Voortgang. Jaargang 22


auteur: [tijdschrift] Voortgang


bron: Voortgang. Jaargang 22. Stichting Neerlandistiek VU, Amsterdam / Nodus Publikationen, Münster 2004


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 129]

Adriaan Kluit (1735-1807) als lexicograaf Igor van de Bilt

Abstract - In the annual meeting of 1769 the Maatschappij voor Nederlandsche letterkunde (Society of Dutch literature) decided to make a Algemeen, omschryvend woordenboek der Nederlandsche tale (General descriptive dictionary of the Dutch language). The historian and linguist Adriaan Kluit (1735-1807) contributed to the set up and execution of this dictionary and the collection of the material for it. Naturally the dictionary would have a very codifying and so normative effect but the lexicon Kluit was thinking of was merely descriptive. His method is strictly empirical. He wanted nothing more or less than collect the entire vocabulary, from as many sources as possible, from the whole linguistic area, from present and past; because of the latter Kluit's dictionary also gets a museological character. Eventually this ambitious set up proved to be aimed too high.

0. Preliminair

Wie van plan is om zich te verdiepen in de geschiedenis van de taalkunde van de tweede helft van de achttiende eeuw, kan zich om twee redenen nauwelijks verlaten op literatuur die neerlandici over dit tijdvak hebben geschreven. De eerste reden is dat er gewoon weinig voorhanden is. Zeker als we vergelijken met de zeventiende en de negentiende eeuw kunnen we constateren dat er sprake is van een stiefmoederlijke behandeling: er is over de taalkunde in deze periode nog maar weinig geschreven. Een groot gemis lijkt dat overigens niet. Taalkundigen als C.G.N. de Vooys en R.A. Kollewijn schetsten immers het beeld van een tijd die we taalkundig maar beter konden mijden en in die paar studies die er zijn wordt dat beeld meestal bevestigd: de taalkunde uit die periode is dor, droog, onverkwikkelijk muggenzifterig en bestaat hoofdzakelijk uit eindeloos gekijf van goedwillende dilettanten over kunstmatige taalonderscheidinkjes. Incidenteel viel er nog wel een oproep tot nuancering te beluisteren (cf. bijvoorbeeld De Buck 1952: 31-32), maar het vernietigende oordeel van De Vooys en Kollewijn was afschrikwekkend genoeg om de tweede helft van de achttiende eeuw in de taalkundig-historiografische ban te doen.

Het beste wat we van dat oordeel echter kunnen zeggen, is dat het wat snel geveld is, en daarom eenzijdig; dat is de tweede reden. Van een onderbouwd zicht op de taalkundige activiteiten tussen ruwweg 1750 en 1800 is namelijk in de verste verte nog geen sprake; aan een uitspraak over de taalkunde uit dit tijdvak zijn we nog lang niet toe, en dat was in de tijd van De Vooys niet anders. Detailstudies naar de taalkundige opvattingen uit deze periode zijn er bij mijn weten niet. De grammatica's zijn nog vrijwel niet bestudeerd, de taalkundige opvattingen van de mannen die het tijdperk vorm gaven onbekend. Het taalkundig werk van geleerden als Frans van Lelyveld (1740-1785), Meinard Tyde-

[p. 130]

man (1741-1825), Herman Tollius (1742-1822) en Hendrik Kreet (1739-1804) wacht nog steeds op onderzoek, en dat is nog maar het topje van de ijsberg. Voor wie zich wil verdiepen in de taalkunde van de tweede helft van de achttiende eeuw, is er veel te doen.

Adriaan Kluit was een van de geleerden die zich in deze periode nadrukkelijk met de taalkunde heeft beziggehouden. In deze bijdrage staan zijn activiteiten ten behoeve van het woordenboek van de Maatschappij der Nederlandsche letterkunde centraal. Eerder heb ik aandacht besteed aan zijn opvattingen over spelling en genus (Van de Bilt 2000; 2001). Een biografische schets van Kluit is te vinden in Van de Bilt 2000.

1. Inleiding

In oorsprong dienden woordenboeken vooral een educatief doel: ze moesten leerlingen in staat stellen om een vreemde taal te leren - tot in de zestiende eeuw vrijwel uitsluitend het Latijn - en ze waren in de eerste plaats dan ook bedoeld als hulpmiddel bij het vertalen in of uit die vreemde taal. In het Nederlandse taalgebied verschijnen tot in de achttiende eeuw eigenlijk alleen vertaalwoordenboeken. In de loop van de tijd kwamen er natuurlijk ook wel woordenboeken op de markt met uitsluitend Nederlandse woorden of woordenboeken die expliciet (veel) meer willen bieden dan equivalenten in een andere taal. Bekende voorbeelden hiervan zijn Meijers Nederlandtsche Woorden-Schat (1654), hoewel ook dit woordenboek een vertaalfunctie heeft en bastaardwoorden wil vervangen door zuiver Nederlandse, en Kiliaans beroemde Etymologicum (15993), dat ook een verklarend en wetenschappelijk-inventariserend karakter heeft. Maar in hoofdzaak dienden de lexicografische producten toch vooral als hulpmiddel bij het aanleren en gebruiken van vreemde talen.

In de tweede helft van de achttiende eeuw lijkt daar verandering in te gaan komen. Dan klinkt, vooral in de kringen van de letterkundige genootschappen, steeds luider de roep om een omschrijvend woordenboek van het Nederlands. De onzekerheid over de eigen taal is in de jaren vijftig en zestig van de achttiende eeuw nog steeds erg groot, zeker bij geschoolde personen, en niet voor niets is standaardisering en reglementering van de moedertaal een onderwerp dat in de genootschappen nadrukkelijk aan de orde wordt gesteld. De behoefte aan beschrijving van woorden en woordbetekenissen wordt duidelijk gevoeld en met enige afgunst wordt gekeken naar landen waar de eigen woordenschat wel is vastgelegd. Niet zonder reden is men de mening toegedaan, dat van een gezaghebbend woordenboek een sterk codificerende werking uitgaat en het is daarom ook niet zo verwonderlijk, dat al in het derde jaar van het bestaan van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde het plan om een Algemeen, omschryvend woordenboek der Nederlandsche tale te vervaardigen aan de orde kwam. Om het ten uitvoer te brengen hebben vooraanstaande leden van de Maatschappij

[p. 131]

zich de nodige inspanningen getroost; de moeizame geschiedenis van het project dat zo teleurstellend verzandde, is op diverse plaatsen beschreven, het meest uitgebreid in Bergman (1850) en Kossmann (1966:144-152; 158-163).

Adriaan Kluit was een van die vooraanstaande leden die zich beijverden voor het Woordenboek. Kluit heeft zich nadrukkelijk bemoeid met de opzet ervan en een bijdrage geleverd aan het verzamelen van het benodigde materiaal. Zijn werkzaamheden voor het ‘grote trotse hoofdwerk’ van de Maatschappij (Kossmann 1966:161) worden beschreven in de volgende bijdrage. Achtereenvolgens passeren zijn bemoeienissen met de opzet, de uitwerking en de materiaalverzameling de revue. Maar eerst komt kort de geschiedenis van het Woordenboek aan de orde.

2. Tussen droom en daad

2.1. Inleiding

Goede Woordenboeken hebben wy niet’, klaagde de Zeeuwse dichter-predikant Josua van Iperen (1726-1781) in de Maendelijksche By-dragen ten opbouw van Neerland's Tael- en Dichtkunde van september 1762. We beschikken weliswaar over het woordenboek van Kiliaan, maar ‘het Hedendaagsch Gebruik der Woorden is 'er niet in te vinden.’ En af en toe hebben een paar dichters zich ingezet om de taal te zuiveren, maar dat betekende alleen maar dat taalgebruik werd afgekeurd als het in Holland onbekend was. Bovendien was de taalkennis van die ‘Nieuwerwetsche Taalzifters’ te gering om een juist oordeel mogelijk te maken. Meer dan eens hebben ‘Geleerde en Verstandige Lieden’ aan Van Iperen gevraagd of hij niet een ‘Nederduitsch Omschryvend Woordenboek’ zou willen samenstellen, maar zo'n taak is veel te omvangrijk voor één man. En hoewel iedereen de noodzaak van een Nederlands woordenboek onderschrijft, is de animo om daadwerkelijk een bijdrage te leveren maar klein: ‘'k Heb een en andermaal dezen en genen aangesproken, om 'er my in by te springen. Vruchteloos! Elk ziet op tegen den arbeid, en wanhoopt aan de uitkoomste’ (Van Iperen 1762a: 510-512). Dat die laatste bedenking niet ongegrond is, zal uit het vervolg wel blijken. Hoe het ook zij, het wil met het woordenboek van Van Iperen niet zo lukken, en hij stelt voor om een genootschap op te richten. Voordat het zover is, kunnen taalliefhebbers hun tijd alvast nuttig besteden en Van Iperen roept hen op om woordenlijsten op te stellen; voor de opzet daarvan geeft hij enkele aanwijzingen. In de volgende aflevering van de By-dragen laat Van Iperen in een ‘Schetze van woorden-scharinge en zin-bepalinge’ zien hoe het woordenboek opgebouwd zou kunnen worden (Van Iperen 1762b). Een maand later al krijgt hij commentaar op zijn voorstellen. Herman Tollius schrijft een bijdrage, ondertekend met H.v.B. (Herman van Breda), waarin hij onder andere wijst op een aantal tekortkomingen in de aanpak van Van Iperen. Zo constateert hij, dat

[p. 132]

Van Iperen geen voorzetsels bespreekt en met een aantal uitgewerkte voorbeelden geeft hij vervolgens aan hoe die dan wel beschreven zouden kunnen worden.

De problemen waarmee de makers van het Woordenboek geconfronteerd werden, zijn dezelfde als die waarvoor Van Iperen zich gesteld zag: eerst moest men het eens zien te worden over doel en opzet en daarna moest het immense karwei worden uitgevoerd. Maar in 1769, het jaar waarin de Arnhemse dichterpredikant Ahasverus van den Berg (1732-1807) de Maatschappij opriep om een Nederlands woordenboek samen te stellen, waren de omstandigheden duidelijk beter dan in 1762. De behoefte aan een woordenboek dat de taalgebruiker in staat moest stellen om zijn taal ‘zuiver, regelmatig, en met een rijkheid van gepaste woorden, te spreken en te schryven’ (Beredeneerd Plan 1773: 2) was zeven jaar na Van Iperens oproep onveranderd groot, maar het genootschap dat de Zeeuwse predikant wilde oprichten om zo'n woordenboek te maken was er inmiddels: de Maatschappij der Nederlandse letterkunde. De Maatschappij was een landelijk genootschap waarin de krachten van verschillende letterkundige genootschappen werden gebundeld. In 1769 telde ze al 75 leden (Singeling 1991:70) en hoewel natuurlijk lang niet iedereen even actief was, overheerste de optimistische gedachte, dat ook bij het samenstellen van een woordenboek vele handen licht werk maakten. En aan goede bedoelingen ontbrak het niet. Enthousiast zegden de leden hun medewerking toe en in de Handelingen van 1774 kon een indrukwekkende reeks van werken worden opgesomd die ze beloofden te excerperen.

