Zeeusche Nachtegael


auteur: anoniem Zeeusche Nachtegael


editeur: P.J. Verkruijsse en P.J. Meertens


bron: P.J. Meertens en P.J. Verkruijsse (eds.), Zeeusche Nachtegael en bijgevoegd A. vande Venne Tafereel van Sinne-mal, Drukkerij Verhage & Zoon, Middelburg, 1982  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 47]origineel

Gedicht, ten selven eynde.

 
IOnck-vrouw ANNA wilt niet schromen
 
In ons Zeeusche lucht te comen;
 
Door u gheestich hooch verstant
 
Heeft u al te vast geplant
5
In sijn gracy Phebus constich,
 
Boven al is hy u jonstich,
 
Die u hout in sijnen sin
 
Voor sijn thiende Sang-Goddin:
 
Hy sal met het suyver schijnen
10
Van sijn stralen doen verdwijnen
 
Al wat u te vreesen is,
 
Alle zee-lucht, alle mis,
 
Alle heete quade winden,
 
Alle dompen doen verswinden,
15
Dat ghy in ons Zeeusche lucht
 
Niet sult vinden dan ghenucht,
 
Die u beter sal vermaecken
 
Dan al d'Amsterstamsche staecken
 
Die met zeylen, roggh en vlas
20
Brenghen door de groote plas:
 
En als u noch yet mocht deeren,
 
Phebus salt wel connen weeren;
 
Heeft hy niet der kruyden cracht
 
En genees-konst in sijn macht?
25
Daerom, Ionck-vrou, wilt niet schromen
 
In ons Zeeusche lucht te comen.
 
S.V.B.