Verslagen en mededelingen van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde 1902


auteur: [tijdschrift] Verslagen en mededelingen van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde


bron: Verslagen en mededelingen van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde 1902. Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde, Gent 1902


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 541]

Nogmaals Het woordenboek der Nederlandsche Taal en de Critiek in Zuid-Nederland.

Het is een hachelijk bestaan, voor de vierde maal de aandacht te vragen voor hetzelfde onderwerp. Ik zou het dan ook niet doen, indien ik alleen met mijn persoonlijke convenienties te rade ging. Maar waar het gaat om den goeden naam van het Woordenboek en van de mannen die het bewerken en, wat nog meer zegt: om de waarheid, valt niet te aarzelen.

Dat het mijne bedoeling niet kan zijn, op álles te antwoorden, en vooral niet op personaliteiten, spreekt van zelf. Opdat dit antwoord zoo onpersoonlijk mogelijk zij, wensch ik er, zooveel als doenlijk is, den vorm eener reeks kantteekeningen aan te geven. Ik zal dus meestal de woorden van den heer Claes aanhalen met een verwijzing naar de bladzijden onzer Verslagen en Mededeelingen, en daarop mijn opmerkingen laten volgen.

[p. 542]
+ ‘dat ik, terwijl ik mij tegen onkiesche voorbeelden verzet, zelf onkiesche zinspelingen maak (71, 117). Hij spreekt zelfs van door mij “aangehaalde zinnetjes, die behendig uit hun lijst zouden gelicht zijn” (128), en van “wel te pas gebruikte dubbelzinnigheid” (148)!’

Ad I. Als iemand zegt:

‘Spottenderwijze vergelijkt men den notelaar met de vrouw: Hoe meer hij gebookt wordt, hoe beter hij 't volgende jaar draagt’

dan zie ik geen kans dat anders te verstaan dan als volgt: ‘evenals een vrouw het volgende jaar te beter “draagt”, naarmate ze meer “gebookt” wordt, evenzoo draagt een notelaar beter, naarmate hij meer gebookt wordt.’

Als mij kan worden aangetoond, dat die opvatting verkeerd is, en dat het woord ‘smotsig’ een fatsoenlijk woord is, zal ik gaarne excuus vragen.

Ad II.

Mag ik er de aandacht op vestigen, dat ik juist het tegenovergestelde geschreven heb? nl.

Het is niet aannemelijk dat hij de door hem aangehaalde zinnetjes behendig uit hun lijst zou gelicht hebben?’

En dat ik zeg wat ik meen?

Ad III. Als ik ten onrechte gezegd heb:

‘Nog nooit kwam dubbelzinnigheid een criticus beter te stade’, wensch ik gevraagd te hebben van wiens verdraagzaamheid en kieschen smaak het

[p. 543]

voorbeeld uit de Historie van broeder Cornelis zulk een goed specimen is. Als mij wordt geantwoord: ‘van den auteur van dat werk’, dan zal ik er aan herinneren, dat iedereen weet, dat in de 16de eeuw verdraagzaamheid en kiesche smaak bij ons volk nog ver te zoeken waren, zoodat men daar niet hoeft over te spreken.

 

***

‘Ik heb de persoonlijkheid der Opstellers gansch+ buiten het spel gelaten: dat ontkent niemand, tenzij de heer de Vreese, die u ook wil doen gelooven, dat ik mijne beweringen, in de Kunstbode verschenen (1901, blz. 225) ‘hier in de Academie grootendeels woordelijk heb herhaald, vermeerderd met eenige andere en zoogenaamd toegelicht met [meer] voorbeelden.’
De heer de Vreese heeft hier zijnen mond voorbijgesproken, eerst te mijnen opzichte, dan ten opzichte der leden dezer Academie.
Te mijnen opzichte. In de Kunstbode heb ik een overzicht gegeven van drie afleveringen van het Wdb.: XI, 14de afl., II, 15de afl., III, 10de afl. Het beslaat nauwelijks zeven bladz. (225-231) van het tijdschrift, dat is, loffelijk gerekend, negen bladz. van Verslagen en Mededeelingen der Academie, waar mijne Wenken vier en veertig volle bladzijden innemen. Hier schreef ik naar een aangeduid plan en gaf ik volgens dat plan een vluchtig overzicht van alles wat tot in October 1901 van het Wdb. uitgekomen was; daar heb ik elke der drie genoemde afleveringen een voor een in oogenschouw genomen en er al lezende mijne aanmerkingen over nedergeschreven.
Ten opzichte der Academie deed hij ook verkeerd.
[p. 544]

Geene reeds gedrukte werken worden in de Academie voorgelezen, noch in de Verslagen en Mededeelingen opgenomen. Indien de hooger gemelde aantijging van den heer de Vreese gegrond is, dan heeft hier (te mijnen voordeele en ten nadeele van het Wdb.!) eene overtreding van het Reglement plaats gehad (art. 10, 13).
Maar neen, mijne lezing, die, gelijk de heer de Vreese zelf getuigt, ‘in deze vergadering met het epitheton “onpartijdig” is bestempeld’ (8), is niet in de Verslagen gesmokkeld. In Versl. en Meded., 1901, bl. 138, staat daarover: ‘Volgens stemming der vergadering zal dit opstel in de Versl. en Med. opgenomen worden.’
Die opneming schijnt den heer de Vr. te ergeren, omdat’ enz.

Ik zal met genoegen vernemen, waar en wanneer ik ontkend heb, dat ‘de persoonlijkheid der opstellers gansch buiten het spel werd gelaten’.

In hoeverre het waar is, dat ik de Academie en het publiek iets heb willen doen gelooven dat onwaar is, moge uit het volgende blijken.

Ik heb gezegd, dat de heer Claes verschillende artikelen over 't Woordenboek heeft geschreven, en dat hij het ten slotte ‘als een duren plicht (heeft) beschouwd de in het tweede dezer artikelen uitgesproken beweringen hier in de Academie grootendeels woordelijk te herhalen, vermeerderd met eenige andere, en zoogenaamd toegelicht met meer voorbeelden.’

Het moge al waar zijn, dat het artikel in de Kunstbode slechts over 3 afleveringen liep en

[p. 545]

ten hoogste 9 blz. onzer Verslagen zou gevuld hebben, terwijl de Wenken over 't geheele Woordenboek loopen en 44 ‘volle’ blz. innemen; dat alles doet niets ter zake. Het is hier de vraag, of de beweringen daar als hier uitgesproken, dezelfde zijn, en dat wordt door den heer Claes immers niet ontkend.

Verder wil hij bewijzen dat zijn lezing niet in de Verslagen is gesmokkeld. Alles onverplichte moeite, daar dit door mij niet beweerd werd; of de wet der Academie overtreden was, had en heb ik immers niet te beoordeelen.

Het is hier niet de vraag, of de Academie al of niet beslist heeft dat de Wenken in haar Verslagen zouden opgenomen worden: dat wordt immers door niemand betwist noch ontkend. De vraag is: of het artikel uit de Kunstbode wezenlijk ‘grootendeels woordelijk’ in de voordracht is overgegaan. Aangezien dit door ons geacht medelid wél wordt ontkend, zullen we ons daar even van overtuigen. In dit artikel leest men onder andere:

Bespieder. ‘3. Verspieder, verkenner, spion; thans zoogoed als in onbruik.’ - Bij bespieden, waar het van afgeleid is, wordt van geene veroudering gesproken, en worden voorb. aangehaald uit Statenb., Vondel, Vollenhove, Bakh. v.d. Brink, van Lennep, Kneppelhout, Quack, Courtmans. - Bij Bespieder zelf komen voorb. uit Oudaan, J. David, van Lennep, Conscience....
Zelfde aanmerking voor besprek, dat ‘thans in Noord-Ned. verouderd’ heet....
[p. 546]

Besprenkelen. ‘Mnl. besprinkelen.’ - Deze laatste vorm is in Z.-N. nog springlevend....
Besteken. A. 6.) ‘Iemand met bloemen of wel andere geschenken begiftigen, en wel om hem geluk te wenschen, b.v. op zijn verjaardag, zijn naamdag of derg. In de zuidelijke gewesten nog thans gewoon. - Besteek, van besteken (in de bet. A. 6.) Alleen in zuidelijke gewesten.’ Met voorbeelden uit Cats, Vondel, Westerbaen, de Decker, Moonen, de Geyter, J. Van Rijswijck + Noord-Brabant (kol. 2126) + Zuid-Nederland! Dat alles is nog niet genoeg om die uitdrukkingen zonder voorbehoud in de algemeene taal op te nemen!...
Bestellen, A. 3.) ‘Het vee van voeder voorzien; in verschillende gewesten nog thans in gebruik.’ Met voorbeelden uit de bo (Vlaanderen), Cornelissen (Antwerpen); heel Brabant door in gebruik en bij Kiliaen opgenomen; en toch is 't nog geen Nederlandsch!
Bestendig,... ‘perpetuel; in Z.-N. Bestendige secretaris.’ Niet goed dus! Maar met dat gezuidnederlandsch weten wij nog niet, hoe wij zeggen moeten, en zijn wij in eene bestendige onzekerheid! (?)
Bestiaal, bétail heet ‘thans nog algemeen in Z.-N.’ Daarop volgen voorb. bij de vleet uit oude. ook Noordn. schrijvers en placaatboeken. Volgens de bo leeft het nog in West-Vl. (misschien hier of daar bij eenen notaris), maar ik heb het nooit hooren of zien gebruiken.
Bestieren. ‘Van Stieren, wisselvorm van Sturen. In Noord-N. thans alleen nog in hoogeren stijl.’ - Bestierder. ‘Een wisselvorm van Bestuurder. Id.’
Dus, Zuidnederlanders, zet uw' zang voor 't minst een toontje lager, en zegt nooit anders dan besturen, bestuurder, tenzij in hoogeren stijl; anders klimt ge te hoog met uwe scherpe ie, de schrik van alle toondichters!
[p. 547]

