|
|
|
| |
| | | |
Psychomotorische ontwikkeling, bewegingsintegratie en taalverwerving bij het jonge kind
Annie Lamon
Het jonge kind in volle ontwikkelingsfase komt door zijn natuurlijke bewegingsdrang tot bewustwording van zijn eigen lichaam, zijn ruimtelijk oriënteringsvermogen en tijdsbeleving. Omgevingsfactoren (huis, tuin, school, ...) spelen een rol in de motorische zowel als de psychomotorische ontwikkeling. Inderdaad, via het handelen komt de kleuter niet alleen tot een betere en aangepaste motoriek, maar ook tot een op ervaring gebaseerde verbale en mentale ontwikkeling.
Benaderen we het motorisch gedrag in verband met de cognitieve ontwikkeling, dan dient de nadruk te worden gelegd op de structurele aspecten van het gedrag. Via de opvattingen van Schmidt (1975) is het duidelijk dat bepaalde schema's beschouwd worden als de bouwstenen van de cognitie (Rumelhart, 1978). Zij vormen de neergeslagen, vastgelegde kennis afkomstig uit ervaring, het zijn de regels die het cognitieve, sociale, motorische gedrag bepalen. In het motorische gedrag komen talloze bewegingssequenties voor die gekenmerkt worden door een strikt georganiseerd bewegingspatroon (Van Rossum, 1982).
| |
Lichaam, ruimte en tijd
Uit deze informatie kunnen wij veronderstellen dat structurele elementen die aan bod komen in de bewegingsvorming bij het kind, ook een invloed zullen hebben op zijn cognitieve ontwikkeling. Volgens Claes & Rigaux komt het kind tot zijn ruimtevoorstelling door het intellectueel construeren van toestanden, richtlijnen, afstanden, verhoudingen, bewegingen, omgeving, reliëf... Dit voorstellingsvermogen moet progressief opgebouwd worden door middel van aangepaste ervaringen van de kleuter. Gezien de geleidelijkheid waarmee de lichaams- en ruimteperceptie ontwikkelt, werd een beroep gedaan op de vormingskubus van De Block (1975) om de hierna voorgestelde
| | | | structuur van oefenstof te behandelen.
Als eerste onderdeel is er de kennis van lichaam en lichaamsdelen, vervolgens het inzien van lichaamshoudingen en -bewegingen en van ruimtebegrippen. Wanneer een degelijk inzicht in sommige begrippen is ontstaan, kunnen deze toegepast worden in allerlei situaties. Een verdere stap in de perceptie van de kleuter is dan het structureren van de ruimte, gezien als oriëntatie en lateralisatie van de ruimte.
Het spreekt vanzelf dat, naast de lichaamsen ruimteperceptie ook de tijdsstructuratie dient opgebouwd te worden. De tijd is een abstract begrip en alsdusdanig moeilijk te verwerven voor het kleine kind. De tijdsorganisatie omvat begrippen zoals gelijktijdigheid, enkelvoudigheid (dissociatievermogen), duur, snelheid, regelmaat, klankkwaliteit (toonhoogte, intensiteit, kleur, ...).
Verder is de tijdsstructuratie het vermogen zichzelf te kunnen situeren in functie van de opeenvolging van gebeurtenissen (voor, tijdens, na), de duur van intervals (een uur, een minuut, versnelling, vertraging), de cyclische hervatting van bepaalde perioden (werkdagen, maanden), de irreversibiliteit van de tijd (veroudering, voorbij gegaan).
Door het verwoorden en benoemen van de voorwerpen en handelingen komt de kleuter tot de gepaste begripsvorming. Bijzondere aandacht moet worden besteed aan de wijze waarop een opdracht gegeven wordt en het door het kind zelf laten verwoorden van de gedane activiteit. De kleuter moet de gelegenheid krijgen tot spreken en becommentariëren. Op deze wijze kan een bijdrage worden geleverd tot het leren van de taal tijdens het bewegingsonderwijs.
| |
Bewegingsintegratie
In het bewegingsonderwijs wordt het aspect bewegingsintegratie als bijzondere doelstelling belicht. In de praktijk zijn vele scholen sterk intellectualistisch en prestatiegericht. Bewegingsonderwijs voor de kleuter en het jonge schoolkind wordt vaak stiefmoederlijk behandeld. Bewegingsintegratie zien wij als een brug tussen de motorische en de cognitieve vorming.
