De zeventiende eeuw. Jaargang 18


auteur: [tijdschrift] Zeventiende Eeuw, De


bron: De zeventiende eeuw. Jaargang 18. Uitgeverij Verloren, Hilversum 2002


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 115]

Tronies toegeschreven aan Pieter Bruegel Fysionomie en expressie (2)
Jan Muylle

De esthetiek van het lelijke

De prentenreeksen naar Bruegel kwamen zeker tegemoet aan afnemers die behagen schiepen in fysionomische studies. Het was een aangenaam vertier zich ter bevestiging van maatschappelijke vooroordelen te verlustigen in de fysionomie van sociaal lagere, oudere, exotische of afwijkende typen. Het vermakelijke van zulke tronies wordt alleszins gestaafd door de epigrammen onderaan beide gravures van Liefrinck. In een cartouche staat te lezen:

 
Sordida, deformis sic est coniuncta marito.
 
Foemina, quo quaerat quisque sibi similem.1

Het andere onderschrift luidt:

 
Deformes, bone spectator, ne despice vultus.
 
Sic natura homines sic variare solet.2

Deze puntige verzen verduidelijken dat de groteske koppen gewaardeerd werden om het lelijke en het misvormde. Ook het epigram onderaan de prent van Cock bevestigt deze aandacht voor het lelijke:

 
Al ben ick leelijck, ick ben siet plesant.
 
Wilt ghij wel doen houet u aen mijnen kant.

Vermakelijk en van een meer moraliserende strekking zijn de disticha bij de etsen ‘De oude vette man’ en ‘De oude magere vrouw’, gravures uitgegeven door Pieter Aertsen en in 1615 spiegelbeeldig heruitgegeven door Claes Jansz. Visscher. Ook in deze verzen, zeker in het tweede vers dat de vrouw van commentaar voorziet, speelt de esthetiek van het lelijke een rol:

 
Myd wellust soe sal swaerheyt minderen
 
wie deucht bemint mach swaer nit hinderen
[p. 116]
 
Als ghy den geest hebt meyd u van clachten
 
Van schonheyt is klein ehr te wachten.3

Een verwante geesteshouding verklaart waarom Rota zijn grotesk lelijke vrouwen en mannen op ironische wijze superieure kwaliteiten toeschreef en ze bijvoorbeeld goddelijk, mooi en dapper noemde.4 Ook Tempesta bracht zijn grotesk lelijke mannen en vrouwen als Romeinse helden en heldinnen op de markt. Zij zijn ‘bello’, ‘bellissimo’, ‘bellissima’.5 De onderschriften van Liefrinck en Cock en ook de namen gegeven door Rota en Tempesta passen binnen de gangbare opvattingen over het komische en het lachwekkende. ‘Turpitudo’ en ‘deformitas’ gecombineerd met ‘novitas’ en ‘admiratio’, met andere woorden het monsterlijke en het wonderbaarlijk fantastische waren belangrijke elementen van de komedie. Men neemt aan dat ook Leonardo zijn koppels hoofden van oude mannen en vrouwen tekende met een komische intentie.6

In dit verband is wat Willem Goeree in navolging van Leonardo schreef, verhelderend. Ten eerste onderscheidt hij vier voor de ‘Tronie-kunde’ essentiële fysionomische delen van het hoofd:

Het is seker, en wy onderstellen 't ook als een gemeene Waarheyd, dat de meeste veranderlijkheyd der Tronien slegts bestaat in vier opmerkelijke Partyen of gedeelten die een Tronie uytmaken: Namelijk in het Voor-Hoofd, de Neus, de Mond met de Kin: Welke Partyen, wanneerse op zy gesien

[p. 117]

werden, de opmerkelijkste en kenbaarste Trekken uyt leveren; En kanmen de generale Klomp des Hoofds, op zijde, agter en boven, als de vijfde tot de vorige Formen seer wel toevoegen.7

Ten tweede stelt hij dat de ‘varietas’ van deze delen de tronies hun karakteristieken bezorgen. ‘Turpitudo’ en ‘deformitas’ maken ze ongewoon en wekken daarom nieuwsgierigheid op. Dit is komisch of ‘snaaks’:

En alhoewel eenige onder die, aan sommige Vremd, Vies, Snaax en ongemeen mogen schijnen, egter meenen wy dat ons de meeste Beschouwers sullen moeten toestaan, datse nu en dan wel sulke Sweemsels van Tronien in't Leven hebben waargenomen; ja datter onder hen goede bekende noch wel eenige zijn, diese daar aan souden weten t'huys te brengen.8

Ten derde schrijft hij dat de kunstenaar vieze snakerijen bekomt door eerst tronies te observeren, ze te memoriseren en ze pas dan met behulp van het ingeoefende schema te tekenen:

Wanneer nu een vast Teykenaar de Schets deser Tronie-Geslagten eenmaal op sekere wijse sijn geheugnis heeft ingedrukt; En hy vind gelegentheyd om ymand dien hy maar eens gesien heeft, te verbeelden, dat is te Konterfeyten, soo moet hy door een kragtige Inbeelding, alles dat hem van den begeerden Mensch sijn Swemingh en opsigt, in sijn Gedagten speeld, wel Erinneren, en Levendig te voren brengen; En dat tot aan het Sweemsel van d'een of d'ander Tronie, of Model over brengen; En soeken in welke soort of Model, d'algemeene Schets meest met sijn Gedagten over een stemd, en merkelijk gestijfd en geholpen, of tot de gelijkenis van sijn denk-Beeld gebragt werd. Dat moetmen tot de bysondere trek des Voor-Hoofds, Neus en Mond en Kin overslag maken, en letten in wat Trap van Sweming sijn beschoude Voor-beelden met die van de ingebeelde Sweming de meeste gelijkenis hebben. In welk doen men sekerlijk sal ontwaar werden, datmen de middel in de Hand heeft, om dat volgens een sekeren Regel te doen.9

Dat Liefrinck met zijn gravures een cliënteel op het oog had dat humanistische pretenties koesterde, blijkt uit zijn gebruik van het Latijn. Dit geldt waarschijnlijk ook voor de prent van Cock en voor de prentenreeksen toegeschreven aan Bruegel. Hierover verder meer.

