Vestdijkkroniek. Jaargang 1994


auteur: [tijdschrift] Vestdijkkroniek


bron: Vestdijkkroniek. Jaargang 1994. Drukkerij H. Gianotten, Tilburg 1994


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 1]

[Nummer 85]

Bert Vanheste
In het land der blinden is Le Roy koning

Zo te zien had Vestdijk, toen hij in 1958 De ziener schreef, geen oog voor de maatschappelijke werkelijkheid. Hij liet zijn verteller (en zijn lezers) de zonderling Le Roy, de lerares Frans, Rappange, haar leerling Dick Thieme Backer en nog wat nevenfiguren, in het vizier nemen. Het aangeboden kijkgat staat een scherp, maar begrensd zicht toe. De aandacht wordt gevestigd op de innerlijke werkelijkheid en op de veruitwendiging daarvan in het geïsoleerde gedrag van de individuele personages of in de omgang van twee of drie, een enkele keer vier van hen. Zo is Le Roy in het eerste hoofdstuk de enige toeschouwer tijdens het spel van de kaatsers Van der Meulen en Roukema. Als Dick in het slothoofdstuk op het station afscheid neemt van Rappange, is het perron eerst leeg, later is er een vrouw en een kind, twee conducteurs, één fabrikant. Tussendoor bespiedt Le Roy vrijende paartjes en als hij weer eens in elkaar geslagen wordt, schiet Dick hem ter hulp. Zelfs dan zijn er niet echt vier personen: Le Roy onttrekt zich aan het gezelschap door zich bewusteloos te houden en zodra een andere gluurder naar voren treedt, vlucht het paartje. De uitzondering vormt het conclaaf van de directeur met drie leraren. Alhoewel: de gezaghebbendste van het drietal, Brouwers, stelt zich nadrukkelijk afzijdig op.

Ogenschijnlijk is De ziener allesbehalve een sociale roman. De mensen die erin optreden hebben veel weg van de postzegels van Le Roy: ‘Het waren kleine wereldjes, die zich van de grote wereld hadden afgezonderd, kleine spiegels die hun herkomst nog maar weerkaatsten op een fantastisch vereenvoudigde en daarbij merkwaardig belangeloze wijze.’ (170). Centraal in Vestdijks visie staan die ‘autonome’ personages. De wereld is hooguit aanwezig als achtergrond, als herinnering aan hun herkomst. Althans op het eerste gezicht. Bij nader inzien blijkt de autonomie deels schijn of op zijn minst net zo paradoxaal als Le Roy's postzegels:

Want nooit dacht je eraan, dat deze microscopische wereldreizigers eens op brieven hadden gezeten. Dat was het laatste waar je aan dacht;
[p. 2]
de inhoud van de brieven, van kooplui, minnaars, familieleden, vriend en vijand, was door de bijbehorende postzegels niet minder doeltreffend vernietigd dan de revolutie van de Zuid-amerikaanse president, de vrouwen en juwelen van de maharadja, de handelsbalans van de Indianenstaat (170).

Uitgerekend door te ontkennen dat hij, dat men, ooit aan de achterliggende wereld denkt, brengt Le Roy zichzelf en de lezer ertoe daar wel aan te denken. Zoals hij - die zichzelf een misbaksel noemt - door te stellen dat het in de filatelie anders toegaat dan in het werkelijke leven (‘Daar noemde je een misdruk een misbaksel, hier niet’, 169), de - negatieve - relatie tussen de autonome en de reële wereld juist benadrukt. Zijn voyeursgedrag is dan ook, zoals nog zal blijken, de donkere zijde van de maan. Het autonome gedrag van het individu is in wezen asociaal, een hulpeloos verweer tegen de samenleving. Dat geldt, behalve voor Le Roy, ook voor Dick en voor Rappange en uiteindelijk voor iedereen voor zover hij of zij deugt. Stuk voor stuk zijn zij marginalen, onttrekken zij zich aan de kleinburgerlijkheid van hun provinciestadje. De maatschappij lijkt niet meer dan een decor. Wie zich, dank zij Vestdijk, ontpopt als ziener, komt er achter dat de samenleving zo banaal, afstompend en zelfs onderdrukkend is, dat al wie enige ontplooiing nastreeft, niet anders kan dan zich terug te trekken op zichzelf, dan zich te verschansen in zijn innerlijkheid. Geen van de personages verzet zich openlijk, laat staan georganiseerd. In die zin ontbreekt in De ziener elk spoor van maatschappijkritiek. Het deviante gedrag komt voort, niet uit een hervormings- maar uit een overlevingsdrang. Niemand koestert de illusie dat er ooit een betere wereld zou hebben bestaan of zou kunnen ontstaan. De maatschappij is niet zozeer afwezig, als wel afgeschreven.

Kleinsteedser, geborneerder, hypocrieter kan niet meer

De ziener speelt zich af omstreeks 1954, van het najaar tot de daaropvolgende lente, in een kleine stad met station en kade, een heel eind noordelijker dan Den Haag en Amsterdam. (Vestdijk gebruikte wel vaker zijn eigen jeugd in Harlingen als uitvalsbasis). De leraar Duits Brouwers, die in de winter directeur van zijn school wordt, heeft het over ‘deze provincieplaats, met haar verharde en onverschillige naturen’ (47). Of zij nu behoren tot het joodse milieu van de bankier Duizend of van de leraren Stibbe en IJzerman, of tot het hoogburgerlijke van de advocaat Thieme Backer, of tot het kleinburgerlijke van de Le Roy's, allemaal zijn ze blind voor de

[p. 3]

ander, voor het hogere, voor de ‘mensenliefde’. Die fundamentele onverschilligheid voor de medemens wordt leefbaar gemaakt door het creëren van schandalen, door het meehollen in het roddelcircuit.