Maar eerst moest men het dus eens worden over doel en opzet van het Woordenboek. En daar openbaarde zich al snel een praktisch probleem waarmee men te maken kreeg: de voorstellen moesten steeds door alle betrokkenen worden becommentarieerd en daardoor duurde het erg lang voordat er beslissingen werden genomen. Nadat Van den Berg zijn oproep had gedaan, in 1769 dus, werd de predikant Pieter van den Bosch (ca. 1735-1787) belast met het maken van een ontwerp voor het Woordenboek. Van den Bosch was daar in 1771 mee klaar. Vervolgens moest zijn werk becommentarieerd worden door alle Leidse leden van de Maatschappij en door gecommitteerden van buiten Leiden. Weliswaar mocht ieder het werk hoogstens drie dagen bij zich houden,1 maar toch duurde het nog tot 1773 voor het ontwerp van Van den Bosch kon worden verwerkt in het Beredeneerd Plan tot het vervaerdigen van een algemeen, omschryvend woordenboek der Nederlandsche tale.2 En toen dat Beredeneerd Plan er dan eindelijk was, werd het onmiddellijk al weer aangevuld en toegelicht met Aenmerkingen, van onder anderen Kluit en Tollius. Met instemming van Kluit besloot de Maandelijkse Vergadering maar om de nagezonden opmerkingen achter het Beredeneerd Plan te voegen en aan de leden te sturen.3 Op deze manier was de Maatschappij natuurlijk heel lang bezig om vast te stellen hoe het Woordenboek er nu eigenlijk uit moest gaan zien. Nog in 1789 was niet precies duidelijk hoe

[p. 133]

het Woordenboek moest worden samengesteld en nam Nicolaas Hinlópen (1724-1792) het op zich om een voorstel formuleren. Zijn Ontwerp was gereed in 1791.

Het bijeenbrengen van het benodigde materiaal was een ander probleem waar de Maatschappij zich voor gesteld zag. Want ondertussen moest natuurlijk ook het materiaal voor het Woordenboek worden verzameld, en verwerkt. Dat bleek niet eenvoudig. Het gebrek aan inzendingen is een Leitmotiv in de Handelingen en hoewel een relatief behoorlijk aantal leden nog wel een bijdrage leverde aan het Woordenboek, was het aantal ingeleverde excerpten toch veel minder groot dan verwacht en gehoopt. In 1785 moest de Maatschappij dan ook spijtig vaststellen, dat de verzameling woorden nog zeer onvolledig was. Maar wat belangrijker is: de Maatschappij leek met het toegezonden materiaal ook niet goed raad te weten. Wat er precies in een lemma moest komen te staan, welke woorden moesten worden opgenomen, welke spelling moest worden gebezigd en wie al het werk nu eigenlijk moest uitvoeren, over dat soort zaken bestond lang geen overeenstemming. De Maatschappij kocht een kast en nam afschrijvers in dienst, maar over de manier waarop de woorden moesten worden bewerkt bestond zoveel onduidelijkheid dat, zoals eerder vermeld, nog in 1791 een nieuw Ontwerp nodig bleek. Het zou een laatste stuiptrekking zijn en in 1794 werden de werkzaamheden aan het Woordenboek de facto gestaakt. Het was voor de Maatschappij een kleine troost, dat het verzamelde materiaal niet verloren ging: in 1796 kreeg Pieter Weiland (1754-1842) toestemming om er gebruik van te maken ten behoeve van het Nederduitsch Taalkundig Woordenboek (1799-1811); uiteindelijk kwam het terecht bij de redactie van het Woordenboek der Nederlandsche Taal.

In de volgende paragrafen worden eerst de publicaties die betrekking hebben op het Woordenboek in chronologische volgorde globaal besproken. Daarna komt de inbreng van Kluit aan de orde.

2.2. Het Algemeen, omschryvend woordenboek der Nederlandsche tale: chronologisch overzicht

Hiervoor is besproken dat Ahasverus van den Berg in 1769 de Maatschappij opriep om zich te beijveren voor ‘het toereden van een volkomen omschryvend Nederduitsch Woordenboek’.4 Het project was te omvangrijk om door één persoon te kunnen worden uitgevoerd en Van den Berg stelde daarom voor om alle leden van de Maatschappij te vragen om een bijdrage te leveren. Zijn voorstel viel in goede aarde en drie leden - Frans van Lelyveld, Jan Kornelis Valk (?-1796) en Pieter van den Bosch (ca. 1735-1787) - kregen de opdracht om te onderzoeken hoe de hele onderneming aangepakt zou moeten worden. Zij waren van mening, dat er in hoofdlijnen eerst een aantal zaken geregeld moest worden, voordat de leden konden worden opgeroepen om mee te werken. Die zouden immers toch moeten weten wat er van hen verwacht werd en hoe ze te

[p. 134]

werk moesten gaan. Pieter van den Bosch nam het opstellen van een ontwerp op zich.

Van den Bosch leverde zijn ontwerp in op de maandelijkse vergadering van juli 1771. Het werd vervolgens toegezonden aan de Leidse leden van de Maatschappij en ‘eenige daer toe gekommiteerde Leden buiten Leyden’ (Beredeneerd Plan 1773:Ar), onder wie Adriaan Kluit, en door hun ‘aenmerkingen en bedenkingen’ werd ‘de Maendelijksche Vergadering in staet gesteld om dit beredeneerd Plan optestellen’ (Beredeneerd plan 1773:Ar). Al met al duurde het nog tot 1773 voordat het 14 pagina's tellende Beredeneerd Plan tot het vervaerdigen van een algemeen omschryvend woordenboek der Nederlandsche tale5 kon worden gedrukt, met als bijlage een 2 pagina's omvattende ‘Proeve van het woord VAREN’.

Achter dit Beredeneerd Plan zijn 23 pagina's Byvoegsels en Aenmerkingen gevoegd en dat wordt uitvoerig verantwoord:

Toen het beredeneerd plan tot het vervaerdigen van een algemeen, omschryvend Woordenboek der Nederlandsche Tale genoegzaem was afgedrukt, zag de Maetschappy zich op eene aengename wyze verrast door een geschrift van den Heer A. KLUIT, ten titel voerende: Aanmerkingen op het maken van een Woordenboek der Nederduitsche Taal, waarin de woorden uit hun oorspronglijk afgeleid, en met voorbeelden uit de beste Schryvers in hunne verschillende beteekenissen opgehelderd worden.
Deze Proeve van Aanmerkingen behaegde der Maetschappye te wel, om dezelve niet onder het oog van alle hare Leden te brengen, zoodat zy het besluit nam om den Heer KLUIT te verzoeken dat hy zyne Bedenkingen in eene orde stellen wilde, waerin zy gevoeglijk als een Byvoegsel op het beredeneerd Plan zouden kunnen dienen. Doch die Heer gaf in eenen Brief, van den 25sten van Sprokkelmaand dezes jaers, der Maendelijksche Vergaderinge te kennen daertoe geene gelegenheid te hebben, en te wenschen ‘dat de Maatschappy, indien zy gebruik van zijn Werk maken wilde, den vorm veranderde, zoo als zy best voeglijk zoude oordeelen, zoo hy slechts voor het drukken het gezicht daarvan hebben mogte.’ In gevolge van dit verzoek hebben wy de Aenmerkingen van den Heer KLUIT met den inhoud van het reeds bekende Plan vergeleken, en alles in zulk eene orde geschikt, als waerin wy meenden dat die Heer het zoude voorgesteld hebben, indien dat plan hem in handen gekomen ware, eer hy zijn Stuk voltooid hadde.6

Die laatste opmerking wekt enige bevreemding: Kluit had zijn Aenmerkingen kennelijk al voltooid voordat hij het conceptplan in handen kreeg, maar hij had datzelfde conceptplan vooraf toch al van commentaar voorzien? En de Maendelijksche Vergadering had dat commentaar toch verwerkt in het Beredeneerd Plan? Uit de overgebleven stukken valt het niet op te maken, omdat zowel Kluits Aenmerkingen als de brief van 25 februari 1773 vooralsnog onvindbaar zijn, maar mogelijk had Kluit zijn op- en aanmerkingen gewoon niet op tijd ingezonden en waren Van Lelyveld, Valk en Van den Bosch al begonnen met

[p. 135]

het drukken van het Plan. In dat geval wordt in het Plan ten onrechte vermeld, dat Kluit het ontwerp van Van den Bosch van commentaar heeft voorzien. Ook is het denkbaar, dat Kluit zijn eerdere aanmerkingen wilde uitwerken, toelichten en aanvullen. Hoe dan ook, in de notulen van de maandelijkse vergadering van 5 februari 1773 wordt melding gemaakt van een brief van Kluit,

dienende ten geleide van eenige aenmerkingen over het toereden van een omschryvend, Nederduitsch Woordenboek, waerby gevoegd waren verscheidene uitgewerkte proeven van woorden op zulk eene wyze als hy oordeelde dat te moeten geschieden.

De secretaris stuurde Kluits werk ter beoordeling aan de Leidse gecommitteerden en die waren van oordeel

dat vermits de aenmerkingen van den Heer Kluit veelal op hetzelfde uitkwamen als die welke in het thans gedrukt wordende beredeneerde Plan gevonden worden, zy van gedachten waren dat het best was deze gezondene aenmerkingen met een afdruksel van het beredeneerd plan aen den Hr. Kluit te zenden met enen brief, waerby men dien Heer zoude verzoeken zyne aenmerkingen, welke veelal in het gedrukte Plan vervat zyn, zodanig te veranderen, dat dezelve tot een aenhangsel op dat plan konden dienen en wanneer de Heer Kluit voor of op de Vergadering van Grasmaand dezelve, dus veranderd der Maetschappye wilde toezenden, men dan die met zynen naem zoude laten drukken en met den Brief van beschryving aen alle de Leden der Maetschappye rondzenden.7

Kluit had geen gelegenheid om zijn Aenmerkingen zo te veranderen, dat ze als aanhangsel aan het Beredeneerd Plan konden worden toegevoegd, en daarom nam Pieter van den Bosch die taak op zich. In de maandelijkse vergadering van 7 mei 1773 meldde deze

dat hy den Heere Kluit het aenhangsel op het beredeneerd Plan had gezonden welke hetzelve aen hem had terug bezorgd met byvoeging dat hy wel mogt lyden, dat hetzelve dus gedrukt, en by de Leden rondgezonden wierd. Dezelve bracht ter tafel ene gedrukte proef van het aenhangsel, welk door de leden werd goedgekeurd.8

Een regelmatig contact tussen de Leidse commissie en Adriaan Kluit lijkt er al met al niet geweest te zijn, waarbij waarschijnlijk het gegeven dat Kluit in Middelburg woonde en werkte een rol speelde. Hoe het ook zij, toen Kluit zijn Aenmerkingen aan de Maatschappij stuurde, was het Beredeneerd Plan al zo goed als gedrukt. Aan Kluits werk werd desondanks zoveel belang gehecht, dat het in de Byvoegsels en Aenmerkingen werd verwerkt en aan het Beredeneerd Plan werd toegevoegd.