Tronies in modelboeken en als studiemateriaal

Indien de toeschrijving aan Bruegel gehandhaaft blijft, dan moet de vraag gesteld worden waarom hij zich de moeite getroostte tweeënzeventig tronies te ontwerpen. Som-

[p. 118]

mige groteske hoofden van Leonardo zijn resten, al dan niet gekopieerd, van een verdwenen modelboek en sluiten aan bij een verdwenen tractaat over de expressie.10 Waren de tekeningen met tronies van Bruegel bestemd voor een gelijkaardig modelboek? Getekende resten van een modelboek met expressieve hoofden van Bruegel zijn er niet.11 Sommige geschilderde tronies van Bruegel versterken wel degelijk de hypothese dat de kunstenaar zich inderdaad met fysionomische studies heeft ingelaten. Het paneeltje ‘Kop van een oude boerin’, het ovalen paneeltje ‘De gaper’ en enkele kleine tondo's met tronies toegeschreven aan Bruegel of aan zijn zoon Pieter de Jonge zijn zeker geen portretten van individuen, maar eerder de resultaten van fysionomische waarnemingen (afb. 1).12 In dit verband rijst terecht de vraag of deze hoofden niet pas hun betekenis kregen in onmiddellijke samenhang met een pendant, zodat de paarsgewijze juxtapositie aanwijsbaar in de prenten ook hier van fundamenteel belang was.13 Ten-

[p. 119]

minste een paar geschilderde tronies in driekwart toegeschreven aan Pieter Bruegel is bewaard gebleven, een landsknecht en een vrouwentronie die erg veel gelijkt op de vrouw op blad 33 van de Doetecum/Visscher-prentenreeks.14 Dat de verdwenen originele tekeningen aan Bruegel mogen worden toegeschreven en zijn naam niet louter om verkoopstechnische redenen als merknaam gebruikt is, lijkt in het licht van het voorgaande wel erg waarschijnlijk. Een overtuigend alternatief is er niet.

Terug verder over de afnemers van de prentenreeksen op naam van Bruegel. Enkele zijn ondertussen bekend, de graveur en kalligraaf Cornelis Boissens (1622) en Johannes Thysius (1650), beiden woonachtig in Leiden. Vanzelfsprekend moet de verspreiding veel ruimer zijn geweest. Kunstenaars zoals Boissens moeten onge-

illustratie

Afb. 1. Toegeschreven aan Pieter Bruegel, ‘De gaper’ (Brussel, Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België).


[p. 120]



illustratie

Afb. 2. Anoniem, achttiende eeuw (Nederlanden), ‘Hoofden’ naar blad 4 van de Doetecum/Visscher-reeks (Stedelijk Prentenkabinet Antwerpen).




illustratie
Afb. 3. Anoniem, achttiende eeuw (Nederlanden), ‘Hoofden’ naar blad 25 van de Doetecum/Visscher-reeks (Stedelijk Prentenkabinet Antwerpen).


twijfeld een bijzonder geïnteresseerde groep kandidaat-kopers zijn geweest. Zij konden zoals Johannes Thysius een ‘libro’ met voorbeelden samenstellen en zich zo een oefenschema eigen maken. Zoals Cock en Liefrinck fysionomische studies van Leonardo hergebruikten, leert de manier waarop de Doetecum-serie in 1642 in een spiegelbeeldige, ingekorte en aangepaste versie op naam van Brouwer verscheen, hoe vrij uitgevers en graveurs met de oorspronkelijke voorbeelden en het auteurschap omsprongen.

Betekent dit dat de prentenreeksen op Bruegels naam in schildersateliers als studiemateriaal circuleerden, zoals eerder ook de prent van Agostino Veneziano naar een tekening van Leonardo circuleerde in het bedrijf van Cock? Zijn deze prentenreeksen door andere kunstenaars effectief gebruikt als fysionomisch studiemateriaal? Brachten zij andere kunstenaars het inzicht bij dat de natuur de nodige ‘varietas’ vertoont, ook de fysionomie van het lelijke en het misvormde?15 Deze vragen kunnen bevestigend beantwoord worden, aangezien twee anonieme achttiende-eeuwse studietekeningen naar

[p. 121]



illustratie

Afb. 4. Abraham Bloemaert, ‘De oude vrouw’ (Stockholm, Nationalmuseum).




illustratie
Afb. 5. Abraham Bloemaert, ‘De oude man’ (Stockholm, Nationalmuseum).


de bladen 4 en 25 van de Visscher-reeks bewaard gebleven zijn (afb. 2, 3).16 Ter vergelijking kan worden vermeld dat zeven Diverse tronikens geets van J.L. (Jan Lievens) rond 1635 circuleerden in het atelier van Rembrandt.17

Het op klein formaat geschilderde tweetal tronies bestond zeker in de zestiende en zeventiende eeuw als een schilderkunstige werkcategorie.18 Uit het voorgaande blijkt dat de twee tronies van Metsijs een vroeg voorbeeld vormden en dat sommige hoof-