De kleinheid treedt misschien nog het scherpst aan het licht in het schoolmilieu en in het gezin van Thieme Backer. Dat Vestdijk achter Brouwers' typering van de kleinsteedsheid staat, blijkt onder meer uit zijn tweede en derde hoofdstuk. Brouwers komt tot zijn karakterisering in de tweede paragraaf van het tweede hoofstuk. De titel van dat hoofdstuk, ‘Flegma’, verwijst naar mr. Thieme Backer, Dicks vader. Hij is een ‘telg uit een oud patriciërsgeslacht’, advocaat voor zijn genoegen, die boven de kleinsteedsheid lijkt te staan. Als zijn oudste zoon Rick een pianolerares zwanger maakt, regelt hij een abortus plus alimentatie. En als hij er achter komt dat zij zwanger is van een ander, doet hij ook daar niet moeilijk over. Dat doet hij evenmin wanneer de goegemeente gaat roddelen over een liaison van Dick met zijn lerares Frans Rappange. Van lieverlee wordt Dick, wordt de lezer, zich ervan bewust dat het flegma van zijn vader berust op totale onverschilligheid. ‘Wat kan het mijn vader schelen’ (114). Thieme Backer handelt niet uit solidariteit met zijn zoon. Als ‘het waterpeil van de stedelijke zever’ (222) te hoog stijgt en meer en meer mensen hem aan zijn hoofd zaniken, gaat hij dan ook om. Zelfs verschuilt hij zich achter zijn vrouw die ziek zou zijn en achter het belang van Dick, die immers een goede naam te verliezen heeft. Hij schrijft Rappange maar vast een brief waarmee hij een eind wil maken aan haar ontmoetingen met zijn zoon.

Dicks moeder is ontoegankelijk, ondoorgrondelijk, indolent. ‘Het was altijd of zijn moeder heel ver was in haar gedachten. Vroeger hadden Rick en hij eens uitgemaakt, dat zij nergens aan dacht’ (173). Voor zijn ontmoetingen met Rappange laat zij nooit enige belangstelling blijken. Eén keer wordt zij wakker uit haar ‘winterslaap’, om Dick via omwegen duidelijk te maken dat ‘zij ter wille van de huiselijke vrede veel liever zou zien dat hij niet meer naar juffrouw Rappange toeging’ (184).

De titel van het derde hoofdstuk, ‘Conclave’, slaat op het beraad van de directeur met drie leraren over het geval Rappange. De mediocriteit krijgt hier tragi-komische allures. De leraar wiskunde IJzerman mag dan al logisch redeneren, besluitvaardig is hij evenmin als de anderen. De directeur begint zich door het schandaal ‘nòg banger, kleiner, onzekerder te voelen’ (125). Een enkele keer doorbreekt hij zijn slaperigheid en ontpopt zich dan als een man van gezag; dan zag men ‘dat hij misschien wel een domme man was, traag van begrip, gauw in de war wanneer men

[p. 4]

hem haastte, maar geen onbeduidende man’ (125). Dat neemt niet weg dat hij Dick volstrekt niet aankan en nog minder Brouwers. Het schandaal bezorgt hem een beroerte, waaraan hij overlijdt. De machteloosheid van de leraren wordt nog zichtbaarder en vooral inzichtelijker in Stibbe, de leraar Engels. Deze ‘hypochondrische, kleinzerige’ man, weet zich overdag meestal te redden met zijn humor en zijn pijp. 's Avonds voelt hij zich veilig bij zijn moederlijke vrouw. 's Nachts echter, als zij slaapt, voelt hij zich eenzaam en als een kind dat in het hart van een heerlijke tropische moederwereld in een ijskast is gekropen. De toegang tot de kolossale boezem van zijn vrouw kan hij een enkele keer forceren door schandaaltjes op te dissen. Zo komt hij ertoe een stevige bijdrage te leveren aan het op gang brengen van het geroddel over Dick en Rappange.

Brouwers is - met Rappange - de enige leraar die boven deze middelmatigheid uitsteekt. Hij stelt zich boven het geklets, behoort tot een ‘supervolwassen wereld, waar stoïcijnen rondwandelen’ (118), is een ‘barrevoetse Griekse filosoof, een peripatetische Diogenes in een doorzichtig geworden ton’. Al beseft hij dat zijn collega's zullen opmerken: ‘die Brouwers, zeg, dat is ook al zo'n jongen die zijn neus in iemands particuliere zaken steekt als de burgerij hem te machtig is geworden’ (160), toch laat hij het verzoek aan Rappange om de omgang met Dick te staken, niet aan de wethouder over. Hij doet het zelf en voegt daar prompt een huwelijksaanzoek aan toe. Zijn - superieure - onverschilligheid verbergt onmacht. Ook hij ontkomt niet aan de burgerij; ook hij is niet bij machte wat in zijn hoofd en in zijn hart omgaat over te brengen, laat staan ernaar te leven. Rappange zet hem eens en voorgoed op zijn nummer: ‘Het zou beter geweest zijn, wanneer je je ontslag genomen had’ (162).

Bij gebrek aan beter

In het eerste hoofdstuk van De ziener, ‘Fractuur’, vraagt de zonderling Le Roy de lerares Frans, Rappange, wat het vreemde woord voor beenbreuk is. Hij dacht zelf aan fractie. In zijn woordenboek vond hij: fractie: hoeveelheid die kleiner is dan een geheel, breuk. Rappange geeft hem het goede woord: fractuur. Le Roy gebruikt dat woord in een eerste anonieme brief, die een onderdeel is van een vernuftig plan om de kaatser Van der Meulen, die enkele weken eerder zijn been heeft gebroken, te beletten deel te nemen aan een wedstrijd. In Le Roy's verbeelding wordt Van der Meulens lichamelijke breuk omgezet in een geestelijke krenking. Gekwetst zal de kaatser ontdekken dat hij zijn meisje nog

[p. 5]

heeft. Het gebrek wordt grondslag van iets dat veel mooier is dan het winnen van een spelletje:

Het was het glanzend avontuur in de diepste verdrukking, de troost onder de wijde hemel, de vergetelheid (...); zijn woede en vernedering en gekwetst rechtvaardigheidsgevoel zouden zich omzetten in iets anders, beters, verleidelijkers (36).

De kern van dat andere, dat betere, is niet het seksuele, niet eens de liefde, het is de droom, het verlangen dat zich in het onbewuste schuil houdt: ‘Van der Meulen is slaperig en meer dan dat, hij was op het punt om alles te vergeten bij zijn meisje, tot het meisje zelf toe’ (37). De breuk, het gebrek, het menselijk tekort, kan de doorgang naar het betere, naar utopia forceren. Le Roy ziet het als zijn opdracht, zijn roeping, de gidsrol op zich te nemen. Hij zoekt contact met de (nog) niet-verharde, verliefde paartjes, de plattelander met het gebroken been, de zigeunerachtige voddenkoopman Roukema en vooral met Dick Thieme Backer en juffrouw Rappange.