Bestuurlijk. ‘In Z.-N. gebruikelijk als purisme voor administratief.’ Nog al wonder dat besturen, bestuur en bestuurder geene purismen zijn van administreeren, administratie en administrateur of van dirigeeren, directie en directeur. In alle geval, het vr. bestuurster is ‘thans vaak directrice.’
Betalende school. ‘In Z.-N. wordt in navolging (?) van fr. école payante gezegd betalende school voor eene school waar de leerl. voor het onderwijs betalen; de volkstaal (?) evenwel zegt ook betaalde school, dat eigenlijk juister is (vergelijk de Vreese, in Het Belfort, 1899, I, 150 volg. en 361 vlgg.).’
't Ware correcter geweest ook de art. aan te wijzen, die omtrent denzelfden tijd ten voordeele van betalende school in Het Belfort verschenen zijn. - Dus gij allen, die betalende school verdedigd hebt, nu weet ge, wat uur het is; nu kunt ge maar zeggen: het vonnis werd gestreken; en er u bij neerleggen. Doch
A vaincre sans péril, on triomphe sans gloire.
Ik ben nieuwsgierig, welk vonnis Dr Kluijver bij lezende en zingende mis, zingend lof (twee uitdrukkingen, die sedert de XVIe eeuw in N.-N. moeten verouderd zijn), vallende ziekte e.m.a. uitwijzen zal.
Beter. ‘A) Bnw. 1), c.) Beter een gebuur die nabij is, dan een broeder die verre is.’ - Dat drukt de Vlaming veel sierlijker uit met: Beter een na(aste) gebuur dan een wij(d)e vriend, (en de Franschman: Qui a bon voisin a bon mâtin)....
Betrouwen. Bij te voegen: Spreekwoord: Die niet betrouwt, is niet te betrouwen.
Betrouwen. II). Door huwelijk verwerven.
Bij te voegen: 't Is beter betrouwd dan bewerkt = 't is beter te trouwen met iemand die fortuin heeft, dan dat fortuin door werken te moeten winnen....
't Is wonder dat:
Beuken = schreeuwen niet wordt opgenomen, als Beuker, ‘een in verschillende gewesten bekende
[p. 548]
term voor: stevige knaap’ (wat al zoo goed van beuken, schreeuwen als van beuker, werktuig om vlas te beuken kan voortkomen), en
Beukeren opgenomen wordt, dat, naar 't schijnt, ‘boomen snoeien volgens J.I. de Beuckers' (sic) methode’ beteekent!!!
Beurs. Spreekw. Bij te voegen: Leeg beurzen, ijl (ijdele) zinnen! d.i. Als 't geld op is, vergeet men dikwijls verstandig te redeneeren, en wordt de vrede tusschen man en vrouw licht gebroken.
Bij te voegen:
Beurzen, bedr. zw. ww. Alles afwinnen wat iemand in zijne beurs heeft; ook bij 't knikkerspel gebruikelijk. Ik zal u beurzen (ook uitbeurzen); hij heeft mij gebeursd; ik ben gebeursd, heel uitgebeursd.
Bevliegen. 3). Heb ik nooit ontmoet. Waar wordt het gebruikt? 't Is eene grivoiserie, gelijk er in sommige kringen meer gehoord worden, maar die zoomin in een goed woordenboek thuis hooren, als de leden dier kringen in een deftig gezelschap.
Bevriezen. Bij te voegen: Zegsw. Hij is niet bevrozen = wees niet bang, hij zal u wel te woord staan....
De woordenschat van Rabelais wordt door de deftige Fransche woordenboeken, niet in zijn geheel opgenomen, et pour cause! Zoo moest het ook zijn met dien van Brederode, e.a. Niemand ontweet..., dat onze volkstaal grof, losbandig, schurftig wezen kan; maar al die rijkdom (?) dient niet onder aller oogen te komen. ‘Si je n'écrivais que pour les philologues - zegt J. Sigart in zijn Dictionnaire du patois de Mons, p. 33 - je jetterais bas tout voile; mais il y a des oreilles que je dois respecter. Il faut dire et ne pas tout dire. La difficulté est de tracer la limite. L'omission des mots tout crus n'est nullement regrettable.’
Zoo moeten de Opstellers van 't Wdb. ook redeneeren. Zij zouden b.v. de beteekenis van betasten even goed doen verstaan zonder het paar voorbeelden,
[p. 549]
die zij aan hunne zoons en dochters niet zouden willen voorlezen.
In Deel III, 10de afl. loopen dergelijke uitdrukkingen dikker. Waarom, b.v. kol. 1443:
Broederkenszonde, in sommige kringen van Vlaamsch België (?), wel eens (?) gezegd voor: ontucht met jongens, paederastie?’
't Is mogelijk, dat men in ‘sommige kringen’ zoo spreekt; maar die uitdrukking is 1o te lasterlijk, 2o te wulpsch om door een eerlijk woordenboek onder deftig volk voortgeplant te worden.
Bij 't art. broek staan menige ‘onkiesche zinspelingen’ (gelijk de schrijver die, kol. 1468, zelf noemt), die de jonkheid al te veel doen nadenken. Ook bij brom (1503), bronsen (1529), bronzig (1534), dagelijksch brood (1547), een broodje leenen (1553), broodwinning (1577), brouwen (1592); en dat is zooveel te meer te betreuren, dat die uitdrukkingen, verre van algemeen te zijn, slechts eene enkele maal in onze letterkunde (als bij onzen Rabalais, Brederode) of ‘hier en daar’ in ruig gezelschap voorkomen. Door de omstandigheid, dat zij in het Nederl. Wdb. werden opgenomen, dreigen zij burgerrecht te verkrijgen! Ik geef nog slechts één voorbeeld:
Broodgod voor het H. Sakrament des Altaars, en het onverdraagzamer, voor katholieken nog kwetsender: ‘De bedelaers... souden gheerne het selve hebben naghespeelt, om van de brootcanten die sy ghebedelt hadden, een goede vleeschhutspot te maken met de Vijf woorden daer op te seggen (Marnix, Byenc.)’ - Hier wordt doodeenvoudig gespot met de Consecratie in de H. Mis en met de vijf woorden der Consecratie: Hie est enim corpus meum! om het woord broodkorst duidelijk te maken!
Wat meer moeite en keurigheid elders kwame beter te pas.
Bij brood (kol. 1536), in het voorbeeld ‘Beter
[p. 550]
dat brood naar den oven smaakt dan naar de moel’ (beter dat het hard, dan te week gebakken is) wordt moel uitgelegd door molen, wat geen' zin heeft. Moel, moelie, hier nog algemeen in gebruik, beteekent baktrog (pétrin). Kil. geeft: ‘Moelie, moelde, baktrog’, gelijk al onze woordenboeken. Zie ook J. Vercoullie, Etym. Wdb. bij Moelie.
‘Kruin geschoren, brood geboren’. Dat wordt hier verzachtender en bevalliger uitgedrukt met: Kruintje geschoren, wijntje geboren.
Ook elders, b.v. Tiende Deel, kol. 2251, komen onnauwkeurigheden voor.
Zoo, bij oog, dat hier nog algemeen vrouwelijk is, staat: ‘Alleen in 't Hageland is oog in twee gevallen onzijdig. Men zegt daar namelijk: iemand goed in 't oog houden, en iets op 't oog zien, (zie Rutten op Onzijdig en Oog). Anders is ook dáár het woord altijd vrouwelijk.’
Voor het Hagelandsch taaleigen moet Tuerlinckx geraadpleegd worden, die oog als vrouwelijk opgeeft zonder uitzondering. Wel zegt hij in zijne Inleiding (XVII):
‘In sommige uitdrukkingen gebruikt men het onz. gesl. in plaats van het man. of vr.: Het schelm in den nek hebben. Het zot met iemand houden. Het vies man spelen. Iets in 't zin hebben. Pijn in 't zak hebben. E mager specht, spaan. E schouw haas, vent, e vies vent. In 't stad. Naar 't school’; doch daarbij zal niemand denken dat schelm, zot, man, zin, zak, specht, spaan, haas, vent onzijdig zijn; gelijk men hier van den schelm, den zot, den zin spreekt, zoo zegt men uit de school klappen en komt men uit de stad; men houdt iemand in de oog, men ziet iets op de oog en als men iets kent, dat men niet onthouden wil, dat gaat de eene oor in en de andere uit.
Zoo is 't ook bij Schuermans.
Maar de Opstellers zijn verkeerd ingelicht gewor-
[p. 551]
den. Rutten schreef geen Hagelandsch, maar een Haspengouwsch Idioticon.
Die verharding van d(e) tot (he)t, vóór een der harde medeklinkers s, v = f, z = s is zeer gewoon; en als de Hagelander en de Haspengouwer zeggen naar 't stad enz. dan spreken zij gelijk de Ouden.’

Alle verdere commentaar is hier overbodig. Belangstellenden kunnen nu zelf oordeelen, in hoeverre in deze Academie werd herhaald wat reeds in de Kunstbode gedrukt stond.

 

***

‘Het feit - zegt hij - dat ik lid ben uwer+ Academische Commissie van het Wdb. en tevens correspondeerend lid der Redactie in Zuid-Nederland [dus: rechter en belanghebbende partij] maken mij dit optreden tot een plicht.’ Hij heeft misschien die verplichting, indien hij bij de Redactie verantwoordelijk is ‘als adviseur voor “het taaleigen van Zuid-Nederland”, gelijk de heer Th. Coopman hem noemt; doch dat moet naar 't schijnt, volgens den heer de Vreese, zoo opgenomen worden, “dat er hier van geen toezicht sprake is, alleen van 't geven van adviezen en inlichtingen (25)” (verkeerde en andere, maar dit zal later blijken)....
Maar in Het Belfort, 1899, I, 76, staat een artikel: Woordenboek der Ned. Taal, zonder naam van schrijver, maar van iemand, die de toestanden zoo goed kent als de heer de Vreese zelf, en daarin lees ik:
“Hij [de heer de Vreese] is adviseur voor de taal van Zuid-Nederland, leest elke aflevering voor zij wordt afgedrukt, en zorgt er voor, dat de taal der oudere Zuidnederlandsche schrijvers en die van onzen tijd zoo goed mogelijk in het Woordenboek vertegenwoordigd blijven.”
[p. 552]

De heer de Vreese is nooit tegen die verklaring ingekomen, waaruit blijkt, dat hij inderdaad, en tegenover Zuid-Nederland en tegenover de Redactie eene groote verantwoordelijkheid draagt; geen wonder dus, dat hij 't als eene plicht aanzag mij te antwoorden.’

Ik ben niet ‘rechter en belanghebbende partij’, maar de aangevallen partij die zich verdedigt, en het is onjuist dat ik de verantwoordelijkheid voor 't geen in 't Woordenboek staat beurtelings op mij neem en van mij afschud.

Ik ben natuurlijk zonder eenig voorbehoud verantwoordelijk voor de artikelen van 't Woordenboek die ik zelf gemaakt heb. Maar ook voor niets meer. Sedert ik zelf geene artikelen meer bewerk, geef ik alleen adviezen en inlichtingen, maar, volgens een formeel contract tusschen de Commissie van Bijstand en de Redactie aan de eene zijde en mij aan de andere, blijft de verantwoordelijkheid voor den uitgegeven tekst geheel voor den Redacteur op wiens naam eene aflevering verschijnt.

Ziedaar waarom ik gezegd heb, dat er geene sprake is van toezicht.

Natuurlijk is het mijn plicht, én tegenover de Redactie én tegenover Zuid-Nederland, de bewerkers van het Woordenboek ‘zoo goed mogelijk’, dat wil zeggen: zoo goed ik het doen kan, in te lichten, en ik verbeeld mij, dat ik in dit opzicht mijn plicht volbreng.

 

***

[p. 553]

Het heet, dat ik de Vlamingen vernederd heb door te zeggen dat wij in 1862 geen mannen van gezag in wetenschap of praktijk hadden, en men verwijst mij naar de Vlaamsche Bibliographie. Maar als die Bibliographie over al de genoemde vakken zooveel belangrijks bevat, hoe komt het dan dat de bewerker van het tweede deel, niemand anders dan de heer De Potter, in de voorrede daarvan kon schrijven:

‘Het tweede deel der Vlaamsche Bibliographie zal nog eens de armoede onzer wetenschappelijke literatuur in al hare naaktheid vertoonen. Op dezen weg zijn wij, sedert jaren geenen stap vooruitgegaan’.

De waarheid is, dat de Vlaamsche Bibliographie niets anders bevat, op zeer enkele uitzonderingen na, dan vulgarisatiewerken en schoolboeken.

Het is niet mijne bedoeling te beweren, dat er onder die boekjes geen enkel is, waarin iets staat dat dienstig is voor 't Woordenboek. Integendeel. Nog kort geleden heb ik groot nut gehad van een werkje, dat ik uit de Vlaamsche Bibliographie heb leeren kennen. Maar men moet zich daar toch ook niet te veel van voorstellen. Toen ik dezer dagen een vakterm uit de hoppeteelt te verklaren had, werden al de boekjes, die in de Bibliographie van den heer De Potter vermeld worden, te vergeefs geraadpleegd, en 't heeft heel wat geschrijf gekost vóór de Redactie te weten kwam wat ze zocht.

Trouwens dat alles is alweer de vraag niet.

[p. 554]

De vraag is: waar zijn, onder al de in de Vlaamsche Bibliographie opgenoemde schrijvers, de mannen van gezag? Gesteld dat men op het denkbeeld gekomen ware een Commissie te benoemen, laat men ons eens aanwijzen wie onder die mannen er hadden moeten toe behooren.

Onze mannen, die lang overleden zijn en mij niet zullen antwoorden, zou ik voor vadsigen en onverschilligen hebben doen doorgaan, en Dautzenberg als een sukkelaar hebben afgeschilderd. Ik ben mij bewust dat ik dit verwijt niet verdien. Ik heb alleen geconstateerd dat verschillende menschen bijdragen voor 't apparaat van 't Woordenboek toegezegd hadden, maar hunne belofte niet gehouden. De oorzaak daarvan heb ik geheel en al buiten beschouwing gelaten. Met het ongelukkige citaat door Dautzenberg uit het Hof v. Theodosius afgeschreven, heb ik niet bewezen en ook niet willen bewijzen, dat Dautzenberg een sukkelaar was. Dat citaat bewijst niets anders, en moest niets anders bewijzen, dan dit: dat er meer nauwkeurigheid noodig is dan Dautzenberg en anderen aan 't excerpeeren besteedden, om het Woordenboek van dienst te kunnen zijn.

Ik teeken verzet aan tegen de beschuldiging als zou ik hier anecdoten verteld hebben. Ik heb destijds gezegd dat ik het blad met dat citaat nog bezat; hier is het(1).

[p. 555]

‘Als Piet niet verlangde mede te werken, dan moest de Redactie zich tot Jan of Klaas wenden’, Waar zijn de bewijzen, dat De Vries zich niet tot Jan of Klaas gewend heeft? Als de heer Claes die heeft, laat hij ze leveren. Hij heeft verscheidene werkers gekend, zegt hij, ‘te nederig om hunne hulp aan te bieden, die nuttigen arbeid zouden volbracht hebben, indien zij daartoe waren uitgenoodigd geworden.’ Ik wil het heel gaarne gelooven, maar ik zou wel eens willen weten, hoe De Vries, of wie ook, met naam en adres van die nederige werkers kon bekend zijn, zoodat hij hun een fraaien brief kon schrijven om hun medewerking te vragen.

Als er iets is, dat niet te pas komt, dan zijn het dergelijke argumenten. In de jaren van voorbereiding is De Vries niet moede geworden de menschen tot medewerking uit te noodigen. In Febr. 1852 werd een oproeping in alle dagbladen geplaatst; aan alle letterkundigen werd daarenboven een uitvoerige circulaire gericht met instructies; in 1854 nieuwe brief. In ieder zijner Verslagen herinnerde De Vries alle Congresleden aan de noodzakelijkheid om hem te helpen, en vooral de Vlamingen hadden zoo'n herinnering hard noodig. Inzonderheid in het verslag van 1860 heeft De Vries zeer uitvoerige mededeelingen gedaan over 't geen ontbrak. Bij die gelegenheid wees hij er met nadruk op, dat ‘de katholieke kerk nog altijd wacht op die opzettelijke behandeling der woorden, tot hare inrichting, leer en eeredienst betrekking hebbende.’ Het heeft

[p. 556]

nog tien, zegge tien volle jaren geduurd, voor in deze leemte van het apparaat voorzien werd. Dergelijke pogingen werden ook in later jaren gedaan; in dagbladen en tijdschrilten werd er voor geijverd. Nog op het Congres in 1899 te Gent gehouden, deed Prof. P. Fredericq een warm woord. Niemand heeft zich echter aangeboden. Als er, desniettegenstaande, nog nederige werkers zijn, die zich niet durven aanmelden en aan niemand bekend zijn, dan gaat het toch niet aan er der Redactie een grief van te maken, dat zij zich tot hen niet heeft gewend.

 

***

 

Mijne verklaring:

‘Het Woordenboek moest inderdaad, zooals de heer Claes gezegd heeft, de taal van het Noorden oneindig beter weerspiegelen dan die van het Zuiden’.

wordt als eene alles afdoende bekentenis voorgesteld.

Maar dat is alweer de vraag niet. De vraag is: of die toestand te wijten was en is aan de Redactie, of wel aan Zuid-Nederland zelf. In de Wenken wordt het eerste beweerd; dat dit laatste het geval is, heb ik bewezen. De vraag is verder, of de toestand nog altijd dezelfde is. Ik heb aangetoond, dat de Redactie, vooral sedert 1888, alles gedaan heeft en doet wat mogelijk is, om de leemten in haar apparaat aan te vullen. Maar dat betoog is voor den heer Claes niet geschreven. De toestand is niet veranderd volgens hem, zelfs niet door

[p. 557]

de benoeming van Dr De Vreese. Ik zou die bewering kunnen beschamen, door in bijzonderheden mede te deelen wat ik heb gedaan om 't apparaat van 't Woordenboek te verbeteren, maar dat is niet noodig.