[p. 122]



illustratie

Afb. 6. Adriaen Brouwer, ‘Vrouw met een hond’ (New York, The Metropolitan Museum of Art. The Friedsam Collection, Bequest of Michael Friedsam, 1931).


den toegeschreven Bruegel in dit opzicht opnieuw geherinterpreteerd kunnen worden. Ook in de omgeving van Maarten van Cleve en Pieter Baltens is deze werkcategorie beoefend.19 In Utrecht schilderde Abraham Bloemaert twee dozijn tronies ‘naer 't leven’, hoofden van oude mannen en vrouwen die naar elkaar zijn toegekeerd (1632-1641). Onder deze hoofden zijn er tenminste drie gepaarde koppels die elkaars pendanten zijn. Het voorkomen van deze hoofden dat moeilijk verklaard kan worden, en hun aard die bestempeld is als moeilijk te omschrijven,20 passen wellicht het best bin-

[p. 123]



illustratie

Afb. 7. Adriaen Brouwer, ‘Man met een vogel’ (New York, The Metropolitan Museum of Art. The Friedsam Collection, Bequest of Michael Friedsam, 1931).


nen de hier geschetste genologische context.21 In vergelijking met de reeds vermelde tronies is vanuit een fysionomisch standpunt vooral de minzaamheid van Bloemaerts hoofden opvallend (afb. 4, 5).

Adriaen Brouwer volgde zeker de Bruegeltraditie met enkele tronies op ovalen paneeltjes. Sommige waren elkaars pendanten, zoals ‘De boerin vlooit een hond’ en ‘De boer met een vogel’ (afb. 6, 7).22 Al dan niet door bemiddeling van Brouwer sloot ook

[p. 124]



illustratie

Afb. 8. Adriaen van Ostade, ‘De oude vrouw’ (Rotterdam, Museum Boymans van Beuningen).


Adriaen van Ostade zich aan bij de Bruegeltraditie toen hij in 1642 - het jaar waarin de spiegelbeeldige Hondius-editie verscheen - twee ovalen paneeltjes schilderde, ‘Tronie van een boerin’ en ‘Tronie van een boer’. Het eerste hoofd is naar rechts gewend. Het tweede hoofd is naar links gekeerd. Ook deze schilderijtjes typeren de karakters met hun overtuigende gelaatsexpressie (afb. 8, 9).23 Het ovaal of ‘schuynsrondeke’ schijnt als formaat blijkbaar een zekere voorkeur te hebben genoten bij de het weergeven van fysionomische types. ‘De gaper’ toegeschreven aan Bruegel of aan zijn zoon Pieter bezit deze vorm.24 Ook de tronies van de prentenreeksen uitgegeven door Hon-

[p. 125]



illustratie

Afb. 9. Adriaen van Ostade, ‘De oude man’ (Rotterdam, Museum Boymans van Beuningen).


dius en Visscher zijn gevat binnen een ovalen omlijsting.25 Dit geldt eveneens voor de groteske helden van Tempesta. In sommige ‘quod libet’-schilderijen komen niet alleen ovaalvormige portretminiaturen, genrestukjes en -prenten voor, maar ook ovaalvormige schilderijtjes met boertige fysionomieën.26 Nog in de achttiende- en negentiendeeeuwse grafiek zijn tronies naar Brouwer gevat in ovalen lijsten.27

Het loont zeker de moeite ook het tekenoeuvre van deze en andere kunstenaars te onderzoeken om na te gaan of ook zij geen fysionomische tekeningen gemaakt heb-

[p. 126]



illustratie

Afb. 10. (boven) Hendrick Goltzius, ‘Hoofden van een jonge vrouw en een man’ (Dresden, Staatliche Kunstsammlungen, Kupferstich-Kabinett).




illustratie
Afb. 11. (links) Adriaen Brouwer, ‘Tronie’ (Stockholm, Nationalmuseum).


[p. 127]



illustratie

Afb. 12. David Teniers d.J., ‘Twee boeren halflijfs’ (Parijs, Institut Néerlandais, Fondation Custodia. Coll. F. Lugt).


ben en eventueel ook gebruik gemaakt hebben van het getraceerde beeldschema. Het is duidelijk dat verder onderzoek in deze richting belangwekkende resultaten kan opleveren.28 Hendrick Goltzius tekende een merkwaardige schets met twee tronies, links een schoon vrouwenhoofd in kwartprofiel, rechts een eerder fantastisch en lelijk mannenhoofd in profiel (1607) (afb. 10).29

Van Brouwers hand zijn er enkele tekeningen bewaard die het bestaan laten vermoeden van een studieboek met hoofden. Deze tekeningen tonen een of twee tronies en

[p. 128]



illustratie

Afb. 13. Adriaen Van Ostade, ‘Tronie van een oude man’ (Londen, © British Museum, Department of Prints and Drawings).


zijn wellicht uit een groter schetsboek gesneden. De omlijstingen romdom de tronies duiden aan dat het gaat om studies van hoofden als een aparte werkcategorie. Deze tekeningen zijn best vergelijkbaar met de afzonderlijke boerentronies die Brouwer als een vorm van goedkope wanddecoratie weergaf op de muren van sommige van zijn kroeginterieurs.30 Door het schetsmatige karakter van de tekeningen is het echter niet zo voor de hand liggend te gewagen van fysionomische studies (afb. 11).