Natuurlijk kwam in de jaarvergadering van 13 juli 1773 het Woordenboek uitgebreid aan de orde. Iedereen die iets had bijgedragen aan de totstandkoming

[p. 136]

van het Beredeneerd Plan en de Byvoegsels en Aenmerkingen werd uitvoerig bedankt. Uit beide stukken moest nu een Kort Ontwerp worden afgeleid, dat als leidraad moest dienen voor alle leden die een bijdrage zouden leveren. Kluit was een van de gecommitteerden die door de vergadering benoemd werden om dit ontwerp te maken. Bovendien werd iedereen opgeroepen om excerpten in te leveren ten behoeve van het woordenboek en een flink aantal leden zegde enthousiast zijn medewerking toe. Kluit leverde staande de vergadering uittreksels in en beloofde Lodewijk van Velhems Spiegel Historiael te excerperen (vgl. noot 13).

Het Ontwerp van de Maatschappy der Nederlandsche letterkunde te Leyden, tot het vervaardigen van een algemeen, omschryvend woordenboek der Nederlandsche tale kon een jaar later, in de jaarvergadering van 1774, al aan de leden worden aangeboden. De commissie die dit Ontwerp had gemaakt, kreeg het verzoek om artikel 14 van het Ontwerp uit te werken. In dat artikel stond, dat er ‘een Lijst van Nederduitsche Taalgebruiken’ moest worden gemaakt en de commissie zou die lijst moeten opstellen. In de jaarvergadering van 11 juli 1775 was die lijst er: Taalkundige vragen (...) met drie Bylagen. Deze taalkundige vragen werden aan de leden voorgelegd

opdat men, onder het verzamelen van voorraad voor het Woordenboek, ook bedacht zoude zijn op het verzamelen van de noodige bouwstof, tot het opmaken van eene volledige Grammatica der Nederlandsche Tale.9

De Maatschappij was ambitieus: behalve een woordenboek waarin de hele taalschat werd opgenomen, moest er ook een volledige grammatica van het Nederlands komen. Als de leden van de Maatschappij toch bezig waren om de gekozen boeken te excerperen, dan konden ze tegelijkertijd mooi de ‘Nederduitsche Taalgebruiken’ noteren. Van beide projecten is niet veel terechtgekomen, althans niet onder auspiciën van de Maatschappij.10 Het woordenboek was dan wel met groot enthousiasme ontvangen, maar de voortgang verliep stroef. In 1783 werd er een vaste commissie voor het woordenboek benoemd om de boel weer op gang te brengen - Frans van Lelyveld, Jacob Arnold Clignett (1756-1826) en Jan Steenwinkel (1754-1812) waren de leden daarvan -, maar die had weinig succes. In de jaarvergadering van 1789 werd er weer een commissie ingesteld - Kluit maakte daar deel van uit -, een commissie die zou onderzoeken wat er moest gebeuren om het woordenboek nieuw leven in te blazen. In 1791 geeft ze een Ontwerp tot het opstellen en bewerken van een Nederduitsch omschrijvend Woordenboek in het licht, opgesteld door Nicolaas Hinlópen (1724-17920), maar het resultaat is slechts... een nieuwe commissie. Kluit is daar opnieuw lid van, samen met Hendrik Albert Schultens (1749-1793) en Carolus Boers (1746-1814). Hij houdt onder andere toezicht op het afschrijven van de verzamelde woorden, maar de facto is het woordenboek dan al opgegeven. In

[p. 137]

1796 krijgt Weiland zoals gezegd toestemming om het verzamelde materiaal te gebruiken voor zijn Nederduitsch Taalkundig Woordenboek en daarmee komt er definitief een onvoltooid einde aan het project van de Maatschappij.

3. Adriaan Kluit en het woordenboek

3.1. Inleiding

Hoewel hij niet behoorde tot de kern van de groep die in de Maatschappij het voortouw nam in het Woordenboekproject - de Maatschappij werd bestuurd vanuit Leiden en veel zaken werden in de maandelijkse vergaderingen (van Leidse leden) geregeld -, heeft Adriaan Kluit geprobeerd een substantiële bijdrage te leveren aan die onderneming. In de periode dat de plannen moesten worden uitgewerkt, had Kluit zijn handen vol aan het rectoraat te Middelburg, maar dat weerhield hem er niet van om zich nadrukkelijk bezig te houden met opzet en uitwerking van het Woordenboek en het verzamelen van het benodigde materiaal. In de volgende paragrafen komen deze drie terreinen achtereenvolgens aan de orde: opzet, uitwerking en materiaalverzameling.

3.2. Opzet

3.2.1. Inleiding

Hoe het Woordenboek eruit zou moeten zien, heeft Kluit vooral verwoord in zijn Aanmerkingen op het maken van een Woordenboek der Nederduitsche Taal, waarin de woorden uit hun oorspronglijk afgeleid, en met voorbeelden uit de beste Schryvers in hunne verschillende beteekenissen opgehelderd worden, die hij begin 1773 aan de Maatschappij stuurde (cf. 2.2). In de bibliotheek van de Maatschappij zijn deze Aenmerkingen vooralsnog niet te vinden, maar de opvattingen van Kluit zijn door de maandelijkse vergadering van de Maatschappij op zodanige wijze verwerkt in haar aanvulling op het Beredeneerd Plan, dat Kluit met publicatie ervan instemde. Het lijkt dus gerechtvaardigd om aan te nemen, dat de corresponderende gedeelten in de Byvoegsels en Aenmerkingen op het Beredeneerd Plan inhoudelijk overeenkomen met de Aanmerkingen van Kluit. Om die Aanmerkingen op hun juiste waarde te schatten, moeten ze vergeleken worden met het Beredeneerd Plan. Daarom wordt in de volgende paragraaf (3.2.2.) eerst het Beredeneerd Plan besproken. In paragraaf 3.2.3. komen vervolgens de Byvoegsels en Aenmerkingen aan de orde, afgezet tegen de achtergrond van dat Beredeneerd Plan. De invloed van Kluit op de totstandkoming van het Ontwerp (1774) is het onderwerp van paragraaf 3.2.4. Kluit heeft ook meegewerkt aan de Taalkundige vragen (1775); bespreking daarvan volgt in 3.2.5.

[p. 138]

3.2.2. Het Beredeneerd Plan

In het Beredeneerd Plan dat de maandelijkse vergadering van de Maatschappij de leden in 1773 voorlegde, kwamen vier belangrijke aspecten van het Woordenboek aan de orde. In de eerste plaats moest worden aangegeven wat de Maatschappij met het project beoogde. Uiteraard wilde ze dat het woordenboek een hulpmiddel was om Nederlandstalige geschriften te begrijpen, maar dat was lang niet alles. In het Woordenboek moest ook de hele taalschat worden bijeengebracht om ieder in de gelegenheid te stellen de ‘Tael zuiver, regelmatig, en, met eene rijkheid van gepaste woorden, te spreken en te schryven’ (Beredeneerd Plan 1773: 2). Opvallend is de aandacht voor taalvormen uit andere gewesten dan Holland. Omdat het Hollands steeds meer het toonaangevende voorbeeld wordt, dreigen woordvormen uit andere streken in onbruik te raken, en dat leidt tot verarming van de taal. Een woordenboek waarin een ruime plaats is ingeruimd voor streektalen zou dat kunnen voorkomen. Daarom moeten alle woorden uit het hele Nederlandse taalgebied worden verzameld, uit geschreven en gesproken taal. Bovendien moeten ‘oude woorden’ worden opgenomen in het woordenboek, niet alleen omdat ze onmisbaar zijn om historische teksten te begrijpen, maar vooral omdat ze ‘goed Duitsch zijn, en niet verdienen verloren te raken, maer waerdig zijn om uit de schriften van vorige tyden, of uit de gemeene Lands tael aengenomen te worden’ (Beredeneerd plan 1773:3).

In de tweede plaats moest worden aangegeven aan welke eisen zo'n woordenboek moest voldoen. In het Plan worden er acht opgesomd.

1. De eerste eis vloeit rechtstreeks voort uit het oogmerk. In het woordenboek moeten alle Nederlandse woorden worden opgenomen en dat betekent zoals hiervoor is aangegeven, dat niet alleen woorden die in Holland worden gebruikt een plaats zullen krijgen, maar alle woorden die in de verschillende Nederlandstalige gewesten gesproken en geschreven worden en werden. Woorden die ontleend zijn aan andere talen worden opgenomen als ze ingeburgerd zijn, wat moet blijken uit het gebruik ervan door goede schrijvers. Woorden die het accent niet hebben op het zakelijke deel moeten beschouwd worden als bastaardwoorden en die horen in het woordenboek niet thuis.

2. Afgeleide woorden worden geplaatst bij het woord waarvan ze zijn afgeleid. De woorden worden omschreven en verklaard op hun alfabetische plaats en van daaruit moet worden verwezen naar het wortelwoord.

3. Eerst wordt van elk woord de eigenlijke en oorspronkelijke betekenis gegeven, daarna pas de overdrachtelijke en afgeleide. De verschillende gebruiksmogelijkheden van een woord moeten nauwkeurig worden aangegeven, door een Latijnse vertaling of een omschrijving in het Nederlands. Als er sprake is van betekenisverandering moet beschreven worden via welke tussenstadia de oorspronkelijke betekenis is overgenomen door de huidige. Om de eisen 2 en 3

[p. 139]

te verduidelijken is een ‘Proeve van het woord VAREN’ als bijlage achter het Plan gevoegd.

4. Om afleidingen zichtbaar te maken en betekenissen te verduidelijken, moeten woorden uit oude verwante talen worden opgenomen als er sprake is van overeenkomst in uitspraak of betekenis; uit de contemporaine Europese talen moeten woorden worden opgenomen als ze in uitspraak en betekenis overeenstemmen met Nederlandse.

5. Van elk woord moet worden vermeld tot welke woordsoort het behoort en wat de kenmerken ervan zijn.

6. Als een woord invloed heeft op de verschijningsvorm van een ander woord moet dat worden aangegeven. Vooral op spreekwoorden wordt in dit verband de aandacht gevestigd.

7. Alles moet worden gestaafd met bewijzen en voorbeelden. Om het moment van betekenisverandering te kunnen nagaan, zou elke bewijsplaats gedateerd moeten worden. Bovendien moet worden aangegeven uit welke regio het voorbeeld afkomstig is.

8. Het is noodzakelijk om een eenparige spelling aan te houden. Veel moet daar niet over gezegd worden; vier regels slechts dient men in acht te nemen:

-Verlenging van een klinker wordt aangegeven door verdubbeling van het teken. Voor de rechtvaardiging van dit uitgangspunt wordt een beroep gedaan op het heersende gebruik.11
-Afgeleide woorden krijgen dezelfde slotconsonant als het oorspronkelijk woord, behalve als het om de V en de Z gaat: die worden op het woordeind verscherpt tot F en S.
-Het onderscheid tussen ei en y, e en ee en o en oo moet nauwkeurig in acht worden genomen. Lambert ten Kate heeft afdoende aangetoond dat het onderscheid dat ermee wordt aangegeven een wezenlijk aspect is van het Nederlands.
-Elk woord dient men te spellen volgens zijn oorsprong. Dit etymologisch principe zal weinig problemen opleveren, omdat bij elk woord toch al de afleiding behandeld wordt.