Het is niet mogelijk, heet het verder, dat ik er kunne voor zorgen dat de Zuidnederlandsche taal van onzen tijd zoo goed mogelijk in het Woordenboek vertegenwoordigd worde. Inderdaad, dat is niet mogelijk als men het onmogelijke vergt. Ik ben geen alweter, ken niet alle dialecten even goed; niet altijd is er iemand bij de hand, wien ik in bepaalde gevallen inlichtingen kan vragen; niet altijd komt het antwoord op dergelijke vragen gauw genoeg: de proeven van het Woordenboek kunnen niet weken of maanden onder handen blijven. Ik doe wat in mijn krank vermogen is.

En niet alleen de overledenen, ook den beer Claes,

‘een der zeer weinigen die het Wdb. lezen, een van de+ diep in de vier’ academieleden die excerpten leveren; (hem), die sedert jaren een deel (zijner) vrije uren (heeft) besteed om ten nutte van het Wdb. lijsten van gangbare woorden uit Kiliaan, uit onze Costuymen, uit het dagelijksch leven bijeen te verzamelen, (hem slinger ik z)ijne welverdiende rust naar 't hoofd (157), als om voor te geven, dat (hij) voor het Wdb. niets doe(t)!’

De waarheid is anders, en zoo geheel anders, dat de heer Claes wel weer zal beweren dat ik hem verneder door ze bekend te maken. Het zij dan zoo.

[p. 558]

Ons geacht Medelid is inderdaad een der leden dezer Academie, die excerpten hebben geleverd. Hij heeft nl. een enkel duodecimo'tje geëxcerpeerd, een der oudste uitgaven der Navolginghe Christi. Maar meer heeft hij voor 't Wdb. niet gedaan.

Ik weet wel dat de heer Claes verleden jaar eene lijst van Verouderde woorden, bij Kiliaan opgenomen, die in de hedendaagsche Woordenboeken niet voorkomen en toch nog voortleven aan de Academie heeft aangeboden. Maar wat nut heeft die lijst voor 't Woordenboek gehad?

Verder heeft de heer Claes twee artikeltjes geschreven: in 1899, een: Wetenswaardigheden -, voor een paar maand een ander: Merkweerdige Woorden en Uitdrukkingen uit onze oude Costumen, samen een dertigtal bladzijden. Op zich zelf, en vooral voor de lezers van De Kunstbode, zijn die stukjes volstrekt niet kwaad; maar ze bevatten al heel weinig dat voor 't Wdb. van belang is.

Ten slotte heeft de heer Claes hier in 1890 een voordracht gehouden: Eenige volksuitdrukkingen verdedigd en aanbevolen, een twintigtal bladzijden, waarin een en ander voorkomt dat zeker bij gelegenheid zal gebruikt worden.

 

***

+ ‘Hij slaat bovenarms op alwie onder zijn bereik valt, de verdienstelijke verzamelaars, levende en doode, van onze Zuidnederlandsche Idiotica niet uitgezonderd.’

Dat is gauw gezegd. Maar bewijs ook eens,

[p. 559]

dat de bedoelde critiek op onze Zuidnederlandsche idiotica ongegrond is.

 

***

‘De lange uitweidingen over het gedurig vermeerderen+ der excerpten uit Belgische schrijvers hadde de heer de Vreese ons kunnen sparen; nergens heb ik over te weinig excerpten geklaagd.’

Inderdaad, maar er is en er wordt nog geklaagd over de onvolledigheid van 't Woordenboek. Het Woordenboek is niet te maken zonder apparaat; dat apparaat moet bestaan uit excerpten. Geen excerpten, geen artikels. Ge klaagt over 't ontbreken van dit en dat artikel. Ik toon u aan, dat het Woordenboek de noodige excerpten niet heeft, dus de artikels niet leveren kan. En dan komt ge zeggen: over te weinig excerpten heb ik niet geklaagd!

 

***

 

Van het woord geleg heb ik gezegd dat het in geen enkel der thans bestaande idiotica te vinden is.

De heer Claes wijst aan, dat geleg bij Schuermans en bij Cornelissen staat. Hetzij ik verkeerd heb gezien, hetzij ik verzuimd heb die beide woordenboeken na te slaan, het is en blijft een fout. Welke fout aldus beoordeeld wordt:

‘Dat bewijst eens te meer, met welke lichtzinnigheid Blz. 253 de heer de Vreese de opgenomen taak vervult, Qui trop embrasse mal étreint! en de man heeft, door eigen schuld, te veel werk.’
[p. 560]

Als ik mij éénmaal miszie, dan heet het lichtzinnigheid; als de heer Claes zich meer dan een dozijn keeren misziet, dan heet het:

+ ‘Missen is menschelijk; het lezen van het Wdb. is een zeer afmattend werk, en mijne oogen zijn niet meer zoo jong, als die van den heer de Vreese, die nochtans op menige plaatsen dezelfde fout begaat. Dit kan mij echter niet verschoonen; alleen verzoek ik u, Mijne Heeren, te willen gelooven, dat ik mij nooit met opzet heb vergist.’

Het is meer dan waarschijnlijk dat mijn oogen veel slechter zijn dan die van den heer Claes, en toch zijn die ‘menige plaatsen’ waar ik mij heb miszien, beperkt tot eene enkele, nl. geleg.

Het bewijs, dat ik mij wèl met opzet heb vergist, is achterwege gebleven.

 

***

+ ‘Maar zoo de Redactie geenen tijd had om de idiotica na te slaan, er is nog eene andere bron, waar men ook vóór 1878 kon aan putten, te weten Kiliaan, die geeft:
“Ghe-legge. j. schoof. Merges, fascis spicarum”.’

De Redactie heet in dit geval Cosijn, Verwijs en De Vries. Die heeren hadden natuurlijk wel tijd om Schuermans na te slaan. Maar juist in die jaren was het Woordenboek nog lang niet wat het nu is. Er was toen nog geen kwestie van een geschiedenis der woorden op groote schaal. De Vries wilde alleen de tegenwoordige taal in haar beschaafden toestand beschrijven, en hij dacht er

[p. 561]

in de verste verte niet aan, een woord op te nemen dat alleen bij Kiliaan en bij Schuermans staat. Dat doet wel de tegenwoordige Redactie. Maar dat wil de heer Claes niet geweten hebben. Hij spreekt altijd van ‘de Redactie’, en stelt aldus de tegenwoordige redacteurs aansprakelijk voor dingen, waaraan zij part noch deel gehad hebben.

 

***

‘Indien alp “een technisch woord” (36) is, zooveel+ te meer verdiende het eene plaats.’

Dat alp geen plaats verdient, heeft niemand beweerd; wel dat het voor De Vries moeilijk was, zoo niet onmogelijk, het woord te kennen, aangezien het thans levende geslacht het nóg niet kan kennen.

 

***

 

Met hetgeen ik over grichten gezegd heb, bedoelde ik niets anders dan een verklaring van dien vorm te geven. Ik heb niet beweerd dat het in 't Woordenboek stond.

 

***

 

Om de tweede stelling van den heer Claes heb ik noch van verontwaardiging noch van medelijden gehuiverd; ik heb er mij alleen over verbaasd, en het meest over de beschuldiging van partijdigheid, niet over die van onbetrouwbaarheid.

[p. 562]

Onbetrouwbaar is het Woordenboek in dezelfde mate als alle menschenwerk dat is. De Redactie geeft haar werk niet uit voor overvolledig en onverbeterlijk.

Maar partijdig is het Woordenboek niet. Laten wij niet vergeten, dat partijdigheid onderstelt: vooringenomenheid, belang of weerzin. Het is een leelijk iets.

De heer Claes zegt, dat hij op mijn lange consideraties niet hoeft te antwoorden. Mij wel. Slechts één punt wil hij aanroeren: Hij heeft niet de pretentie, zegt hij, al de woorden zijner geboortestreek te doen opnemen. Ik wil hem gaarne geloo ven, maar dan had hij zich niet moeten beperken tot het bespreken van woorden en uitdrukkingen die haast nergens elders bekend zijn. Hij zegt wel, dat de woorden die hij aanhaalt als in 't Wdb. niet voorkomende, voor 't grootste gedeelte in al de Vlaamsche streken in gebruik zijn, maar dat ontken ik beslist: juist het tegenovergestelde is het geval.

Op mijn zeggen, dat het Woordenboek niet ondernomen is met het doel een algemeen Nederlandsch idioticon tot stand te brengen, wordt geantwoordt dat het op sommige plaatsen een echt Noordnederlandsch idioticon schijnt, en verwezen naar dl. V. kol. 172-179. Daar staan inderdaad eenige specifiek Hollandsche woorden, maar 1o men moet niet over het hoofd zien dat verschillende daarvan in de schrijftaal der 17de eeuw van groot gebruik zijn geweest; en 2o er zijn kolommen genoeg

[p. 563]

in 't Woordenboek te vinden, waar het werk wel een Zuidnederlandsch idioticon lijkt; maar dat ziet de heer Claes niet.

Mijn woorden dat door De Vries aan de gewestelijke talen, vooral aan die van het Zuiden, zoo goed als geene aandacht werd geschonken, zouden de de beschuldiging inhouden dat de Vries tegenover het Zuiden niet onpartijdig was. Hier had ik beter gezwegen.

Geen beter bewijs voor 't geen ik gezegd heb, dat men De Vries zelf niet aandurft, maar de jongere Redactie wel. Deze, die veel over 't Zuidnederlandsch vermeldt, wordt lastig gevallen; De Vries, die er niets van vermeldde, mag niet te na gekomen worden! Het is genoeg bekend dat ik een der grootste bewonderaars van De Vries ben, maar de waarheid is de waarheid.

 

***

 

Het spijt den heer Claes, dat hij bij al de woorden die ik ‘opgenomen heb verklaard’, geen schuld mag bekennen. Voor sommige zegt hij mea culpa, voor andere niet.

Maar is er dan één woord of uitdrukking die hij niet gezien had, die ik wél gezien heb, die ik alleen in mijn verbeelding gezien heb? Neen immers. Er werd beweerd: dit en dat staat er niet in; ik heb aangewezen, dat het er wel in staat. Dat wascht al het water van de zee niet af. Hetgeen ons geacht Medelid nu komt vertellen, dat alles is de vraag niet.

[p. 564]

Ik zou het daarbij kunnen laten, maar 't is een kleine moeite om aan te toonen, dat de heer Claes verkeerd redeneert, zelfs op het terrein waar hij de zaak thans brengt.

Dat de eigenaardige beteekenis van aanslaan: verdrogen, niet in 't Woordenboek staat, heb ik niet be-, maar erkend. Maar 'k heb tevens aangetoond, dat het er niet in kon staan.

Braamkrets zou onder een hoop andere samenstellingen ‘verloren’ staan. Ja, voor iemand die het plan van 't Woordenboek kent noch begrijpt. Waarom het geen apart artikel is, heb ik gezegd.

Bij ‘Vieze Breugel’ heet het:

+ ‘Leeft thans in Z.-N. nog voort’. Waarom die beperking? De Noordnederlanders hebben er geene eer van, dat zij den beroemden man, die van Noordnederlandsche afkomst was, geheel vergeten.’

Waarom die beperking? Wel, omdat het tegenovergestelde beslist onwaar zou geweest zijn. Of het den Noordnederlanders al of niet tot oneer strekt, dat zij den man vergeten hebben - aangenomen dat dat waar is - heeft met de taalkunde niets te maken. De oorzaak, waarom de uitdrukking in Noord-Nederland thans niet meer gebruikt wordt, is waarschijnlijk te zoeken in het feit, dat men daar vies niet kent in de beteekenis die het heeft in vieze Breugel.

Over de beteekenis van gelijk in ge waart gelijk zoo vriendelijk heb ik me volstrekt niet uitgelaten;

[p. 565]

de opmerking dat gelijk door mij niet goed wordt uitgelegd, is dus misplaatst. Dat het Woordenboek hieromtrent niet volkomen juist is, geef ik grif toe.

Gelijk den dag aan 't werk zijn enz. zijn uitdrukkingen die volstrekt moesten uitgelegd worden, heet het. Ik heb de uitvoerige uitlegging van 't Woordenboek medegedeeld.

Te biechten gaan gelijk de molders heb ik wel goed gelezen, maar misschien niet goed verstaan, doordien de zegswijze mij uit mijn dialect onbekend is. Alles hangt er van af, of gelijk in het dialect waar 't gebezigd wordt den klemtoon heeft of niet. Zegt men te biechte gaan gelijk de molders, dan is t een bij voegwoord van tijd; zegt men te biechte gaan gelijk de molders dan is 't een vergelijkend voegwoord. Uit de aanmerking van den heer Claes is op te maken, dat het eerste het geval is.

In zijn aanmerking bij Goedvinden trekt de heer Claes zich uit den slag door iets dat een beleediging al zeer nabij komt.

Ik heb er op gewezen, dat het een elementaire waarheid is, dat men in een woordenboek soms meer dan één artikel moet naslaan, om een bepaalde uitdrukking te vinden: als ze op 't eene woord niet staat, kan ze op 't ander staan. Het is immers niet altijd mogelijk vooraf te beslissen, op welk woord een locutie moet staan: gewoonlijk op 't voornaamste woord; vaste regels zijn er niet. Zoo had men kan niet hebben en goedvinden ook op Goedvinden kunnen staan; nu ze daar niet staat, moet men toch,

[p. 566]

voor men gaat jammerklagen, eerst kijken of ze niet op Hebben staat.

Dat noemt de heer Claes een uitvlucht, en verdedigt zich verder met de mededeeling, dat het art. hebben nog niet verschenen was, toen hij in 1891 zijn aanmerking neerschreef.

Ik wil dat gaarne gelooven, maar ik ben zoo vrij te meenen, dat het van weinig nauwgezetheid en nog minder van wetenschappelijken zin getuigt aanteekeningen te gebruiken die tien jaar oud zijn, zonder even te onderzoeken of ze nog juist zijn.

De vergissing dat haargetouw niet in 't Woordenboek zou staan, en bij haarkamer diende vermeld te worden, tracht de heer Claes nu goed te maken door te beweren dat het in kol. 1446 moest staan. Ik geloof echter dat het woord zeer terecht geen apart artikel is geworden.