David Teniers de Jonge liet drie schetsen met fysionomieën van oude boeren na, half-

[p. 129]



illustratie

Afb. 14. Adriaen van Ostade, ‘Tronie van een oude vrouw’ (New York, The Pierpont Morgan Library).


lijfse figuren, wellicht naar de natuur. Hun gemoedsbewegingen zijn overtuigend getypeerd. In profiel, in driekwart en in vooraanzicht slaagde Teniers erin ouderdom, karakter en stemming uit te drukken. In een van deze tekeningen wist hij twee halflijfse figuren binnen een ovalen beeldveld te verenigen. Het monogram binnen en het jaartal boven dit beeldveld wijst erop dat de kunstenaar deze tekening beschouwde als een uitgewerkte studie (afb. 12).31

In het corpus getekende figuurstudies van Adriaen van Ostade zijn er enkele waarin hij zich concentreerde op de studie van het hoofd. Van betekenis in deze context zijn drie studies van een norse, oude man in verschillende standen, waarvan een in profiel, en verder twee studies van een oude boerin, eveneens een in profiel. Deze voor Van Ostade uitzonderlijke werkvorm wettigt de veronderstelling dat het om autonome, fysionomische studies ging. Hij schijnt ze niet gemaakt te hebben in functie van zijn schilderkunst (afb. 13, 14).32 De thematiek en de opvallende variatie van de hoofdstan-

[p. 130]



illustratie

Afb. 15. Naar Adriaen van Ostade, ‘Zaamenspraak tussen Man en Vrouw’ in Het Vermaaklyk buitenleven, Haarlem, 1716 (Den Haag, Koninklijke Bibliotheek.


den sluiten naadloos aan bij de tronies op naam van Bruegel. Van Van Ostade's hand moeten verder twee kleine etsen ‘De tronie van een lachende boer’ en ‘De tronie van een boerin’ worden vermeld (rond 1650-1652). Eén staat verenigt beide prenten, zodat beide tronies paarsgewijs tegenover elkaar geplaatst zijn. Sterk gelijkende tronies op een tekening en een gouache met een ‘Kroegtafereel’ kunnen erop wijzen dat de kunstenaar deze fysionomische karakters beschouwde als gebonden aan bijzondere situaties en bezigheden.33

Het is opvallend dat deze twee etsen onder de titel ‘Zaamenspraak tussen Man en Vrouw’ zijn opgenomen in het Haarlemse liedboek Het vermaaklyk buitenleven, of De zingende en speelende boerenvreugd (Haarlem 1716), een liedbundel waarin nog andere et-

[p. 131]

sen van Van Ostade gebruikt zijn als onderwerpen voor de komische liederen (afb. 15).34 De juxtapositie van de beide hoofden gaf aanleiding tot een kluchtige conversatie. De vrouw verwijt haar echtgenoot dat ze arm is. Zij verwijt zichzelf ooit met hem te zijn gehuwd. Haar man beklaagt zich over haar gezeur.

Een kluchtig-komische zedenspiegel

De kluchtige toon van het Haarlemse liedboek lijkt op de toon van de verzen in de derde editie van de Doetecum/Visscher-prentenreeks (1658). De titel van deze uitgave, Toonneel des Wereldts Ontdeckende De Ongestuymigheden en Ydelheden in woorden ende wercken deser verdorvene Eeuwe (zie de bijlage hierachter), leert dat deze bundel de menselijke dwaasheid wenst te ontmaskeren. De schertsnamen en de zesregelige verzen bij elk hoofd die telkens onder de corresponderende schertsnaam op de verso-zijde van het blad tegenover het betreffende paar hoofden staan afgedrukt, zijn in wezen veeleer vermakelijk, kortom komisch en kluchtig van aard.35 Deze uitgave past op deze wijze binnen de traditie van de groteske hoofden met puntige verzen zoals gedrukt door Liefrinck en Cock. De auteur van de zesregelige verzen is onbekend. Toch zijn ze in menig opzicht merkwaardig, en dit niet alleen omwille van de parallellen met het achttiende-eeuwse herbruik van Van Ostades etsen in een kluchtig liedboek.

Twee passages in de verzen bevestigen Bruegels auteurschap van de oorspronkelijke tekeningen zoals aangegeven op de frontispice. De lezer wordt aan dit auteurschap terloops herinnerd in het vers bij de tronie van ‘Dirck Domp’ (blad 5vo):

 
By die volmaecktheydt is mijn Trony soo ghefronst,
 
Dat sy verwond'ringh baerdt in Breugels Teecken-konst.

Aan het slot wordt het auteurschap opnieuw vermeld (blad 35vo):

 
In dit Beeld is 't al volkomen,
 
Zeedigheydt der Vrouwen deughd.
 
Min, en Vriendtschap, Trouw en Vreughd.
 
Neerstigheydt, de Kroon der vromen.
 
Danck heb BREUGEL voor sijn vlijt,
 
Ons, door VISSCHER, toe-ghewijt.
[p. 132]

Het lijkt wel wat voorbarig hieruit af te leiden dat Visscher inderdaad de originele tekeningen van Bruegel kende, zoals aangegeven op de titelpagina.

Opvallend is dat Bruegels naam in deze passages telkens wordt genoemd in samenhang met de fysionomische kwaliteiten van de tronies. Dit zet uiteraard de interpretatie van deze hoofden als fysionomische studies kracht bij. De al door Leonardo genoemde fysionomisch vier belangrijkste delen van het gelaat, voorhoofd, neus, mond en kin, trokken de aandacht van de dichter. Over helleveeg ‘Aecht Sonder-Ziel’ klinkt het (blad 23vo):

 
Wat vond de Konst al wercks in dat parmantigh Back-huys!
 
De Kin vertoont volmaeckt het Stuytje van een Hoen.
 