 

Het derde punt dat aan de orde werd gesteld, betrof de bronnen waaruit de woorden gehaald moesten worden. Natuurlijk moesten tal van schriftelijke bronnen geëxcerpeerd worden: woordenboeken, waaronder het tweede deel van Ten Kates Aenleiding (1723), werken van taalkundige aard, oude oorkonden, verordeningen, akten en allerlei andere openbare stukken, en natuurlijk alle belangrijke geschreven of gedrukte teksten die beschikbaar waren.12 Een ontzaglijk groot corpus dus, omdat er ‘naeuwelijks een boek in onze Tael geschreven [is] van het welk men, met zekerheid, van voren, zeggen kan, dat het niet iets tot ons oogmerk zou opleveren’ (Beredeneerd Plan 1773: 6). Bovendien moesten alle woorden uit de kunsten, wetenschappen, ambachten en takken van nijver-

[p. 140]

heid worden verzameld. Daarbij kon men niet volstaan met het noteren van de termen die in geschreven bronnen te vinden waren, maar om de gewenste volledigheid te krijgen was het ook nodig ‘om, by allerlei slag van menschen, navrage te doen, naer alle die byzondere namen welke hun eigen zijn’ (Beredeneerd Plan 1773: 8). En uit ‘de levende volkstael, dat is, de spreektael der burgers en landlieden, en zelfs de straettael’ (Beredeneerd Plan 1773: 8) moesten eveneens de woorden en uitdrukkingen worden opgetekend, en wel uit zoveel mogelijk gewesten. Vooral dialecten uit afgelegen streken verdienden aandacht, omdat daar de taal ‘de minste gelegenheid gehad heeft om verbasterd te worden’ (Beredeneerd Plan 1773: 8). De leden van de Maatschappij moesten er een gewoonte van maken om de woorden die in een bepaalde streek in gebruik waren, te noteren als ze daarvoor de gelegenheid hadden. Want ieder moest zijn steentje bijdragen.

En daarmee was het vierde belangrijke punt onder de aandacht gebracht: hoe moest al dat werk verdeeld worden onder de leden van de Maatschappij? Vooral van de leden die taalkundig geschoold waren, werd een bijdrage verwacht. Zij werden geacht regelmatig excerpten van teksten in te leveren. Maar ook de andere leden moesten meedoen, want het was vooral belangrijk, dat iedereen zou meehelpen: wie in een bepaalde regio woonde, kon woorden uit de streek verzamelen, wie gespecialiseerd was op een bepaald gebied, kon specifieke woorden aanleveren, en wie oude teksten las, moest ze excerperen ten behoeve van het woordenboek, zoals Kluit, die Van Velthems Spiegel Historiael (1315-1316) voor zijn rekening nam.13 Ieder die een bijdrage leverde, zou in een jaarlijks op te stellen verslag met naam en toenaam genoemd worden. En niemand moest aarzelen om de resultaten van zijn arbeid ter beschikking te stellen aan de Maatschappij: met hun medewerking konden ze eer en glorie behalen, en ze zouden met roem vermeld worden als het Woordenboek werd uitgegeven.

3.2.3. Byvoegsels en Aenmerkingen op het Beredeneerd Plan

Niet alleen de opmerkingen van Kluit zijn weergegeven in de Byvoegsels en Aenmerkingen, ook opvattingen van anderen zijn erin opgenomen. Integraal afgedrukt is bijvoorbeeld de brief die Herman Tollius (1742-1822) schreef om zijn mening en die van de Harderwijkse leden Everardus Scheidius (1742-1794), Pieter Bondam (1727-1800) en Johannes Th. Rossijn (1744-1817) onder de aandacht te brengen.

Maar Kluit vormt de hoofdmoot. Om te beginnen wordt een overzicht gegeven van diens Aenmerkingen. Kluit heeft daarin eerst in grote lijnen aangegeven hoe het woordenboek moest worden gemaakt. Met voorbeelden maakt hij vervolgens duidelijk hoe de verschillende betekenissen en het overdrachtelijk gebruik van woorden behandeld moeten worden. Daarna volgt een ‘Proeve

[p. 141]

van een Nederduitsch algemeen Taelkundig Woordenboek’ (Byvoegsels en Aenmerkingen 1773: 2); waarschijnlijk hebben we hier te maken met Kluits Proeve van het woord Boom, waarover later meer. Aan de hand van Vondels Jeptha (1659) demonstreert Kluit dan hoe het werk van een schrijver gelezen moet worden om daaruit een voorbeeld te halen dat het bestaan van een woord aantoont of een bijzonder gebruik laat zien. Tot slot volgen opmerkingen over het aantal werken dat op die manier gelezen moet worden, over oude woorden en dialectwoorden, over homoniemen en over de wijze waarop de voorbeelden moeten worden gerangschikt. In de Byvoegsels en Aenmerkingen worden overigens niet al de onderwerpen die Kluit aansnijdt, genoemd of besproken; als ze grotendeels overeenkomen met wat in het Beredeneerd Plan wordt verwoord, blijft vermelding achterwege. Het werk van Kluit wordt vooral van belang geacht, omdat daarin onderdelen van het Beredeneerd Plan op een bewonderenswaardige manier worden verduidelijkt en uitgewerkt; slechts op een enkel punt wijken de inzichten van Kluit af van het Beredeneerd Plan.

Dat laatste is het geval wat het ordeningsprincipe van het woordenboek betreft; daarin verschilt Kluit van mening met de makers van het Beredeneerd Plan, en dat is meteen ook het enige verschilpunt dat in de Byvoegsels en Aenmerkingen genoemd wordt. In het Plan was wat de ordening betreft gekozen voor een alfabetisch en een etymologisch principe: een afgeleid woord moest worden besproken op zijn alfabetische plaats, maar moest ook worden opgenomen bij het woord waarvan het was afgeleid, waarmee we direct ook over een etymologisch woordenboek zouden beschikken. Kluit kiest voor een uitsluitend alfabetische ordening. Elke afleiding dient immers weer met een voorbeeld te worden bevestigd; als dat lukt wordt het woordenboek veel te dik, als dat niet lukt, heeft het vermelden van de afleiding weinig zin. Tollius c.s. zijn dezelfde mening toegedaan. Zij verdedigen ook het strikt alfabetische principe, en eveneens omdat het woordenboek anders te uitgebreid en te kostbaar wordt. Maar de Harderwijkse leden vragen zich bovendien af

of onze Taal- en Woordgrond-kunde noch wel rijp genoeg is, om die onderschikking van derivata aan hunne primitiva door haar geheel beloop te durven ondernemen.

Aan etymologie is sinds Ten Kate weinig gedaan en

Zal men zich nu niet te veel overylen, wanneer men in een Woordenboek van gezach de onrype en dikwijls onwaarschijnlyke gissingen van TEN KATE vereeuwigt, terwijl 'er hoop aanlacht dat men by vervolg in dit gedeelte der Taalkunde meer licht en zekerheid krygen zal? (Byvoegsels en Aenmerkingen 1773: 19)14

Alle andere opmerkingen van Kluit die in de Aenmerkingen besproken worden, behelzen aanvullingen en toelichtingen. Het gaat achtereenvolgens om uitwer-

[p. 142]

kingen van de derde eis uit het Beredeneerd Plan en een onderdeel van de vijfde eis, een voorbeeld van de manier waarop de zevende eis aangepakt zou kunnen worden en een opsomming van de verschillende wetenschappen, kunsten en ambachten waarvan de woorden moeten worden verzameld ten behoeve van het Woordenboek, met de geschikte schriftelijke bronnen daarvoor.

Als eerste uitwerking komt uitvoerig de derde eis uit het Beredeneerd Plan aan de orde. Daarin was bepaald dat in een lemma ‘eerst de eigenlyke en oorspronglyke beteekenis, en vervolgens ook de overdrachtelyke en uit elkander voortvloeiende en afgeleide beteekenissen’ van een woord moesten worden opgenomen (Beredeneerd Plan 1773: 4), liefst zo gerangschikt dat de ontwikkeling van de ene betekenis naar een andere zichtbaar wordt. Voor de werkwoorden zal dat niet eenvoudig zijn, constateert Kluit. Bij een aantal werkwoorden is de betekenis namelijk zo algemeen en onzeker of zo ver verwijderd van de oorspronkelijke betekenis, dat omschrijven of verklaren van het woord bijna onmogelijk is. Ter verduidelijking en om te laten zien hoe de zaak volgens hem moet worden aangepakt, behandelt Kluit de werkwoorden breken en dragen. Als legger adviseert hij het woordenboek van Samuel Johnson (1709-1784), de Dictionary of the English language: in which the words are deduced from their originals, and illustrated in their different significations by examples from the best writers (1755). Hij stelt voor om eerst alle betekenissen te omschrijven en er vervolgens voorbeelden bij te zoeken uit toonaangevende schrijvers. Bij het omschrijven van de verschillende betekenissen moet geprobeerd worden om de ontwikkeling vanaf de grondbetekenis duidelijk te maken. Eerst moet daarom de oorspronkelijke betekenis worden vermeld, dan de betekenis die daar het dichtst bij staat, vervolgens de betekenis die daar weer op aansluit, en zo verder, zodat de ontwikkeling stapsgewijs wordt verhelderd. Deze methode heeft Lambert ten Kate gedemonstreerd in het tweede deel van zijn Aenleiding (1723). Kluit inventariseert eerst alle mogelijke betekenissen van een woord en plaatst die vervolgens in zo'n volgorde, dat de betekenisontwikkeling zichtbaar wordt. In de ideale situatie vormt zo elke verklaring van een woord de basis voor de volgende verklaring. Dat is niet altijd mogelijk: soms hebben woorden zoveel betekenissen, dat samenhang met andere betekenissen niet altijd evident is. Kluit verduidelijkt dat met het werkwoord afgaan.