Dé handicap van Rappange is haar lelijkheid. Zij is 34, maar haar borst is dichter bij de tien dan bij de dertig. Haar grote, ronde, groenbruine ogen puilen uit, lijken ‘buiten op het gezicht geplaatst, als de schelpachtige ogen van een kolossale vis’. Vermoedelijk is zij na zware teleurstellingen in het provincieplaatsje gestrand. Als zij tegen het einde van de roman vertrekt, dankt zij Dick voor alles: ‘(...) deze tijd was een nachtmerrie voor me, jij was het enige lichtpunt’ (221-222). (Verbindt Vestdijk in haar naam ‘ange’ met ‘râpé’ en is Rappange een geraspte, een geschonden engel? Niet minder aannemelijk is de koppeling van ‘ange’ aan ‘rappel’: Rappange maakt gaandeweg herinneringen wakker aan iets dat boven het platvloerse verheven is. Overigens betekent ‘il passe un ange’ hetzelfde als ‘daar gaat een dominee voorbij’: het geroddel verstomt. Rappange wou vroeger theologe worden, tot zij ontdekte dat zij net zo wilde worden als een oom die dominee was. En probeert zij niet het geroddel het zwijgen op te leggen door - onder meer zonder ‘geboortebewijs’ - met Dick de op de speelplaats te wandelen? Dat zij in feite het geklets slechts aanwakkert, brengt ons terug bij de eerste betekenis van haar naam. Tegen het einde van de roman is zij geschondener dan ooit. Wel heeft Le Roy inmiddels Dick, en met hem de verteller en de lezer, de verborgen engel leren zien).

Aanvankelijk lijkt Dick allesbehalve gebrekkig. Hij is knap, beweegt zich lenig, katachtig. Geleidelijk aan wordt duidelijk dat hij en zijn twee

[p. 6]

jaar oudere broer broer Rick, van hun moeder meer geërfd hebben dan hun uiterlijk en hun elegantie. Zij is ‘lichtelijk creools’, is een half jaar weg geweest (‘men mompelde van overspel, anderen van miskraam’, 40), zegt iets verschrikkelijks als haar man of kinderen het wagen haar te bekijken en jaagt hen aldus naar hun ‘gezellige bijbaantjes’ en hun kwajongensstreken. Zij is een ‘overwonnene’. Zij is haar temperament kwijt, heeft zich neergelegd bij haar onmacht. Dick meent zich te herinneren dat hij en Rick toen ze nog heel kleine jongetjes waren, aanvoelden wat hun moeder miste: intuïtief stelden zij zich in de tuin aan als Rick en Dick, twee bekende clowns. Zij was dol op circussen, op de ‘koddige sekte’ van de clowns (181). Hoezeer haar ‘moederhart’ gewond werd, treedt aan het licht in een onverwacht en tot mislukken gedoemd gesprek met Dick: ‘(...) ik vind alles erg wat Rick en jij doen’. En dat haar kinderen van kwaad tot erger zouden komen, wist zij al toen zij nog in de wieg lagen. Voor haar, meer nog dan voor de vader, de leraren, het stadje, is Dick de jongere, iets mindere, broer van Rick. Als hij haar meedeelt dat zijn omgang met Rappange de directeur een beroerte heeft bezorgd, richt zij zich waarachtig een beetje op en zegt: ‘Het is absoluut een streek van Rick (...). Rick rustte niet voordat er iemand vermoord was, al was het maar een...’. Waarschijnlijk bedoelt zij de foetus die Rick (die inmiddels in Leiden rechten studeert) en zijn vader (de advocaat die bij de plaatselijke gynaecoloog een vriendschappelijk prijsje bedong) bij de pianolerares hebben laten wegmaken.

Dicks tekort is het provincienest, is zijn milieu. Thieme Backer ervaart het als zijn vaderlijke plicht met zijn zoon een gesprek onder vier ogen te hebben. Zijn zoon is immers nog jong (dus nog niet in het keurslijf gebracht) en bovendien ‘van moederskant wat belast, - niet zijn vrouw zelf, die had zich altijd keurig gehouden, maar een paar van die ooms, of achterneven, hij wist niet precies’ (68). Uiteraard is Dick zich er als ‘erg onbewuste jongen’ niet van bewust dat hij van zichzelf vervreemd is. De kwajongensstreken die hij in het kielzog van Rick uithaalde, waren ondoordacht: ‘jankend van angst’ ontvluchtten zij het huis ‘om zich op straat te herstellen met heldendaden’ (174). Dé heldendaad van Dick was zijn reactie op de loslippigheid van de zoon van de gynaecoloog:

Ooggetuigen berichtten later, dat zijn gezicht verwrongen was van drift, en dat hij, anders zo rustig en onverstoorbaar, eenvoudig niet uit zijn woorden kon komen, en al maar uitstootte: ‘Zeggen wat je gezegd hebt, - zeggen wat je gezegd hebt,’ - waarna hij de aanrander van de familie-eer vijf tanden uit de mond sloeg (43-44).
[p. 7]

Even spontaan snelt hij Le Roy ter hulp wanneer die in elkaar geslagen wordt. Evenmin onvermeld mag blijven dat hij op een ‘grillige en onserieuze manier’ geporteerd is voor muziek, dans en poëzie. Hij schreef zelfs ooit een gedicht en in een opwelling vraagt hij de lerares Frans iets over Mallarmé, ‘wat dat voor poëzie was’. Eigenlijk wou hij alleen maar weten of Mallarmé ‘werkelijk onbegrijpelijk was, iets wat hem belang inboezemde, omdat Rick vroeger gezegd had, dat zijn eigen gedichten onbegrijpelijk waren’ (55). Buiten zijn wil brengt die opwelling een proces op gang dat hem en Rappange naar elkaar toe zal drijven. Een keerpunt in dit proces wordt bereikt als het tot hem doordringt dat zijn vader heeft kunnen denken dat hij een verhouding heeft met Rappange en dat het hem niets kan schelen, als hij maar voorzichtig is. Voor zijn vader telt Rappange niet mee: ‘Tang van tegen de vijftig, of een bezemsteel met een rok, of een bochel, of stinkend uit de adem, om het even...’ (114).

Dicks fractuur is geestelijk van aard. Op een vergelijkbare wijze als bij Van der Meulen in de fantasiewereld van Le Roy, treedt in Dick, wanneer hij zich in een toestand tussen slapen en waken in bevindt, een andere, een uiteindelijk betere, werkelijkheid aan het licht. Wat hij in feite al een tijdje wist, maar wat tot dan toe schuilging achter het woord ‘liaison’, dringt nu tot hem door: ze denken dat hij een echte verhouding met haar heeft. Daardoor wordt dat ook voor hem zelf denkbaar. Hij kan zich voorstellen dat hij met haar in bed ligt. Tegelijk echter kan hij dat helemaal niet: zij is juffrouw Rappange niet meer. Zoals hij zelf ook een ander geworden is.

