|
|
|
| |
| | | |
Over de kwaliteit van het spreken
Taalbeheersers ergeren zich vaak als mensen slecht spreken. Dat is niet een van hun sympathiekste trekjes: louter ergernis brengt geen aarde aan de dijk, want aan een ongenuanceerd oordeel heeft niemand wat. Bovendien lijkt het me niet het leukste uitgangspunt om aan taalbeschouwing te doen. Nieuwsgierigheid naar wat slecht spreken (of goed spreken!) inhoudt biedt wellicht meer perspectief om greep te krijgen op de kwaliteit van het spreken.
Dit artikel gaat over de kwaliteit van het spreken.
Ik wil me vooral concentreren op twee aspecten van het spreken die in het onderwijs nauwelijks aandacht krijgen: de uitspraak en de stem- en spraakverzorging.
Zelfs het beschouwen en inoefenen van technieken moeten m.i. passen in een algemene taalvisie. Een taalvisie geeft een context en een verklaringsgrond voor anders als dom en arbitrair ervaren (uitspraak)oefeningen.
Wat en hoe de taalbeheerser evalueert (beoordelingsnorm) is afhankelijk van zijn inzicht in de kennis en vaardigheden die met het spreken samengaan. Dat is aan de orde in het eerste deel.
In het tweede deel krijgt de lezer voorbeelden aangereikt van hoe je in het onderwijs met uitspraak, stem- en spraakverzorging bezig kan zijn.
| |
Een referentiekader
Vele luisteraars klappen dicht als ze een regionaal accent opsporen in het Nederlands van een spreker. Als je herkend wordt als Antwerpenaar of als Bruggeling heb je het soms erg te verduren. Meer zelfs. Sommige leraren associëren goed spreken enkel met een ‘perfecte’ realisering van standaard-Nederlandse klanken. Welke norm ze hanteren en wat je kunt doen om die norm te halen, daar staan ze niet bij stil. Merkwaardig toch dat uitspraak een belangrijk beoordelingscriterium voor goed spreken blijkt te zijn, en dat tegelijkertijd toch zo weinig aandacht gaat naar uitspraakoefeningen tijdens de lessen Nederlands. Ik denk dat de verklaring daarvoor te zoeken is in het gebrek aan didaktische werkvormen enerzijds en aan een heldere taalvisie anderzijds. Wat fantasieloos vinden velen dat de uitspraak enkel via drills te beïnvloeden is. Drillonderwijs maakt een leraar niet altijd populair. En vooral: wie expliciete aandacht aan uitspraak besteedt komt onvermijdelijk voor de vraag naar de norm. En dat is een moeilijk te beantwoorden vraag. Daarover verder
| | | | meer. Nu dit: wie mondeling taalgebruik enkel beoordeelt naar het aantal regionale klankafwijkingen van het standaard Nederlands doet als de personeelschef die de sollicitatiebrief van een schitterend kandidaat naast zich neerlegt omdat er een dt-fout in staat.
Goed spreken is meer dan alleen maar handig verstoppen waar je vandaan komt. Goed spreken is ook en vooral gezond spreken. Gezondheidsproblemen wachten op de diagnose van een medicus, zul je inbrengen: een longarts die je ademhaling controleert, een neus- keel- oorarts die je stembanden verzorgt, een logopedist die je van het stotteren afhelpt. Dat spraak- en stemhygiëne niet langer het exclusieve terrein van de medicus kan blijven, staat als een paal boven water. Kleuterleiders en onderwijzers betrappen beginnende sprekers vaak wel op hun moeilijkheden en verwijzen tijdig door. Maar je zou toch ook enige interesse voor stem- en spraakhygiëne mogen verwachten in een lerarenopleiding of in een tolkenopleiding b.v., want de stem van een beroepsspreker blijft een hele carrière een van zijn belangrijkste instrumenten. Een voorbeeld van hoe je in het onderwijs met gezond spreken bezig kan zijn, lees je in het tweede deel.
Uitspraak en stem- en spraakhygiëne zou je de technische aspecten van het spreken kunnen noemen. Ze verschillen nochtans van elkaar op een belangrijk punt: de absoluutheid van de norm. Wie aan het einde van een zin adem tekortschiet spreekt slecht. Punt. Wie zich schor schreeuwt telkens als hij zich in een grote ruimte verstaanbaar moet maken, pijnigt zijn stemorgaan. Maar hoe beoordeel je iemand die niet diftongeert als hij bij de kruidenier bruine suiker wil kopen?
