|
|
|
| | | | | |
Zeevsche mey-clacht. ofte schyn-kycker.

SNachts voor den Meyen-dach, ontrent den koelen morghen,
Als yder leyt en rust van alle daechsche sorghen,
Doe was ick vol ghepeyns, en ging heel ongherust
Betreen al voort en voort de soete Zeeusche cust:
| | | |
5
Ick sach al om ent om de houven en waranden,
De boomgaerts wit gebloeyt, de groene coren-landen;
Ick sach aldaer ontrent een soete clare beeck,
Als ick wat neerwaers sach,
aterstont
wat opwaerts keeck;
Het greep my (so het scheen) so haest ick maer en recte;
10
Het lachten als ick loech, het jocten als ick gecte;
Het wilde als ick wou, het wencte als ick wees;
Wanneer ick dat verhief, terstont my weder prees;
Soo haest ick wat verging, soo was het haest verdwenen;
Als ick begon mijn clacht, soo hoord'ick weder stenen;
15
Wanneer ick stille sweegh, soo sweeffer in de lucht
Een rechten weder-snack, gelijck een na-ghesucht.
Ick had een goede
b Luyt, om dat ick sou vermaken
Mijn over-droeven geest; ick hadde lust te waken,
Ick speelden en ick sanck somtijts met luyder keel,
20
Als nu en dan een stuck, en somtijts het geheel
Van lieffelicke pijn, en druckelicke lachjes,
En riep somtijts wat stijf, en somtijts weder sachjes;
En somtijts docht ick weer, Och, och! dat mijn ellent
(Dat niemant niet en siet) toch mochte zijn bekent!
25
Ic hoorden stracx gewach, mijn stemme scheen te breken;
Ick dochte, wat is dit, dat hier begint te spreken?
Of sout Vrou
c Echo zijn? soo vraegh ick goeden
raet,
Indien sy nu mijn stem en Zeeusche tael verstaet:
Ey segt, wat comt van niet te trouvven? rouvven,
rouvven;
30
Als jeucht niet teelt, wie salder bouvven, ouvven,
ouvven?
Wat raet voor my, en voor mijn bitter clacht? lacht,
lacht.
Hoe vrijt men best, by dage, of by nacht? by nacht.
Den nacht is nu verby, de son begint te blincken,
Den koelen dauw vertrect, nu gaen ic over-dincken
| | | |
35
Hoe dat dien vveder-stem soo raet den rechten
sin;
Of comet by geval van spreken uyt en in?
Of ist dit schijn-gesicht dat in het beeckje dommelt?
Dat sich alsoo vertoont als 'twater niet en rommelt:
Of isset een geroep van eenich vrou of man?
40
Of isset dat ick wil, en nu niet hebben can?
Of ist een Bos-goddin, die niemant heeft gekeken,
Die maer en wert by galm en ruyssing vergeleken,
Iae min en meer als niet, en lichter als een roock?
(Ist waerheyt datmen seyt) ick seg het nu dan oock.
45
Nochtans tis wis en waer dat my soo yet toe-knicte,
Als ick recht neder keeck, als ick recht over micte,
Met ooge tegen oogh, met neus aen neus, en mont,
Wanneer het wat ontstack, in my een root ontstont.
Ick was terstont ontmant, mijn geest bestont te mallen,
50
Ick liet op een geblick mijn liefde haestich
vallen,
Ick voelde (soo het scheen) 'twas yder reyse mis,
Ick socht daer niet en was, ick vond daer niet en is.
Ick stelde weer mijn Luyt, met yder snaer te recken,
De quint, second, en bas, bestont ick hooch te
trecken,
55
Op dattet soet accoort wat door de boomen stoof,
Niet al te soet of hart, niet al te dof of doof:
Soo haest mijn Luyts-geluyt wat luyd' begon te spelen,
d
Begonder een geluyt als nieu geluyt te quelen,
Ten was geen weder-slach van mijn geslagen Luyt,
60
Maer 'twas een soet gedril van eenich vreemt getuyt.