Het meest gebroken is Le Roy. Zijn stem is gebarsten, hij is bijna kaal, zijn ogen zijn ‘kwijnend bleek en vrij groot, maar zo ver van elkaar gelegen, dat de uitstekende jukbeenderen ze ervoor schenen te moeten behoeden om van het witte gezicht af te glijden’. Hij beseft ‘zijn eigen ongeschiktheid voor wat dan ook’. Zijn zus en zijn moeder geven niets om hem: ‘Zij dacht er niet eens aan hoe het hem zou vergaan, wanneer ze eenmaal dood was’ (167). Zijn ‘ondeugd’ dwingt hem ertoe paartjes te bespieden. Keer op keer wordt hij in elkaar geslagen of getrapt. Meer dan om het even wie is Le Roy een mislukkeling. Althans zo zien de anderen hem. De kleinzielige burgers. Vestdijk laat Dick en Rappange, laat de lezer een andere Le Roy zien. In plaats van het misbaksel, de misdruk. In het maatschappelijke leven zo extreem beschadigd, dat hij zijn heil moet zoeken in een marginaal, een autonoom bestaan. In het begin van het eerste hoofdstuk is Le Roy nog een anonieme zonderling, de man met de hoed. Later ontdekt de lezer dat de hoed Le Roy's schild is.

[p. 8]

Buiten zijn kamertje zijn hoed afzetten is ‘altijd een operatie gelijk, een soort trepanatie, die de dunbehaarde schedel bloot en dun liet als van een pasgeborene, een schedeltje dat men nog kon modelleren’ (26). Zonder hoed is de uitdrukking van zijn ogen ‘zacht en wat bedremmeld, wat eenkennig’. De echte Le Roy is kwetsbaar, maar ook kneedbaar. Daardoor steekt hij voor de verteller zo gunstig af tegen de verharde, conformistische burgerij. Vestdijk gaat in zijn sympathie voor Le Roy oneindig veel verder dan het begrip opbrengen voor diens onaangepastheid. Jaren vóór Milikowski - zij het ook aanzienlijk individualistischer en minder euforisch - zong hij de ‘lof der onaangepastheid’.

De geboorte van de gespleten persoonlijkheid

In het slaperige stadje leeft haast iedereen aangepast. Het leven kabbelt er voort. Als er al eens iemand, een jongere natuurlijk, uit de band springt, wordt dat met wat geroddel glad gestreken. Er zijn geen redenen om te veronderstellen dat de houding tegenover Le Roy's ondeugd daarop een uitzondering moet vormen. Roukema bevestigt dat iedereen het weet. Le Roy erkent dat het er veel zijn en steeds meer omdat zij erover kletsen. De wet verbiedt evenwel niet te kijken, wat hij doet is ‘volkomen onschadelijk’ (24). Le Roy is een zonderling, een marginaal, maar hij vormt geen bedreiging.

Waarom wordt Le Roy dan toch bij herhaling in elkaar geslagen? Dat de paartjes die hij gadeslaat enige gêne voelen, vindt hij normaal. Maar daarom hoeven ze hem toch niet af te tuigen? Hij vergelijkt zich in dit opzicht met God. ‘Hij wou het alleen maar zien’ (25). ‘God ziet óók alles, terwijl Hij toch niet ingrijpt, tenminste normaal niet, en Hij doet dit ook niet uit nieuwsgierigheid, want Hij weet alles van tevoren’ (207). Dan keer je je toch niet tegen God? Le Roy vermoedt dat ze hem slaan omdat er over hem gekletst wordt, omdat hij die naamloze vent met die hoed is geworden. Wordt hij de zondebok die het vrijende paar tijdens het glanzend avontuur confronteert met de prozaïsche context? Van der Meulen vindt - in Le Roy's verbeelding - bij zijn meisje vergetelheid. Dan ziet hij opeens de man met de hoed, denkt eraan dat deze hem verraden heeft en wordt des duivels. Ook de andere woestelingen voelen zich betrapt, hun handelingen worden uit het isolement gehaald, in een - schuldig - verband geplaatst. Niet alleen de jongemannen, ook hun meisjes worden bloeddorstig, hitsen hun geliefden op: ‘trap 'm tegen...’. De grove verwijzing naar de geslachtsdelen suggereert besef van zondig-

[p. 9]

heid. Het contrast met het wat simpele stelletje dat Le Roy vriendelijk bejegent, is verhelderend. Zij blijven ‘heel netjes, zonder andere dingen, zonder dat de jongen bijvoorbeeld zijn been tussen de benen van het meisje probeerde te krijgen’. Zij weten dat het niet het minste verschil uitmaakt dat iemand erbij staat. ‘Maar niemand dacht zo, niemand, behalve misschien de idioten’ (51).

In Vestdijks wereldbeeld treedt hier een onderscheid naar voren tussen de ‘wat achterlijken’, de simpelen van geest die onschuldig zijn en ‘het stomme volk’ (24) dat niet aan het verstand te brengen is dat Le Roy niemand kwaad doet, omdat het wel beheerst wordt door onaangepaste, stiekem in steegjes en langs kanalen te bevredigen behoeften, maar zich daarvan niet bewust is. Le Roy's toekijken dwingt hen ertoe de eigen, onbewuste verlangens onder ogen te zien. Maar omdat zij die als zondig, als van de duivel opvatten, zien zij de brenger van de boodschap als de boosdoener. In Le Roy bestrijden zij hun eigen ondeugd. Dat geldt voornamelijk voor de jongeren. Later worden de kleinburgers ‘volwassen’. Zij hebben de onaangepastheid er eens en voorgoed onder gekregen en kunnen daardoor tolerantie tentoonspreiden. Hun geroddel bewijst hun superioriteit. Natuurlijk wriemelt er van alles onder het oppervlak, maar slechts een buitenstaander doorziet de dubbelheid, de hypocrisie. Brouwers, de supervolwassene, is zo'n buitenstaander, toeschouwer, zij het van het passieve soort. Hij ziet de engheid, maar heeft er zich bij neergelegd.