De Neus hanght op de Mondt ghelijck een Boere Kack-huys.
 
Het Voor-hooft is ghefronst. Het naar ghesicht staet hel.
 
In 't kort, dit is de Schets van een volkome Hel.

Het berijmde commentaar bij het laatste blad is ondubbelzinnig. De tronie van ‘Schonckje Wel-bedocht’ of ‘Ik schenk je deze goede inventie’ is wonderlijk expressief (blad 35vo):

 
Hier vertoont de Konst heur krachten,
 
In de Schets van Neus, en Mondt,
 
En al 't geen oyt geestigh stondt.
 
Ja men siet 'er de ghedachten
 
Wonder aerdigh uyt-ghedruckt.
 
Zelden Meester 't soo gheluckt.

Deze tronies bezitten een verbazingwekkende expressie dankzij de trefzekere weergave van de belangrijkste gelaatsdelen.36 Goeree dacht een dertigtal jaar later nog in dezelfde zin over de ‘Troost-kunde’.

Uitgezonderd de verzen nrs. 19, 24, 31, 35 en 36 is elk vers zo opgesteld dat iedere tronie zichzelf voorstelt. Elk vers, behalve de gedichten bij ‘Hans Onverzaeght’ en ‘Koen Slock-speck’ (blad 2vo), koppelt impliciet of expliciet de paarsgewijs gerangschikte hoofden. Zij vormen letterlijk en figuurlijk paren, en wel zo dat meestal openlijk gezinspeeld wordt op een sexuele band binnen of buiten een huwelijksrelatie; zij zijn aan elkaar gepaard. Is de natuurgetrouwe imitatie van lelijke en misvormde tronies - ‘Hier toont de Konst het Beeld van volle leelijckheydt’ (blad 20vo), ‘Heertje Al-temooy’ (blad 24), ‘'t Moye Molletje’ (blad 35) - op zich lachwekkend, dan versterkt de sexueel-erotische interpretatie de komische werking. De ouderen, de moren en de wilden worden gedreven door wellust. Bondig samengevat: ‘Elck soeckt naer sijns ghelijck. Het vuyl voegh by het vuyl’ (blad 7vo), bijna een vrije vertaling van het puntdicht bij een van Liefrincks prenten. In een mezzotint van Cornelis Dusart met de voorstelling

[p. 133]

van een Oostindiëvaarder en een prostituée als minnekozend paar werd dit: ‘Gelyk van aart, is wel gepaart’.37 De komiek van het converserende paar in het Haarlemse liedboek van 1716 stoelt op een zelfde idee.38 Misschien omwille van deze sexueel-erotische ondertoon kleefde Johannes Thysius omstreeks 1650 een exemplaar van de Doetecum/Visscher-reeks die nog niet voorzien was van schertsnamen en verzen, in zijn album Snaeckeryen van brugel en andere met vooral komische en erotische genreprenten.

De verzen van de Doetecum/Visscher-reeks houden de kijker-lezer een kluchtigkomische zedenspiegel voor met betrekking tot het huwelijksgeluk. De negatieve exempelen overheersen. Ondeugden leiden tot verderf en een ongelukkige ouderdom. Ook de nog jeugdige zwarten en de wilde, ‘Woud-aep’, leiden een ontuchtig leven (bladen 33vo-34vo). Ondeugden die telkens opnieuw ter sprake komen zijn luiheid, geldverkwisting, goklust, woeker, oplichting, bedelarij, roddel, spot, bedrog, wraat- en zwelgzucht, ongelijke liefde, dominatie van de vrouw, vrouwenlopen, prostitutie, bordeelbezoek, pooierschap, overspel, geveinsde kuisheid en valse vroomheid. De schaarse positieve exempelen leren dat de man moet werken en de vrouw moet sparen: ‘Het winnen voeght de man, het sparen past de Vrou’ (blad 32vo). Beiden moeten elkaar trouw blijven en een deugdzaam leven lijden. Dit waarborgt een rustige oude dag (blad 8vo, 32vo). Gelukkig zij die tijdig tot inkeer komen. Hun gave fysionomie weerspiegelt op deterministische wijze hun prijzenswaardige ethiek (blad 24vo). Vandaar het slotvers over ‘Pronckje Heel-volmaeckt’ (blad 35vo):

[p. 134]



illustratie

Afb. 16. John Overton naar Leonardo da Vinci, ‘Ongelijke geliefden’ ‘come gentle friend salute my bride...’ (The Elmer Belt Library of Vinciana. Graphics Collection. UCLA Arts Library).


 
In dit Beeld is 't al volkomen,
 
Zeedigheydt der Vrouwen deughd.
 
Min, en Vriendtschap, Trouw en Vreughd.
 
Neerstigheydt, de Kroon der vromen.

Het is dan ook begrijpelijk dat in ten minste een staat van de derde uitgave van de Doetecum/Visscher-reeks de titelpagina nog wordt voorafgegaan door de anomieme gravure De Scharenslijper naar Adriaen van de Venne (1623).39 De oneerlijke zwerver wil, terwijl de burgers afstandelijk toekijken, de al te botte boeren van hun domheid afhelpen.