Dat pisbeziener, voorbiecht, nabiecht, biechtpunt, Eerst oomken en dan oomkes kinderen niet vergeten zijn, evenmin als Jan van Beers met den Besteek bij den kuiper; dat ten onrechte geklaagd werd over 't niet opnemen van woorden, die nog niet aan de beurt zijn, - daarover wordt gezwegen.

 

* * *

 

Daarna gaat de heer Claes over tot het bespreken mijner aanmerkingen op 't geen hij fout heeft genoemd.

+Ammelaken. Om te begrijpen hoe hij het hier om (sic) eenen anderen boeg wendt, moet ik u herinneren,
[p. 567]
dat ik ammelaken (onder honderden) heb aangehaald, niet omdat het hier “iets anders” zou beteekenen dan in Holland, maar omdat het in 't Wdb. als “Zuidnederlandsch” gemerkt staat... (volgt een aanhaling uit het Woordenboek).
Dát wilde ik doen zien; maar omdat ik het bovenstaande niet aangehaald had, wilde de heer de Vreese mij “iets anders” doen zeggen. Zal hij nu willen lijden dat hij zich vergist heeft, en vrijwillig?’

Neen, ik zal niet ‘lijden’ dat ik mij vergist heb, nog minder dat ik het ‘vrijwillig’ heb gedaan. Ik zal veeleer beweren dat niet ik het op een anderen boeg wend. In de Wenken staat er niets anders dan het volgende:

Ammelaken, het laken, waarop men de schotels, nappen, stoopen, kannen, enz. plaatste. Dat zegt immers meer dan tafellaken?’

Wie kan daaruit verstaan, wat ons thans gezegd wordt dat er mede bedoeld werd?

 

* * *

Bespieder, met voorbeelden o.a. uit David, van+ Lennep, Conscience, - dat wordt door al onze woordenboeken zonder aanmerking opgegeven, maar, zoo 't schijnt, te onrecht, omdat Conscience, die 't “pas 35 jaar geleden” nog schreef - nu dood is... Neen, omdat iets “dat niet lang geleden nog gebruikt werd, thans in onbruik kan zijn”.
Wanneer zal men begrijpen, dat beperkende uitdrukkingen als: thans zoo goed als in onbruik, alleen in Vlaamsch België enz. hier gelijk staan met: Gebruik ze niet meer.’
[p. 568]

Dat bespieder in al onze woordenboeken zonder aanmerking wordt vermeld, bewijst niets. Ze zijn immers geen van alle historische woordenboeken, en geven niet een, maar talrijke woorden op, die niet meer van dagelijksch gebruik zijn.

De wijze waarop mijn betoog verder geparaphraseerd wordt, kan veilig onbesproken blijven.

Wat nu de beteekenis betreft van aanwijzingen als thans zoogoed als in onbruik, alleen in Vlaamsch België enz., ik verzeker op de stelligste wijze, dat er niet mede bedoeld wordt: gebruik dit of dat woord niet meer Ik weet dat die opvatting hier in Vlaamsch-België meer gehuldigd wordt. Maar waarlijk: ze is verkeerd. Die aan wijzingen hebben alleen een historische beteekenis: het Woordenboek constateert, behoudens vergissing, den tegenwoordigen toestand der taal. Heeft iemand er nu genoegen in, een woord of een uitdrukking te gebruiken die uit het algemeen gebruik verdwenen is, dan hoeft hij dat niet te laten, ook al staat in t Woordenboek vermeld: verouderd. Hetzelfde geldt de topographische aanwijzingen Trouwens, indien uitdrukkingen als: alleen in Noord-Holland, alleen in de Graafschap, alleen aan de Zaan, alleen in Vlaanderen, alleen in Zuid-Nederland in gebruik, wezenlijk beteekenden: gebruik ze niet meer, zou dat niet het belachelijkste donquichotisme zijn, dat men kan uitdenken? Want niet alleen wordt het Woordenboek door veel te weinig menschen gelezen, opdat die aanwijzingen doel

[p. 569]

zouden kunnen treffen; zelfs al kwamen die aanwijzingen tot de kennis van het groote publiek - niemand zou er zich aan stooren.

 

* * *

 

Hetgeen gezegd wordt naar aanleiding van besprek, kunnen we gerust ter zijde laten.

Wat besprinkelen betreft: het ‘thans verouderd’ geldt immers niet den vorm, maar de beteekenis.

Daarenboven doet de heer Claes me iets zeggen dat ik niet gezegd heb.

‘Ik bewonder hier nogmaals de redeneering van+ den heer de Vreese. Waar het Wdb. besprinkelen Middelnederlandsch en verouderd heet, zegt hij: ‘Maar daarmede is immers niet gezegd, dat besprinkelen thans onbekend is.’

Ik heb immers niet gezegd dat het Woordenboek den vorm besprinkelen verouderd noemt, maar het volgende:

‘De heer Claes is tot zijn meening gekomen, doordien het Woordenboek als Middelnederlandschen vorm van besprenkelen alleen opgeeft: besprinkelen. Maar dat heeft immers zijn reden: tot nog toe is alleen die vorm voor 't Middelnederlandsch opgeteekend (zie Verdam), en dáárom wordt die alleen opgegeven. Maar daarmede is immers niet gezegd dat besprinkelen thans onbekend is.’

* * *

[p. 570]

+ Bij besteken wordt gevraagd, of Vlaamsch-België en de zuidelijke provincien van Noord-Nederland geen groot gebied genoeg is om het woord tot algemeen gangbaar te proclameeren. Zeker niet: Zuid-Nederland met Noord-Brabant maken samen nog niet eens de helft der Vereenigde Nederlanden uit.

 

* * *

 

+ Bij bestendig wordt gewaagd van de tegenspraak tusschen het Woordenboek en mijn Gallicismen. Inderdaad: volgens mijn vroegere redeneering is de uitdrukking bestendige secretaris niet de rechte; ze is het naar mijn tegenwoordige meening nog niet. Toch zou ik, indien ik het artikel bestendig had gemaakt, net eender geschreven hebben als Dr. Kluyver: want de Redacteurs moeten in 't Woordenboek niet verkondigen wat zij voor goed houden; zij moeten vermelden hoe het gebruik is. Het Woordenboek kiest geen partij.

 

* * *

+Bestiaal. Ik heb niet gezegd, dat het woord mij ‘niet bekend is’ (55), maar dat ik het niet heb ‘hooren of zien gebruiken, dan hier en daar bij eenen notaris.’

In de Wenken staat:

‘Volgens de Bo leeft het (woord) nog in West-Vlaanderen. Misschien, ja, hier en daar bij eenen notaris; maar elders heb ik het nooit hooren of zien gebruiken.’
[p. 571]

Dat kan naar mijn bescheiden meening niet anders beteekenen dan het volgende: ‘Misschien, ja, hier en daar bij een notaris in West-Vlaanderen; maar elders, d.i. buiten West-Vlaanderen, heb ik het nooit hooren of zien gebruiken.’

En dat dit wezenlijk de bedoeling was, kan men duidelijk zien uit het artikel in De Vlaamsche Kunstbode, waar men leest: ‘Volgens de bo leeft het nog in West-Vl. (misschien hier of daar bij eenen notaris), maar ik heb het nooit hooren of zien gebruiken’.

‘Ik heb ook niet gezegd, “dat Zuidnederlandsche woorden maar in 't Wdb. moeten behandeld worden, voor zooveel (sic) zij tevens Haspengouwsch zijn!” Eene geestigheid, waarin Doctor de Vreese... voor de hoeveelste (sic) maal bewijst, dat hij het Haspengouw niet weet te onderscheiden van 't Hageland.’

Als mijn conclusie te gewaagd was, laat de heer Claes dan duidelijk te kennen geven wat hij met zijn aanmerking bedoeld heeft. Die aanmerking maakt zeer zeker den indruk, dat naar het oordeel van den criticus bestiaal niet in het Woordenboek mag staan, omdat het woord in 't Hageland niet bekend is.

Wat die geestigheid betreft, ze bewijst alleen dat de grenzen van 't Hageland mij niet nauwkeurig bekend zijn, aangezien ik Neerlinter tot de Haspengouw reken. Doch daarover straks nader.

‘Lees mijn artikel op Bestiaal...; op wien heb+ ik mij nog beroepen?’
[p. 572]

In de Wenken wordt niemand anders genoemd dan De Bo.

+ ‘Maar indien bestiaal... “heel Vlaanderen door, oost en west, van dagelijksch gebruik is (55)”, hoe komt het dan, dat Amaat Joos in zijn Waasch Idioticon het woord niet opneemt? Zeker om mij genoegen te doen? Wat is hier nu “karakteristiek (55)” mijne onbelezenheid of uwe driestheid?’

Waarom de heer Joos het woord bestiaal niet opgenomen heeft, weet ik niet. Naar mijn gevoelen bewijst dat nog niet, dat het woord in het land van Waas onbekend is. Dat ik waarheid gesproken heb, toen ik zeide dat bestiaal in Vlaanderen overal bekend is, mogen de aanwezige leden getuigen: op hen beroep ik mij(1). En al was dat niet zoo, dat zou nog geen reden geweest zijn om het woord niet in 't Woordenboek op te nemen. Me dunkt dat iemand, die aldoor klaagt dat aan het Zuidnederlandsch niet de eer gegeven wordt die er aan toekomt, blij moest zijn dat bestiaal opgenomen werd, ook al is het niet overal bekend.

 

* * *

 

Hetgeen in 't midden gebracht wordt naar aanleiding van bestierder enz. kan weer onbesproken blijven.

[p. 573]

Bij betalende school heet het opnieuw, dat ik mijne verantwoordelijkheid van mij afschud. Dat dit ongegrond is, werd boven reeds aangetoond. Daarenboven heb ik niet gezegd:

‘De Redactie “heeft aan het Zuidnederlandsch+ taalgebruik alle eer bewezen” met betalende school, niet een gallicisme, maar eene “navolging van fr. école payante” te noemen.’

Maar:

‘door betalende school op te nemen zonder een woord van goed- noch afkeuring.’

Waarom de Redactie, in dit geval Dr. Kluyver, verwezen heeft naar een artikel van mijn hand heb ik ook gezegd: ten gerieve van hen die uitvoeriger wenschen ingelicht te worden over het ontstaan en het gebruik der uitdrukking.

Ik heb niet gezegd, kortweg: ‘de Redactie heeft mijn geschrijf niet noodig’, maar: ‘de Redactie heeft mijn geschrijf niet noodig om te weten dat betalende school Zuidnederlandsch is.’

En nu die ‘brillante volte-face.’ Ik geef in het Belfort van Februari 1899 een zeer kort artikel, niet meer dan anderhalve bladzijde groot: Hoe zou een ‘école payante’ in het Nederlandsch wel heeten? Een stuk van den heer Bultynck in de Maartaflevering gaf mij aanleiding om op de zaak terug te komen, te meer daar ik mij op een belangrijk punt onvolledig en ook onjuist had

[p. 574]

uitgedrukt. Toen ik met mijn tweede stukje bij den uitgever kwam, deelde hij mij mede dat hij nog twee artikeltjes over hetzelfde onderwerp had ontvangen, en verzocht hij mij, het mijne tot de Meiaflevering te laten liggen, daar de beschikbare ruimte voor de Aprilaflevering vol was. Daartegen had ik geen bezwaar, maar verzocht en kreeg vergunning er een naschrift bij te voegen.

In de inleiding van het tweede artikel erkende ik rondweg dat ik ‘op een belangrijk punt mijn bedoeling minder juist had uitgedrukt’, en het naschrift begint aldus: ‘Dit artikel was reeds geschreven, en bestemd om in de voorgaande aflevering opgenomen te worden; maar daar nog twee andere stukjes over hetzelfde onderwerp ingezonden waren, werd het verkieslijker geacht die te laten voorgaan

Wat doet nu de heer Claes?

Vooreerst tracht hij munt te slaan uit mijn vermelde onvolledigheid en onjuistheid, Dat is zijn recht. Maar hij gaat verder. Niettegenstaande de erkenning mijnerzijds dat ik een fout gemaakt had, en ondanks de zeer uitdrukkelijke verklaring aan het hoofd van het naschrift beweert hij, niet alleen dat ik mijn vergissing niet heb willen erkennen, maar ook dat mijn tweede artikel niet geschreven was vóór het zijne:

+ ‘In plaats van te bekennen, dat hij zich vergist had, schreef Dr. de Vreese, bl. 362, in een art. - dat schijnbaar te laat verzonden was om in de voorgaande aflevering te kunnen opgenomen worden (!)’ enz. (volgt een aanhaling).
[p. 575]

Ik acht het onnoodig dergelijke argumentatie nader te qualificeeren.

 

* * *

Gezwaad hoort niet alleen tot het Antwerpsch+ dialect, maar tot het Hagelandsch en het Haspengouwsch.’

Dat Gezwaad ook tot het Hagel. en Haspegouwsch behoort, wil ik gaarne gelooven; maar dat bewijst niets tegen 't geen ik gezegd heb.

 

* * *

 

Baboe. - Ik vraag excuus 1o voor de foutieve verwijzing: 58 in plaats van 50; 2o omdat baboe (_ _) niet in 't Woordenboek staat, terwijl men uit mijne woorden inderdaad kan opmaken, dat het er wél in staat.

 

* * *

‘Maar bats, groote schop, dat als algemeen Nederlandsch+ opgenomen wordt, waar is dat bekend?’

Dus, wat de heer Claes niet kent, is geen Nederlandsch? Bats is in Noord-Nederland onder polder- en aardewerkers algemeen bekend. Noord-Nederland is in elk geval toch meer dan ‘St Truiden en omstreken’, waar bats = bil.

 

* * *

Bedpan. - Ik zal doen opmerken 1o dat het+ Wdb. bij Beddepan, 2), zegt: “In Z.-N. in den vorm bedpanne”, wat niet waar is, dan voor een deel van
[p. 576]
Z.-N.; 2o dat bij beddepan 1), drie (slechts drie) voorbeelden gegeven worden, het eerste met Bedpannen, (mv.), het tweede met Bedpan, het derde met Bedpann!
En desalniettemin de vorm is beddepan!