Wanneer wie welk Nederlands spreekt hangt af van de communicatiesituatie(1). Een spreker moet daar een precieze kijk op hebben als hij niet wil flateren bij de keuze van zijn taalhandelingen. Je vriend groet je op een andere wijze dan je examinator. De personeelschef die een omroeper zoekt, beluistert nauwlettender hoe Antwerps je Nederlands klinkt dan een MIVA-baas die een buschauffeur wil aanwerven (ten hoogste wil die weten hoe Nederlands je Antwerps klinkt). M.a.w. de norm voor het gebruik van standaard-Nederlandse klanken verschuift naargelang van de communicatiesituatie.
Maar goed spreken houdt meer in dan standaard Nederlandse klanken produceren als dat opportuun is, meer dan je stem efficiënt gebruiken.
Het staat natuurlijk buiten kijf dat een spreker voldoende taalvaardigheid moet trachten te verwerven om in de communicatiesituatie doelmatig te kunnen handelen. Dat houdt
| | | | in dat hij weet heeft van een aantal taalstructurele afspraken, wetten: grammaticale, fonologische, semantische. Hoe groter de syntactische soepelheid, de woordenschat, hoe preciezer een spreker zich uit kan drukken. Wie slechts één klanksysteem kan hanteren beperkt vanzelfsprekend zijn eigen soepelheid. Als je enkel Brugs kent, verplicht je jezelf dat altijd en overal te spreken.
Niet enkel taalstructureel, ook communicatief-pragmatisch beweegt een bekwaam spreker zich soepel. Hij past stijl en register aan de context aan. Hij heeft oog voor logica en argumentatie, beschouwt zijn uitingen op het niveau van de tekst. Toch gelden ook hier geen absolute regels. Het is soms best knap een ingewikkelde gedachte in tien woorden kwijt te kunnen, maar het komt wel eens handig uit er vijftig voor te gebruiken.
Het zal onderhand duidelijk zijn geworden dat je de kwaliteit van een spreker niet zomaar met de natte vinger kan bepalen. Veel kennis en vaardigheid moet je in rekening brengen. Het lijkt me belangrijk dat leraren in de klas alle aspecten van het mondelinge taalgebruik beschouwen. Vooral hoe die op elkaar inwerken en hoe je ze beoordeelt, kan boeiend lesmateriaal opleveren.
En het hoeft niet altijd zo nadrukkelijk. Veel inzicht in hoe de communicatiesituatie en het concreet mondeling taalgebruik op elkaar inwerken kan occasioneel aan de orde komen. Leerlingen die oma interviewen omdat ze geïntereseerd zijn in oral history, kunnen leren inzien dat ze van zichzelf andere taalfacetten beoordelen dan leerlingen die even nieuwslezer spelen voor de lokale radio.
Over de evaluatie van mondelinge taal(vaardigheid) is het laatste woord nog lang niet gesproken of geschreven.(2) Alles wat met spreektechniek te maken heeft is vanouds het terrein bij uitstek voor normatieve beoordeling. Op dit onderdeel van het onderwijs in mondelinge taalbeheersing wil ik toch even dieper ingaan. Omdat het bij pragmatische analyse wordt verwaarloosd. Omdat het niet los te weken is uit de discussie over schooltaal/thuistaal. Omdat er ruimere perspectieven aan te geven zijn. Omdat ik dagelijks met die problemen word geconfronteerd.(3)
| |
Uitspraak, stem- en spraakverzorging
Vooraf dit. Een leraar die met de technische aspecten van het spreken bezig wil zijn, moet zich afvragen of en in welke mate de diverse facetten van belang zijn voor zijn leerlingen. Wie leraren of tolken opleidt kan en moet andere eisen aan zijn studenten stellen dan een onderwijzer. Het is bovendien wenselijk dat hij die eisen expliciteert, toelicht, een aanpast aan de communicatiesituatie. En dat hij de betrokkenen erover mee laat denken.