[p. 135]

Enkele andere voorbeelden bevestigen hoe in de zeventiende en achttiende eeuw klucht en satire verbonden bleven met paarsgewijs gekoppelde tronies. Tussen 1669 en 1707 publiceerde John Overton, die in Londen Wenzel Hollars Divers anticke faces naar Leonardo op de markt bracht,40 een anonieme gravure met als onderwerp ‘De ongelijke liefde’ naar een verloren tekening toegeschreven aan Leonardo (afb. 16). Alles wijst erop dat Leonardo dit thema leerde kennen door de spiegelbeeldige gravures die Israhel van Meckenem maakte naar een paar prenten van de Hausbuch-Meester (rond 1480-1490). Hij ontdeed ze van hun moraliserende betekenis en bewerkte ze in functie van zijn fysionomische interesse. Dit thema past, hoewel verwant,41 niet volledig binnen de hier bestudeerde typus die immers gelijken aan elkaar koppelt. Toch is de gravure van Overton belangwekkend, omdat ze voorzien is van een boers kluchtig vers waarvan de toon overeenkomt met deze van de verzen bij de tronies toegeschreven aan Bruegel. De jonge minnaar spreekt niet tot zijn oude geliefde, maar richt zich tot de kijker. Verblind door hebzucht vraagt hij zijn publiek de oude vrouw te bewonderen, ook al beschrijft hij uitvoerig haar tekorten en misvormingen. Haar huid is getaand. Door haar gerafelde kleren pronken haar varkensachtige borsten; haar nek gelijkt op een varkenspoot. Zij is nog lelijker dan een zigeuner, een zwarte moor of een hoer. Misschien is ze gek, maar haar geld is mooi:

 
Come gentle Friend Salute my Bride
 
her Skin is like a well tan'd Hide
 
And see how through her Cobweb lawne,
 
her Dugs like Porke shew, neck like Brawne:
 
Shee's Crooked, lame, shee's old, shee's tough,
 
yet mony makes her faire inough
 
Noe Gibsye nor noe Blackamoore
 
noe Bloomsebeerry nor Turnbull whoore
 
That halfe so ugly can appeare
 
as I have chose to be my Deare
 
Yett for all that I doe not care
 
though she is fowle her mony is faire.42

Omstreeks 1800-1820 maakte Carlo Lasinio nog tien gekleurde aquaforte's Caricature naar groteske hoofden van Leonardo (afb. 17). Ook nu was de paarsgewijze juxtapositie van mannelijke en vrouwelijke halfbustes aanleiding tot het schrijven van kluchtig commentaar. Sommige kwatrijnen spreken uitdrukkelijk over het lelijke en misvorm-

[p. 136]



illustratie

Afb. 17. Carlo Lasinio, ‘Caricature’ ‘Mi è venuto in pensier...’ (Milaan, Civica Raccolta delle Stampe Achille Bertarelli).


de, maar al bij al komische karakter van de figuren die elkaar op groteske manier hun liefde betuigen. Echo's van het fysionomisch denken klinken na, wanneer de dichter bijvoorbeeld schrijft:

 
Mi è venuto in pensier di farmi fare,
 
O mio marito un vago ritrattino
 
Perchè voglio à miei posteri lasciare
 
Il modello del mento, e del nasino.
[p. 137]



illustratie

Afb. 18. Louis-Léopold Boilly, ‘Têtes d'expression’ (© Musée des Beaux-Arts de Tourcoing).


Ook op de esthetiek van het lelijke wordt gezinspeeld.43

Rond die tijd schilderde Louis-Léopold Boilly een Réunion de trente-cinq têtes d'expression caricature et de physionomie des plus variées. Le rire, la tristesse, l'admiration, le dédain, l'ironie et en général toute la mobilité du visage selon les caractères, la condition, l'âge et la conformation des individus (afb. 18).44 Hij bracht op een klein paneel tweeëndertig karikaturale tronies samen, gegroepeerd rondom zichzelf en zijn vrouw. De kunstenaar maakt zijn glimlachende echtgenote schertsend attent op zijn vader die tussen hen beiden in tranen uitbarst. Binnen de context van een reeks fysionomische studies levert dit jonge koppel amusant commentaar over de expressie van de oude bedroefde vader. Ook dit paar, portret en zelfportret, respectievelijk links en rechts van het portret van de vader, kan omwille van de karikaturale overdrijving begrepen worden als een weerklank van een typus die drie eeuwen eerder met Leonardo was opgekomen. Het succes van Boilly's zesennegentig-delige serie gekleurde lithografieën Grimaces (1823-1828) kan slechts verklaard worden in het licht van het toenmalige succes van de fysionomie als wetenschap en als vermakelijk amusement. Deze litho's tonen vijf, zelden vier of zes hoofden

[p. 138]

per blad. Boilly groepeerde deze hoofden thematisch of volgens fysionomische kenmerken. Tot de eerste soort behoren onderwerpen als ‘geneesheren’ of ‘brillendragers’. Tot de tweede soort behoren ‘De snorren’ of ‘De dikke neuzen’. Ook contrastwerking was een criterium om deze tronies samen te brengen. De onderste figuur is als buste weergegeven. Achter deze buste zijn de andere hoofden opgestapeld. Deze buste wordt zo als het ware omlijst door de overige fysionomieën.45 Opmerkelijk is dat dit schema een echo is van het schema dat ook Leonardo ontwikkeld had in zijn befaamde studieblad ‘De vijf hoofden’ (rond 1494).46

