Verslagen en mededelingen van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde 1906


auteur: [tijdschrift] Verslagen en mededelingen van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde


bron: Verslagen en mededelingen van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde 1906. Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde, Gent 1906


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 454]

Tweede Prijsvraag.
Vak- en kunstwoorden.
Diamantvak.

Men vraagt: Eene volledige Nederlandsche vakwoordenlijst over de verschillende bedrijven van het Diamantvak (klooven, snijden, slijpen, zetten enz.), met vermelding, zooveel mogelijk, van de Fransche, Hoogduitsche en Engelsche benamingen, en met afbeelding van het gebruikt gereedschap en van de vormen.

Prijs: 600 fr., of een gouden gedenkpenning van gelijke waarde.

Steller van de vraag: wijlen Dr. Aug. Snieders.

Twee antwoorden werden ingezonden: het eerste met kenspreuk ‘'k Zie de sterren geren’ (Guido Gezelle)’; het tweede, met kenspreuk ‘De Taal is gansch het volk’.

 

Werden tot leden van den Keurraad aangesteld: de heeren Victor Dela Montagne, Jan Boucherij en Gustaaf Segers.

1o) Verslag van den heer Dela Montagne.

De door de Academie uitgeschreven prijsvraag voor de beste woordenlijst betreffende de Diamantnijverheid werd door twee mededingers beantwoord.

De eene zond een handschrift in van 48 bladzijden, met de kenspreuk ‘'k Zie de sterren geren’; de andere

[p. 455]

een lijvigen arbeid van bij de 400 bladzijden, met het devies ‘De Taal is gansch het volk’.

 

Beide mededingers hebben uit het oog verloren dat niet méer gevraagd was dan de beredeneerde opgave van de specifiek in het diamantvak gebruikte woorden en zegswijzen, die in de algemeene taal niet of met eene afwijkende beteekenis voorkomen.

 

De eerste geeft in den vorm eener korte verhandeling een overzicht van de verschillende bedrijven in die nijverheid, waarbij de vakwoorden in den tekst ingelascht en toegelicht worden; dan volgt eene alfabetische lijst van vakwoorden, opgevende te welker plaatse men ze te zoeken heeft. De hier aangehaalde vaktermen zijn ten getale van ± 250, wat al bizonder weinig heeten mag, en het overzicht is gesteld in eene niet altijd correcte taal.

 

Hij die voor devies verkoos ‘De Taal is gansch het volk’, had blijkbaar een beter inzicht ten deze. Hij biedt eene alfabetisch geordende lijst van vaktermen, met voor iedere eene kortere of langere opgave van de juiste beteekenis waarin zij gebruikt worden. Maar hier is des Gutes zu viel misschien: de schrijver immers bepaalt er zich niet bij de woorden die werkelijk als vakwoorden kunnen beschouwd worden op te sommen en toe te lichten: zijne lijst omvat daarbij allerlei zaken die niet op het door de Academie afgebakende gebied behooren. Zoo vinden wij, onder de rubrieken: ‘Amsterdam’, ‘Antwerpen’, ‘Londen’, ‘Parijs’, enz., het historiek van de diamantnijverheid in die steden; wordt ons onder andere hoofdingen medegedeeld wáar en in welke streken diamanten gevonden, en welke invoerrechten op de kostbare gesteenten geheven worden; wordt ons de beschrijving gegeven van diamanten van buitengewone gehalte of afmetingen, en ook de levensbeschrijvingen - enkele zeer uitvoerig - van mannen die ofwel als ontginners van diamantvelden of uitvinders van nieuwe bewerkingsmethoden, kunnen geacht worden tot den bloei van

[p. 456]

het vak te hebben bijgedragen. Ook de huidige syndicale inrichting in de diamantnijverheid wordt besproken; en de namen der vakbladen, der vakvereenigingen, met hunne beteekenis en hunne belangrijkheid, komen insgelijks voor in de lijst.

Dat alles is gewis belangrijk en het zou in een handboek over de ontwikkelingsgeschiedenis van de diamantnijverheid wel op zijne plaats zijn. Maar het valt buiten de vraag zooals die door de Academie gesteld en begrensd was; het dikt onnoodigerwijze het boek aan en schaadt grootelijks aan deszelfs eenheid.