Bewegingsintegratie betekent bewegend leren, beweging integreren in de cognitieve vorming. Het kind ervaart met zijn lichaam (lichaamsbesef) en in de ruimte (ruimtestructuratie) wat vooraf als cognitief element in de klas werd aangeleerd. Hoeveelheden, maten, gewichten, woorddelen, lettergrepen, verzamelingen... krijgen een juiste dimensie, worden beter geïntegreerd en begrepen.
In een tijd van hoge technologie, ook in de wereld van het kind - denken wij maar aan televisie, rekenmachines en computers - is b.v. ‘het kennen van de ware grootte van de dingen’ een nieuwe noodzaak geworden. Straatspelen zijn verdwenen en de mooie bloemen in de tuin zijn prioritair t.o.v. het balspel van het kind in het gezin.
Het is duidelijk dat het hier niet gaat om vervangingselementen voor de L.O.-les, maar om een toevoeging aan de algemene vorming. Wij dienen in te spelen op de reële noden van het kind, m.n. de bewegingsdrang enerzijds en de psychomotorische vorming, het ervaren met het lichaam van wat moet geïnterioriseerd worden anderzijds. Dat laatste wordt dikwijls onderschat in de algemene vorming maar wel als therapie gebruikt vanaf het ogenblik dat kleine leerstoornissen optreden. Ik pleit voor meer aandacht voor de psychomotoriek in de hele basisschool, naast de les L.O. waar het ‘leren bewegen’ het onderwerp en de doelstelling van de activiteit uitmaakt.
| | | |
Bewegingsintegratie staat voor een onderwijsmethode die kiest voor een actieve school, d.w.z. een school waarbij naast het bewegingsonderricht, de beweging ook in andere vormen van leren aan bod komt. Noodzakelijke kwaliteiten als aandacht, voorstellingsvermogen, inhibitie, samenwerking, creativiteit... komen onder andere vormen naar voor. Zo ontstaat een bewustzijnsverruiming bij het jonge schoolkind en een meer volledig opvoedingsproces. Door het concreet karakter van de bewegingsactiviteit wordt ook het abstraheringsproces bevorderd.
Verder dient hier nog gepreciseerd dat de beweging van het denkproces enerzijds een essentiële functie kan hebben (b.v. bij het verwerven van lichaamsbegrippen, de lateralisatievorming) en anderzijds een ondersteunende functie heeft (b.v. bij het inzicht krijgen in de hefboomwerking). Bewegen kan ook motiverend of illustrerend zijn (b.v. het afstappen van een driehoek).
| |
Bewegingsonderwijs in de praktijk
Het bewegingsonderwijs in de kleuterklas en de 1ste graad betreft de psychomotorische ontwikkeling van het kind van 3 tot 7 jaar. In de algemene doelstellingen staat het kind en de ontwikkeling van zijn lichaamsperceptie, ruimte- en tijdsperceptie centraal.
| |
De ontwikkeling van de lichaamsperceptie
Doel: kennis van lichaam en lichaamsdelen door gewaar worden, tonen en verwoorden van lichaamsdelen
| - | oefeningen met tactiele gewaarwordingen d.m.v. aanraking met de hand, pittenzakje, het tonen op de pop, het leggen van een ‘mensenpuzzel’ en het tekenen van een ander kind; |
| - | het herkennen en nabootsen van houdingen en bewegingen van dieren; |
| - | het strekken en buigen van lichaam en lichaamsdelen; aannemen van armhoudingen, verwoorden van de houding; |
| - | V-houding met ellebogensteun; |
| - | oefeningen om eigen dominantie te bepalen. |
Doel: inzien van lichaamshoudingen en - bewegingen
oefeningen met evenwichtselementen (b.v. staan op één been, op de tenen staan, gaan tussen 2 lijnen (20 cm), gaan over omgekeerde zweedse bank, gaan over blokjes, met zakje op het hoofd, e.d.)
Doel: bewegingsintegratie
| - | taal in houdingen en bewegingen |
| - | oefeningen met verkleinwoorden die uitgebeeld worden:
| * | maak je groot als een ‘reus’ |
| * | maak je klein als een ‘kabouter’ |
|
Tegelijk wordt de aandacht getrokken op het kleine woord ‘reus’ dat een groot begrip dekt, en het grotere woord ‘kabouter’ dat een klein begrip toont.