Besluit

In dezelfde periode dat op het Prater in Wenen Messerschmidts ‘Charakterköpfe’ als ‘sprekende beelden’ voor publiek vermaak zorgden en zo de bezwerende kracht die ze privatim voor hun maker oorspronkelijk hadden, gerelativeerd werd, in dezelfde periode dat Lavater met zijn fysionomieleer succes kende en Gall zijn craniologisch onderzoeksprogramma uitvoerde, bracht Lasinio met zijn Caricature lachwekkende ‘sprekende gelijkenissen’ naar Leonardo ten tonele. Boilly's ‘têtes d'expression’ en ‘grimaces’ zijn een meer oorspronkelijke echo van Leonardo's fysionomische studies. Aan het spanningsveld uitgezet door Leonardo, Lavater en Gall, aan het spanningsveld uitgezet door Leonardo, Messerschmidt, Lasinio en Boilly ontlenen de fysionomische hoofden van de prentenreeksen naar Bruegel, dit kluchtige Toonneel des Wereldts, hun betekenis. Het beeldschema of de typus van de paarsgewijze koppeling van gelijken, meestal een oude boerse man en een oude boerse vrouw, is dankzij de prentenreeksen toegeschreven aan Bruegel in de zeventiende-eeuwse Nederlandse schilder-, teken- en prentkunst duidelijk te traceren. Toekomstig onderzoek zal de verworven inzichten ongetwijfeld nuanceren. Zo is het duidelijk dat binnen deze werkcategorie de fysionomische expressie van groteske hoofden anders van opzet is dan de fysionomische expressie van minzame ouderen zoals Bloemaert die met veel liefde en empathie schilderde. De ovaaltjes van Bruegel, Brouwer en Van Ostade bezitten een andere betekenis dan de ovaaltjes van Dou of Van Mieris, een betekenis die weliswaar altijd binnen het bereik blijft van de fysionomische expressie. Aangenaam om naar te kijken, vermakelijk, komisch, soms kluchtig waren vele van deze tronies ongetwijfeld. Moralisatie en lering waren blijkbaar niet echt belangrijk, wat uiteraard niet verhindert dat eventuele moraliserende beschouwingen gegenereerd konden worden in hoofde van de toeschouwer. Dit verklaart zeer waarschijnlijk waarom bijvoorbeeld een geschilderd ovaaltje met de buste van een man die een beurs vasthoudt, een werk van Brouwer, eens gedrukt in prent de benaming ‘Avaritia’ kreeg toebedeeld. Deze benaming is vervolgens in de kunsthistori-

[p. 139]

sche literatuur overgenomen voor het benoemen van het paneeltje zelf en leidde tot een speurtocht naar Ondeugden-reeksen in Brouwers schilderijencatalogus.47 Tronies van types zijn eerst en vooral te beschouwen als een zoektocht naar de weergave van fysionomie en expressie binnen een kluchtig-komische context.

Abstract - It is assumed that in 1564 or 1565, Joannes and Lucas van Doetecum may have engraved seventy-two heads formerly attributed to Pieter Bruegel. This series, which was still being reprinted in the seventeenth century, forms the cornerstone of a study that aims at a better understanding of the notion ‘tronie’, i.e. the characteristic representation of the head of a certain type. This study also attempts to interpret this kind of heads as a specific ‘typus’ in painting, drawing and graphics. This implies a historic sketch of this ‘typus’.
[p. 140]

Bijlage

Toonneel des Wereldts Ontdeckende De Ongestuymigheden en Ydelheden in woorden ende wercken deser verdorvene Eeuwe, op-gepronckt met aerdige en zin-rijcke Versen, benevens twee-en-tseventigh snaeckse Tronjen, getekent door den Konstigen Schilder P. Breugel. En seer net in 't Coper ghesneden door C.J. Visscher. Gedruckt tot Weesp, by Albert Elias van Panhuysen, woonende in de Marcus-straet. Anno 1658.

1. Susanna Smuls.
 
Ick ben Susanna Smuls, en d'eerste Vrouw van 't Gild
 
Der Licke-potten, uyt een vruchtb're Stam ghesprooten.
 
Mijn Jeughd brocht menigh Quant, door loosheydt, op het Wild.
 
Mijn Mondt te Soen-sieck was. Mijn Schoot-gat noyt gheslooten.
 
Nu is mijn speel-tijdt uyt; des dien ick Venus Rot,
 
Voor Opper-maeck'lares, om d'ed'le Licke-pot.
Leuye Joost.
 
Men noemt my Leuye Joost; want wercken dientme niet;
 
Des paerd' ick met Susan, die voor-raet weet te rapen,
 
Terwijl ick door de Keel een lecker tooghjen giet,
 
Of tot de middagh legh te roncken en te slapen.
 
Of onse Buert wat snapt; mijn Ooren zijn verdooft.
 
Een leuy, en lecker Mensch gaet met een bord voor 't Hooft.
2. Beleefde Goossen.
 
Beleefde Goossen is mijn Bent-naem, datje 't weet,
 
Om dat ick beestelijck den Cortisaen kan speelen.
 
Een ander sloove vry, om 't kostjen, dat hy sweet,
 
Ick weet het tusschen Neus, en Lippen wegh te steelen.
 
En sonder dat ick my, voor Strop of Galgh ontset.
 
Het Troef-spel is mijn Hoeck, het Ticktack-bord mijn Net.
Prijne Lecker-tants.
 
Terwijl mijn trouwe Man de gladde Kaert verschiet,
 
En volle Beursen leeght, van d'een, of d'and're Joncker,
 
Voegh ick my op den tril met Mag're Lijs, of Griet,
 
En schiet Huys-mossen, in de Vincke-buert by 't doncker.
 
Dus staeppelen wy vast de schijven op 'er kant.
 
De Spin-rock is maer wind, by d'ed'le Bedel-mant.
3. Hans Onverzaeght.
 
Ick ben te Domburgh baes wanneer de Veedel klinckt.
 
Geen Boer durft my aen boord als 't Ruyntje van de stal is.
 