Le Roy kan zich een dergelijke stoïcijnse onverschilligheid niet permitteren. Zijn sociaal bestaan is te onbevredigend om zijn ‘verschrikkelijke afwijking’ (206) er onder te kunnen houden. Hij moet wel nadenken, zich bewust zijn van wat in hem leeft, zijn complexiteit erkennen. Zijn volstrekte eenzaamheid wekt een diep verlangen erbij te horen. Zijn verbeelding wordt daardoor op gang gebracht. Keer op keer stelt hij zich situaties voor waarin hij boven zichzelf uitstijgt. Hij ziet zichzelf als een ander, als ‘die vent met de zwarte hoed (...), die gewone vent van die voddenzaak, een slappe vent, die ze af en toe op zijn sodemieter gaven’ (36). Tegelijk is hij ‘de goede herder’ die dag zegt tegen de kinderen. Wanneer het tot hem doordringt dat geen kind, geen kleinkind, ooit zijn postzegels zal erven, overweegt iemand in hem ze, om de klootzakken vóór te zijn, dan maar zelf te vernietigen. Iemand als ik, denkt hij, doet dat niet. Toch ziet hij hoe ‘die andere Le Roy’, die straks zijn domineeshoed zal opzetten en de straat opgaan, zijn eigen postzegels verscheurt. ‘De ene Le Roy keek met droge ogen en gebalde vuisten toe hoe, door

[p. 10]

een vloek of door een genade beroerd, de andere Le Roy hulpeloos huilend, bezig was iets te vernielen dat zij samen hadden verzameld’ (171). Le Roy is niet alleen gespleten, hij is zich daar tevens bewust van. Hij weet dat ‘de droom-Le Roy (...) een zelfstandig wezen (is) en (...) zich niet de wet (laat) stellen’ (60). Ook onderkent hij in zichzelf duivelse zowel als goddelijke trekken. In zijn fantasie zijn de portieken schelpen waarin hij zich als een beest schuil houdt. Al trekt hij ‘de wezenlijke goedaardigheid van dat beest, ongevaarlijkheid, ja reinheid, onbevlektheid’ (51) niet in twijfel, toch krijgt hij het gevoel dat, terwijl alle vroegere verboden en tegennatuurlijke handelingen ‘van God’ waren, ‘dit opeens van de duivel’ is. Hij beseft ook dat, als hij zich op het pad van nieuwe ondeugden zou laten lokken, het eind niet in zicht is: dan zou hij niet van jongetjes kunnen afblijven (25). Hoe walgelijk hij het ook vindt van zichzelf, toch verbeeldt hij zich dat Roukema en zijn zus Tine met elkaar liggen te vrijen.

De voyeur ontpopt zich als ziener, zelfs zaligmaker

De brede, zwarte rand van Le Roy's ‘domineeshoed’ geeft zijn ogen een exotisch starende uitdrukking. Dat vreemde verwijst naar zijn voyeurisme, maar evenzeer naar het religieuze. Le Roy lijkt ‘een Lettische predikant’, een straatprediker. De deviantie leidt tot zeer complex gedrag. Ondeugd en deugd blijken bij elkaar te horen.

Ondanks vage religieuze verwijzingen, komt Le Roy aanvankelijk als voyeur over. Wat hijzelf niet kan beleven, wil hij gadeslaan. Wel komt hij zo dicht bij zijn slachtoffers en is hij zo onvoorzichtig dat hij wel betrapt moet worden. En inderdaad: het gaat hem minder om het gluren dan om het erbij zijn en dat vindt zijn bekroning op het moment dat de begluurde op hem afkomt. ‘Hij komt! Het is geweldig wat er nu gaat gebeuren, het kan niet mooier zo’ (37). Eerst wordt nog de mogelijkheid open gelaten dat Le Roy een masochistisch verlangen heeft naar ‘de grote tuchtmeester van oudsher, de macht die de slagen uitdeelt, die nadert, nadert, nadert...’. Later blijkt het om dat naderbijkomen te gaan en niet om de pijn. Le Roy voelt zich opgenomen in een groots, vreugdevol en pijnlijk, goddelijk en duivels, avontuur.

‘Dan is het of er iets geweldigs gaat gebeuren, een mooi feest, of een geweldige natuurramp, of een veldslag waarvan je niet weet hoe het zal aflopen, - een geweldige spanning, iets beslissends in je leven...’ (208).
[p. 11]

Van iedereen vervreemd, heeft Le Roy slechts zijn postzegels en zijn ondeugd, dit wil zeggen zijn verbeelding. Van zijn twintigste jaar af vindt hij bevrediging in het kijken naar paartjes. Keer op keer blijkt dat hij een voyeur is die niets ziet, hoogstens een been tussen twee andere benen. Het is hem dan ook te doen om het moment dat een ander naar hem toekomt. Dan draait zijn verbeelding op volle toeren. Al noemt hij zichzelf wel eens zo, in wezen is hij volstrekt geen voyeur. Zelf kwam hij er achter dat er geen goed Hollands woord voor zijn ondeugd bestaat en dat voyeur ook niet in Franse woordenboeken voorkomt (in oude Larousses e.a. schittert het inderdaad door afwezigheid): ‘daar staat alleen voyant, dat is ziener, tussen haakjes profeet’ (206). Zo ziet Vestdijk hem inderdaad: schijnbaar als voyeur, wezenlijk als ziener, profeet. Na een ontluisterende ervaring staart hij met ‘bijna blinde ogen’ naar de grond, ‘alsof er van binnen bloed langs golfde’. In normale omstandigheden, als hij een nieuw plan uitwerkt, neemt hij scherp waar. Tijdens de uitvoering van zijn plan echter voltrekt zich een ingrijpende verandering: de feitelijke waarneming moet wijken voor een imaginair zien. Hij wordt ‘de broer, de vriend, de alwetende en alziende’ (166). Een eeuwig moment wordt hij opgenomen in een zinvol, gelukkig, goddelijk samenzijn. Hij beleeft de utopie als een geestelijk, mystiek orgasme.

Van niet te onderschatten betekenis is in dit verband de ontwikkeling die Le Roy (en onder zijn invloed ook Dick en Rappange) doormaakt. In het begin van de roman laat hij zich door zijn fantasie verder drijven dan ooit. ‘Te ver, en dat was hem nog nooit eerder overkomen: dit overhand nemen van zijn verbeelding nog voordat de verbeelding zich aan feiten had kunnen laven’. Nadat hij zich voorgesteld heeft dat Van der Meulen als Jahweh op hem afkomt, staart hij, de handen gevouwen, met verglaasde ogen in het donker. Hij schaamt zich ‘als voor een stille zonde, in eenzaamheid bedreven’. Na deze geestelijke masturbatie is hij leeggelopen. Omdat ‘het al gebeurd was’ (38) in zijn fantasie, kan het niet meer in de werkelijkheid plaatsvinden. Hij moet dan ook zijn ingenieus plan om Van der Meulen en zijn meisje bij elkaar te brengen, opgeven. Hij valt terug op een van elke originaliteit gespeend bespieden van een paartje. De hem vertrouwde jongen, Haje, trapt hem in elkaar ‘alsof hij hem voor zijn vuisten te min vond’. De vernedering is zo diep dat slechts een nog hoger plan redding kan brengen.