Alweer onnauwkeurig gelezen: het lemma Beddepan bewijst dat de meest gebruikte vorm thans zóó luidt; daarnaast wordt onmiddellijk vermeld: ‘ook bedpan’.

 

* * *

+Boter. Van de variante door Tuerlinckx en Rutten opgegeven spreekt het Wdb. niet; het geeft de spottende uitdr., door de Bo, geboekt en laat ze door de Bo, Tuerlinckx en Rutten onderteekenen. 't Is dát, wat verkeerd is; tegen die verkeerde opgave, als zou de Hagelander en de Haspengouwer Versche boter en versch brood is allemans dood zeggen, teeken ik verzet aan, - dat weet de heer de Vreese zeer goed! Wat Tuerlinckx en Rutten beter opgeven, wordt niet vermeld. Is dát onpartijdig en betrouwbaar?’

Dat is een zeer zonderlinge voorstelling van de zaak. Het is immers begrijpelijk, dat, als een uitdrukking uit De Bo wordt aangehaald, waarvoor Tuerlinckx en Rutten een variante hebben, die variante niet altijd in haar geheel hoeft uitgeschreven te worden.

Daarenboven: de heer Claes heeft gezegd dat men in zijn streek gebruikt: Versche boter en versch brood is mijn dood, zei de man, en de vrouw bakte en boterde alle dagen, en zich beklaagd dat die variante niet opgenomen is. Ik heb er op

[p. 577]

gewezen, dat Tuerlinckx noch Rutten die vermelden, maar daarover wordt gezwegen.

 

* * *

‘Bij boken wordt, 't is waar, verwezen naar “Beuken,+ bedr. zw. ww. Mnl. boken”, en er wordt o.a. een voorbeeld van boken gegeven uit een werk van ons geacht medelid, Am. de Vos, die dus Middelnederlandsch schrijft!’

Niemand, behalve de heer Claes, zal uit het Woordenboek een dergelijke conclusie trekken, want iedereen weet dat de Zuidnederlandsche dialecten nog in talrijke gevallen het klankenstelsel der middeleeuwen bewaard hebben, en dat het Woordenboek, door een citaat met den vorm boken te geven, juist bedoelt er de aandacht op te vestigen dat een dergelijk geval hier aanwezig is.

Wat het overige aangaat, in de Wenken staat:

‘Die in 't Fransch het rechte woord op de rechte plaats gebruiken (anders gezegd: de “lawaaiigen”) drukken noten boken uit door gauler des noix.’

Ik heb daarop gezegd:

‘Wat met het slot der aanmerking bedoeld wordt, kan ik niet recht vatten. Ik denk dat iedereen noten beuken zal uitdrukken door gauler des noix.’

Nu doet de heer Claes moeite om mij duidelijk te maken wat gauler des noix beteekent, maar dat wist ik waarlijk ook wel. Het onbegrijpelijke voor

[p. 578]

mij was niet, wat gauler des noix beteekent, maar: dat naar de meening van den heer Claes alleen zij, die ‘in 't Fransch het rechte woord op de rechte plaats gebruiken (anders gezegd de lawaaiigen)’ gauler des noix zouden zeggen. Met andere woorden: waarom alleen dergelijke menschen, en niet iedereen?

 

* * *

+Bewijzen. 't Is wonder, hoe de heer de Vreese er naar streeft om de Redactie als slachtoffer van mijnen moedwil voor te stellen. Waar ik zeg: “Het (namelijk het woord bewijzen met de beteekenis, die ik er blijf aan hechten) dient geëerbiedigd, omdat Bilderdijk het gemaakt heeft,” daar veinst hij te gelooven, dat ik de Redactie van “gebrek aan eerbied tegenover Bilderdijk” beschuldig! Blijven wij liever bij de beteekenis van het woord bewijzen.’

Ik veins niemendal. Als men tot iemand zegt: ‘die beteekenis hebt ge niet vermeld; maar ze dient geëerbiedigd te worden,’ dan zal dat ongetwijfeld den indruk geven: gij hebt ze niet geëerbiedigd. Vandaar mijne woorden: ‘Ik kan het met den heer Claes niet eens zijn, dat de Redactie zich aan gebrek aan eerbied tegenover Bilderdijk heeft schuldig gemaakt’.

+ ‘Als de redeneering van den heer de Vreese juist is, dan heeft Bilderdijk willen zeggen:
Geen dichten van meesterdichters in 't algemeen en geen bundel van Vondel, Poot, van Merken, Feitama in 't bijzonder leveren het bewijs, dat zij door een versuften grijsaard gemaakt zijn...
[p. 579]

Indien zij (t.w. de Redactie) met haar Belgisch medelid ook van Bilderdijks onbeholpenheid overtuigd is, dan is er nog een groot argument vergeten om die onbeholpenheid te staven: Hoe kon Bilderdijk aan eenen “grijzaard (sic 73), bij den haard stram en stijf geworden” denken en tevens aan W. van Merken, die maar 68, aan Feitama, die maar 64, en aan Poot, die maar 44 jaar oud is geworden, en toch verzen geschreven heeft, die bij deze “onbeholpene, gewrongene” verzen van onzen subliemen knorrepot ver, zeer ver achterstaan?’

Hetgeen ik gezegd heb, wordt hier nu juist niet overnauwkeurig omschreven. Naar mijn opvatting, die ik toch duidelijk genoeg uiteengezet heb, heeft Bilderdijk bedoeld: Aan de verzen van Vondel, Poot enz. kan men wel zien -, die verzen verraden dat ze niet gemaakt zijn door grijsaards bij den haard stijf en stram geworden, terwijl men dat aan de mijne wél kan zien, m.a.w. ‘zulke werken als de bundels van Vondel, Poot, van Merken of Feitama kunnen niet gemaakt zijn door een versuften grijsaard’, welke opvatting natuurlijk niet in strijd is met den leeftijd der genoemde dichters.

Om den lezer, die de werken van Bilderdijk niet bij de hand heeft, in staat te stellen mijn opvatting aan den tekst zelven onmiddellijk te toetsen, moge het gedicht, voor zoover noodig, hier een plaats vinden.

 
Geen bondel
 
Van Vondel,
 
Geen verzen van Poot; -
 
Geen dichten
 
Van lichten,
 
Op Pindus vergood; -
[p. 580]
 
Geen werken,
 
Van Merken
 
Of Feitama waard, -
 
Bewijzen
 
Den Grijzen
 
Verstijfd by den haard.
 
't Bezwaren
 
Der jaren
 
Verdrukt en verwoest
 
Gedachten
 
En krachten;
 
En de adem verroest.
 
Verbeelde
 
De weelde
 
Zich meer dan zy mag!
 
We ontleeren
 
't Braveeren
 
By dalenden dag.
 
Wat zouden
 
Wy, Ouden?
 
Der Jeugd voegt het Lied.
 
Verstommen,
 
Of brommen;
 
Meer kunnen wy niet.
 
Geen Zangen
 
Ontvangen
 
Mijn Lezers van my,
 
Maar luttel
 
Gepruttel
 
Van Bestevaârs brij.
 
Want rijmen
 
Te lijmen
 
In maat en kadans
 
('t Mag goed zijn
 
't Mag zoet zijn)
 
Verdient nog geen krans.
 
Niets lichter
 
Dan Dichter
[p. 581]
 
Te wezen in schijn!
 
Doch velen
 
Moog 't streelen,
 
't Valt zwaar, het te zijn.
 
Dit weten
 
Poëeten
 
Op 't Zangpad gewend, -
 
Dit ieder,
 
Die lieder-
 
En ode-vlucht kent.
 
't Eischt treffen,
 
Verheffen;
 
't Eischt bruischenden gloed;
 
Geen ooren-
 
Bekoren,
 
Maar hart en gemoed.

Bilderdijk gaat voort uiteen te zetten, aan welke eischen de dichter moet voldoen, en eindigt ten slotte aldus:

 
Nog voelen
 
We 't woelen
 
Der vonk van voorlang,
 
En storten
 
By horten
 
Een zweemsel van zang.
 
Doch minden
 
De vrinden
 
Van 't Dichterlijk schoon,
 
En prezen
 
Voor dezen
 
De braven mijn toon;
 
Schoon langer
 
Geen Zanger
[p. 582]
 
Voor andren ten baak,
 
Licht hooren
 
Hun ooren
 
Ook dit met vermaak(1).

Het heet dat ik Bilderdijk een krauw geef. Ik ben zoo vrij er aan te herinneren dat ik alleen gezegd heb, dat Bilderdijk zich op deze plaats ‘vrij onbeholpen, althans gewrongen’ heeft uitgedrukt. Sedert wanneer zijn wij verplicht Bilderdijk te bewonderen door dik en dun?

 

* * *

+Bidden. De heer de Vreese is gewoon te doceeren, maar ik beklaag de discipels die bij hem zweren. “Twijfele wie wil, de verklaring is niettemin juist,” roept hij uit. Hij zou veel beter doen met te bewijzen, dat biddende orden en bedelende orden dezelfde zijn; zijne verzekeringen: “dat is onjuist, dat is bekend” voldoen mij volstrekt niet.’

Me dunkt, dat hier meer gevergd wordt dan billijk is. De heer Claes heeft de verklaring van 't Woordenboek in twijfel getrokken: hij moest dus bewijzen dat biddende orden niet beteekent: bedelorden. Ik heb gezegd: ‘Twijfele wie wil, de verklaring is niettemin juist’, omdat het wezenlijk algemeen bekend is, dat bidden vroeger o.a. beteekende: bedelen. Want daar komt het op aan. Wie het niet weet, kan het immers te weten komen door

[p. 583]

in het Nederlandsch en in het Middelnederlandsch Woordenboek beide het artikel bidden even te lezen. Nog bij Plantijn leest men: ‘Bidden van deure tot deure. Mendier de huis en huis.’ Ik heb herinnerd aan lat. mendicantes en aan fr. ordres mendiants. Als Jan van Ruusbroec schrijft: Maer die de biddende ordenen stichten, si besaten Gode, en: nu sijn die biddende ordenen seere wijt worden, ende der bruedere die bidden es vele(1), dan vertaalt Surius aldus: Jam si ad Mendicantium ordines transeamus, eorum institutores videmus Deum in spiritus sui possedisse, en: Atqui hodie ordines isti Mendicantium plurimum aucti sunt, et Mendicantium fratrum est numerus(2); ik zal er nog bijvoegen dat Jacob van Maerlant de Franciscanen de ‘bidders’, d.i. de bedelaars, noemt: ‘Jacop van Merlant wille hier af dichten... Want hi de bidders enten patroon minnet’ (Leven v. St.-Franciscus, vs. 79).

De heer Claes heeft groot gelijk mij op mijn woord niet te gelooven; maar waarom wil hij dat ik hem op 't zijne geloof? Hij had immers gezegd: ‘les ordres contemplatifs... bij ons de beschouwende of biddende orden’, maar 't bewijs bleef achterwege.

* * *

[p. 584]
+Biddag. Om te bewijzen dat ‘de verklaring van dat woord niet onjuist is, haalt hij o.a. aan, dat ook de kruisdagen in 1665 biddagen genoemd worden. In 1665! hij die hier ernstig beweerd heeft, dat iets verouderd is, wat Conscience (en zijne landgenooten nu nog) gebruikte! Onze biddag of gedurige aanbidding is echter zoo oud niet; hij dagteekent eerst van omstreeks 1760.’

Een belangrijk punt uit mijne redeneering is hier over 't hoofd gezien. In de Wenken werd gezegd:

‘Dat (t.w. de definitie van Biddag) kan overeenkomstig zijn met den hervormden godsdienst in een protestantsch land. Bij de Katholieken is de biddag de dag, welke in iedere parochie jaarlijks toegewijd is aan de aanbidding van het H. Sacrament.’

Daarop heb ik er op gewezen, dat hier geen kwestie kan zijn van den biddag bij de katholieken, maar van een biddag. Als voorbeelden van biddagen noemde ik dan: 1o den dag, welke bestemd is tot gedurige aanbidding van het H Sacrament; 2o den dag waarop men te Gent petsonkelt; 3o ‘uit een citaat uit Croons' Almanak (ao 1665), in 't Woordenboek opgenomen, kan men zien dat de kruisdagen er in dien tijd nog andere waren.’ Me dunkt, dat is voldoende om te bewijzen, dat biddag niet kan gedefinieerd worden zooals de heer Claes het doet, met andere woorden dat de definitie van 't Woorcenboek niet onjuist is.

Had ik alleen op het citaat uit Croon gewezen, dan zou er misschien reden zijn om te zeggen: die redeneering gaat niet op, want het gebruik van bid-

[p. 585]

dag met betrekking tot de kruisdagen is verouderd. Maar waar een voorbeeld gegeven wordt van het gebruik van biddag met betrekking tot Portiuncula, naast gedurige aanbidding, is daar geen recht toe.

 

* * *

Biechten. “Er worden verschillende aanhalingen+ medegedeeld - zegt hij - waarin biechten onzijdig is”, en daardoor bewijst hij de juistheid mijner aanmerking, dat biechten niet bedrijvend alleen, maar bedrijvend en onzijdig moest heeten.’

De zaak komt hier op neer: vroeger werd er steeds nadrukkelijk op gewezen, als een werkwoord, dat van nature bedrijvend is, schijnbaar onzijdig wordt gebruikt. Thans wordt dit soms nagelaten.

 

* * *

Brood. Ik kan u verzekeren, dat de Hagelander+ (de heer de Vreese verwart hem hier weer met den Haspengouwer (77)!) noch een boos, noch een loos inzicht heeft, als hij, ook in het bijzijn van den jongen leviet, zegt: kruintje geschoren, wijntje geboren.’

Er is geen reden om aan die verzekering te twijfelen; het is blijkbaar een grappige spreekwijze, waarmede niets kwaad bedoeld wordt. Maar ik zie niet in, hoe die verzekering de verkeerde aanmerking in de Wenken goed maakt.