Ick ging wat naer en naer, om dat wel recht te hitten,
Ick hoorde wat, ick sweech, ick sach een dierken sitten
Dicht by een hooge dreef; als my den vogel sach
Soo riep hy al,
e soet,
soet, tis dach, dach, dach, dach, dach;
| | | |
65
Ick sloech mijn oogen op, de sonne was geresen;
Dat soete dierken heeft mijn spelen seer gepresen,
Eerst wat uyt
f jock, jock, jock, met lieffelick gesanck,
'tGefluyt ging clinck, clinck, clinck, met claren
weder-clanc:
'tBegon in Zeeusche tael ons lant en sant te prijsen,
70
En wilde yder een wat anders gaen bewijsen
Met stemmich goet bescheyt, en redelick besluyt,
Als dat het is geen dier gelijck een heesche Puyt.
Men heeft altoos geseyt, aen yder willen duyen,
Dat Zeeusche Nachtegaels zijn
g schorre-water- Puyen,
75
Die, met verroeste keel, maer roepen vvorck, kick,
kick,
Een queecksel van den drec, gebroet door slijm en slick.
Ick segge nu, ick seg, dat rechte Nachtegalen
Meest alle vogels fluyt weet lustich nae te talen
Meer als een domme Puyt, die in den modder-poel
80
Geduerich leyt en broet, en vroet by vuyl gewoel.
Maer rechte Nachtegaels, seg ick, die zijn te vinden
By, en int elsen-hout, ontrent de groene linden;
Die my en menich meyt sou leyden 'kweet niet waer,
En coppelen aen een wel menich paer aen paer:
85
Den soeten Nachtegael die loct de Venus knapen,
Die om sijn soet gerel haer lichtelick vergapen,
En singen oock met hem, en springen op een ry,
En raken aen den bant, en comen aen den bry:
Hy loct al spel en jock door soete sotte leuren,
90
Hy maect, en breect, en bint, dat niet is los te
scheuren;
Hy doet twee spreken
h
Ja, een yder kant om-vaen;
"Dat ja-vvoort vlecht, en hecht, en hout de weerelt
staen.
Com, Zeeusche Nachtegael, gaet nu in my ontsluyten
Mijn sinnen en verstant, van binnen en van buyten,
| | | |
95
En brengt in mijn een geest, com stouwt my nu wat aen
Met consten-rijck verstant, en reden-rijck vermaen;
Het geen ick nu bemin, althans niet can berecken,
Dat moet ic, en ic salt, door
icunst te
voor-schijn trecken,
En sien of ick mijn lief can treffen soet en goet,
100
Gelijckse gaet en staet, juyst soose wesen moet.
Mijn
k lust die is
bereyt memory wat t'ontbinden,
En sien wat dat in my en uyt my is te vinden;
Mijn liefde stiert mijn pen, mijn geest trect een gesicht
Van een die my bedroeft, en weder weer verlicht;
105
Mijn lief haer eygen aert die meen ick uyt te drucken,
Soo cunste comt by wil, soo wil het wel gelucken;
Soo Teyken-const begint aen yder deel voor deel,
Soo crijgh ick lust en sin te meer naer het geheel:
Mijn penne spoeyt en vloeyt, het wilt soo wat gelijcken;
110
Ick hebbet nu getreft, al wat ick socht te kijcken:
Ick hebbe nu mijn sin, ick hebbe nu mijn lust,
Ick hebbe nu mijn lief, ick hebbe nu mijn rust.
l
De Schilder-const die doet in my een vreucht ontspringen,
Wie can de deucht en rom uyt-spreken of uyt-singen
115
Van sulcken soeten const, soo nut en vol gerief,
Dat door haer wert gemaect van niet een soete lief.