Dit geeft ook aanleiding tot verkleinwoorden en meervouden van termen: rij/rijtje/rijen - cirkel/cirkeltje/cirkels - kring/kringetje/kringen - groep/groepje/groepen.
Hierbij komt objectivatie van de taal als een ander element aan bod:
1) op woordniveau:
b.v. woorden in een zin stappen met lettergrepen zeggen; lange woorden en korte woorden: kip/kuiken - caravan/trein.
2) op zinsniveau:
b.v. woorden stappen, klappen, springen hinkspelen:
de
fles
kar ne melk
(lang woord is lang vlak)
staat
on der
in
de
koel kast
| | | |
Dit is tegelijk een oefening die ruimtestructuratie aanbrengt bij het thema bewegingsintegratie in het bewegingsonderwijs.
Doel: toepassen van motorische vaardigheden
algemene dynamische coördinatie: oefeningen zoals springen, trekken, kruipen, dragen, klauteren, hangen, kimmen, rollen,... kunnen apart of in omloop uitgevoerd worden.
Doel: taal - woordenschat en doewoorden rond thema
| - | b.v. gaan, slenteren, kuieren, marcheren |
| - | met verleden tijd invoeren: ik ging, ik kuierde, ik slenterde,... |
| - | verder naar: lopen, rennen, versnellen, vertragen, spurten, sprinten, vallen, struikelen met gepaste verleden tijd |
Doel: structureren en aflezen van complexe houdingen en bewegingen
| - | oefeningen met symmetrische en asymmetrische houdingen nabootsen en met correct taalgebruik verwoorden; |
| - | bewustwording en aandacht bevorderen door kinderen te laten tekenen en/of boetseren van lesmomenten. |
Doel: taal - prentlezen met pictogrammen
| - | b.v. ‘plaatjes worden praatjes’, uitbeelden en individueel verwoorden van situaties en begrippen getoond op prent; |
| - | beschrijven van een te volgen weg, dit geeft ook aanleiding tot ontwikkeling van voorstellingsvermogen en ruimtestructuratie. |
| |
De ontwikkeling van de ruimteperceptie
Doel: inzien van ruimtebegrippen
| - | positiebegrippen: achter en voor, op en onder, binnen en buiten, hier, daar en bij, in het midden, in de hoek, tussen en tegen, naast, voorin, achterin, middenin, deze kant, de overkant, linkerhand, rechtervoet, vooraan en achteraan; |
| - | richtingsbegrippen: over en onder, tussen en omheen, vooruit en achteruit, omhoog en omlaag, op en af, heen en terug, boven en beneden, recht en schuin, links en rechts; |
| - | afstandsbegrippen: dichtbij (dichtst), even dicht en even ver, hoger en lager. |
| - | volumebegrippen: veel of weinig, groot tot grootst en klein tot kleinst, smal en breed, dik en dun, recht en krom, rond en hoekig. |
Het uitvoeren en verwoorden van al deze voorgaande begrippen geeft een rijkdom in de ontwikkeling van de taal.
Doel: toepassen van ruimtebegrippen b.v. uitvoeren van beweging in
| - | de vorm van golven: door, door- en omheen in behendigheid; vooruit en achteruit in evenwicht; omhoog en omlaag, naar boven, naar onder en naar beneden in behendigheid en durf; |
| - | omloop- en in ateliervorm: op en af, over en onder, in en uit, enz. |
| - | spelvorm: voor het ontwikkelen van socio-affectieve elementen bij het kind. |
Doel: taal - het zoeken naar tegenstellingen
b.v. recht en krom; stijf en slap; in en uit; enz.
