vervangen? Van historische taalstudie had hier destijds niemand eenig begrip (een der vruchten der Fransch-

[p. 79]

dolheid is geweest, dat België op het gebied der taalstudie langen tijd, een halve eeuw en meer ten achteren is gebleven). En de mannen, die eenigszins in aanmerking konden komen, bekleedden betrekkingen, die ze niet hadden willen ruilen voor een karig gehonoreerd redacteurschap aan 't Nederlandsch Woordenboek

Is het onbillijk, de Redactie verantwoordelijk te stellen met het oog op het Zuidnederlandsch, 't is het nog meer het te laten voorkomen, alsof de toestand nog altijd dezelfde is als bij den aanvang. Het is zeker waar, wat de heer Claes zegt, dat ‘het toezicht van eenen enkelen Zuidnederlander, gelijk dat nu bestaat, niet toereikend is om de belangen van Zuid-Nederland voldoende te bewaken, en de Redactie voor te lichten in zaken betreffende de talrijke Zuidnederlandsche dialekten, de godgeleerdheid, de natuurkunde, de landbouwkunde, de schoone kunsten enz. onzer Vlaamsche provinciën.’ Met deze eene restrictie, dat er hier van geen toezicht sprake is, alleen van 't geven van adviezen en inlichtingen. Want die eene Zuidnederlander heeft niet de pretentie een alweter te zijn, en al is hij in de gelegenheid verscheidene gestudeerde personen uit onze verschillende gewesten dagelijks te raadplegen, toch moet hem noodzakelijkerwijze nog veel ontgaan of onbekend blijven. Maar het mag toch zonderling heeten, dat de heer Claes, die gewaagt van zijn ‘steeds even belangvol(1) naslaan der opeen-

[p. 80]

volgende afleveringen sedert vijf-en-dertig jaar’, niets heeft gemerkt van de groote veranderingen die sedert 1888 in 't Woordenboek te bespeuren zijn.

Ik heb niet zoozeer het oog op de uiterlijke omstandigheden: het versterken der Redactie met nieuwe krachten, en, als onmiddellijk gevolg daarvan, het weldra klimmend getal der jaarlijks verschijnende afleveringen. Ik bedoel de wijzigingen van inwendigen aard. De jongere Redactie heeft er zich nl. niet toe bepaald, afleveringen samen te stellen en uit te geven; zij heeft ook, geheel belangloos, daarin bijgestaan door anderen, enkele ‘welgezinden’, haar apparaat belangrijk vermeerderd en verbeterd. Dat moet iemand die het Woordenboek geregeld leest, of ook slechts naslaat, onmiddellijk in het oog vallen: hoeveel meer verscheidenheid is er niet waar te nemen, én chronologisch én topographisch, in de aanhalingen der afleveringen na 1888, en in die vóór dat jaar verschenen! Wie daar onder 't lezen van 't Woordenboek blind mocht voor gebleven zijn, kan het in elk geval opmaken uit de drie vervolglijsten, waarmede sedert 1888 de eerste Lijst van aangehaalde schrijvers aangevuld werd.

Ik zie er van af, in bijzonderheden aan te toonen hoe zonneklaar uit die lijsten blijkt, dat de Redactie in het vermeerderen van haar apparaat met buitengewone veelzijdigheid is te werk gegaan. Maar ik wil op mijne beurt een kleine statistiek opmaken. Laten wij eens nagaan wat die verschillende lijsten