In de hoofdstukken die volgen stijgt Le Roy ver uit boven zichzelf. Geleidelijk aan groeit uit de hem toevallig aangereikte mogelijkheden een groots ontwerp. De voyeur die een ziener blijkt, ontpopt zich als een

[p. 12]

schepper. De alziende kijkt in de toekomst. Hij ontdekt de menselijke cellen die in Dick en Rappange in de kiem aanwezig zijn. Hij onderkent de grote liefde die tot stand kan komen als die potenties bij elkaar worden gebracht. Hij vat het op als zijn taak die fusie tot stand te brengen. Om Dick en Rappange tot elkaar te brengen, schrijft hij twee anonieme brieven. Die brengen een proces op gang dat onvermijdelijk lijkt, zelfs gedetermineerd of gepredestineerd. Dick ontdekt een andere Rappange, het lijkt hem alsof hij getuige mag zijn van

een natuurwonder (...): de metamorfose van een vrouw in een prelaat, van een lerares in een ridder van een der oude geestelijke orden, die naar het heilige land toog om daar met zijn gepantserde vuist enige verwoesting aan te richten onder heidenen en lastertongen (156).

Rappange gaat achter Dick een ‘andere jongen’ zien, een ‘pseudo-Dick’, ‘een oudere broer’, in het bezit van ‘ridderlijkheid, theologische ridderlijkheid misschien wel, die een jongen als hij in staat stelde het voor verdrukte vrouwen op te nemen en zijn tijd te verknoeien’ (154).

Bekkering heeft de aandacht gevestigd op het belang bij Vestdijk van de Proustiaanse ‘mémoire involontaire’. In De ziener is een aansluitende overeenkomst met Proust terug te vinden: het bewustzijn dat zich met de wetmatigheid van een natuurverschijnsel ontwikkelt. Aanvankelijk is Swann (in Een liefde van Swann) geenszins verliefd op Odette de Crécy. Van lieverlede gaat zijn verbeelding herinneringen oproepen die een onwillekeurige verbinding aangaan met zijn actuele impressies van Odette's - zowel door hem als door haar geselecteerde - bekoorlijkheden. Nog duidelijker treedt de autonomie van het geestelijk proces aan het licht wanneer Swanns liefde omslaat in jaloezie, door Proust gezien als ‘een onafhankelijke, op zichzelf gerichte levenskracht’ (112). Als deze kracht uitgeput is, beseft Swann dat zijn liefde onherroepelijk voorbij is. Zijn geest heeft Odette gecreëerd, zij werd zijn ‘kunstwerk’ (46). ‘Wie Odette werkelijk was, was niet meer van zo groot belang’ (140). Als Swann opnieuw de melodie van Vinteuil - die een katalysator was die het associatieproces versnelde - hoort, weet hij dat hij niet langer ‘ziek’ van haar is. Boven de liefde staat de muziek, de kunst, de ‘werkelijkheid van onze ziel’ (187), een ‘schepping van bovennatuurlijke orde die wij nooit hebben waargenomen’ (188).

Bij Vestdijk ligt de nadruk al evenzeer op het innerlijke proces. Net als bij Proust zijn het lichamelijke en het maatschappelijke uiterlijkheden, belangrijk als positieve en vooral als negatieve factoren, maar niet de

[p. 13]

kern. Zo speelt bij beide auteurs het (klein)burgerlijk geroddel een niet onbeduidende rol in de verwijdering en toenadering tussen mensen. Wezenlijk is evenwel de psychische ontwikkeling. Ook Vestdijk ziet die als een onwillekeurig proces. De titel van het vierde, centrale hoofdstuk van De ziener laat dat duidelijk uitkomen: Katalyse. Katalysator (stof die, zonder daarbij zelf blijvend veranderd te worden, een chemisch proces bespoedigt of vertraagt) is in dit geval niet een melodie, niet de muziek, niet de kunst, maar de - bepaald niet literaire - brieven van Le Roy. Daarin is een fundamenteel verschil gelegen tussen Een liefde van Swann en De ziener: de melodie bestaat los van Vinteuil, de brieven - hoezeer ze ook een autonome rol gaan spelen - zijn doelbewust door Le Roy ingezet. Le Roy brengt de katalyse op gang, hij is middelaar. De ziener wordt zaligmaker.

Vestdijks afscheid van de maakbare mens

Na ‘Katalyse’ volgt ‘Sanctie’ (de liefde tussen Dick en Rappange wordt gesanctioneerd, bekrachtigd; daarnaast wordt de directeur met de dood gestraft) en ‘Consummatie’ (de - geestelijke - voltrekking van de liefde). Het slothoofdstuk, ‘Serenade’, begint als een avondlijke hulde van Le Roy aan Dick en Rappange die elkaar gevonden hebben. In zijn serenade (‘Er was iets vroom galmends in zijn gebarsten stemgeluid gekomen’) bezingt Le Roy laat in de avond de liefdesband die hij gesmeed heeft. Om het paar te dienen, heeft hij vrijwillig zijn ondeugd prijsgegeven (166). Nu zit hij in de beuk die uitziet op het raam van Rappange. Van zijn vader kreeg hij altijd een pak slaag als hij in de boom klom. Voor het eerst kijkt hij naar een paar dat elkaar binnenshuis ontmoet. Niet uit nieuwsgierigheid. Uit belangstelling. Hij wil bevestigd zien dat zijn schepping geslaagd is. ‘Mensenliefde betekende iets voor Le Roy’ (142). Daardoor werd het

denkbaar, dat juffrouw Rappange dat ergens diep in haar ziel werkelijk gezegd had. Ga weg, kom binnen, kijk, ik sta hier met Dick, ik ben zo goed als naakt, alleen maar dit bruine dingetje erover, hij mag het zien, jij mag het zien, jij ook, jij hoort erbij... (143).

