|
|
|
| |
| | | |
Lijkrede uitgesproken bij de begrafenis van Alfons Janssens
Door den heer Jan Broeckaert
Bestuurder der koninklijke vlaamsche academie
MIJNE HEEREN,
De Koninklijke Vlaamsche Academie, zoo zwaar en zoo dikwijls reeds beproefd, heeft alweder een gevoelig verlies te betreuren. Een harer oudste en beminnelijkste leden, de alom geachte heer Alfons Janssens, de gemoedelijke dichter, werd haar, op zijne beurt, door den dood ontrukt.
Nog in eene onzer laatste vergaderingen hadden wij het genoegen hem de vriendenhand te drukken, zijn goedaardigen blik in onze ziel op te vangen. Weinig konden wij vermoeden dat de lezing, waarop hij ons in diezelfde vergadering vergastte, zijne laatste, dat het gedicht, waarmede hij zijne voordracht besloot, zijn zwanenzang zou wezen.
Het afsterven zijner gade, na jarenlange kwijning, had de gezondheid van onzen collega een diepen slag toegebracht. Noch de liefderijke zor- | | | | gen zijner dochter, noch de balsemende lucht van het Zuiden waren bij machte de geschokte levenskrachten van den dierbaren lijder te herstellen. Kalm en gelaten, met eene volkomen onderwerping aan den wil des Allerhoogsten, blies hij ginder, in den vreemde, den laatsten adem uit; doch het was de wensch van den edelhartigen vriend dat zijne stoffelijke overblijfselen zouden rusten in den geboortegrond, naast de geliefden, die hem in het graf waren voorgegaan.
En zoo staan wij hier thans met beklemd gemoed vóor zijne lijkbaar, omringd van zijne talrijke vrienden en kennissen, om hem, bij de uitdrukking onzer diepgevoelde spijt, eene laatste maal te zeggen hoe zeer wij hem hoog achtten en lief hadden.
Gesproten uit eene der voornaamste familiën van St.-Nikolaas, had de heer Janssens de deugden en verdiensten van zijnen stam, inzonderheid die zijner christelijke moeder, overgeërfd. Zijne opvoeding was die, welke de hoogere standen in Vlaamsch-België ten voorbeelde mag worden aangetoond. En dat die opvoeding hem tot eenen schitterenden rang in de samenleving bracht, bewijzen de hooge betrekkingen, welke hij achtereenvolgens bekleedde, de talrijke onderscheidingen, welke hem ten deele vielen.
Alfons Janssens was een man, bedeeld met de edelste gaven van hart en geest. De liefde tot
| | | | zijnen evenmensch straalde uit in al zijne werken; hij was vooral de vriend van den werkman.
Vlaming in de ziel, stond hij alvroeg op de bres ter verdediging van de taal en de belangen van het Vlaamsche volk. Niet alleen om hare schoonheid en woordenrijkdom, ook, en wel het meest, omdat de overtuiging bij hem vast stond dat zij het eenig doelmatig voertuig is der beschaving en veredeling van het volk, beminde hij de taal zijner moeder uit al zijne krachten.
Met voorliefde en bijval beoefende hij de poëzie. De huiselijke haard, met zijne vreugden en genietingen, met zijn wel en wee, was het geliefkoosd onderwerp zijner zangen. Godsdienst en Vaderland, beide door hem hartstochtelijk bemind, verheerlijkte hij in menige uiting zijner dichterlijke ziel. Zijne Zeegedichten, uitvloeisels van zijn diep natuurgevoel, tintelen als de perelende baren van den eeuwig zingenden waterplas. In alles wat zijne lier ons ten gehoore bracht, toonde hij te zijn een der gemoedelijkste onzer Vlaamsche dichters.
De Koninklijke Vlaamsche Academie was gelukkig den begaafden man in haar midden te bezitten. Reeds den 24 December 1888, het jaar na de verschijning van zijnen eersten dichtbundel, benoemde zij hem tot briefwisselend lid, wat hij bleef tot den 20 April 1898, wanneer hij geroepen werd om den onvergetelijken P. Willems als werkend lid op te volgen. Het woord, door hem
| | | | uitgesproken, toen de bestuurder der Academie hem deswege geluk wenschte, heeft hij gestand gedaan. Niet alleen in den schoot der Academie, maar ook daar buiten, bleef hij de belangen der Nederlandsche taal en die zijner Vlaamsche broeders met de pen en het woord behartigen.
Brave vriend Janssens! In naam der Koninklijke Vlaamsche Academie zeg ik u dank voor de diensten welke gij haar bewezen hebt. Ons afscheid zij echter niet voor eeuwig. Ginds omhoog, ik hoop het, zien wij elkander eens weder en verheugen we ons te zamen in den voortdurenden bloei der Academie, in de zegepraal der heilige zaak, welke gij manmoedig hebt helpen verdedigen.
|
|
|