Ick sie (tis waer) mijn lief, door constelicke streken,
Maer evenwel de
m spraeck
die salder aen gebreken;
Nochtans ic ben genoucht, mijn oog heeft wil en wens,
120
Begeerich is de oog, verlangend' is de mens;
n
't Verlangen is in my te meer om dese reden,
Om dat ick sie een beelt dat lijf en heeft noch reden,
Beweging noch gevoel, en evenwel een schijn,
Als of het sijn gesicht ging drayen tegen 'tmijn.
| | | |
125
De
p
oogen van mijn lief die hebben my gevangen,
De oogen van mijn lust die hebben my verhangen;
De ooge is een strick die yder can verraen,
De ooge trect en loct, en doet my stille staen;
De ooge is een post en toonder van gepeynsen,
130
De ooge is de deur en venster van het veynsen;
De oog is noyt vervult, 'tgewens is noyt versaet.
Soo lang men met de cunst en min-sucht omme-gaet.
Ick soeck de cunst om gunst, om dat ic sou ter degen
Mijn lief haer sin en min tot mywaerts mocht bewegen.
135
Ick vind' my noch alleen; mijn lief die leyt en slaept
Terwijl ic spreeck en speel, en 'tNachtegaeltje gaept.
Ick laet mijn lief in stadt, ic blijf hier buyten dolen,
Ick mael, en dray, en keer, by nae gelijc een molen.
Ick deyse weer te rug, ic laet den
q Nachtegael
140
Vertellen mijne clacht in Zeeusche minnaers tael.
Ick spreeck weer van de cunst, op veelderley manieren,
Op veelderley fatsoen, van menschen, en van dieren,
Va n wat sich
r roert en buygt, en schijn en schaduw geeft,
Dat wert door Schilder-const verthoont als of het leeft.
145
sVeel Princen groot van staet, als die bestaen te vryen,
'tGeschiet al met behulp van goede Schilderyen
Die wel zijn af-gemaelt; op dat de soete sin
Mocht door de Schildery verwecken soete min.
t
Als yemant heeft gesien 'tgebou van Princen hoven,
150
Soo haeft men 'toog verdrayt, soo isset wech
geschoven;
De bergen by het bos die blijven op haer stee;
Diet fray na 'tleven trect, die draget altijt mee.
v
Wanneer Zephyrus blaest op al de schoone blomen,
Tot dat den peerel-dauw daer op begint te comen;
| | | |
155
Soo haest Aurora
#
giet den regen-drop int velt,
Dat wert aen yder een door cunst ten thoon gestelt.
w
De verw van bloem en cruyt is sonderlick te prijsen,
Om dat sy veelderley couleuren connen wijsen,
Die in een Schildery verscheyden dient geset,
160
Op dat het een couleur het ander niet belet.
Men beelt af met de verw van al wat menschen weten,
#
De tijden van het jaer, de dagen en planeten,
De deucht, en ooc ondeucht; al watmen laet of doet,
Dat wijst de stomme cunst in grooten overvloet.
165
xDe Teyken-cunst die dient gedaen van
groote Heeren,
Van Oversten des velts, om haer geweet te leeren;
Een yder Capiteyn te water en te lant
Dient Teyken-weten-cunst te nemen by der hant.
Noch leert de Schilder-cunst Figuer en Platen-snijden,
170
Met hamer en pensoen op gout en silver rijden,
Te schrijven nae de cunst seer luchtich op het glas,
Beelt-snijden in het hout, bootseren in het was:
Is yemant op een werck niet al te seer bedreven,
Hoe cleyn ooc dattet is, 'tzy steken, nayen, weven,
175
Is daer int minste niet de cunste by gevat,
Soo blijfter veel gebreck, daer hapert dit of dat.
Noch heeft men Schilder-cunst by alle oude wijsen
Van ouder eeuwen af altijt seer hooren prijsen;
Al eer men wist van Schrift,
y so troc men so yet wat,
180
'tSy mens, of beest, of vis, of boom, of cruyt, of
blat.