Inmiddels zoo er die onnute ballast werd uitgelicht, zouden we nog voor eene lijst staan van ruim 700 termen, die door den schrijver in klare en bevattelijke taal worden uitgelegd en toegelicht, en door schetsen en foto's worden aanschouwelijk gemaakt.

Jammer mag het heeten dat niet steeds de correspondeerende benamingen in Fransch, Engelsch en Duitsch worden opgegeven; jammer ook dat niet steeds de afwijkende lezingen in het Zuidnederlandsch taaleigen worden aangehaald.

Maar die tekortkomingen zijn licht te verhelpen en het zal den schrijver luttel moeite kosten erin te voorzien.

 

Naar mijn oordeel is het werk dat de Academie aangeboden wordt onder de spreuk ‘De Taal is gansch het volk’, eene bekroning waardig, wel te verstaan indien de schrijver er voor te vinden is al wat niet beantwoordt aan de prijsvraag zooals die werd uitgeschreven, eruit te verwijderen, en anderzijds zijne lijst aan te vullen in de boven aangewezen richting.

 

V. Dela Montagne.

[p. 457]

2o) Verslag van den heer Jan Boucherij.

Het onderzoek van de twee ingezonden handschriften over het Diamantvak heeft ons bewezen, dat de uitgeschrevene prijsvraag niet duidelijk, niet omstandig genoeg werd voorgesteld, zoodat de twee mededingers, hoe verdienstelijk hun arbeid ook weze, aan de gestelde eischen niet ten volle hebben kunnen beantwoorden.

 

Het eerste handschrift, onder kenspreuk: ‘'k Zie de sterren geren’, is eene korte, tamelijk volledige ‘verhandeling’ over het Diamantvak; maar het is niet eene vakwoordenlijst, 't is te zeggen een boek, waarin de woorden en zegswijzen betrekkelijk het klooven, snijden, slijpen, zetten, enz. alphabetisch gerangschikt zijn; derhalve kan het niet als een antwoord op de vraag beschouwd worden. Daarenboven schijnen ons de uitleggingen van vele termen al te beknopt, terwijl het aantal medegedeelde vakwoorden zeker onvolledig is.

Het tweede handschrift daarentegen, met de kenspreuk ‘De Taal is gansch het Volk’, bevat een voorwoord van 21 en een tekst van 316 bladzijden, en mag onzes inziens overvolledig genoemd worden. Inderdaad, het behelst niet slechts eenen schat van woorden en uitdrukkingen, met het behandelde onderwerp rechtstreeks in verband, maar het geeft daarbij eene menigte termen, welke in alle woordenboeken en bij alle bedrijven te huis behooren, als daar zijn, om er slechts enkele op te noemen: bondsgebouw, gast, kantien, loon, loonbederver en verdere samenstellingen, weerstandskas, werkplaats, -staker, -staking, enz., voorschoot, zuiver, zwavelzuur, spuwbak, St Eduardus (naam eener vereeniging), bril, leerjongen, baas, onderkruipen, handel, handkar, tarief, enz. enz.

Indien vele dezer woorden geschrapt werden, iets wat gemakkelijk om doen is, dan zou het overblijvende aantal nog verre dat van Nr 1 overtreffen.

[p. 458]

Misschien zal de schrijver van Nr 2 onze opmerking weerleggen met de woorden: dat hij zijn werk samengesteld heeft volgens de vakwoordenlijsten, welke vroeger door de. Koninklijke Vlaamsche Academie werden bekroond en uitgegeven. En dan heeft hij niet geheel en gansch ongelijk; want het is toch wel opmerkelijk, dat hetzelfde feit zich verleden jaar voor het Drukkersvak heeft voorgedaan; daar ook werd een handschrift ingezonden, dat ruim 3600 woorden en uitdrukkingen bevatte, waaronder een groot aantal, welke bij andere ambachten voorkomen.

Bewijst zulks niet dat er een gebrek, eene onvolledigdigheid in de opgave der prijsvragen bestaat? Mag men daaruit niet afleiden, dat de mededingers hunne antwoorden naar het model van reeds verschenen vakwoordenlijsten hebben bewerkt?

Wie weet hebben de inzenders zich niet gesteund op het oordeel van eenen der keurders in den wedstrijd voor een boek over het Ambacht van den Loodgieter en Zinkbewerker, waar deze zegt: ‘Jan en Allemanswoordjes heeft de verzamelaar volledigheidshalve niet geweerd. Dat spreekt van zelf. Van het oogenblik dat ze tot de taal van het behandelde ambacht behooren, moest hij niet onderzoeken, of ze daarbuiten gemeen goed zijn’.