 

* * *

Ge-. De heer de Vreese bekent het zelf (80), dat+ geten in het Zuiden de overheerschende vorm is geble-
[p. 586]
ven. Ik heb mij alleen beklaagd, dat deze regelmatige vorm door de Hollandsche woordenboeken dood wordt gezwegen. Waarom? Dat heeft de heer de Vreese ons met al zijne geleerde uitweidingen niet geleerd.’

Ik heb duidelijk gezegd, dat ge- in het Woordenboek niet doodgezwegen, d.i. met opzet verzwegen is, maar, dat De Vries, Verwijs en Cosijn in 1874 waarschijnlijk niet wisten dat geten hier thans nog de gewone vorm is.

 

* * *

+ ‘Bij gebral spijt het hem, niet te kunnen bewijzen, dat ik ongelijk heb...
Al wat gij over brallen vertelt, bewijst te beter dat gebral = geloei vergeten is.’

Het heeft mij niet de minste moeite gekost, te erkennen dat gebral = geloei niet in 't Woordenboek staat. Ik heb bewezen dat het er niet in kón staan, en daar kwam het op aan.

 

* * *

+Gedachte wordt door het Wdb. “vr., voorheen ook onz.” geheeten. Ik heb gezegd: “In al de voorbeelden, waar gedachte in 't enkelv. voorkomt, is die vorm vrouwelijk, nergens onzijdig”. Zoek liever voorbeelden waarin gedachte onz. is, in plaats van mij te beschuldigen.’

In de Wenken werd gevraagd waarom de vorm gedacht ‘uit al de woordenboeken’ wordt gebannen. Ik heb aangetoond, dat de billijkheid vordert te erkennen, dat die vorm in elk geval

[p. 587]

niet uit het Woordenboek gebannen is. Nu heet ik de beschuldiger. Laat het nu waar wezen, dat het Woordenboek geen enkel voorbeeld geeft waarin gedachte onzijdig is (wat waarschijnlijk zuiver toevallig is: toen dit artikel bewerkt werd, en nog lange jaren nadien, was het materiaal van 't Woordenboek nog oneindig verder van 't ideaal verwijderd dan thans). Desniettegenstaande is het wel degelijk juist, wat aan het hoofd van het artikel staat: ‘voorheen ook onzijdig,’ zooals men zien kan uit het Middelnederlandsch Woordenboek van Verdam, die voorbeelden genoeg heeft waarin gedachte onzijdig is.

 

* * *

 

Goddeloos. - De heer Claes wil bewijzen, dat+ de klemtoon niet altijd op het achtervoegsel ligt, ‘zelfs niet in de beschaafde taal,’ en doet dat met behulp van voorbeelden uit vroeger eeuwen, terwijl ik natuurlijk de hedendaagsche beschaafde taal op het oog had.

Ik geef echter grif toe, dat een korte opmerking over de verschillende accentuatie in vroeger en later tijd, en thans in Noord- en Zuid-Nederland, in het Woordenboek niet zou misplaatst geweest zijn.

 

* * *

 

De aanmerkingen naar aanleiding van mannen van goeden wil zijn alweer het gevolg van onnauwkeurig lezen. Er wordt gevraagd:

[p. 588]
+ ‘1o Wat verschil is er tusschen uw “goed gehumeurd” en uw “gunstig gestemd” (88)? of wil goed gehumeurd niet zeggen: de bonne humeur d.i. welgezind?

Ik heb gezegd: ‘In het Zuiden beteekent welgezind: goed gehumeurd; in Noord-Nederland heeft het woord een beteekenis die dichter staat bij de oorspronkelijke: nl. gunstig gestemd -, genegen tot datgene wat uit het verband blijkt, zooals men met één blik in 't Woordenboek, op gezind, leeren kan.’

Me dunkt, dat levert wel eenig verschil op. De heer Claes klaagt over 't geen hij noemt mijne ‘langheid.’ Maar 't heeft al den schijn, dat ik het beter nóg wat langer had gemaakt, en uitvoerig gewezen op het verschil in constructie: voor den Zuidnederlander is welgezind een absoluut begrip; voor den Noordnederlander niet.

Dat de schrijver in het Vaderland aan de Fransche uitdrukking niet gedacht heeft, zal wel waar wezen. De Hollanders hebben het, gelukkig, nog zoo ver niet gebracht als wij Zuidnederlanders. Maar dat het een uitvinding van mij is, dat welgezinden beteekent ‘mannen van goeden wil’, is mij te veel eer bewijzen. Dat Halma en Heremans welgezind vertalen door bien intentionné, bewijst niet dat die andere beteekenis niet bestaat. Het voorbeeld uit het Vaderland heb ik aangehaald omdat ik het toevallig bij de hand had; het zou waarschijnlijk niet veel zoekens kosten, er uit de literatuur eenige andere bijeen te brengen.

 

* * *

[p. 589]

Gordijn. - De heer Claes meent, dat ik ‘of+ een ander’ den bewerker van het woord gordijn ‘moest leeren kennen’ dat dit woord in Zuid-Nederland altijd vrouwelijk is.

Het zal goed zijn, hier de puntjes op de i te zetten.

De aflevering, waarin Gordijn voorkomt, verscheen einde November 1891; ik was met 1 September daaraanvoorafgaande medewerker aan 't Woordenboek geworden, en werkte als zoodanig samen met Dr. Kluyver, aan de letter O; met het werk van de heeren Beets en Muller had ik niets uit te staan. Maar al was dit laatste anders geweest, uit de genoemde data blijkt, dat gordijn bewerkt werd, toen ik met het redactiewerk nog heelemaal niets te maken had; toen ik wel uit liefhebberij bijdragen leverde voor het Woordenboeksapparaat, maar van het werk zelf alleen kon kennis nemen als elk ander belangstellend lezer, d.w.z. nadat de afleveringen verschenen waren. Evenmin als wie ook, kon ik dus vooruit weten welke fouten of vergissingen in een bepaald artikel zouden voorkomen. Hoe had ik dan den bewerker van het artikel gordijn ‘moeten’ leeren dat dit woord in Zuid-Nederland altijd vrouwelijk is?

Ten slotte: aangezien, naar de meening van den heer Claes, ook een ander dan ik den bewerker had moeten en kunnen inlichten, is het dan onbescheiden te vragen waarom de heer Claes zelf dat niet op zich heeft genomen?

 

* * *

[p. 590]

+ Ook voor hetgeen aan 't artikel Gremelen heet te ontbreken, word ik aansprakelijk gesteld! Maar dit is weer het onmogelijke gevergd. Toen dat artikel in bewerking was, las ik nog niet het werk mijner collegas.

 

* * *

+Groen.... Nu hij om den kat te verschoonen, aan onze lezers verklaard heeft, “dat het gevoel der geslachten in N.-N. zeer flauw geworden is (91)”, hoe zullen zij dan kunnen goedkeuren, dat het meer ontwikkeld gevoel der geslachten in Vlaamsch-België door de Redactie niet in eer wordt gehouden, in zooverre dat het Zuidnederlandsch geslacht dikwijls óf niet vermeld wordt, of voor ouderwetsch doorgaat?’

Ik heb niets verschoond, maar het feit alleen verklaard, en er is geen kwestie van, dat door de Redactie ‘het meer ontwikkeld gevoel der geslachten in Vlaamsch-België niet in eer wordt gehouden.’ De waarheid is, nogmaals, dat de Redactie met het afwijkend Zuidnederlandsch geslacht meestal niet bekend is. Laten de Zuidnederlanders daar dus voor zorgen.

En nog eens herinner ik er aan dat dit zoogenaamd ‘meer ontwikkeld gevoel’ in zekeren zin een legende is. De Zuidnederlanders uniformiseeren het geslacht van allerlei woorden niet op zulke groote schaal als de Noordnederlanders, maar daarom heeft een bepaald woord hier niet overal hetzelfde geslacht.

 

* * *

[p. 591]
Haarzak. 1o Ik heb medegedeeld, dat haarzakken+ in alle wijzen en tijden gebruikt wordt, maar anders niets, zegt de heer de Vreese, “dan wat in 't Wdb. staat”. Is dat al niet genoeg?
2o Mijn artikel heeft het opnemen van haarzak geenszins in twijfel getrokken.
3o Heremans, Nederl. Wdb., 1869, geeft: “Aaszak in het spel = fraude au jeu”. De Redactie, 1897, heeft deze beteekenis (die zeer belangrijk is) niet opgenomen, noch met haarzak vergeleken.
4o De Redactie zegt, dat haarzak en haarzakken tot “de buurt van St.-Truiden” behooren. - Ja, als men die buurt eenigszins wil uitstrekken: over Haspengouw, Hageland, Kempen...!’

Ad 1o. Ik ontken het belang niet van de bedoelde mededeeling, maar heb aangetoond, waardoor het komt dat het Woordenboek vragenderwijs zegt: ‘alleen in de onbepaalde wijs?’, wat volkomen over 't hoofd wordt gezien.

Ad 2o. Dat heb ik ook niet beweerd, maar alleen gesproken van een ‘indruk’.

Ad 3o. De Redactie heeft in 1897 wel degelijk opgenomen, als derde beteekenis van het tweede artikel Haarzak: ‘Haarzak doen: knoeien, bedriegen bij 't spel’, terwijl Haarzakken verklaard is als: ‘Twist, ruzie, verschil zoeken; moeite maken; ook: bedrog plegen, onheusch doen... bij 't spel.’ Zie dl. V, kol. 1462.

Met haarzak doen is inderdaad niet vergeleken aaszak in het spel, om de goede reden dat er niet te vergelijken viel: de opgave van Heremans is fout. Zooals iedereen, desnoods uit

[p. 592]

het Woordenboek, dl. I, kol. 601 (dat is uit de vierde aflevering, die in 1866, dus drie jaar vóór het woordenboek van Heremans, verscheen), kan zien, is aaszak een geheel ander woord dan haarzak. Waarschijnlijk is Heremans op een dwaalspoor gebracht door Schuermans, die zegt: ‘Aaszak, m. Eigenlijk spijs- of knapzak, of een zak waar men zijn aas, zijn voedsel in steekt Vandaar is het overgegaan tot de goochelaars, die uit den aaszak spelen, of die uit hunnen knapzak allerlei dingen halen, welke zij daar weten in te tooveren. Aaszak doen in het spel, waarvoor men veelal haarzak hoort, is dus lichtelijk uit te leggen: het zegt zoo veel als met behendigheid zijne kaarten veranderen, of andere kunstgrepen te baat nemen om aan de winst te geraken.’

Dit is in het oog vallend verkeerd geredeneerd: haarzak is niet een vorm ‘die men hoort voor aaszak’; op zijn hoogst zou men kunnen zeggen, dat aaszak een vrij onnauwkeurige afbeelding is van de dialectische uitspraak van (h)aarzak, welke Schuermans noch Heremans hebben weten terecht te brengen. Schuermans heeft later, op zijn artikel Haarzak, de begane vergissing eenigszins hersteld.

Er was dus, zooals men ziet, niet de geringste reden om naar aanleiding van haarzak de Redactie van 't Woordenboek, in dit geval Dr Beets, te beschuldigen dat ze geen gebruik heeft gemaakt van Heremans.

[p. 593]

Ad 4o. Als het Woordenboek zegt, dat haarzak = bedrieger bij 't spelen en haarzakken = bedrog plegen bij 't spel, beteekenissen zijn die in de buurt van St.-Truiden bekend zijn, dan bewijst dat alleen dat ze geen materiaal had om meer te zeggen. Haar materiaal was in dit geval de bekende Lijst van woorden en spreekwijzen uit het Truiersch dialekt, medegedeeld door J.H. Bormans in De Jager's Archief 2,360 vlgg., waar men leest: ‘Aôrzakker is geen Truiersch, maer een uer vandaer, naer Brabant op, te Zout-Leeuw, enz. begint men haôrzak, haôrzakker en 't wkw. haôrzakken te hooren.’ Daardoor wordt de topographische aanwijzing in 't Woordenboek: ‘in de buurt van St.-Truien’, volkomen gerechtvaardigd. Dat die beteekenissen ook in 't Hageland, in de Haspengouw en in de Kempen bekend zijn, kon de bewerker van 't artikel niet weten, zooals ik vroeger aangetoond heb: Tuerlinckx en Rutten vermelden niet eens het woord, laat staan die beteekenis; Cornelissen vermeldt het in zijn derde aflevering, maar deze verscheen pas in 1900, drie jaar na de aflevering van het Woordenboek waarin haarzak voorkomt.

 

* * *

Hakselbank, hakselsnijder. Regelmatig+ geeft men synoniemen ter verklaring van woorden. Snijbank en snijmes hadden hier op hunne plaats gestaan.
Zoo ook bij de lokale uitdrukking Oom (Berg) ware de lokale uitdr. matant op hare plaats geweest.’
[p. 594]

Synoniemen kunnen slechts worden opgegeven voor zoover die aan de Redacteuren bekend zijn.

 

* * *

+Haal... Juist omdat zij (de Redactie) het onbekende haal opneemt, hadde zij het veel meer gekende bed = nageboorte bij paarden en koeien, op zijne plaats, bij het art. Bed, moeten en kunnen opnemen. Bed komt aldus bij Tuerlinckx (1886), Rutten (1890), Cornelissen-Vervl., Joos. Ook de samenst. bedmelk, bedziekte zijn vergeten.’

Dat bed in de beteekenis van haal in 't Woordenboek had mogen en kunnen staan, laat zich hooren, niet echter omdat het ‘meer gekend’ is dan haal, iets wat eer gezegd is dan bewezen, maar omdat het belangrijk genoeg is op zich zelf. Het is echter onjuist, dat Tuerlinckx die beteekenis vermeldt.

Bedmelk is nergens te vinden, en kon dus aan de Redactie niet bekend zijn; waarschijnlijk is de heer Claes de eerste die het woord vermeldt. Thans komt er nog bedziekte bij als ‘vergeten’, ofschoon het ook nergens vermeld staat. Men kan toch maar vergeten wat men weet.