Om het nut van het woordenboek van Johnson te illustreren, werkt Kluit vervolgens het lemma bloem globaal uit, met Johnson als legger. Ook het Volkomen woordenboek der Engelsche en Nederduitsche taalen: névens eene spraak-konst van dezelven, oorsprongkelijk saamgesteld door W. Sewel (1766) van Egbert Buys (ca. 1725-1769) is het waard om geraadpleegd te worden.15

 

De vijfde eis van het Beredeneerd Plan bepaalde onder meer, dat ‘in de verba composita behoort aengewezen te worden, waer de vooropkomende praepositio separabilis en waer inseparabilis’ zijn (Beredeneerd Plan 1773:5). Kluit behandelt dit on-

[p. 143]

derwerp grondig. Hij geeft eerst een aantal voorbeelden van scheidbare en onscheidbare samengestelde werkwoorden en probeert vervolgens de verschillen tussen beide te formuleren in een viertal algemene regels. Zijn regels beschrijven de beklemtoning van de werkwoorden, de vorming van het voltooid deelwoord en het syntactische gedrag: bij scheidbare werkwoorden krijgt het voorzetsel16 de klemtoon, bij onscheidbare het werkwoordelijke deel (regel 1), het voltooid deelwoord van het scheidbaar samengesteld werkwoord behoudt altijd het voorvoegsel ge- (regel 2), bij het gebruik van te + infinitief komt te tussen de twee leden van het werkwoord in te staan als het om een scheidbaar werkwoord gaat (regel 3) en ten slotte blijven in onscheidbare werkwoorden de beide delen altijd verbonden, ook als ze als persoonsvorm worden gebruikt, en dat is bij scheidbare niet het geval (regel 4). In het Woordenboek moeten de samengestelde werkwoorden aan de hand van deze vier regels worden beschreven en de verschillen tussen scheidbare en onscheidbare werkwoorden moeten in alle vier de gevallen met voorbeelden worden verduidelijkt. Om te laten zien hoe met goede voorbeelden betekenissen kunnen worden bewezen - hoe dus op een goede wijze aan de zevende eis uit het Beredeneerd Plan kon worden voldaan - volgt een aantal voorbeelden ‘welke de Heer KLUIT uit VONDEL'S Jephtha heeft byeengezameld’ (Byvoegsels en Aenmerkingen 1773: 12).17

De Aenmerkingen van Kluit zijn voor het grootste gedeelte in overeenstemming met de inhoud van het Beredeneerd Plan. Ze worden daarom, zoals eerder is opgemerkt, niet allemaal besproken.

Wy zouden hier nog kunnen byvoegen wat de Heer KLUIT zegt, wegens de meenigte van Schryvers, die tot het vervaerdigen van een Woordenboek moeten geleezen worden: doch dewyl hierover genoegzaem eveneeens in het Plan gesproken wordt achten wy het onnoodig daerop stil te staen, gelyk wy ook in andere byzonderheden, die (schoon in eene andere orde) in het Plan worden voorgesteld, met stilzwygen voorbygaen (Byvoegsels en Aenmerkingen 1773: 14).

Aandacht krijgt vooral de manier waarop Kluit de eisen uitwerkt die in het Beredeneerd Plan aan het woordenboek waren gesteld. Kluits grondige aanpak verdient bewondering en navolging. De laatste opmerkingen van Kluit die aan de orde worden gesteld, betreffen de bronnen die geëxcerpeerd moeten worden. In het Beredeneerd Plan (1773: 8) was aangegeven, dat het nodig was ‘alle eigene Nederduitsche kunstwoorden van kunsten en wetenschappen, van ambachten, handwerken, koophandel, krijg- en wapenhandel, landbouw, vissery, jagt, zeevaert enz. by een te zamelen’ en dit onderwerp wordt door Kluit gedegen uitgewerkt. Hij geeft een opsomming van alle mogelijke kunsten, wetenschappen en ambachten en de bijbehorende bronnen die verwerkt dienen te worden en wijst daarbij opnieuw op het belang van het woordenboek van Johnson.

[p. 144]

De Byvoegsels en Aenmerkingen worden besloten met enkele opmerkingen uit brieven die leden van de Maatschappij hadden ingestuurd. De brief van Tollius c.s. is, zoals eerder vermeld, volledig opgenomen.

3.2.4. Kluits invloed

In de jaarvergadering van 1773 besloot de Maatschappij om inderdaad een algemeen, omschrijvend woordenboek te gaan samenstellen. Op basis van het Beredeneerd Plan en de Byvoegsels en Aenmerkingen moest een Ontwerp worden opgesteld, dat moest dienen ‘tot een Leidraad voor allen, die denzelven in het bewerken van hunne onderwerpen zullen verkiezen te volgen’.18 Kluit was een van de leden die aan het vervaardigen van het Ontwerp zou meewerken.

In het Ontwerp werd in 27 punten opgesomd hoe het Woordenboek zou worden samengesteld. Zeker de helft van de punten betrof - enigszins optimistisch - praktische zaken: wanneer moeten de excerpten worden ingeleverd, waar worden de excerpten opgeslagen, wie zal verslag doen, wie zal te zijner tijd het woordenboek samenstellen. Aan de leden werd gevraagd om ‘alles wat in ons Woordenboek te passe kan komen’ op te tekenen (Ontwerp 1774: 2v). Kennelijk was men van mening, dat uit het Beredeneerd Plan kon worden opgemaakt wat dat dan precies was.

Om na te gaan in hoeverre de opmerkingen van Kluit invloed gehad hebben, zouden simpelweg het Beredeneerd Plan, de Byvoegsels en het Kort Ontwerp met elkaar kunnen worden vergeleken. Als het Ontwerp afwijkt van het Beredeneerd Plan, kan eenvoudig worden nagegaan of de wijziging door Kluit is voorgesteld. Als dat het geval is, kan deze aan zijn commentaar worden toegeschreven.

Maar zo eenvoudig is het niet. De Byvoegsels en Aenmerkingen dienen namelijk ‘deels tot bevestiging, deels tot opheldering, deels tot uitbreiding, deels ook tot nadere wijziging’ (Bergman 1850: 224-225) van het gestelde in het Beredeneerd Plan. De opmerkingen van Kluit betreffen vooral de manier waarop verschillende eisen die in het Beredeneerd Plan waren opgenomen, volgens hem moesten worden uitgewerkt. Kluit pakt de zaken op een bewonderenswaardig grondige manier aan en zijn aanpak wordt herhaaldelijk geprezen, maar in het Ontwerp is er uiteraard niets van terug te vinden. Directe invloed van Kluit is hier dan ook niet aan te wijzen.

En als de wijziging die Kluit voorstelt wel in het Ontwerp is terug te vinden, kan daaruit ook niet zonder meer geconcludeerd worden, dat de aanpassing op zijn conto mag worden geschreven. In het Ontwerp wordt, anders dan in het Beredeneerd Plan, een uitsluitend alfabetische ordening voorgeschreven; over afleidingen en samenstellingen wordt niet eens meer gesproken. Het etymologische ordeningsprincipe dat in het Beredeneerd Plan werd voorgesteld, had Kluit verworpen. Resoluut koos hij voor een strikt alfabetische ordening van het Woordenboek, maar dat deden ook Tollius en zijn Harderwijkse collega's. De ar-

[p. 145]

gumenten van Kluit en Tollius komen gedeeltelijk overeen en wiens taalkundig gewicht uiteindelijk de doorslag gaf, is niet te achterhalen.19

Wat de spelling betreft, lijkt er geen verschil tussen de opvattingen in het Beredeneerd Plan en het Ontwerp te zijn. Onomwonden wordt gekozen voor het etymologische principe - hoewel Kluit het daar absoluut niet mee eens zal zijn geweest (cf. Kluit 1777: 24, 25) - en het gelijkvormigheidsprincipe, dat Kluit schoorvoetend had geaccepteerd (cf. Van de Bilt 2000: 130). De opvattingen over de notatie van verlengde klinkers en het onderscheid tussen de scherp- en zachtlange e/ee en o/oo, en ei en y, zijn wel in overeenstemming met Kluits inzichten daaromtrent. Opvallend is wel, dat in het Beredeneerd Plan consequent de ae-spelling wordt gebruikt, hoewel hetzelfde Plan toch voorschreef dat men een klinker moest ‘verlengen met zijns gelyken’ (Beredeneerd Plan 1773:6). In het Ontwerp is de spellingspraktijk wat dat betreft in overeenstemming gebracht met de theoretische uitgangspunten en is overal de aa-spelling gebruikt. De spelling van y/ij is niet in overeenstemming met die van Kluit. Kluit had er in zijn ‘Vertoog over de tegenwoordige spelling der Nederduitsche taal’20 voor gekozen om overal ij te gebruiken; zowel in het Beredeneerd Plan als het Ontwerp wordt y geschreven in open en ij in gesloten lettergrepen.

3.2.5. De taalkundige vragen

Het veertiende artikel van het Ontwerp schreef voor, dat er een ‘Lijst van Nederduitsche Taalgebruiken’ (Ontwerp 1774: 2v) moest worden samengesteld. De commissie die het Ontwerp had opgemaakt, kreeg in de jaarvergadering van 1774 de opdracht om ook die Lijst te vervaardigen; de leden van de Maatschappij werden uitgenodigd om aan te geven wat ze in die lijst opgenomen wilden zien.21 Al in de jaarvergadering van 11 juli 1775 presenteerde de commissie de Taalkundige Vragen.22 Uit de inleiding kan worden opgemaakt wat de Maatschappij met het stuk beoogde en dat was niets meer of minder dan ‘het verzamelen van de noodige bouwstof, tot het opmaken van eene volledige Grammatica der Nederlandsche Tale’ (Taalkundige Vragen 1775: Ar). In brede kring werd het ontbreken van uniforme regels ervaren als een schande voor het Nederlands en de Maatschappij wilde met een spraakkunst bindende voorschriften leveren voor het taalgebruik, ook om daarmee een eind te maken aan de grote onzekerheid ten aanzien van het gebruik van de moedertaal die zeker bij geschoolde personen manifest was (cf. bijv. De Vries 2001: 88-89). De antwoorden op de Taalkundige Vragen moesten die bindende voorschriften leveren.

Aan de eigenlijke opsomming van taalkundige vragen gaan vier algemene probleemstellingen vooraf. Met name twee ervan kwamen in de genootschappen Dulces ante omnia Musae en Minima crescunt herhaaldelijk aan de orde23 en de antwoorden erop waren zeker ook voor Adriaan Kluit van groot belang. De bedoelde vragen luiden (Taalkundige Vragen 1775: 2):

[p. 146]

-‘In hoe verre moet men zich, in het opmaken der Taalregels, houden aan de Oude? In hoe verre aan de hedendaagsche Taalgebruiken? En in hoe verre moet men de verwantschapte Dialecten en de gezonde reden daarin te hulpe nemen?’
-‘In hoe verre moet de grond en wezenlyke eigenschap onzer Tale de grondslag van iedere Taalregel zijn?’

 

In hoeverre dus moeten we de oude taalgebruiken volgen - te vinden bij de Ouden -, en daarmee de regelmaat, en in hoeverre moeten we het hedendaagse gebruik als leidraad nemen voor de taalvoorschriften, daar draait het om. Dat de taal van de Ouden, de schrijvers die werkzaam waren voor de Tachtigjarige Oorlog, regelmatiger was dan de taal die later in gebruik kwam en meer recht deed aan de gronden van de taal, was een opvatting die in de letterkundige genootschappen en de Maatschappij breed werd aangehangen. In het begin van de taalkundige fase van de letterkundige genootschappen (cf. De Vries 2001: 95) stond nadrukkelijk herstel van de verloren geachte regelmaat in het middelpunt. Kluit kiest in zijn eerste vertoog over de spelling voor herstel van de regelmaat en in die keuze staat hij geenszins alleen. Hendrik Arnold Kreet is bijvoorbeeld eveneens van mening, dat men ‘in het verkiezen en bepalen ener speltrant niets anders te doen hebbe, dan den regelmaet na te geleiden, dien wy daer in by alle onze oude gedenkstukken, ja alle geschrijf voor de Spaensche beroerten, eenstemmig vinden waergenomen’ (Kreet 1759: 206) en Leonard van Wolde is zelfs bereid om een regelmaat in te voeren, ook al kent het oude gebruik die niet.24 Ook Meinard Tydeman vindt, ‘daar een zekere regelmaat, in den aart der tale gevestigd, ons voorlicht’, dat we de regelmaat moeten volgen, ‘althans, zoo lang, als het algemeen gebruik die niet heeft verworpen’ (Tydeman 1775: 81) en in zijn tweede vertoog over de spelling verwoordt Kluit hetzelfde standpunt. Uiteindelijk draait het om de vraag, of de taalregels moeten aansluiten bij het gangbare gebruik of gebaseerd moeten worden op andere criteria, die afgeleid kunnen worden uit het taalgebruik der Ouden of uit de vergelijking met (oude) verwante talen, in het voetspoor van Ten Kate.