Wat er ook van zij, zonderling mag het heeten dat zoo iets zich twee, drie opeenvolgende keeren voordoet; daarom achten wij het niet onnoodig er de aandacht op te vestigen.

Wanneer wij de zaak alzoo beschouwen, en daarbij in aanmerking nemen, hoeveel tijd en moeite de verzamelaar aan zijnen uitgebreiden arbeid heeft moeten besteden, kunnen wij hem die overtolligheid niet als eene pekelzonde aanrekenen. Wij hebben dan voornamelijk onderzocht, in hoeverre zijn werk in andere opzichten aan de gestelde voorwaarden voldoet.

[p. 459]

In het handschrift Nr 1 komen eene menigte teekeningen of schema's voor, welke den tekst verduidelijken. Nr 2 daarentegen geeft weinig schema's, maar wel enkele photographische afbeeldingen, waarop niet zelden de verschillende voorwerpen gezamenlijk zijn voorgesteld. Onzes inziens, moeten de schema's nevens of zoo dicht mogelijk bij de behandelde woorden geplaatst worden, en is het volstrekt onnoodig daartoe fijn afgewerkte lichtteekeningen, die zeer duur zijn, te gebruiken; eenvoudige schetsen kunnen hier volstaan.

 

Hoe onvolledig Nr 1 ook zijn moge, toch bevat het eenige vakwoorden, welke wij bij zijnen uitgebreiden mededinger te vergeefs gezocht hebben. Het ware misschien niet zonder nut de twee handschriften te vergelijken en het ontbrekende aan te vullen.

 

Nr 2 is eene bijdrage, welke den schrijver veel werk en opoffering heeft gekost; opzoekingen van allen aard heeft hij zich daarvoor moeten getroosten. Hij zou echter zijnen arbeid merkelijk hebben kunnen verminderen, hadde hij den uitleg van sommige termen minder uitgebreid gemaakt. Waarom is het noodig, b.v. 10 groote bladzijden te besteden aan het woord diamant? Wij meenen dat die artikelen, hoe flink ook opgesteld, geenszins op hunne plaats staan in eene woordenlijst; zij behooren veeleer te huis bij een handboek. Wat bij eene dergelijke lijst past, is: een korte, duidelijke uitleg of verklaring, welke ook door den minderen man kan begrepen worden.

Ook de uitweidingen over vakvereenigingen en vakbladen mochten achterwege blijven, terwijl enkele vertalingen dienden bijgevoegd; doch dit laatste is slechts eene bijzaak.

Is het handschrift Nr 2 niet volmaakt - en welk menschelijk werk kan zich daarop beroemen? - toch is het in vele opzichten ten hoogste verdienstelijk; de taal is zuiver, niet opgeschroefd; de verschillende arti-

[p. 460]

kelen, welke erin voorkomen, zijn zeer bevattelijk opgesteld; het geheel is met zorg bewerkt.

 

Uit deze korte bespreking der twee handschriften moge blijken:

dat het werk met kenspreuk ‘'k Zie de sterren geren’ onmogelijk in aanmerking kan komen, aangezien het, ofschoon niet van verdiensten ontbloot, geene vakwoordenlijst en daarenboven tamelijk onvolledig is;

dat het handschrift met kenspreuk ‘De Taal is gansch het Volk’ zooveel mogelijk aan de eischen der prijsvraag beantwoordt en dat het een degelijk werk is, hetwelk, na doorschrapping van eenige Jan- en Allemanswoorden en onnoodige bijzaken, inkorting van sommige verklaringen en bijvoeging van enkele schema's, den uitgeloofden prijs verdient.

Jan Boucherij.

3o) Verslag van den heer Gustaaf Segers.

Ik sluit mij aan bij het voorstel van mijne geachte collega's, de heeren Dela Montagne en Jan Boucherij.

Evenals de eerste en tweede verslaggever, ben ik van meening dat aan het handschrift Nr 2 de uitgeloofde prijs mag toegekend worden; doch onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat de verhandeling eenerzijds worde volledigd, wat de verklaring der benamingen betreft, en anderzijds, dat alles worde geschrapt, wat te weinig betrekking met het opgegeven onderwerp heeft.

 

Gustaaf Segers.