Caracters zijn gemaect, en door de cunst gevonden:
De Letter-const die wert van Schilder-const
gebonden,
Geslingert, en gevlecht, getrocken, en geswiert,
Wanneer de Schilder-const ten deele wert geviert.
| | | |
185
De nutte
z Letter-const doet nimmermeer vergheten,
Sy voet het groot verstant der constigher Poëten,
Terwijl haer hoog verstant so climt, en swiert, en sweeft,
Terwijl de geest, de hant, de pen te schrijven geeft:
Ten ware door de pen, men soude noyt eens weten
190
Wie dat voor onsen tijt de weerelt heeft gesleten;
Waerom dry-dobbel lof de penne moet ontfaen,
Om dat sy eer, en meer, bevrijt voor 'tonder-gaen.
Een goet geleert Poëet can hoogh' en diepe dingen
Op dun en teer pampier in-drucken en uyt-dringen,
195
Soo vast gelijck een muer, soo claer als diamant
Wert helden-lof en cunst door Poësy geplant
O lof, Poëtsche maeght! Goddinne van verstanden!
#
Wie isser dijns gelijck? ey biet toch nu de handen
Aen 'tlichaem van dijn geest, vereent met uwen aert,
200
Vereent met Schilder-const, verdubbeleert en
paert,
De eene Maecht wijst aen, en d'ander geeft de reden;
Alsoo de eene wil, soo doet de gene mede;
Is d'eene heel bedruckt, de ander is bedroeft;
Heeft d'eene geen gebreck, de ander niet behoeft.
205
Poëtsche reden-maecht die gaet inwendich
woelen,
Sy troost, en maect bedroeft; sy brant, en can vercoelen;
Sy heelt, en weder breect; sy quetst, en geeft geen wont;
Sy prijst en somtijts laect op eenen tijt en stont.
Sy can met soet beval uyt-roepen minnaers clachten;
210
Sy raet, en geeft te raen; sy denct, en maect
gedachten;
Sy swijgt, wanneerse spreect: Sy leert door wit en swart,
"Dat seggen sonder doen, niet baert dan smaet en smart.
De tweede is een maecht met bloem-cieraet besteken,
#
Haer aengenaem gesicht en mach hier niet ontbreken;
| | | |
215
Sy wilt, en wert gewilt, sy lacht, en weent, en loct,
Sy soect, en wert gesocht, sy malt, en wert bejoct,
Sy staet, en wert begaen, sy wijst, en wert gewesen,
Sy swiert, al sitse stil, sy prijst, en wert gepresen,
Sy dreygt, en nimmer slaet, sy schreyt, en noyt en sucht,
220
Sy blinct, en heeft geen glans, sy blaest, en geeft
geen lucht,
Sy rijct, en heeft geen reuc, sy groeyt als bloem en
cruyden,
Sy bint memory vast, van gister en van huyden,
Sy spreect al metter hant, sy laet de nijdsche lien
Door goede Schildery haer eyghen feylen sien.
225
Hier is den rechten aert van twee, die door haer
beyden
Met dencken, en met doen, haer wetenschap verspreyden;
Hier isser twee vol geest, en bey gelijck vol kunst,
En bey gelijck van sin, en bey gelijck van gunst.
Waer vintmen haers gelijc? waer vintmen sulcke maechden,
230
Die willen ende doen, al wat haer oyt behaechden?
Waer vintmen sulcken paer, die menich vromen helt
Door Pen en los Penceel haer daden soo vermelt?
Waer vintmen sulcken paer, so grootsich van vermeugen?
Al wat vergeten schijnt, allijckewel doen heugen;
235
Waer vintmen die uyt niet gaen teelen wat een mens
"Verquict, verlust, verlicht, nae wil, en winst, en wens?
Waerom wert Sinne-cunst, sou yder mogen vragen,
Iuyst boven ander cunst soo hooghe voor-gedragen?
"Ick seg om dat den geest daer sonderling in speelt;
240
"Men vint geen dergelijck, soo sin-rijck mee
gedeelt.
Daer is verscheyden cunst die weerdich is te loven,
#
Die juyst niet om een houck en sullen zijn geschoven,
Maer weerdich zijn geheugt: en weerdich dient geacht
Van die, die geen onthou behoeven in haer macht.
| | | |
245
Ic spreeck noch met verlof, men mach het ooc wel
vatten,
Dat vele cunsten zijn maer schriftelicke schatten,
Die deur geseg en schrift geleert wert en gegront;
Een yder weet een cunst stracx op een corten stont.