In dit bestek wil ik niet ingaan op de discussie of een standaardtaal moet worden aangeleerd, wanneer dat zou
| | | | moeten gebeuren, en welke norm daarbij gehanteerd dient te worden. Ik ga er nu even van uit dat de leraar oordeelt dat de uitspraak van zijn leerling moet worden verbeterd. Een deelvaardigheid als deze kan naar mijn oordeel enkel via afzonderlijke training worden verworven.
| |
Uitspraakoefeningen
Als je je spreekgedrag wil beïnvloeden, moet je je bewust worden van dat gedrag. Luisteren en leren luisteren, verschillen waarnemen en de duiding ervan begeleiden zal altijd weer de start zijn.
Om je/de norm te verduidelijken.
| - | Verzamel geluidsopnames van sprekers die jij goed vindt, niet goed genoeg. Bespreek ze. Afhankelijk van je doelstelling beluister je de klanken, de intonatie, het ritme, de articulatie. Analyseer die in functie van de communicatiesituatie. |
| - | Laat leerlingen opnames verzamelen, maken. Vergelijk. |
| - | Als je er diep op in wil gaan, lijkt het me onvermijdelijk een aantal basisprincipes van de fonetica uit te leggen, al was het maar omdat een idioom je soms helpt beter te luisteren. |
Oefenen.
| - | Ga in een taallab zitten. Oefen zoals in het vreemdetalenonderwijs. Voorbeeld, spreekpauzes, opname, beluisteren, corrigeren. Maak de oefeningen kort en gevarieerd. Het basismateriaal (cassettes met voorbeeldwoorden en -zinnen) is niet op de markt. Zelf verzinnen is hier de boodschap. Eigen behoeftes en voorkeuren kunnen dan ruimschoots ingewilligd worden. Tenzij je perse met Fons Fraters wil werken(4). Bundel de uitspraakproblemen op een zinvolle manier. Ga uit van klanken, niet van letters. Tracht een andere (goede) spreker te strikken om de voorbeeldzinnen in te lezen op de band. Als de leraar telkens weer zichzelf als norm vooruitschuift, wordt een kritische leerling terecht wantrouwig. |
| - | Laat de leerlingen een ‘model’ kiezen waar ze zelf affiniteit mee voelen qua stemtimbre, spreektempo. Nabootsen. Het spelelement is niet te onderschatten. Laat ze situaties spelen vanuit dat model. Gekgenoeg blijkt imiteren makkelijker als het model niet te dicht bij huis ligt. Voordeel is hier dat de klanken als een systeem worden aangeboden en verwerkt. Vooral bij de vocalen en de diftongen is het interessant op de samenhang tussen de fouten/afwijkingen te wijzen. Vergelijk b.v. verschillende articulatiebases in het Frans en het Nederlands.
Door het gebruik van een hoofdtelefoon kun je de imitatie simultaan laten verlopen zodat een leerling spreekt
|
| | | |
| en tegelijk luistert naar het vervolg van de tekst. |
| - | Wat en hoe je ook oefent, gebruik altijd een cassette-recorder om controle mogelijk te maken. |
| |
Stem- en spraakverzorging
Bezorgde ouders schieten overeind als hun peuters tip eten, TV rijten, nog in hun broet tatten. Terecht. Maar ook als ouders niet in paniek slaan bij zulke verschijnselen worden dergelijke spraakproblemen verholpen. Door wakkere kleuterleiders, deugdelijke PMS-centra en goed uitgeruste revalidatiecentra. Daar staan getrainde logopedisten klaar om de kinderen op het juiste spoor te zetten.
Bij oudere kinderen en bij volwassenen ligt het anders. Lispelaars krijgen geen commentaar, slordige articulatie wordt enkel met karakteriële eigenschappen in verband gebracht, latente heesheid enkel met esthetische normen beoordeeld. ‘Men’ bekijkt stem en spraak als onveranderlijke gegevens en logopedisten als de overbodige genezers van (door hen) verzonnen kwalen.
Standpunten om bij stil te staan.