Dat de taalregels gevestigd moeten zijn op de gronden van de taal, op het taaleigen, op de ware eigenschappen van de taal, is een opvatting die vrijwel iedereen onderschrijft. Taalregels mogen in geen geval verzonnen zijn of naar eigen goeddunken uitgedacht; ze moeten altijd gebaseerd zijn op de principes die aan de taal ten grondslag liggen. Maar welke principes dat nu precies zijn, is niet helemaal duidelijk. Ieder die over de taal schrijft, zegt zich te beroepen op de natuurlijke eigenschappen van de taal en wie een andere mening heeft, krijgt het verwijt dat hij de kenmerken van de taal uit het oog heeft verloren. Zo kunnen Kluit en Kreet zich voor de spelling allebei baseren op de gronden van de taal, en toch komen tot verschillende voorstellen.

De Taalkundige Vragen laten in ieder geval ook zien, dat de strijd om de notatie van de lange klinker nog niet was beslist. Spelling was een onderwerp, dat

[p. 147]

de gemoederen danig in beweging bracht: 38 van de 121 Taalkundige Vragen betreffen de spelling. En hoewel de Maatschappij zowel in het Beredeneerd Plan als het Ontwerp had gekozen voor verlenging met hetzelfde klinkerteken, was als vijfde vraag opgenomen:

Of alle onze Klinkers, daar ze verlenging noodig hebben, tegenwoordig niet behooren verlengd te worden met huns gelyken, zaak, steeg, schrijf, zoon, muur? (Taalkundige Vragen 1775: 2)

Kluit had in zijn tweede vertoog over de spelling gekozen voor verlenging met hetzelfde klinkerteken, zeer tegen de zin van Kreet. Tevergeefs had Kreet - voorstander van verlenging met e - geprobeerd het stuk van Kluit tegen te houden, maar in de jaarvergadering van 13 juli 1773 werd Kluits stuk toch goedgekeurd voor publicatie in het derde deel van de Werken.25 Dat de strijd daarmee nog niet definitief gestreden was, wordt ook bevestigd door het Ontwerp van Hinlopen (1791). Daarin wordt de notatie met hetzelfde klinkerteken weer expliciet ter discussie gesteld (Ontwerp 1791: 3).

3.3. Uitwerking

3.3.1. Proeve van het woord boom

In het ‘Voorberigt’ bij het tweede deel van zijn Nederduitsch Taalkundig woordenboek schrijft Pieter Weiland, dat hij op 18 juni 1799 een brief heeft ontvangen van Adriaan Kluit, waarin deze meedeelt dat hij door het verschijnen van het eerste deel van het woordenboek aangenaam was verrast. Kluit zwaait Weiland alle lof toe, en heeft eigenlijk nauwelijks kritiek.

Indien ik [Kluit] mij op het Woordenboek zelve eenige aanmerkingen mag veroorloven, zoude het zijn tegen de ruimte van drukken, en het nog overblijvende ter aanvulling (Weiland 1801: I).

Weiland is met de lof van Kluit uiteraard zeer in zijn nopjes:

Door deze gunstige beoordeeling van eenen Man, die zich in het vak der nederduitsche letterkunde zoo verdienstelijk gemaakt heeft - die zelf een klein gedeelte (*) van een algemeen omschrijvend Woordenboek, tot eene proef voor de Maatschappij van nederlandsche Letterkunde, uitgewerkt had, achtte ik mij volkomen gevrijwaard tegen alle vitterijen van andere Beoordeeleren, wie zij ook zijn mogen wezen (Weiland 1801: II).

In de noot waarnaar hij verwijst, meldt Weiland:

[p. 148]

Hiervan heeft de Heer Kluit mij, gelijktijdig met boven gemelden brief, iets toegezonden, en wel het woord BOOM, waaruit ik zijne manier van behandeling konde zien, en waarvan ik ook, voor zoo ver mijn eenmaal gemaakt ontwerp toeliet, bij de behandeling van dit tweede stuk, gebruik gemaakt heb (Weiland 1801: II).

Hiervoor is opgemerkt (cf. 3.2.3.), dat Kluit in zijn Aanmerkingen op het maken van een Woordenboek der Nederduitsche Taal een ‘Proeve van een Nederduitsch algemeen Taelkundig Woordenboek’ had gegeven (Byvoegsels en Aenmerkingen 1773:2), een proeve die wel in de Byvoegsels en Aenmerkingen werd genoemd, maar niet werd besproken. Waarschijnlijk ging het hier om een uitwerking van het lemma ‘boom’. Kluit had zijn voorbeeld rond 1773 opgesteld, maar de Maatschappij had er niet veel mee gedaan en nu Weiland inderdaad serieus werk bleek te maken van het woordenboek stuurde Kluit hem zijn werk toe.

Niet lang daarna werd Kluits lemma gepubliceerd, twee keer zelfs. In 1801 verscheen bij A. Loosjes te Haarlem de Proeve van het woord Boom, dienende tot eenen toets, hoe men een algemeen omschrijvend woordenboek der Nederduitsche tale zoude behooren op te maken, in navolging der bekende Hoogduitsche, Fransche en Engelsche woordenboeken. De uitgever meende ‘het Letterkundig Publiek geen ondienst te zullen doen’ met de uitgave van ‘deze schoon uitgewerkte Proeve van Boom, welke de Leidsche Hoogleeraar A. Kluit voor verscheidene jaren ten dienste der Maatschappij van Nederlandsche Letterkunde, op de samenstelling van een algemeen omschrijvend Woordenboek der Nederduitsche tale bedacht’ (Kluit 1801: A2r). In hetzelfde jaar verscheen Kluits Proeve ook in de Konst- en Letterbode.26 Kennelijk was er belangstelling en waardering voor Kluits Proeve. Waardering is er zoals gezegd van Weiland, die voor zijn lemma ‘boom’ dankbaar gebruikgemaakt heeft van het voorbeeld van Kluit - dat is onmiddellijk duidelijk. Weilands bespreking is natuurlijk wel veel minder uitgebreid dan die van Kluit, omdat zijn woordenboek veel bescheidener van opzet was dan het ambitieuze Woordenboek van de Maatschappij. Waardering is er ook van de redactie van het Woordenboek der Nederlandsche Taal. Daar wordt bij ‘boom’ vermeld:

Dit woord en zijne samenstellingen zijn tegen het eind der vorige eeuw op voorbeeldige wijze behandeld door A. KLUIT in zijn Proeve van 't woord Boom, waarvan voor de hier volgende artikels vrij wat ontleend is.27

Waarom heeft de Maatschappij niet meer gedaan met de Proeve van Kluit, vraagt men zich af. In de Byvoegsels en Aenmerkingen wordt weliswaar vermeld dat de Aanmerkingen van Kluit ‘eene Proeve van een Nederduitsch algemeen Taelkundig Woordenboek’ bevat (Byvoegsels en Aemerkingen 1773:2), maar bij die vermelding blijft het. Waarom Kluit niet opgevoerd als voorbeeld? Als Kluits uitwerking inderdaad zo navolgenswaard was, waarom wordt er dan zelfs niet naar verwezen?

[p. 149]

Nu wordt in het Beredeneerd Plan weliswaar aangegeven welke elementen allemaal in een lemma moeten worden opgenomen, maar de meeste aandacht gaat uit naar de wijze waarop het woordmateriaal moet worden verzameld en verwerkt. Uitvoerig worden de bronnen besproken en uitgebreid wordt stilgestaan bij de manier waarop met het door de leden van de Maatschappij aangeleverde materiaal moest worden omgegaan. De behandeling van de verzamelde woorden en de voorbeelden die de diverse gebruiksmogelijkheden konden bewijzen, zouden in verschillende portefeuilles worden opgeslagen; te zijner tijd moesten alle gegevens in het lemma worden verwerkt en daarom moest in de legger nauwkeurig worden aangetekend waar in welke portefeuille een bepaalde betekenisomschrijving met bijbehorend voorbeeld teruggevonden kon worden. In de Proeve van het woord Varen wordt getoond hoe de administratieve verwerking van een woord in de legger plaats zou vinden. Uit diezelfde Proeve is globaal af te leiden hoe een lemma zou worden opgebouwd, zonder dat het lemma ‘varen’ helemaal wordt uitgewerkt. Een uitwerking ontbreekt - uiteraard - in het Ontwerp eveneens. Ook daar is uitsluitend aangegeven wat er allemaal in een lemma moest worden verwerkt.

Kluit heeft in zijn Proeve van het woord Boom alle eisen uit het Beredeneerd Plan en het Ontwerp verwerkt. Hij beschrijft uitgebreid de verschillende betekenissen van het woord, geeft gebruiksmogelijkheden en spreekwoorden en behandelt grondig de mogelijkheden om samenstellingen te vormen, en dat allemaal nauwkeurig en met vermelding van de bron toegelicht met voorbeelden uit tal van geschriften. Dat Kluits Proeve voorbeeldig werd gevonden, is dan ook niet zo vreemd, dat de Maatschappij zijn uitwerking niet publiceerde evenmin. Kluit wil namelijk niet een wezenlijk ander Woordenboek dan de Maatschappij, zijn opzet en die van het Beredeneerd Plan komen vrijwel overeen en op zich was er dus geen reden om Kluits voorbeeld in de Byvoegsels en Aenmerkingen op te nemen. Bovendien was een lemma zoals Kluit had uitgewerkt voor de Maatschappij nog lang niet haalbaar: de aandacht moest voorlopig nog uitgaan naar het verzamelen van zoveel mogelijk materiaal. Pas als er voldoende excerpten voorradig waren, kon de uitwerking van het Woordenboek ter hand worden genomen. Hinlopen achtte in 1791 de tijd daarvoor rijp, maar ook Hinlopen komt aan een concrete uitwerking van een lemma niet toe.