Maer soete Schilder-const en is soo niet te grijpen;
#
250
Men moet als op een steen de sinnen soetjes slijpen,
En maken die gedwee, bykans gelijck een riet,
Dat lichtelicken buyght met nederich gebiet.
Soo haest de Kool vermoeyt, de Penne gaet ertseeren;
De kennis van de verw, en mengen moetmen leeren,
255
Half wit, half root, half geel, half bruyn, half groen,
half grau,
Half licht, half blau, half paers, half vael, half swart, half
flau;
#
Met dees en dier-gelijck, daer can-men mede malen
Al wat een Cunst-Poët te voor-schijn weet te halen;
Al wat een groot verstant onsienelicken siet,
260
Dat thoont de Schilder-const al offet waer geschiet.
Noch dienter meer geseyt van goede Schilderyen,
#
Hoe dat sy over-treft de Zy-Tapijtseryen:
Het Glinster-gouden-leer, en 'tglimpende geweef
Blijft van de Schilder-const al verre buyten schreef:
265
Och, als Tapijtsery en Leer begint te rotten
#
Door schimmel en door vocht, door-beten van de motten
Dan gaet het heel te niet; eylaes! het wert een slet,
Dat eertijts tot cieraet was van het beste bedt.
Al heeft de Schildery, door veelheyt van de jaren,
#
270
Een bruynicheyt door roock beginnen te vergaren,
Men maectse weder schoon, het wert gelijc het plach;
De mot en vuyle vocht aen d'oly niet vermach.
| | | |
De outheyt van de Cunst doet meest haer weerde
rijsen,
Om dat des meesters doot een oorsaeck is vant prijsen;
275
De cunst die wert verheft, den maker leyt gevelt,
Sijn na-gelaten naem eyst dan het meeste gelt.
Men schildert Schildery, tot yder eens behaghen,
#
Op silver ende gout, en coper dun geslagen,
Dat niet te licht vergaet, en niet te licht bederft,
280
En niet te licht verrot, en niet te licht versterft,
Ten waer door ongeval vant al te seer vervuylen,
Van ongheacht te staen in stanck van morsse kuylen,
Al waer't seer licht vervalt, door onkun van de cunst:
"Daer kennis comt te cort, daer draegme cleyne gunst.
285
Ic spreec weer aen de geen die Schilder-const
beminnen,
Tot voetsel van het oog, tot groeysel van de sinnen;
"Ghy dan oock wie het zy, die Schilder-fauten siet,
#
"Die stelt toch sijn gebaer al oft hem wel geliet.
Men houtet noyt voor goet lichtveerdelick te snappen
290
Van yders cloeck geweet, en ander eygenschappen;
Men hout het niet voor goet, dat yemant nu en dan
Gaet spreken van een ding dat hy noyt doen en can.
Orpheus als die plach te spelen op sijn snaren,
#
Soo deed' hy yder dier terstont by hem vergaren,
295
De boomen zijn verquict, de cruyden zijn verheucht,
Hy trock het woeste wilt tot seden, cunst, en vreucht.
Soo loct de Schilder-const de menschen ende dieren
#
Tot aenghenaem vermaeck, tot seden en manieren,
Door lust en gunst van cunst getrocken en gestiert,
#
300
Als Musa, Schilder-lust, wat mildelick
verciert.
De cunst neemt Pallas aen, de moeder van de seden,
#
De vintster van verstant, de vintster van de reden,
| | | |
De leytster tot de deucht, de stierster tot de
tucht,
De loonster van de eer, en voerster in de lucht.
305
Als eenich wijs verstant sich selven heeft gequeten,
En heeft wat nieus gebaert, van 'tgeen, hy weet te weten,
Door sijn begaefden geest, en reden-rijck verstant,
Dat voert de snelle Faem in menich verre lant:
#
Door Fama wert den lof van alle goede gaven
310
Gedragen in de lucht, bevrijt van het begraven,
Bevrijt van alle nijt, vergetenheyt, en stof;
"De Cunst verwect de Faem, de Faem vermelt
haer lof.
