Zeeusche Nachtegael


auteur: anoniem Zeeusche Nachtegael


editeur: P.J. Verkruijsse en P.J. Meertens


bron: P.J. Meertens en P.J. Verkruijsse (eds.), Zeeusche Nachtegael en bijgevoegd A. vande Venne Tafereel van Sinne-mal, Drukkerij Verhage & Zoon, Middelburg, 1982  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 150]origineel

Simutandum emendandum.

Bedenckinge op een Schip, van het vvelcke de Schipper het zeyl over slaat, ende aan de kant van de reviere daar het Schip over vaart, riet, ende op het land een toorn of te kercke daar een weer-haan op staat, &c.

 
DEn hemel, end' de lucht verand'ren steeds haar wesen,
 
Na datter koude komt, of hitte op-gheresen;
 
De mensch, die als een aap wil alles volghen naar,
 
Verandert sijnen sin wel thien-maal in een jaar.
5
Hy draeyt sich als een top, end' wend sich als de zeylen
 
Aan dees, of gene syê, end' meynt soo niet te feylen;
 
Is losser als een riet, onseker als de haan
 
Die door 'tgebied des winds dan dus, dan soo moet gaan.
 
Dan wilt hy wesen dit, dan keert hy weêr sijn sinnen,
10
Dan is hy tegens u, dan wilt hy u beminnen;
 
Dan houd hy het met die, dan slaat hy hem niet aan,
 
Dan neemt hy dit geloof, dan laat hy't weder gaan.
 
Maar wilt ghy immers zijn verandert, end' gepresen,
 
Verandert uw gelaat, leght af u sondich wesen;
15
't Verand'ren is niet quaad, wanneer ghy u van quaad,
 
End 'tgeen oneerlick is, bekeert tot beter staat.