 

* * *

 

De aanmerking op Oorlap weiger ik te bespreken.

 

* * *

+ ‘Bij terten (97) houd ik staande, dat het woord in het grootste gedeelte van Vlaamsch-België onbekend is.’
[p. 595]

Mij wel. Daar tegenover beroep ik mij op onze Medeleden(1), en op Schuermans, en wil gevraagd hebben: als de heer Claes waarheid spreekt, wat gewordt er dan van de voortreffelijkheid van Schuermans' Idioticon?

 

* * *

Op stam, - op stok. Ik heb nergens gezien,+ dat het “Notarieel Annoncenblad van Gent” ook taalkundig gezag uitoefent.’

Neen, het Notarieel Annoncenblad van Gent oefent geen taalkundig gezag uit. Geen enkel voorbeeld in het Woordenboek dient om het taalkundig gezag van de schrijvers te staven, maar om te bewijzen dat de woorden, uitdrukkingen, beteekenissen, constructies enz., wezenlijk in gebruik zijn of waren.

Ik heb trouwens erkend dat het goed is om te weten, dat naast op stam ook op stok bestaat.

 

* * *

 

Bij Bier op flesschen en bij op zijn renten+ leven roemt de heer Claes er op dat Berkhey in 1812 en Weiland pas in 1842 overleed, terwijl ik gezegd heb dat ze sedert een eeuw en meer dood zijn. Och, iedereen weet wel dat men zoo

[p. 596]

spreekt om een lange spanne tijds aan te duiden. Daarenboven: het is eigenlijk de vraag niet in welk jaar Berkhey en Weiland gestorven zijn, maar wel in welk jaar de aangehaalde werken verschenen zijn: de O van Weiland's Woordenboek verscheen in 1806; Berkhey's Natuurlijke Historie van 1769 tot 1811.

Het heet, dat mijn betoog, hoe Weiland aan zijn op zijn renten leven gekomen is, niets zegt, maar het bewijs blijft achterwege.

 

* * *

+Op de letter spreken en naar de letter spreken hebben dus in de oogen der Redactie evenveel waarde (103).’ Dan hadde men het art. kunnen verkorten en schrijven:
Op de letter: zooals het geschreven wordt, naar de letter.
De voorbeelden met de namen der schrijvers, die de uitdr. gebruiken, moeten aantoonen, of deze algemeen is, of slechts tot een gedeelte der Nederlanden behoort.’

De redactie welke hier verlangd wordt, zou van het standpunt van 't Woordenboek onnauwkeurig geweest zijn, daar het juist de bedoeling is de geschiedenis der woorden, chronologisch en topographisch, zooveel mogelijk in het licht te stellen.

Hoe de voorbeelden met de namen der schrijvers moeten aantoonen, of een uitdrukking al dan niet algemeen Nederlandsch is, verklaar ik niet te begrijpen.

 

* * *

[p. 597]

Opheldering. - Inderdaad, de heer Claes heeft+ alleen een gewrongen constructie aangewezen Op mijn antwoord: ‘Als men geen keus van citaten heeft, wat zal men dan doen? Geen voorbeeld geven?’ antwoordt hij op zijn beurt: ‘ik zocht me nog liever een half oog uit naar een beter voorbeeld, dan zulken gedrochtelijken volzin aan te halen om een woord, en nog wel het woord opheldering, toe te lichten.’

Zoo spreekt de heer Claes, maar zoo spreken niet alle inteekenaren. Als de redacteurs telkens zóó aan 't zoeken moesten gaan, zouden er niet veel afleveringen verschijnen.

Wat het ‘gedrochtelijke’ van het voorbeeld aangaat, laten wij niet vergeten dat deze zin door Jacob Geel met opzet gemaakt is, om tot voorbeeld te dienen van hetgeen hij den onoprechten stijl noemt.

 

* * *

Opkomen... Als men in een art. als opkomen+ den opsteller ziet pataugeeren, dan kan men wel een gevoel van afschrik voelen opkomen, maar toch voortlezen om te zien, hoever hij zich zal embourbeeren. Die afschrik kan op den duur zelfs weer in lachtlust veranderen, als men iemand zeer ernstig ziet schrijven: ‘Plotseling verrijst het plan om te k...!’

De bewerker van het art. opkomen heeft volstrekt niet gepataugeerd, integendeel: de beteekenissen zijn alle zeer duidelijk omschreven. Ik heb aangetoond dat in de Wenken voor een verschil in

[p. 598]

beteekenis werd aangezien wat eigenlijk maar een verschil in constructie was, en dat de zegswijze het komt op als kakken door den criticus verkeerd was begrepen. Dat dit werkelijk het geval is, blijkt thans overduidelijk. In het Woordenboek, dl. XI, kol. 928, staat het volgende:

‘- Zegswijze. Het komt op als kakken, plotseling verrijst de begeerte, het plan er toe. ‖ Het trouwen komt op als kakken, harreb. 3, 52b.’

Hoe men daaruit kan lezen, hetgeen de heer Claes er uit gelezen heeft is niet zeer duidelijk: er toe slaat immers niet op kakken, maar op het onderwerp het.

 

* * *

 

Oog. - In mijn antwoord op de Wenken heb ik gezegd:

‘Gesteld dat de verklaring, die hier gegeven wordt van uitdrukkingen als op 't oog, in 't oog, naar 't stad enz. in 't Hageland, juist zij (wat echter niet het geval is, dan is de critiek op zijn minst aan een verkeerd adres gericht, ze treft niet den bewerker van het artikel oog in 't Woordenboek, maar Rutten en Tuerlinckx.

De eerste zegt op het woord bosch: “Dat mannelijke en vrouwelijke zelfstandige naamwoorden, in vaste uitdrukkingen als onzijdig voorkomen is geen ongewoon verschijnsel.” En op het artikel onzijdig: “In 't Haspengouw hebben we eenige vaste uitdrukkingen, waarin mannelijke

[p. 599]

of vrouwelijke substantieven immer onzijdig voorkomen.” In beide artikels vermeldt Rutten dan een reeks uitdrukkingen, waarin zich de besproken eigenaardigheid voordoet, daaronder ook: iemand in 't oog houden; op het artikel oog komt daar dan nog bij: iets op 't oog zien.

Van zijn kant zegt Tuerlinckx in zijn inleiding, blz. XVII: “in sommige uitdrukkingen gebruikt men het onzijdig geslacht in de plaats van het mannelijk of vrouwelijk”, en laat dan ook een aantal uitdrukkingen volgen, op een paar na dezelfde die bij Rutten staan. Wat meer is, Tuerlinckx geeft oog op als vrouwelijk, ja, maar ook als onzijdig, en vermeldt niet, dat men zegt in de oog en op de oog. Het is er dus verre van af, dat men bij Tuerlinckx kan zien, dat oog in 't Hageland “zonder uitzondering” vrouwelijk is. Wil de heer Claes ons mededeelen, waar dat in 't Hagelandsch Idioticon wél te zien is, dan zullen wij hem daarvoor zeer dankbaar zijn.’

Ons geacht Medelid tracht deze redeneeringen, waarin ik, naar het heet, zelfs de waarheid ‘verwrongen’ heb, op de volgende wijze te ontzenuwen:

‘Wat Rutten zegt is waar, maar de heer De Vreese+ leidt daar te veel uit af.
Wat Tuerlinckx zegt, namelijk: “in sommige uitdrukkingen gebruikt men het onzijdig geslacht in plaats van het mann. of vrouw.” is ook waar (hij hadde echter beter gezeid: ... het onz. lidwoord in plaats van het mnl. of vr.). Maar dat Tuerlinckx “op een
[p. 600]
paar na” dezelfde voorbeelden geeft als Rutten, zie, dat is niet waar. Deze geeft, niet “een paar” voorbeelden, maar vier, onder welke: houd hem goed in 't oog, die bij Tuerlinckx niet voorkomen. - Da's een!’

Vooreerst zou het wel aardig geweest zijn, indien niet met een bloote phrase, maar met klem van redenen aangetoond was, dat ik uit de woorden van Rutten te veel heb afgeleid. Ten tweede, kan ik maar niet begrijpen, welk voordeel de heer Claes er voor zich in ziet, dat Rutten niet ‘een paar’, maar vier voorbeelden meer heeft dan Tuerlinckx. Het heeft al den schijn, dat het er hem alleen om te doen is, mij te kunnen beschuldigen ‘de waarheid te verwringen’, een beschuldiging die, trouwens, op een misverstand berust. Toen ik sprak van een paar, gebruikte ik deze uitdrukking in den zin van eenige, enkele, geen groot getal maar toch meer dan twee, zooals in de dagelijksche taal veel gedaan wordt. En ik sprak zoo, omdat het verschil in getal bij Tuerlinckx en Rutten mij weinig belangrijk voorkwam; ik hechtte meer gewicht aan de overeenkomst dan aan 't verschil.

Ziehier welke voorbeelden in de beide idiotica worden opgegeven:

Tuerlinckx Rutten
Het schälm in den näk hämme het schelm in den nek hebben
Het zot be iemand houve het zot met iem. houden
Het zot in de kop hämme zij begint reeds 't zot in den kop te krijgen

[p. 601]

Het vies man spele het vies man spelen
Iet in 't zin hämme iet in 't zin hebben
Pyn 't zak hämme dat peerd heeft pijn 't zak
I mager spicht  
I mager spouën  
I schou hoas  
I schou vänt  
I vies vänt dat is een vies vent
In drollig vänt dat is een drollig vent
In oadig vänt dat is een aardig vent
In 't stad zij is naar 't stad, in 't stad wonen
I slächt gezel  
Nouë 't school gouën dat slecht gezel
  naar 't school
  op 't zolder
  hij is reeds in 't slaap
Hij zou alles in 't zak frütte alles in 't zak eten
Iemand oěp 't zak valle iemand op 't zak vallen
  op 't straat spelen
  in 't zij gekleed
  in 't diemit gezet
  Houd hem goed in 't oog
  de dokter gaat B 't steen snijden
  immer op 't straat liggen
  iets op 't oog zien

Dat maakt dus drie. zegge drie, voorbeelden die bij Tuerlinckx staan en niet bij Rutten: specht, spaan en haas; daarentegen zeven bij Rutten die niet bij Tuerlinckx staan: zolder, slaap, staart, zijde, diemit, oog en steen (ieder zelfstandig naamwoord natuurlijk maar eens geteld, ook al wordt het in meer dan één verband opgegeven). Had de heer Claes goed geteld, hij zou meer reden gehad hebben om mij te verwijten dat ik ten onrechte van ‘een paar’ gesproken heb. Maar dan nog zou ik vragen: wat doet het er toe,

[p. 602]

aangezien Gij zelf erkent dat én Tuerlinckx én Rutten waarheid gesproken hebben?

Het tweede argument is het volgende:

+ ‘Hoe is 't mogelijk voor eenen doctor aldus te redeneeren: “Tuerlinckx meldt niet, dat men in 't Hageland zegt in de oog en op de oog”... en daar moet de lezer uit afleiden: In 't Hageland zegt men in 't oog en op 't oog! 't Is alsof iemand zeggen zou Als de Vreese niet verklaart, dat Claes gelijk heeft, dan heeft Claes ongelijk!’

Dat lijkt zeer geestig. Maar de heer Claes vergeet dat hij eerst, in zijn Wenken, blz. 39, verklaard heeft:

‘Men zegt daar (nl. in 't Hageland) in de oog en op de oog, dat kan men overigens zien bij Tuerlinckx.’

Dáárom heb ik gezegd: ‘Tuerlinckx vermeldt niet, dat men zegt in de oog en op de oog. Het is er dus verre van af, dat men bij Tuerlinckx kan zien, dat oog in 't Hageland “zonder uitzondering” vrouwelijk is.’

Ik had ook gezegd: ‘Tuerlinckx geeft oog op als vrouwelijk, ja, maar ook als onzijdig.’ Daarvan wordt ons thans de volgende verklaring gegeven:

+ ‘Overal, waar een woord in 't Hagelandsch taaleigen een ander geslacht heeft dan hetgeen door de Woordenlijst wordt aangeduid, staat bij Tuerlinckx het geslacht van de Woordenlijst tusschen haakjes vermeld.’
[p. 603]

Ziedaar een argument van meer belang, op deze voorwaarde: dat hetgeen de heer Claes zegt, waar zij. Ik zeg niet dat het niet waar is, maar nergens wordt door Tuerlinckx gezegd dat dit zijne bedoeling is. Hoe kan ik, en de lezer in 't algemeen. het dan weten? Dat ons geacht Medelid het weet, komt wellicht hierdoor, dat hij Tuerlinckx persoonlijk gekend en bij het samenstellen van het Hagelandsch Idioticon geholpen heeft (zie de Voorrede). Daarenboven wil ik nog gevraagd hebben. als de mededeeling van den heer Claes juist is, hoe komt het dan 1o dat voor sommige woorden tusschen haakjes een tweede geslacht wordt opgegeven, dat niet in de Woordenlijst staat (zie b.v. asch, nest)? drukfouten wellicht; maar 2o dat Tuerlinckx op dezelfde wijze twee geslachten opgeeft bij woorden, die niet eens in de Woordenlijst staan, b.v. bij baanst en patat?

Ik krijg ten slotte den goeden raad, niet Tuerlinckx en Rutten, maar mij zelf van onbetrouwbaarheid te beschuldigen.

Ik ben zoo vrij er aan te herinneren dat ik niet gesproken heb zonder restrictie, maar zeer duidelijk heb gezegd, in welk opzicht hunne idiotica niet altijd betrouwbaar zijn. En als hetgeen ons Medelid over het geslacht van oog verkondigt, juist is, dan levert hij meteen het bewijs, dat ik waarheid gesproken heb.

Rutten zegt uitdrukkelijk: oog is onzijdig in in 't oog houden en op 't oog zien. De heer Claes

[p. 604]

komt en zegt: neen, dat is onjuist; ‘zoo een enkele Haspengouwer dat zegt, daarom is oog in zijn opvatting nog niet onzijdig.’ Dat is nu zeker een getuigenis van Rutten's betrouwbaarheid!