| - | het in volgorde van grootte zetten; |
| - | woordenschatverruiming, b.v. wat kan je doen met de bal? werpen over, onder, tussen de lijnen, buiten de cirkel, ... |
Doel: structureren van ruimtebegrippen
a) Oriëntering in de ruimte:
| - | door namaken van constructies; |
| - | door gebruik te maken van het visueel geheugen bij het namaken voor vamen; |
| - | door middel van het zoeken van herkenningspunten om een bepaalde positie terug te vinden; |
| - | door het visueel geheugen aan de hand van een voorgelopen traject; |
| | | |
| - | richting juist leren herkennen en reproduceren; |
| - | richtingen leren combineren tot een traject aan de hand van pijlen en transponeren op een andere gelijkaardige structuur. |
b) Lateralisatie:
| - | leren kennen van rechter- en linkerkant van een voorwerp ten opzichte van de eigen positie door middel van associatie met kleuren; |
| - | transfereren van begrippen links en rechts in het horizontale en het verticale vlak. |
c) Afstand schatten:
Precisie bij het werpen van voorwerpen (ballen, pittenzakjes, blokjes, ...) horizontaal en verticaal:
| - | ontwikkelen van de oog-handcoördinatie bij het werpen en vangen met ballen; |
| - | ruimte-tijdsperceptie en oog-handcoördinatie; |
| - | inschatten van afstand van bewegend voorwerp. |
| |
De ontwikkeling van de tijdsperceptie
Doel: tijdsperceptie, -structuratie
| - | inzien van begrippen van volgorde en opeenvolging, voor, na, eerst, laatst, gisteren, vandaag, morgen, volgorde van evenementen (gezien, gehoord); |
| - | inzien van begrippen van interval, lange en korte tijd, het uur, te vroeg, te laat; |
| - | inzien van cyclische opeenvolging van perioden, voormiddag, avond, seizoenen, gegeven ritme beluisteren en weergeven, vragen beantwoorden met wanneer, opeenvolging dagen. |
Doel: aanvoelen van ritme
| - | associatie van bewegingen en lichaamsritme; |
| - | oefeningen met natuurlijke, gewone bewegingen; |
| - | oefeningen met geluiden en klanken:
| * | visuele, auditieve en motorische associatie; |
| * | luisteren en de bron van de klank identificeren; |
| * | akoestische waarneming: aard van de verschillende klanken onderscheiden, toonhoogte en toonsoort herkennen, met de eigen stem spelen en volumes uitbrengen. |
|
Doel: spelvormen georiënteerd naar ritmische bewegingen, geluiden en klanken
Doel: taal - ontwikkelen van de luistervaardigheid
b.v. onderscheiden van klanken en letters:
| - | spelletjes als: ik zie in de zaal een ding dat begint met een I (lamp), s (stoel), t (tafel), m (mat); telkens de opdracht uitvoeren zoals: rol, kaats de bal naar het ding dat begint met een t, een s, ... |
| - | vrij rondlopen in de zaal op ritme van de handtrom; bij het horen van een s zet je je in een bepaalde houding of doe een bepaalde beweging; |
| - | in de ruimte liggen verschillende hoepels met een bepaalde letter; kinderen lopen op maat er tussen; op signaal noemt de leerkracht een letter of zegt een woord met die letter; kleuters gaan in overeenkomstige hoepel staan. |
Doel: eerste bewustwording van ritme en muziek, progressieve beheersing van de beweging, intuïtie van muzikale structuren, ontwikkeling van de motorische creativiteit.
Hierbij dient tenslotte opgemerkt dat de bewegingsvreugde van kapitaal belang is, opdat de kleuters met plezier en zonder faalangst de ruimte rondom zich zouden exploreren en beleven.
Annie Lamon
VUB-HILOK
Pleinlaan 2
1050 Brussel
| |
| | | |
Bibliografie
| Claes S. & H. Rigaux: Levende didaktiek. Kleuterinitiatie in vorm en maat. Kapellen: De Sikkel. |
|
| De Block A.: Taxonomie van leerdoelen. Antwerpen: De Standaard, 1975. |
|
| Rumelhart D.E.: The building blocks of cognition. In: Spiro R. & W. Brewer (Eds.): Theoretical issues in reading comprehension. Hillsdale, N.Y.: Erlbaum, 1978. |
|
| Schmidt R.: A schema theory of discrete motor skill learning. In: Van Rossum J.H.A.: Motorisch gedrag en ontwikkeling. Nijmegen: Dekker & van de Vegt, 1975. |
|
| Van Rossum J.H.A.: Motorisch gedrag en ontwikkeling. Nijmegen: Dekker & van de Vegt, 1982, p.48. |
|
|
|