Zijn verlangen erbij te horen, heeft hun verhouding denkbaar gemaakt, heeft de inspiratie gewekt voor zijn creatief ontwerp. De anonieme brieven brengen de burgerlijke tongen in beweging. Het geroddel en de reacties lokken de beste eigenschappen van Dick en Rappange uit hun

[p. 14]

tent. Om de kleinburgers te tarten, wandelen zij samen op de speelplaats. Het onbegrip van zijn moeder brengt Dick ertoe te zeggen dat hij van Rappange houdt. Als hij daar aan Rappange verslag van doet, wordt hij zich ervan bewust dat het misschien nog waar is ook. Zij houdt hem voor dat hij zich is gaan inbeelden dat hij van haar houdt, dat hij niet van háár houdt, maar van de Rappange die hij geconstrueerd heeft. Het dringt echter tot hem door hoe leeg en naargeestig zijn leven zou zijn als zij er niet meer was. Zijn ontwikkeling verstoort ook haar evenwicht. Zij raakt ‘bevrijd van wil en bedoeling’ (194), begint te huilen. Vestdijk beschrijft dit als ‘een gordijn van tranen’ dat zich voorthaast ‘in de onveranderlijke doelgerichtheid zonder doel van een geheim en beter niet te bespieden natuurgebeuren’. De katalyse is voltooid. Haar hand laat ‘zich gewillig (...) grijpen en met beide handen tegen zijn borst drukken’ (195).

Le Roy is er getuige van dat zijn plan slaagt. Hij wou andere mensen gelukkig zien (210) en bij hen horen. Dick, die hem betrapt, komt niet als een tuchtmeester op hem af, slaat hem niet, vraagt hem slechts naar zijn drijfveren. Le Roy weet dat er aardige mensen zijn. ‘Of gewoon: mensen. Geen rotzakken (...). Dick was een vriend’ (202). Rappange van haar kant luistert naar hem zoals nog nooit iemand dat gedaan heeft ‘zonder enig teken van verveling of geschoktheid’ (208). En bovenal: ‘ze hebben elkaar gevonden en alles is goed’ (201).

Le Roy's schepping bewijst de maakbaarheid van de innerlijke werkelijkheid. Al toen hij nog voyeuristische activiteiten bedacht, geloofde hij in een ‘gedeeltelijk bepaalbare toekomst’. Nu is hij boven zichzelf uitgestegen, heeft hij zijn tekort omgezet in een betere, liefderijke psychische wereld. De samenleving mag dan al vastzitten; de mens, althans zijn ziel, is verbeterbaar. Althans dat is de visie van Le Roy. Dick en zelfs Rappange en met hen de verteller, lijken zich gewonnen te geven aan Le Roy's geestelijk optimisme.

Toch huilde Rappange niet van geluk. Dick juicht: ‘Hoe was het mogelijk, dat ze van hem hield!’ Daar voegt hij in gedachten meteen aan toe: ‘Overigens had ze dat niet gezegd. Ze was alleen maar gaan huilen. Er stak misschien nog heel iets anders achter...’ (198). Niet zonder waardering stelt zij vast dat ‘je toch wel een verduveld rare kronkel’ moet hebben om te geloven dat een vierendertigjarige juffrouw en een achttienjarige jongen van elkaar kunnen houden. Dat belet haar niet Le Roy te dwingen haar te vertellen hoe hij op dat idee is gekomen. Hij bekent dat hij niet op het idee is gekomen, dat hij hen op het idee heeft gebracht met zijn brieven.

[p. 15]

Rappange begrijpt dat Le Roy haar en Dick bij elkaar heeft gebracht, dat hij de schepper is van hun verhouding. Zij zijn door Le Roy gemaakt. Dat het meest zinvolle buiten haar om tot stand werd gebracht, kan zij niet verenigen met haar zelfstandigheid. Meteen neemt zij het besluit het provincieplaatsje te verlaten: ‘Ik zou me altijd een creatuur voelen van die man, en jou ook’ (219). Zij schrijft een afscheidsbrief die Dick pas dient te krijgen als zij goed en wel in de trein zit. Zij heeft echter buiten de waard gerekend: Le Roy komt er achter dat zij op het punt staat te vertrekken. Hij waarschuwt Dick, voorziet hem van bloemen, ontwikkelt het plan om Rappange uit de trein te halen. Hij accepteert dat hij bij de uitvoering van dat plan niet aanwezig kan zijn en zelfs dat Dick niet kan beloven te zullen vertellen hoe het is gelopen: ‘Dat kan ik moeilijk doen. Het is niet alleen mijn geheim’. Dick heeft de illusie dat de confrontatie met Rappange zijn en haar geheim is. De veel schranderder Rappange daarentegen weet dat het ook Le Roy's geheim is. Het schepsel, gemaakt naar Zijn beeld en gelijkenis, is niet autonoom. Uit de lasterlijke liaison lijkt een verhouding te zijn ontstaan; die kan echter niet authentiek zijn, aangezien zij gearrangeerd werd. Rappange ziet haar en Dick als ‘trouwe wapenbroeders’ (219) die ‘als wereldverbeteraars hebben willen optreden’ (189). Zij hebben zich verzet tegen de kleinburgerlijke roddel door zich als een paar te gedragen. De ziener wist dat dit provocerend gedrag hen bij elkaar zou brengen, dat de gevoelens die zij opvoerden werkelijkheid zouden worden. Tot zover is zijn profetie onmiskenbaar uitgekomen. Dat Rappange geen moment ontkent dat zij van Dick houdt, is voldoende bewijs voor haar liefde. En het rotgevoel dat Dick overvalt als hij denkt aan een leven zonder haar, geeft hem de zekerheid dat hij altijd van haar zal blijven houden. Wel laat Vestdijk in het midden of die liefde meer is dan een katalytische reactie op het negatieve kleinburgerlijke element en de positieve inbreng van Le Roy. De door ervaring wijs geworden Rappange kiest - tenminste in haar uitspraken - voor de nuchtere erkenning van het leeftijdsverschil en de vergankelijkheid van ridderlijke gevoelens. De nog niet van zijn geloof gevallen jonge Dick vertrouwt op wat hij in zichzelf ervaart. Wel blijkt ook hij te beseffen dat er krachten zijn die de zijne, die van Rappange en die van Le Roy te boven gaan. Nadat hij Le Roy weggestuurd heeft, wordt hij overvallen door een stijgende beklemming, verbonden met het zetten van

[p. 16]
de laatste beslissende stap, waar op een of andere manier met een toverstaf gezwaaid zou worden, niet door hem, ook niet door juffrouw Rappange, en zelfs niet hen beiden, want die toverstaf was vrij, en zwaaide uit zichzelf (217).