Maar is die bewering van den heer Claes wel juist?

Er is immers in 't Nederlandsch een wet, die men gewoonlijk noemt de wet der verwantschapte medeklinkers: als twee zulke medeklinkers elkander als slot- en beginklank tegenkomen, dan worden beide stemloos: doodgaan, dagvaarden, goed zoo worden uitgesproken als dootchaan, dachfaarden, goetsoo.

In Noord-Nederland is er uitzondering, als de tweede consonant b of d is. Daar zijn beide dan stemhebbend: ik ben, hij liep daar, zakdoek, strafbaar, ont-dekken, handdoek worden uitgesproken als ig ben, hij lieb daar, zagdoek, stravbaar, ond-dekken, hand-doek.

In Zuid-Nederland is de uitzondering dezelfde als de tweede consonant een b is, maar niet als de tweede een d is: wij zeggen immers hanttoek, onttekken, hij liep taar.

In overeenstemming daarmede zou op d'oog kunnen worden op 't oog.

Laat ons nu even aannemen, dat dit zoo het geval is in de Haspengouw: dat in iets op 't oog zien, oog niet onzijdig is, maar dat wij te doen hebben met een phonetisch verschijnsel. Waar de oorzaak verdwijnt, moet natuurlijk ook het gevolg

[p. 605]

wegblijven: waar vóór d'oog een voorzetsel komt dat niet uitgaat op een explosief, kan er geen kwestie zijn van een overgang van d in t, d.w.z. in d oog kan niet worden in 't oog. Met andere woorden: Als de t in op 't oog een verscherping is van de d, niet het onzijdig lidwoord, dan moeten we verwachten dat de Haspengouwers naast op 't oog zullen zeggen in d'oog, want tusschen de n van in en den klinker o is er geen enkele phonetische oorzaak, die de d kan doen overgaan in t Maar nu verklaart Rutten, dat men niet zegt in d'oog maar in 't oog, en de heer Claes heeft erkend dat zulks waar is. Deze t kan dus niet anders zijn dan 't onzijdig lidwoord, en als dit bij in 't oog zoo is, zal het ook wel zoo zijn met op 't oog, zooals Rutten het trouwens zelf voorstelt.

 

***

 

Terecht wordt mij, telkens opnieuw, verweten, dat ik het Haspengouwsch met het Hagelandsch verwar. Toch veroorloof ik mij een paar opmerkingen. De heer Claes haalt de grensbepalingen aan welke Rutten, Tuerlinckx en Van Bemmel van de beide streken geven, daarmede bedoelende, dat ik beter had kunnen weten. Nogmaals zij er daarom op gewezen, dat noch Rutten, noch Tuerlinckx de grens tusschen Hageland en Haspengouw nauwkeurig opgeven; Van Bemmel is even vaag: wat de heer Claes er op zijn beurt nog bijvoegt, brengt ons eigenlijk niet verder, en schijnt in tegenspraak te

[p. 606]

zijn met Tuerlinckx, die zegt, dat niet al de dorpen aan den linkeroever van Geet en Demer, van Tienen tot Aarschot, tot het Hageland behooren. Hij is echter niet eens op het denkbeeld gekomen die dorpen op te noemen! Verder zij er de aandacht op gevestigd, dat ik niet heb beweerd, dat ‘men te veel belang hecht aan het onderscheid der gouwspraken’. Ik heb gezegd: ‘me dunkt, daaraan wordt wel wat veel belang gehecht’, nl. aan de enkele malen in 't Woordenboek voorkomende verwarring van Haspengouwsch met Hagelandsch.

 

* * *

 

Dat de heer Claes tot een heel andere balans komt dan ik, spreekt van zelf. Het is dus niet noodig daarover te spreken: het bevoegd publiek zal tusschen ons beiden uitspraak doen. Slechts nog deze enkele opmerkingen.

1odat ik mij zeer verheug over de verklaring van ons geacht Medelid, ‘dat het Woordenboek der Ned. Taal al (z)ijne sympathie heeft’, daar hij, voor mijn gevoel althans, met heel weinig sympathie over 't Woordenboek heeft gesproken en - spreekt;
2odat ik niet heb beweerd, dat hij de geleerdheid der Redacteuren in twijfel trekt; maar: dat hij elk oogenblik van hen eischt dat zij dingen zouden weten, die ze niet kunnen weten;
3odat hij, onder zijn 8o, ten onrechte klaagt,
[p. 607]
dat de eerlijkheid mij niet gebiedt te verklaren, dat ik een aantal zijner op- en aanmerkingen ‘onaangeroerd heb gelaten’, aangezien ik geschreven heb: ‘ons medelid heeft menige eigenaardige spreekwijze vermeld, die zeker in het Woordenboek zou te lezen staan, had de Redactie ze maar gekend; daaronder zijn er verscheidene, die gelukkig nog op een ander woord zullen vermeld worden.’

 

* * *

 

Ook aangaande hetgeen gezegd wordt over de partijdigheid in het Woordenboek, kan ik met enkele opmerkingen volstaan, daar ik anders eenvoudig zouden dienen te herhalen wat reeds gezegd werd.

Vooreerst dan het beroep op De Vries:

‘Maar volgens De Vries is het Wdb. bestemd+ om te getuigen van de eenheid der taal’; moet het Wab. ‘Vlaamsch en Hollandsch eens en vooral verbinden tot eene gemeenschappelijke Nederlandsche taal!’

Dat moge waar wezen - het is toch immers alleen mogelijk in zooverre die eenheid bestaat, en die eenheid kan grooter worden, ook al wordt in het Woordenboek zooveel mogelijk aangewezen in wat tijdperk en in welke streek een woord, een uitdrukking, een beteekenis, een constructie thuis hoort. Niemand hoeft zich door dergelijke aanwijzingen te laten weerhouden, iets dat verouderd

[p. 608]

of plaatselijk is, te gebruiken. Het Woordenboek, zooals het door de jongere Redactie sedert jaren bewerkt wordt, schrijft aan niemand de wet voor. De Vries huldigde hetzelfde beginsel in theorie, maar niet in de praktijk.

+ ‘De heer de Vreese, integendeel, schijnt het Zuidnederlandsch zorgvuldig van het Noordnederlandsch (het echt Nederlandsch!) te willen afzonderen’.

Dat wenscht niet alleen de heer De Vreese, maar alle Redacteuren en alle lexicographen van onzen tijd. Zie maar eens hoever dat doorgezet is in het New English Dictionary van Murray! Op welke gronden dat geschiedt, hoeft niet nogmaals herhaald te worden; ik wil alleen gevraagd hebben: als in het Woordenboek niet mag aangegeven worden wat Noord- en wat Zuidnederlandsch is, waarom dan geëischt dat met de uiterste nauwkeurigheid zal aangewezen worden wat Haspengouwsch, wat Hagelandsch is?

+ ‘Onnoodig te antwoorden op de vraag van den heer de Vreese: “Moeten de Hollanders misschien weer geraadzaam gaan zeggen (115)?” De Hollanders moeten dat niet; maar de Belgische Hollanders hebben dan ook het recht niet ons te bedillen gelijk zij weleens doen, wanneer wij dat woord gebruiken’.

Daar ik natuurlijk tot de bedoelde ‘Belgische Hollanders’ behoor, ben ik zoo vrij te vragen waar ik in mijn bespreking der Wenken be-

[p. 609]

weerd heb, dat alleen raadzaam goed Nederlandsch is. Ik verbeeld mij, dat ik juist op dit punt een vrij liberale opvatting huldig(1).

 

***

 

Wat de kwestie der zoogenaamde onkiesche citaten betreft, de heer Claes blijft ook hier bij zijne meening. Mij alweer wel, natuurlijk. Over het standpunt van de Redactie en van De Vries zelf heb ik het noodige gezegd; dat hoeft niet weder herhaald te worden Het hoeft evenmin nader betoogd te worden, dat het een verkeerde redeneering is, als de heer Claes zich beroept op het Ontwerp uit het jaar 1851, en niet op de definitieve regeling zooals die in de Inleiding is uiteengezet. Het is overigens duidelijk dat ons geacht Medelid zich laat leiden door gevoelsargumenten, die met wetenschappelijke vraagstukken niets te maken hebben.

Naar aanleiding van broodgod heet het thans:

‘Iemand, die wat op de hoogte is, zou niet zeggen:+ ‘de uit brood bereide H. Hostie in de R.K. eeredienst.’

De bewerker van 't artikel brood weet ongetwijfeld heel goed dat de H. Hostie niet gebakken

[p. 610]

is uit zulk brood als wij er dagelijks eten; maar al is het brood zonder gist, het blijft toch immers brood. Indien de H. Hostie niet uit brood bereid is, hoe komt het dan dat er misbrood bestaat? Daarenboven: spreekt de Catechismus zelf niet telkens van het brood, terwijl de H. Hostie bedoeld wordt? Leeren we o.a. niet dat de consecratie is ‘de verandering van brood en wijn in het lichaam en bloed van Christus’? Zou een dergelijke definitie mogelijk zijn, indien de H. Hostie niet uit brood bereid was? Of neem het Kerkboek met uitleg van ons geacht medelid pastoor Bols, bl. 120: ‘De priester, de pateen, waar het brood op ligt, en den kelk met wijn opheffende’; bl. 130: ‘de priester het brood in de handen nemende’ enz. Nog eens, zou de Eerw. Bols zich zoo kunnen uitdrukken indien de H. Hostie niet uit brood bereid was?

 

***

+ ‘Dr de Vreese die, hoe geleerd hij ook zij, op verre na niet in staat is om den taalschat van de Vlamingen tot zijn recht te brengen, is nog veel minder bevoegd om inlichtingen te geven in zaken van leerstelling en rubrieken der Katholieke Kerk in België. Doch dat zal ik weer moeten bewijzen.
Offer, Dl. X, (vóór de Vreese). 't Art. is te lang om hier aangehaald te worden. Zie bijzonderlijk kol. 82, b), kol. 83 en kol. 88, bij Offerande.’

Ik ben er allicht zoo goed toe in staat als de man, die hier is komen beweren dat de defi-

[p. 611]

nitie welke 't Woordenboek geeft van belijdenis onjuist is, want dat ‘berouwvol... niet volstrekt tot de definitie (hoort)!’ en die, om te bewijzen dat ik onbekwaam ben om mijn mederedacteuren behoorlijk voor te lichten, verwijst naar artikels die reeds gemaakt waren vóór Dr. de Vreese op de wereld was. Het mooiste van alles is echter dat de fouten die de heer Claes in de artikels offer en offerande ontdekt heeft, reeds in 1870, meer dan 30 jaar geleden, in een erratum verbeterd werden!!

 

***

 

Niet zonder virtuositeit wordt mij verweten dat ‘de winstgevendheid ... van 't begin tot het einde (m)ijn thema (is).’ Dat ik het zoo bont gemaakt had, daarvan was ik mij niet bewust. De heer Claes meent dat de geldkwestie niets met zijn voorstellen te maken heeft en dat de vraag: ‘Wie zal het geld verschaffen?’... van geen belang is, wanneer er middelen voorgesteld worden om het gehalte van het Wdb. nog te doen stijgen.’ Dat getuigt van een wellicht benijdenswaardig idealisme, maar van weinig practischen zin! Laat de heer Claes maar eens gaan spreken met de uitgevers of met het bestuur van de Commissie van Bijstand, en het zal hem gauw duidelijk worden welke rol de geldkwestie speelt!

Het heet, dat ‘al mijn wringen en tegenstribbelen... niet veel goeds voor de toekomst (belooft).’

[p. 612]

Met uw verlof! Ik heb duidelijk genoeg gezegd, hoe men 't Woordenboek werkelijk van dienst kan zijn, nl. door te werken voor de toekomst. Toen ik zeide dat de Redactie gaarne gebruik zal maken van 't bruikbare dat haar zou geboden worden door een Commissie zooals de heer Claes die wenscht, dan meende ik het zeer ernstig. Dat is trouwens reeds een oud plan van Uw Woordenboekscommissie: reeds twee jaar geleden heb ik zelf die zaak in haren schoot aanhangig gemaakt; en er is sedert vaak genoeg over beraadslaagd; maar 't is alles niet zoo gemakkelijk te verwezenlijken.

 

***

+ ‘Ik eindig. Ik wil niet onderzoeken, of mijn artikel van Mei 1901 en mijne Wenken aanleiding hebben gegeven tot de benoeming van den jongen Belgischen geleerde, die Dr Muller in de Redactie moet vervangen.’

Er valt niets te onderzoeken, want de heeren te Leiden kenden het artikel in de Vlaamsche Kunstbode nog niet, toen de heer Lodewijckx reeds benoemd was. Zij hebben het pas leeren kennen uit mijn verweerschrift, en ik zelf wist in December 1901 nog niet, dat het bestond: ik ben niet altijd in de gelegenheid, De Vlaamsche Kunstbode onmiddellijk bij haar verschijnen te lezen.

 

***

 

Ten slotte een opheldering en een vraag. In een noot op blz. 265 wordt gezegd.:

[p. 613]

‘Als ik (Wenken, blz. 13) schrijf: “en op 't gezag van Dr de Vreese wordt de uitdrukking als eene Zuidnederlandsche gestempeld”, waarom haalt gij dan aan: “...wordt de uitdrukking als Zuidnederlandsche (sic) gestempeld?” Was ik nog niet klein genoeg?’

 

Dat sic had zulke booze bedoelingen niet, maar dat er ten onrechte staat, is zeker: ik heb blijkbaar slecht afgeschreven en verzuimd mijn afschrift behoorlijk te vergelijken. Ik bied den heer Claes deswegen mijn verontschuldigingen aan. Maar nu mijn vraag. Ik heb gezegd, blz. 158 van mijn verweerschrift: ‘een onvaderlandsch werk bij uitmuntendheid’. Waarom citeert de heer Claes dit aldus: ‘onvaderlandsch werk bij uitmuntendheid?’

Het antwoord is niet ver te zoeken: onder den invloed van 't fransche par excellence!

Zijn we nu niet quitte?

 

W. de Vreese.



illustratie