Zeeusche Nachtegael


auteur: anoniem Zeeusche Nachtegael


editeur: P.J. Verkruijsse en P.J. Meertens


bron: P.J. Meertens en P.J. Verkruijsse (eds.), Zeeusche Nachtegael en bijgevoegd A. vande Venne Tafereel van Sinne-mal, Drukkerij Verhage & Zoon, Middelburg, 1982  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

Curiosus nemo est qui non sit male volus.

 
STroyt gerste voor een hoen, of wat het liefst sal eten,
 
Noch sal het zijn belust te krabben met sijn poot,
 
End' vint het dan wat goeds dat sal't wel niet eens weten,
 
Maar siet alleenlick aan waar toe de lust hem stoot.
5
O mensche strangh, end' fel, end' al te nauw in't vraghen!
 
Al hebt ghy voor uw hoofd wat anders om te doen,
 
Hier siet ghy hoe een beest in sich uw beeld mach draghen,
 
Ontbloot van alle reên, een onvernuftigh hoen.
 
Wat reden heeft u dit of schijn van haar bevolen,
10
Dat ghy oock selfs een hayr in sessendertigh klijft,
 
End' schravelt om, end' om al 't ghene dat verholen
 
Of in uw buermans huys, of evennaastens blijft,
 
Ist goed, end' soo het sou hem, end' sijn daden prijsen,
 
Dan gaat men't noch voor-by, men soeckt alleen een lack,
15
Men soect maar hoemen magh hem schand, end hoon bewijsen,
 
Vw naaste is een mensch, end' daarom is hy swack.
 
End' dan een vraghert sal noch int gemeen min dooghen
 
Dan daar hy yet van vraaght arghlistich, loos, en schalck.
 
Hoe siet ghy soo een stroo in uwes naastens ooghen,
20
End' in uw eyghen oogh en siet ghy nauw een balck.