Dat fundamentele inzicht in het lot - dat hij uiteraard met Rappange deelt en dat haaks staat op Le Roy's scheppingswaan - kan verklaren waarom Dick geen ernstige poging onderneemt om het plan van de ziener uit te voeren. Aanvankelijk lijkt het lot nog op zijn hand. Het zou hem niet ‘hebben verbaasd door wenkende conducteurs en scharen juichende kinderen te worden ingehaald’ (218); toch accepteert hij de ‘bedenkelijke anticlimax’ en vat hij de ‘nietsziende onverstoorbaarheid’ van de controleur, die hem doorlaat zonder naar het perronkaartje te kijken, op als een ‘verpletterende triomf over de tijd’. Nadat hij Rappanges koffer met één beweging in het net heeft gezwaaid, zit hij naast haar ‘in de eendracht van een lege coupé; in de oneindigheid van een onmerkbaar afbrokkelende tijd’. Op het moment dat die eendracht sterker lijkt te gaan worden dan Rappanges nuchterheid, wordt de deur van hun coupé verduisterd door een bejaarde fabrikant. Dick kent hem, Rappange gaat er ‘nogal stuurs en ongenaakbaar’ uitzien. Zij fluistert Dick toe dat hij haar mag schrijven na zijn eerste academisch examen. Dan neemt zij afscheid. Hij verzet zich geenszins, neemt zich in gedachten voor dan maar medicijnen te gaan studeren, want dan komt het eerste examen al na één jaar.

Als de trein het station heeft verlaten, neemt Rappange in gedachten afscheid van het provincieplaatsje. Scherper nog dan Dick erkent zij de krachten die boven de mens staan. Met een ‘God zegen je’, heeft zij Dick weggestuurd. Nu bedenkt zij hoe de tijd zich voortspoedt naar ‘een voorbestemde en onbekende plek (...), een hart, een lotsbeschikking’. Haar leven in het stadje ‘was minder geweest dan een zucht, een niets, dat een leven uit zich had willen baren, twee levens zelfs, en daar toch wel niet in slagen zou’ (222).

De fabrikant onderbreekt haar gedachten. Alhoewel helemaal niet kwaadaardig, wil hij laten merken dat hij evenmin naïef is door op vaderlijke toon vast te stellen: ‘Zeker een leerling van u’. Rappanges antwoord blijft beperkt tot het superieure: ‘Inderdaad’. Wordt Dick door haar op zijn plaats gezet of de fabrikant op zijn nummer? Vestdijks einde blijft enigszins open. Het heeft er alle schijn van dat de liaison definitief verbroken is, al valt niet helemaal uit te sluiten dat het lot alsnog anders zal beschikken. Die onzekerheid kan verklaren, niet rechtvaardigen,

[p. 17]

waarom de uitgever op het omslag stelt dat Le Roy's creaturen hoogst waarschijnlijk in de liefde vervulling zullen vinden.

In een overigens ongemeen indringend artikel, stellen Van der Paardt en Raat dat Le Roy's bestaan symbool is van de levensproblematiek van de creatieve kunstenaar, die de realiteit herschept tot een verbeeldingswereld die de realiteit verdringt, maar zelf nooit realiteit kan worden. De scheppende kunstenaar wordt een buitengesloten toeschouwer, een voyeur van het leven, een Koning die zijn onderdanen autonoom bestuurt, maar wiens heerschappij zich zeker niet verder uitstrekt dan over zijn eigen verbeeldingsleven. Van der Paardt en Raat accentueren aldus de overeenkomsten tussen Le Roy en de - autonome - kunstenaar en veronachtzamen de verschillen. Le Roy's uitstoting is immers niet zozeer gevolg als wel oorzaak van zijn creativiteit. De belangrijkste parallel tussen hem en de kunstenaar is te vinden in de grondslag van de scheppingsdrang: het onvermogen een aangepast leven te leiden. Overigens verwerpt Le Roy al in het eerste hoofdstuk de ‘autonome’ oplossing. Het opgaan in zijn fantasiewereld waarin de man met de hoed de grote tuchtmeester Van der Meulen ontvangt, ervaart hij als impotent makend. In het vervolg stelt hij zijn verbeelding in dienst van de verandering van de werkelijkheid. In tegenstelling tot de autonome kunstenaar krijgt hij op bijna wonderbare wijze greep op de realiteit. Hij ontpopt zich niet als een artistieke, maar als een goddelijke schepper: hij maakt in zekere mate Dick en Rappange naar zijn eigen beeld en gelijkenis. Zij vatten - niet in zijn verbeelding, maar in de werkelijkheid - liefde op voor elkaar. Als Le Roy staat voor de kunstenaars, dan niet voor de autonomen, maar voor de - natuurlijk niet politiek, maar existentieel - geëngageerden onder hen.

Op grond van de tekst kan worden vastgesteld dat Vestdijks sympathie voor Le Roy niet gering was. Niettemin laat hij hem uiteindelijk compleet mislukken. Zijn verheven vorm van creativiteit, het herscheppen van mensen, blijkt te hoog gegrepen. Vestdijk distantieert zich van Le Roy. Hij geeft de levenswijze Rappange het laatste woord. De ziener, de profeet, de zaligmaker, is door Vestdijk weggestuurd. In de voorlaatste paragraaf verdwijnt Le Roy zonder om te kijken in het provinciestadje. Hij neemt een ferme pas in acht, alsof zich een nieuw doel aan hem heeft voorgedaan. Dat hij ‘de hoed blijkbaar in de ogen getrokken’ heeft, doet vermoeden dat zijn uitstoting hem teruggeworpen heeft op zijn vroeger leven. De ziener is weer voyeur. In 1958 lag Sint-Michielsgestel ruim een decennium achter de rug.

Tegen het einde van De ziener blijken Le Roy en zijn geloof in de

[p. 18]

maakbaarheid spoorloos verdwenen te zijn. Wat blijft is heimwee. De herinnering aan een onbereikbare droom. Een ‘autonome’ roman. De machteloosheid van de ziener, van de kunstenaar, omgezet in het glanzende, nutteloze, avontuur van het kunstwerk. Vestdijk effent het pad voor Merlijn.

Bibliografie

S. Vestdijk. De ziener. Amsterdam (Querido), 1977 (6e druk, als Salamander).
H. Bekkering. Juni 1933. D. Zijlstra weigert het manuscript van Vestdijks Kind tussen vier vrouwen. Vestdijk en Proust tegenover Ter Braak en Du Perron. In: Nederlandse Literatuur, een geschiedenis. Groningen (Nijhoff), 1993, pp. 653-660.
Willem J. van der Paardt en G.F.H. Raat. De ziener bekeken. In: Vestdijkkroniek, 27 (maart 1980), pp. 1-33.
Marcel Proust. Een liefde van Swann. Amsterdam (De Bezige Bij), 1984 (9e druk; oorspronkelijke uitgave: 1913).