|
|
|
| | | | | |
Eer-Liedt Tot de Zeeusche Poëten.
Stemvvijse: Vluchtighe Nymphe &c.
Isser wel een die niet en suft,
Over 't Zeeusche Wijs vernuft,
Dat compt Cijcken, en gaet strijcken
5
Wonder wat wonder worden sal.
Hoordemen oyt in duytse Tael,
Fleuyten soo den Nachtegael,
In ons Eeuwen, als dees Zeeuwen
Die hier schreeuwen, met bescheyt,
10
Wijsselijck en vol leersaemheyt?
Lesende dees Const-ouffning clouck,
Doende Wijsheyts ondersouck:
Sult ghy erven, wel verwerven
En doen sterven, in Zeelant,
15
Misbruyck en het bodt Onverstant.
Geestighe Geesten Woelt soo heen
Naer Parnassi hout u tre'en
Met vermaken, sult ghy naken
20
Helicons berch tot aen den Top.
Cluchtighe Iuffers rijck van eer,
Rijck van Wijsheyt, rijck van meer,
Laet u gaven, niet begraven,
Wilt hant-haven Redens-kunst;
25
Eerende soo u land', uyt gunst.
Lieffelijck Wert u moeyt gheloont,
Constich Wert u hooft ghecroont
Met Laurieren, die u sieren,
Door het swieren, om u hooft
30
(Moghelijck nu van moeyt verslooft.)
Wildy dan niet tot Momus spijt
Prinslijck roupen (wie ghy zijt)
Dat de seden, Wijse reden,
35
Vande Ionck-vrouwen Zijn althans.
|
|
|