Wat rijckdom ofte schat wil yemant vergelijcken
#
By edel vveten-const, die nimmer can verstrijcken,
315
Iae licht gedragen wert, en moeyelick gevat,
Besloten in het breyn, als weerdelicken schat.
Wert yemant af-gerooft van dieven en van guyten,
#
Heeft yemant sinnen-schat gheen roover crijghter
buyten,
Hoe dat hy voelt en tast, hy crijget noch niet al;
320
"Na rijckdom tracht een dief, geen cunst men noyt
bestal.
Of eenich rijck verstant wat verre wilde reysen,
#
Wat hoeft hy op het gelt en sorge veel te peysen?
"Alomme waermen comt, daer vintmen wel begeert
"Al wat een constich hooft te vooren heeft geleert.
325
De peerden van de son die zijn nu seer verstreken,
Daer sou tot dit geseg noch meerder tijt gebreken.
Al eer den avont-stont my schielick over-valt
Soo spreeck ick van ons lant, en van ons lants
gestalt:
Een lant dat is bedeelt met waters tusschen beyden,
#
330
Dat sich be-oost en be-west gaet vloeyen en
verspreyden
Tot in de groote zee, die dickmaels heftich tiert,
Die met haer volle vloet de weerelt omme swiert.
| | | |
Den souteloosen stroom, en mach haer niet besouten,
#
Noch mach haer met de zee ten minsten niet verstouten
335
Te loopen buyten perck, te drijven buyten streeck.
De zee die vloeyt en ebt ter maent, ter uyr, ter weeck.
D'ongrondelicke zee die leeft vol vreemde dingen,
Vol schobbich vis geswier dat sich geneert met springen,
#
Die uyt den grooten gront sich stijgen nae de lucht
340
Met ysselick gebruys, en vreesselick gherucht.
Den souten kabbel-stroom geeft veel verscheyden gaven,
#
Die smakelicken zijn om menschen mee te laven.
De stralen van de son maect van het water zout,
Daer menich mensch by leeft, en 'tleven by behout.
345
Zout water hout den prijs ver boven ander stroomen,
#
Wie in zout water swemt en hoeft niet veel te
schroomen,
'tZout water maect dat drijft, 'tsoet water sincken doet,
Waer uyt men zout voor laf ten hoochsten prijsen moet.
De zoute milde zee weet rijckdom voort te bringen,
#
350
Geeft peerlen en gesteent', van veel veranderingen;
Geeft hoorens en corael van wonderlicke cracht;
De zee maect somtijts rijc, en neemt ooc yemants macht.
De zee-lucht is gesont, doet yder een wel varen;
#
De zee en heeft geen stanck, noch can geen stanck
vergaren,
355
Daerom ick (met verlof) het zoute Zee-lant
prijs,
En boven ander lant soo grooten eer bewijs.
Wanneer ick plach te gaen aen strant by duyn en dijcken,
Daer ick verscheyde steenen en dorpen conde kijcken,
#
Beplant, beset, begroeyt, bemuert, en vast bewaert,
360
Daer menich lieve paer in liefden sich vergaert,
Daer teel-sucht gaet in swang, en menich wert geboren,
Daer ick een uyt den hoop door liefden heb vercoren:
| | | |
"Waer datmen mint en wint, daer werden landen
groot,
"Daer niemant niet en lieft, eylaes! daer woont de doot.
365
Ick keer nu weer te rug, ick laet het Nachtegaeltje
Al soet, soet, soet, soet, soet, verheffen 'tZeeusche
taeltje:
Ick neme mijnen wech na 't Middelborghs gebou,
#
Daer ick mijn lust, mijn rust, mach soecken sonder rou.