Spraakmoeilijkheden bij jonge kinderen wegwerken maakt langzamerhand nog maar een deel uit van het werkterrein van logopedisten. Het accent verschuift naar stemhygiëne. Een leraar die elke winter meer dan eens zijn stem ‘kwijt’ is, moet zich toch een en ander afvragen. Consulteer een neus-keel-oorarts. Die stelt vast of er organische afwijkingen zijn. Een logopedist kan je helpen een andere ademtechniek te leren gebruiken b.v. Hij kan je bijbrengen hoe je vaste (spreek)gewoontes met nefaste invloed op je stemgebruik om kunt buigen. Net zoals in de eerstelijnsgeneeskunde gaat in de logopedie steeds meer aandacht van curatieve naar preventieve zorg. Ook spreektoonhoogte en intonatiepatroon b.v. blijken in de praktijk minder moeilijk te beïnvloeden dan men zou vermoeden. M.a.w. veel technische stem- en spraakkenmerken kun je beïnvloeden.
Het zou goed zijn dat onderwijsmensen ertoe bij wilden dragen stem- en spraakproblemen uit de ziektesfeer te halen door belangstelling te krijgen voor preventieve stem- en spraakverzorging(5). Op die wijze worden afwijkingen makkelijker bespreekbaar en vergroot de kans op een efficiënte aanpak van de echte problemen. Het is onbegrijpelijk dat er in dit land, waar de lerarenopleidingen zo welig tier(d)en, volstrekt geen aandacht gaat naar die aspecten van het beroepsleven.
Ik zou een lans willen breken voor de inschakeling van een logopedist(e) in elke onderwijsinstelling waar taal een studierichting is.
| | | |
In het Hoger Instituut voor Vertalers en Tolken te Gent, waar ik werk, bouwen we aan een samenwerking met het Hoger Instituut voor Paramedische Beroepen, afdeling logopedie, Gent.
Vorig academiejaar gaf een team docenten logopedie onze studenten tolk deskundig advies over hun stem- en spraakproblemen. Dit jaar worden onze eerstejaarsstudenten door derdejaars logo getest. Dat gebeurt tijdens de stagedagen van de studenten. Stagebegeleiders zijn aanwezig. Wij vragen daardoor aandacht voor stemhygiëne en willen de deficiënties zo snel mogelijk opsporen. Zo kunnen onze studenten, gewapend met deskundig advies, beslissen of en hoe ze zich logopedisch laten begeleiden. De beoordeling van hun uitspraak in enge zin en de oefeningen blijven in handen van de taalbeheerser. Op die wijze wordt de band tussen de spreektechnische en de pragmatische aspecten van mondelinge communicatie bij de beoordeling verzekerd. (Dat is tenminste de bedoeling).
Een belangrijke taak van de leraar bestaat erin de relatie tussen spreektechnische verschijnselen en taalwerkelijkheid aan te wijzen, te (laten) observeren. Een voorbeeld. Dat je je stemvolume aanpast aan de ruimte waarin je spreekt is evident. Analyseren hoe een vrijwillige inbreuk op deze regel de (taal)werkelijkheid beïnvloedt, leidt tot een beter inzicht in de relatie tussen spreektechniek en werkelijkheid.
Op dit terrein kan de logopedist van de taalbeschouwer heel wat opsteken. Inzicht verwerven in de functie van taal en oefenen in diverse taalgebruiksituaties lijken me noodzakelijke onderdelen van het spreekonderwijs.
En op die manier is de cirkel rond. Zelfs zeer technische aspecten van het spreken hebben recht op een geïntegreerde aanpak. Als taalbeheersers daar geen oor naar hebben is dat hun zaak. Maar ze hebben ongelijk. Vooral als ze zich alleen maar ergeren.
Myriam Ros, Guldensporenstraat 7, 9000 Gent.
|
(1)Hymes onderscheidt 16 variabelen die de communicatiesituatie bepalen, zie APPEL e.a., Sociolinguistiek, Urtrecht/Antwerpen, Uitgeverij Het Spectrum, 1981 (4), p. 43
(2)Kijk geregeld in Levende Talen, daar vind je vaak een en ander over de evaluatie van discussievaardigheid.
(3)Ik werk als assistente mondelinge taalvaardigheid in de vakgroep Nederlands van het Hoger Instituut voor Vertalers en Tolken, Brusselsepoortstraat 93, te Gent.
(4)FRATERS, F., Zo spreek je Nederlands, Lier, Uitgeverij Van In, 1981, (2 cassettes + tekstboek).
(5)Om je bewust te worden van wat stem- en spraakverzorging in kan houden, zie DINGER, T. e.a., Expressiever en gemakkelijker spreken, Muiderberg, Coutinho, 1982.
|
|