3.3.2. Kluits werkwijze

Kluit behandelt boom grondig. Hij onderscheidt eerst drie betekeniscategorieën: in de eerste plaats de plant, dan de stam en in de derde plaats alles wat van de plant of de stam gemaakt is. Elke categorie werkt hij uit. Bij de eerste omschrijft Kluit de betekenis en geeft hij onder het kopje ‘Oudheid’ een summiere opsomming van het woord ‘boom’ in oude verwante talen. Vervolgens bespreekt hij de woorden waarmee het substantief kan worden gecombineerd: adjectieven

[p. 150]

en werkwoorden. Natuurlijk moeten niet alle bijvoeglijke naamwoorden worden vermeld die in combinatie met boom kunnen worden gebruikt, maar alleen degene die vaak met het woord samengaan of die een speciale betekenis krijgen door de combinatie. Alleen adjectieven als dragende, gesnoeide, onvruchtbare, verpote, schaduwrijke en weeldige dus. Bij de werkwoorden maakt Kluit onderscheid tussen overgankelijke (‘daadlijke’) en onovergankelijke (‘onzijdige’) werkwoorden (Kluit 1801: 4): bomen planten, kappen, rooien en bomen bloeien, versterven, botten uit.

Uitvoerig bespreekt Kluit hierna de manier waarop samenstellingen en afleidingen met boom gevormd kunnen worden. De woorden zelf worden op hun alfabetische plaats besproken. Het grote aantal ‘zamenzettelingen’ wordt naar de plaats van het stamwoord onderverdeeld in ‘Van achteren’ en ‘Van Voren’ (Kluit 1801: 5). In de eerste groep worden woorden gevormd door boom als eerste lid te combineren met zelfstandige naamwoorden, werkwoorden, bijvoeglijke naamwoorden en suffixen, of ‘Bij afleiding’: boomgaard, boomplanten, boomrijk, boomloos, geboomte (Kluit 1801: 5). De andere groep bestaat uit woorden waarvan boom het tweede lid vormt. Ook nu volgt weer een onderverdeling, op semantische gronden deze keer en niet zoals in de eerste groep op basis van morfologische criteria: woorden die de verschillende soorten aangeven, woorden die geaardheid, stand of gedaante aangeven en woorden die op basis van biologische criteria als mannelijk of vrouwelijk beschouwd moeten worden: appelboom, vruchtboom, mannetjesboom, eikenboom. Waarom palmboom, eikenboom en denneboom biologisch mannelijk zouden zijn, vermeldt Kluit overigens niet. Hij bespreekt tot slot nog ‘Achtervoegsels’, waarmee hij de bijvoeglijke nabepalingen met een substantief bedoelt en ‘Vele spreekwijzen’: de boom des levens, de boom der kennisse, Ik zal den kat uit den boom kijken.

De tweede categorie, de boom in de betekenis van stam, bevat eigenlijk alleen een korte begripsomschrijving, gevolgd door een aantal voorbeelden. De derde categorie wordt weer wel uitvoerig uitgewerkt. Kluit noemt een aantal samenstellingen, die als zelfstandig trefwoord op hun alfabetische plaats behandeld moeten worden, en bespreekt vervolgens 13 gevallen waarin het enkele woord boom in metonymische zin gebruikt wordt, alle verduidelijkt met voorbeelden. Tot slot volgen, van boomaarde tot boomzijde, bijna 20 bladzijden woorden met boom als eerste lid.

Kluits opzet was ambitieus. Zijn woordenboek zou veel uitgebreider worden dan de Franse Dictionnaire (1694), Adelungs Wörterbuch (1775-1786) of Johnsons Dictionary (1755) en geen van deze woordenboeken fungeert voor hem dan ook als direct voorbeeld. Kluit geeft in zijn lemma niet alleen een omschrijving van de verschillende betekenismogelijkheden, maar besteedt ook systematisch aandacht aan verbindingen van het trefwoord met andere lexicale eenheden en aan de rol die boom speelt in samengestelde en afgeleide woorden. Met citaten laat hij zien dat het woord inderdaad in een bepaalde betekenis of in een bepaalde combinatie gebruikt is. Kluit put daarvoor uit een flink aantal bronnen, literaire

[p. 151]

en niet-literaire, waaronder keuren en resoluties, vakliteratuur en publicaties met een voornamelijk regionaal karakter. Ook verwijst hij naar de gesproken taal, uit diverse vakgebieden en uit verschillende gewesten, zoals bij afkandelaren28, dat volgens Kluit in Zeeland wordt gebruikt in de betekenis van ‘aftoppen’. Van elk citaat vermeldt hij de vindplaats. De citaten laten overigens niet chronologisch zien hoe betekenissen en combinatiemogelijkheden zich historisch hebben ontwikkeld, zoals Kluit en het Beredeneerd Plan wel nastreefden (cf. 3.2.2 en 3.2.3). Eerder dienen ze als bewijsplaats voor een bepaalde betekenis of combinatie.

Kluit streeft naar volledigheid, en kiest daarbij voor een strikt empirische aanpak. Het is zijn bedoeling om alle betekenissen en gebruiksmogelijkheden van zijn trefwoord te verzamelen, uit alle beschikbare bronnen en uit het hele taalgebied. Daarbij gaat hij zuiver descriptief te werk; hij beperkt zich uitsluitend tot het beschrijven van de verschillende betekenissen en woordvormen en geeft nergens een oordeel over een betekenis of woordvorm. Ongetwijfeld zal Kluit zich ervan bewust zijn geweest, dat van zijn woordenboek een normatieve werking zou uitgaan: als een woord in het lexicon werd opgenomen, kreeg het uiteindelijk status, behoorde het tot de Nederlandse taalschat. Als een woord niet in zijn woordenboek te vinden was, kon het maar beter niet gebruikt worden, omdat het dan niet-Nederlands zou zijn. En juist om woorden te behoeden voor dat lot moest volledigheid het doel zijn; want Kluit wilde de volledige woordenschat van het Nederlands in kaart brengen, uit heden en verleden, uit beschaafde schrijftaal, volkstaal, vaktaal en dialect.

3.4. Materiaalverzameling

In het Beredeneerd Plan werd uitvoerig ingegaan op de vraag uit welke bronnen de woorden voor Woordenboek zouden moeten worden gehaald. Drie categorieën onderscheidde het Plan (cf. 3.2.2): schriftelijke bronnen, woorden van kunsten, wetenschappen en ambachten, en woorden uit de levende volkstaal, uit de dialecten dus.29 Aan elke categorie heeft Kluit bijgedragen.

Dat Kluit schriftelijke bronnen excerpeerde, is eigenlijk vanzelfsprekend. De letterkundige genootschappen van de jaren 1750, 1760 hielden zich vrijwel uitsluitend bezig met taalkundige kwesties en het woord nam in hun filologische arbeid een prominente plaats in. Adriaan Kluit is - ook letterlijk - het schoolvoorbeeld van de genootschapper die zich voor zijn taalkundige studie baseert op het minutieuze onderzoek van talrijke geschreven bronnen. Nog in zijn academietijd bestudeerde en excerpeerde hij teksten ten behoeve van de door hem bezorgde vijfde druk van de Lijst der gebruikelijkste zelfstandige naamwoorden en maakte hij afschriften van Middelnederlandse teksten,30 en dit bestuderen, excerperen en kopiëren van bronnen zou Kluit zijn hele leven blijven doen.31 Voor het Woordenboek levert hij excerpten in van de Spieghel Historiael van Lode-

[p. 152]

wijk van Velthem - de eerste in 1773, de laatste in 1786 (cf. noot 13) -, van Vondels Jeptha,32 Gabbema's beschrijving van Leeuwarden, in 1792,33 en uit het glossarium van Schilter (1632-1705), het laatste in 1785.34

Dat Kluit ook gespitst was op andere dan geschreven bronnen, bewijst zijn verzameling van woorden die tot de inventaris van een ijzerwinkel behoren.35 Kluit leverde deze lijst in 1776 in (Handelingen 1776: 9), getuige de Catalogus der bibliotheek van de Maatschappij der Nederlandsche letterkunde ‘om de Duitsche taal hare in dien tak gebruikelijke woorden te doen kennen’ (1887: 5). Kluit geeft in zijn lijst een niet-systematische opsomming van allerlei gereedschappen en materialen die in een winkel voor ijzerwaren te koop waren.

Ook de derde categorie waarvoor de Maatschappij aandacht vroeg, had Kluits belangstelling: dialectwoorden, woorden uit de levende volkstaal. In 1781 meldt de Maatschappij, ‘dat de Verzameling van woorden op Walcheren in gebruik door Den Heer Kluit (...) medegedeeld, op het alphabeth gebracht’ is (Handelingen 1781: 6).36 Kluit was tot 1778 rector in Middelburg en ondanks zijn drukke werkzaamheden, had hij de moeite genomen om woorden te noteren die hij als typisch voor Walcheren beschouwde. Toen hij eind 1778 naar Leiden verhuisde, stuurde hij die woorden aan de Maatschappij, die ze overbracht op fiches en alfabetisch rangschikte.

Met enige regelmaat leverde Kluit dus materiaal voor het Woordenboek. Zijn belofte om de Spieghel Historiael te excerperen kwam hij na, en woorden die hij van belang achtte voor de Maatschappij leverde hij in. Toch lijkt zijn bijdrage een incidenteel karakter te hebben. Kluit heeft veel meer - relevante - excerpten gemaakt dan hij de Maatschappij ter hand stelde, dat blijkt alleen al uit het overvloedige materiaal dat zijn familie in 1861 aan de Maatschappij overhandigde. In de jaren 1770 en daarna concentreerde Kluit zich meer en meer op historisch onderzoek en lag de nadruk niet meer op de taalkunde. Hij had nog wel belangstelling voor het Nederlands - in 1783 bezorgde hij nog de zesde druk van de geslachtslijst van David van Hoogstraten en daarin nam hij de substantieven uit Huydecopers uitgave van de Rijmkroniek op -, maar hij richtte zijn wetenschappelijke activiteiten toch voornamelijk op de geschiedenis. Het Woordenboek functioneerde op de achtergrond, maar was niet uit zijn gedachten en op gepaste momenten leverde hij materiaal in bij de Maatschappij. De lijst van woorden op Walcheren is wat dat betreft exemplarisch. Kluit hield zich vooral bezig met historisch onderzoek, maar was de oproep in het Beredeneerd Plan ‘om alle woorden en spreekwyzen, welke aen byzondere steden of dorpen of streeken eigen zijn, en elders in onbruik, op te teekenen en mede te deelen’ (Beredeneerd Plan 1773:9) niet vergeten. Als hij dialectwoorden hoorde, noteerde hij die ten behoeve van het Woordenboek. Eind 1778 verliet hij Walcheren; de verzameling woorden zou niet meer worden uitgebreid en hij bezorgde haar bij de Maatschappij. Uiteindelijk kwam Kluits lijst met Walcherse woorden terecht

[p. 153]

bij het grote woordenboek van Matthias de Vries (1820-1892), zoals zoveel andere lijsten die voor het Woordenboek aan de Maatschappij gestuurd zijn.