Daer 'savonts 'tmane-licht sich helder gaet vertoonen
370
Ontrent en int gebou daer veel verstanden woonen,
Ick meent int Hooghe-hof daer eycken staen geplant,
#
Daer menich eenich paer gaet praten hant aen hant;
Wanneer de bruyne lucht haer starre-lichte oogen
Recht boven 'tschoon gesticht en toorens gaet vertoogen,
375
Dan sietmen 'tsoet gewoel met haer beproncte leen,
Den groenen Linden-reeck staech gins en weer betreen.
#
Snachts is dat vrye hof een plaetse van het minnen,
Daechs ist vol wijs gevolch van
#hooch-geleerde sinnen;
Het is een Adels plaets, een Opper-hoofden sael,
380
Een setel van het lant, een recht en redens schael.
Wel aen, ick laet het recht en alle wijse Rechters,
Ick laet de opper-macht aen voochden van de
vechters;
#
Ick laet, en ick verlaet, het woelen en bejach
Van mijn gekijck, gevraegh, geclaegh, geschrey, gelach.
385
Ick hou de lust tot cunst, ick staeck de wil vant
willen,
Ick set, en staen verset door wijse vijse grillen;
Ick slape daer ick gae, ick droome van 'tgespoock
Dat ick int water sach, en my dan weder oock.
Ick deyse nae de rust; ick nader nieuwe pijne:
390
Ick soeck en vin altijt, een ander soect het
zijne;
Ick grijp mijn speel-tuych op en nement soo te hoop,
En staken mijn geclach, en tijgen op de loop.
|
aNarcissus, dat is schijn-beminner van het
water, ende is een sone van der Vliet. leest Ovid. 3. boeck
bLuyt-slaen is const en verwect een blijden
geest.
cDe Nymphe Echo is dochter van de
locht ende van de tonghe, ghelijck de Poëten beschrijven, ende can niet
gheschildert werden.
dHet spelen verweckt den Zeeuschen
Nachtegael.
fEyghenschap der stem des
Nachtegaels.
gDe kickvorsen zijn geen Zeeusche
Nachtegalen, maer nachtqualen.
hDen Nachtegael, een Coppelaer.
lSchilder-const maeckt den mensche
verblijdt.
pDe ooghe een foeten aen-locker.
qNachtegael des minnaers
tael-meester.
rSchilder-cunst beelt net leven
naer.
sKunst dienstich tot het
vryen.
tKunst verthoont wat yder ghesien
heeft.
#Aurora is den morgen-stont.
wDe bloemen wijsen het bysonder cieraet der
verwen.
#Cunst beelt af al het ghene dat int
gheweet der menschen is te vinden.
xTeyken-cunst nut voor groote Heeren, ende
Oversten des velts.
ySchilder-const ouder als de
Letter-const.
zLetter-const dienstich voor een yder
een.
#Poësie is den gheest ende ziel van
Schilder-konst.
#Schilder-const is 'tlichaem van de
Poësie.
#Andere cunsten moetmen niet
verachten.
#Schilder-const die wert niet haeft
gheleert.
#Schildery beter als Tapijten, ende Gouden
leer en laken.
#Tapijt vergaet en verrot door vochticheyt
en motten.
#Oude Schildery is waerdiger dan doe sy
nieu was.
#Men schildert op silver ende
gout.
#Niet goet datmen haestich
oordeelt.
#Seden en reden come door cunst. leest
Ovid. 10. boeck.
#Schildery lockt de menschen en
dieren.
#Musa port yder
Cunst-vinder.
#Pallas is wijsheyt die reden geeft tot
vorderinghe van de cunst.
#Fama verbreyt den lof der
cunsten.
#Cunst is nutter als
rijckdom.
#Cunst wert niet ghestolen, maer wel
ontleent.
#Verstant is altijt begeert.
#Soete rivieren houden sich niet ghemeen
met de zee.
#Zee-dieren ende
Walvisschen.
#Gaven der zee voor de
menschen.
#Zout water is beter als
soet.
#De zee is gesont. exempel aen de Visschers
haer gedaente.
#Verscheyden steden in
Zeelant.
#Hooft-stadt Middelburgh.
#* Raets-heeren, Edel-luyden, en Staten
sit-plaets
|
|