VON-Informatie. Jaargang 6


auteur: [tijdschrift] Vonk


bron: VON-Informatie. Jaargang 6. G. De Schutter, Oostakker 1976


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. één]

[Nummer 5]

Herfstconferentie 23-24 oktober 1976 - De Sirkel - Drongen
Verslag stroom 1: Creativiteit

Dit week-end, geleid door Johan Heene (eerst aanwezend assistent bij prof. De Blok Gent) is een opeenvolging van praktische oefeningen en theoretische benadering geworden. Voor de praktijk werkten wij in steeds veranderende groepjes en voor de theorie in het plenum.

Eerst moesten we in groepjes een les moedertaal voorbereiden aan de hand van een collage van 5 artikels met als bedoeling de creativiteit van de ll. te stimuleren. We moesten dan ook formuleren hoe we dit door de gebruikte lesvoorbereiding konden bereiken. De groepjes telden meestal een 12-tal mensen; daarom was voorzien dat in twee verschillende periodes afwisselend de ene helft van de groep zou werken en de andere helft toekijken.

 

Men kan ook - zoals het tenslotte met de cursisten zelf gebeurd was - de ll. gewoon confronteren met de collage. Het gevaar bestaat immers dat de creativiteit van de leraar de creativiteit van de ll. belemmert.

A posteriori-begeleiding van de ll. leek in elk geval een vereiste.

Johan verduidelijkte dit en wees erop dat intelligentie, als de mogelijkheid om aan jezelf vorm te geven, impliceert dat je je eerst ludiek moet openstellen (sic), maar dat je daarna aan jezelf moet verder werken, dat je het materiaal moet kunnen verwerken. In een klassesituatie wordt de leraar hier noodzakelijk.

In de namiddag stelde Johan ons zijn artikel voor: Thema creativiteit. Hij ‘democratiseert’ er het begrip creativiteit. Creativiteit is de menselijke houding die erin bestaat onze eigen, probleemstellende begrenzingen - materieel of psychisch - te overschrijden in een voor ons nieuw en waardevol geheel. Creativiteit bevat uitrustingsfactoren (intelligentie, vlotheid, soepelheid, ook bv. de mogelijkheid problemen te zien, enz.) en richtingsfactoren (volharding, zelfdiscipline, zelfvertrouwen enz.) die verhinderen dat de creativiteit een strovuurtje blijft.

[p. twee]

Johan gaf ons dan enkele handelingen die we zouden rangschikken naar orde van creativiteit. Alle groepen kwamen uiteindelijk ongeveer tot dezelfde rangschikking. Er was een inbreker die een heel efficiënt inbraakmiddel uitvindt, het kind dat een tekening uitwerkt volgens het patroon van de tegels waarop het blad toevallig ligt, de verkoper die eraan denkt cadeautjes te geven bij zijn waar - naar het voorbeeld van een collega, een ll. die een wiskunde-vraagstuk oplost door een gelijkaardige oefening van vroeger op te zoeken in zijn geheugen, een kunstenaar diens ontwerp voor een mozaiëkgevel bekroond wordt, een man die terwijl hij telefoneert een onzin-woord optekent. Bovenaan komt het kind met zijn ontdekken en toepassen van ean toevallig patroon. Daarna volgt de inbreker, wiens uitvinding inderdaad voor hem waardevol is (hierover werd slechts na lange discussie een consensus bereikt). De verkoper, die weliswaar niet zelf het idee had, maar het wel ontdekte en het nog met succes toepaste ook, kwam op de derde plaats. Vierde werd de man bij de telefoon, die wel een nieuw woord creëerde en als zodanig herkende ook, maar het niet gebruikte. De leerling -hoe vlijtig ook- copieert gewoon. Tenslotte werd de kunstenaar buiten wedstrijd gesteld omdat er te weinig gegevens waren -eigenlijk geen- over de creatieve beleving.

 

De volgende activiteit werd een ‘jabber-walk’. Dit was een metro-achtig door elkaar lopen en hoelanger hoe meer gearticuleerde en agressieve klanken uitbrengen. Uit die klanken ontstonden woorden en zinnen, die we in groepjes tot een spelopvoering moesten verwerken. Onze ontmoetingsruimte werd omgetoverd tot een spel- en toneelruimte waar geregisseerd toneel, absurd toneel en kolder uitliepen op een ludieke en ontspannen expressie-avond.

 

De zondagmorgen werd achtereenvolgens gewijd aan speltechniekjes en aan een rollenspel.

De speltechniekjes: parodiespelletjes, rebussen, als-spelletjes, herschrijven van sprookjes, uitvinden van een mythe, uitvinden van een absurd leesapparaat, leerden ons dat de beperking van het materiaal een prikkel is tot creativiteit omdat de hierboven genoemde richtingsfactoren in werking kwamen.

[p. drie]

De creativiteit werd op een andere wijze beleefd in een rellenspel. Ieder lid van de groep bedacht een ander met een bepaalde, uitgeschreven rol. Tijdens het spel moest ieder die rol verwerkelijken.

Het spel werd gevolgd door een evaluatie. Had ieder wel voortdurend aan zijn rol beantwoord? Was iedereen wel democratisch opgetreden?

Had iedereen wel ruimte gegeven aan ieders creativiteit?

 

Johans laatste uitdaging bestond erin dat we een creatieve les moesten voorbereiden op de werkwoordsuitgangen.

Vele spitsvondige voorbereidingen kwamen naar voren. Bv. in een tekst werden de werkwoorden vervangen door woorden als porpaan, bom enz., die de ll. dan terug moeten invullen. Of we geven bv. de uitgangen alleen en de ll. moeten ze gebruiken met zelfgekozen werkwoordstammen en ze daarna gebruiken in een opstel. Of bv. de ll. met kaarten, plakkaten of met een kwartetspel spelenderwijs de juiste vormen laten invullen.

Toch vond Johan dat deze voorbereidingen te weinig ruimte laten aan de creativiteit van de leerlingen. De vraag werd wel gesteld of het mogelijk is zulk een spraakkunstles te geven zonder een strikte programatie.

 

D-t en Johans uitdaging waren het ‘orgelpunt’ dat ons week-end afsloot, maar ze zullen zeker geen slotpunt zijn achter onze individuele poging het onderwijs ruimer en meer vormend te maken.

 

Luc Van Den Broeck