3.5. Besluit

Vrijwel vanaf het begin heeft Adriaan Kluit het Woordenboekproject van de Maatschappij omarmd en tot het einde zou hij dat blijven doen. Aan de opzet van het woordenboek probeerde hij een substantiële bijdrage te leveren met zijn Aanmerkingen op het maken van een Woordenboek en ook in de uitvoering van het werk heeft hij een rol gespeeld. Hij was lid van de commissie die het Ontwerp (1774) en de Taalkundige vragen samenstelde. Hij werkte een lemma volledig uit in zijn Proeve van het woord boom en leverde regelmatig materiaal aan voor het corpus. Daarbij had hij oog voor de diversiteit van de bronnen; hij excerpeerde geschreven teksten, verzamelde woorden van ambachten en had aandacht voor dialecten. Als de voortgang van het werk in gevaar dreigde te komen, nam Kluit plaats in de commissies die het project nieuw leven in moesten blazen. Zo maakte hij deel uit van de commissie die in 1789 werd aangesteld om te bepalen wat er zou moeten gebeuren om het Woordenboek nu eindelijk eens te realiseren en toen het werk dan inderdaad ter hand werd genomen was Kluit degene die het op zich nam om toezicht uit te oefenen op de voortgang van de werkzaamheden. En ook nadat de Maatschappij het Woordenboek had opgegeven, was het niet uit zijn gedachten. Toen Weiland zijn Taalkundig woordenboek publiceerde, stak Kluit hem een hart onder de riem en leverde materiaal. Zijn Proeve van het woord boom liet hij uitgeven, zodat anderen nog enig nut van zijn werk konden hebben.

Dat het Woordenboek er uiteindelijk niet is gekomen en in het stadium van materiaalverzameling is blijven steken, zal ook Kluit als een flinke teleurstelling hebben ervaren. Het zal dan ook met enige spijt geweest zijn, dat hij op het titelblad van zijn Proeve vermeld zag, dat zijn bespreking diende als toets voor een Nederlands woordenboek, in navolging van de bekende Duitse, Franse en Engelse woordenboeken. Duitsland kende Adelungs Grammatisch-kritisches Wörterbuch der hochdeutschen Mundart, Frankrijk had de taalschat al in 1694 vastgelegd in de Dictionnaire van de Académie Française en Engeland bezat Johnsons A dictionary of the English language. Dat Nederland moest wachten tot 1998 zal Kluit zelfs in zijn somberste buien niet hebben vermoed.

3.6. Adriaan Kluit als lexicograaf

Het lexicografisch werk van Adriaan Kluit heeft een sterk pragmatisch karakter. Aan speculaties over de oorsprong van de taal of de relatie tussen woord en werkelijkheid heeft hij zich niet gewaagd. Kluit baseert zich op de feiten. Hoewel hij dat nergens expliciet verwoordt, kiest hij voor de op waarneming geba-

[p. 154]

seerde methode van Ten Kate boven de speculatieve werkwijze van Tollius en de Schola Hemsterhusiana. Kluit hanteert een strikt empirische werkwijze: zowel betekenis als gebruiksmogelijkheden van een woord moeten uit het taalgebruik worden opgemaakt. Dat gebruik moet ruim worden geïnterpreteerd: ook gesproken taal, ook regionale uitingen, ook niet-literaire bronnen. Ongetwijfeld had het woordenboek dat hem, en de Maatschappij, voor ogen stond een museaal en codificerend, dus normatief oogmerk. Museaal, omdat oude woorden door hun vermelding geconserveerd zouden worden, normatief, omdat woorden door hun vermelding in het woordenboek voortaan zouden behoren tot het standaard-Nederlands, tot de ‘gepaste woorden’ die ieder in zijn mondeling of schriftelijk taalgebruik zou kunnen aanwenden (cf. 3.2.2.). Maar, en op het eerste gezicht lijkt dat in strijd met het normatieve karakter, Kluits woordenboek was vooral descriptief van aard. Kluit wilde de hele Nederlandse taalschat bijeenbrengen in zijn woordenboek, hij wilde alle Nederlandse woorden uitvoerig bespreken, woorden uit heden en verleden, uit Holland en uit de regio. En dat verklaart meteen waarom zijn woordenboek er in zijn tijd niet is gekomen: het zou zeker net zo omvangrijk zijn geworden als dat van De Vries, een paar eeuwen later.

Literatuur

[p. 157]
Bakker, Dirk M. & Geert R.W. Dibbets (red.), 1977. Geschiedenis van de Nederlandse taalkunde. Den Bosch: Malmberg.
Bergman, J., 1850 ‘Verslag van het bij de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde, te Leiden, weleer verrigtte, ter vervaardiging van een Algemeen Omschrijvend Woordenboek der Nederlandsche taal, gedurende de jaren 1770-1796’. Archief voor Nederlandsche taalkunde, derde deel, 1851-1852, 213-250. Amsterdam: G. Portielje.
Bilt, Igor van de, 2000. ‘Adriaan Kluit (1735-1807) en de spelling van het Nederlands’. Voortgang. Jaarboek voor de Neerlandistiek 19, 95-142.
[p. 158]
Bilt, Igor van de, 2001. ‘Adriaan Kluit (1735-1807) en het genus: over analogie en usus’. Voortgang. Jaarboek voor de Neerlandistiek 20, 73-116.
Bilt, Igor van de, 2003. ‘“Een dialectbriefje uit de achttiende eeuw.” Het WNT en de Walcherse woorden van Adriaan Kluit’. Trefwoord (www. fa.knaw.nl/trefwoord/), november 2003.
Boutelje, G.A., 1920. Bijdrage tot de kennis van A. Kluits opvattingen over onze oudere vaderlandsche geschiedenis, Groningen:[s.n.].
Buck, H. de, 1952. ‘De Nederlandsche taalkunde tijdens de eerste levensjaren van de Maatschappij’. Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden 1950-1951, 21-32.
Gerretzen, Jan Gerard, 1940. Schola Hemsterhusiana. De herleving der Grieksche studiën aan de Nederlandsche universiteiten in de achttiende eeuw van Perizonius tot en met Valckenaer. Nijmegen & Utrecht: Dekker & Van de Vegt.
Haeseryn, W. / Romyn, K. / Geerts, G. / Rooij, J. de / Toorn, M.C. van den, 1997. Algemene Nederlandse spraakkunst. Tweede, geheel herziene druk. Groningen: Martinus Nijhoff Uitgevers / Deurne: Wolters Plantyn.
Iperen, Josua van, 1762a. ‘Uitnoodiginge der liefhebbers en kenners van onze Moedertale, Tot het helpen toestellen van een oordeelkundig Nederduitsch woordenboek’. Maendelijksche By-dragen ten opbouw van Neer-land's tael-en dicht-kunde XLVII, 509-514.
Iperen, Josua van, 1762b. ‘Schetze van woorden-scharinge en zin-bepalinge, die men hoopt te volgen, in het toestellen van een oordeelkundig Nederduitsch woordenboek’. Maendelijksche By-dragen ten opbouw van Neer-land's tael-en dicht-kunde XLVIII, 541-551.
Klooster, Wim, 2001. Grammatica van het hedendaags Nederlands. Een volledig overzicht. Den Haag: SDU Uitgevers.
Kluit, A., 1763. ‘Eerste vertoog over de tegenwoordige spelling der Nederduitsche taal, vergeleken met de spelling der ouden, en uit dezelve ene soort van evenredigheit opgemaakt’. Nieuwe Bydragen tot de opbouw der vaderlandsche letterkunde, 1e deel, derde stuk 281-352. Leyden: Van der Eyk.
Kluit, A., 1777. ‘Vertoog over de tegenwoordige spelling der Nederduitsche taal, vergeleken met de spelling der ouden, en uit dezelve ene soort van evenredigheid opgemaakt’. Werken van de Maetschappy der Nederlandsche letterkunde te Leyden. Derde deel. Leyden: Van der Eyk.
Kluit, A., 1801. Proeve van het woord boom, dienende tot eenen toets, hoe men een algemeen omschrijvend woordenboek der Nederduitsche tale zoude behooren op te maken, in navolging der bekende Hoogduitsche, Fransche en Engelsche woordenboeken. Haarlem: A. Loosjes Rz.
Knol, Jan, 1977. ‘De taalkunde in de achttiende eeuw’. Bakker & Dibbets 1977, 65-112.
Kossmann, F.K.H., 1966. Opkomst en voortgang van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden. Geschiedenis van een initiatief. Leiden: E.J. Brill.
Kreet, H.A., 1759. ‘Verhandeling en onderzoek over de rechte Nederlandsche letterspellinge’. Maendelijksche By-dragen ter opbouw van Neerlands Tael- en Dichtkunde 13, 205-233.
Noordegraaf, Jan, 1985. Norm, geest en geschiedenis. Nederlandse taalkunde in de negentiende eeuw. Dordrecht & Cinnaminson: Foris Publications.
[p. 159]
Noordegraaf, Jan, 1996a. ‘From Greek to Dutch. The Schola Hemsterhusiana and the study of the mother tongue. A few remarks’. Linguistics in the Low Countries: the eighteenth century. Ed. by Roland de Bonth & Jan Noordegraaf. Amsterdam: Stichting Neerlandistiek VU / Münster: Nodus Publikationen 1996, 33-56.
Noordegraaf, J., 1996b, ‘The “Schola Hemsterhusiana” Revisited’. Jan Noordegraaf, The Dutch Pendulum. Linguistics in the Netherlands 1740-1900, 23-55. Münster: Nodus Publikationen.
Noordegraaf, Jan, 1996c, ‘Dutch philologists and general linguistic theory. Anglo-Dutch relationships in the eighteenth century’. Linguists and Their Diversions. A Festschrift for R.H. Robins on His 75th Birthday. Ed. by Vivien A. Law & Werner Hüllen. Münster: Nodus Publikationen 1996, 211-243.
Singeling, C.B.F., 1991. Gezellige schrijvers. Aspecten van letterkundige genootschappelijkheid in Nederland, 1750-1800. Amsterdam / Atlanta: Editions Rodopi.
Tollius, Herman, 1762. ‘Aenmerkingen op de schetze van Ds. Van Iperen’. Maendelijksche By-dragen ten opbouw van Neer-land's tael-en dicht-kunde 29, 583-590.
Tollius, Herman, 1763. ‘Proeve ener nieuwe wyze van afleiden uit de worteldeelen ta'en, te'en, ti'en, to'en tu'en’. Nieuwe Bydragen tot opbouw der Vaderlandsche letterkunde. Eerste deel's eerste stuk, 447-472.
T[ydeman], M[einard], 1761. ‘Vertoog over de dienstigste middelen ter verbetering der Nederduitsche taal’. Proeve van oudheid-, taal- en dichtkunde, door het genootschap Dulces ante omnia Musae I, 1775, 15-20. Utrecht: A. Van Paddenhoven en J. Van Schoonhoven en Comp.
Vries, Marleen de, 2001. Beschaven! Letterkundige genootschappen in Nederland 1750 - 1800. Nijmegen: Vantilt.
Weiland, P., 1801. Nederduitsch taalkundig woordenboek. Deel 2, Amsterdam: Johannes Allart.
1993. Woordenboek der Nederlandsche Taal. Derde deel. Eerste stuk. Bewerkt door J.W. Muller en A. Kluyver. Den Haag: SDU Uitgeverij.