Wanneer Hans Onverzaeght maer met sijn ooghen winckt,
 
Dan sit al 't goore goet te kijcken of het mal is.
 
Geen Kroegh, gheen Kuf, gheen Kot of 't gheeft my jaerlijcks Tol.
 
'k Ben Opper-hoere-vooghd, en een verkeerde Pol.
Koen Slock-speck.
 
Myn hongherighe Maegh is altijdt even leegh,
 
Een Ham van derthien pond kan Slock-speck niet verbasen.
 
Een Pul van seven stoop die licht my met een veegh.
 
En spoelt, met klare Wijn, daer na, noch neghen glasen.
 
Wat duncktje Veeghde-pot, van sulck een kloecke Gast,
 
Uw' Rugh is voor de Roê, dat Keeltje voor de Bast.
[p. 141]
4. Joris Ysegrim.
 
Beschouw mijn Trony wel, 'k ben Joris Ysegrim;
 
Een Man van wetenschap, om 't huys in roer te stellen.
 
Dan staet mijn Wijf de Neus, en dan de Mondt te slim:
 
Des schuer ick haer de Kin met zeep en snotte-bellen,
 
Of beuck mijn stock-visch op 'er Ribben dat het kraeckt,
 
Op datse, door het Cruys, haest in den Hemel raeckt.
Quastighe Jopje.
 
'k Was in mijn groene jeught ghelijck een quastigh hout,
 
En lietme van geen Bijl, of Wig, of Beytel klooven.
 
Op 't lest quam Ysegrim, en schuerde 't vel met zout,
 
Dus leerd' ick het gheduld, het bidden, en belooven,
 
Nu ben ick soo ghekneet, ghemartelt, en ghedeckt,
 
Dat my het Huw'lijcx Bed voor Vage-vyer verstreckt.
5. Mondighe Melis.
 
Indien 'er yemandt van sijn Af-komst toogen magh,
 
Soo past het mijn voor al. Mijn Groot-Vaer kloeck van daden,
 
Was Hals-Heer tot Jutfaes; mijn Vader, vol ontsagh,
 
Bediende 't selfde Ampt, daer na by sijn ghenade,
 
Den Graef van Teklenborg. Ick, uyt dat Eed'le bloedt
 
Gesprooten, wort nu meê van 't Galgen-aes ghevoedt.
Smeerighe Els.
 
Myn Melis voert het Swaerdt, en ick de Smeer-pot draegh.
 
Hy is van Beulen, ick van Rackers zaet ghesprooten.
 
Hy doet sijn werck by daegh. Ick ga by nacht heel graegh,
 
Ter sluyp voor Vroed-wijf uyt, by Aerlandts Bondt-genooten.
 
Waer Venus smijt en bijt, daer wort mijn handt ghesalft.
 
Ick lacche als 'er maer een twee-beent Koeytje kalft.
6. Dirck Domp.
 
Van Domp-stein ben ick proost, tot Muylers-huysen Heer.
 
Mijn Neus draeght 's Somers hars, des Winters blaeuwe druyven.
 
Schaft onse Kniertje Grut, mijn Druyppert schaft 'er Smeer.
 
Wie sou voor sulck een kost een eelste Kiecken kluyven?
 
By die volmaecktheydt is mijn Trony soo ghefronst,
 
Dat sy verwond'ringh baerdt in Breugels Teecken-konst.
Zeedighe Kniertje.
 
De Pronck Domp van Dirck Domp behoorde my tot min,
 
En kon mijn zeedigh hart te wonder licht belesen:
 
Want in de staert stack Hom, en Reusel, naer mijn sin,
 
Een kostelijcke Zalf, om Scheur-buyck te ghenesen.
 
Had ick dat voedsel van sijn Dompje niet ghehadt,
 
Mijn eertje was al langh, met Licht-hart, op een padt.
7. Rijckje Schimmel-penninghs.
 
'k Was sesthien Jaren oudt, toen ick een Grijsaert nam,
 
Die meerder schijven hadt, dan kracht om my te payen.
 
Des onse knecht, ter sluyck, somtijdts eens by my quam,
 
En liet sijn Kamp-haen, in mijn Henne-hockje, krayen,
 
Den Rijckaert sturf, en liet my Erfgenaem van 't goet.
 
Sint heb ick mijnen lust met seven Mans gheboet.
Lubbert Leever-worst.
 
Ick heb mijn Manne-kracht tot noch toe wel bewaert.
 
Nu poogh ick Rijckje, door mijn kouten, te bekooren.
 
Maer sy heeft beter sin in Harmen met de baerdt,
 
En wil naer mijn ghesmeeck en Vryery niet hooren.
 
't Is altijdt Lubbert loop, my lust geen Leever-worst.
 
Des heb ick broodt ghebreck. En hare Keel lijdt dorst.
[p. 142]
8. Goelijcke Floor.
 
Elck heeft sijn Liefje lief, al wasse vuyl besnot.
 
Ick min mijn Snaveltje, sy mijn parmantigh Back-huys.
 
De Potte-backer draeyt het decksel na de Pot.
 
Oock maeckt den Timmer-man de bil-bril na het Kackhuys.
 
Elck soeckt naer sijns ghelijck. Het vuyl voegh by het vuyl.
 
Noyt vlieght den Bonte-kraey, in vriendtschap by den Uyl.
Kinne Snavels.
 
Ick acht mijn Floris voor de schoonste Man van 't Landt,
 
Hy my voor 't moyste Wijf; des leven wy in vreden.
 
Sijn hele Lijf doet zeer, sweert my een Handt, of Tandt.
 
Hy gheeftme 't gheen ick wensch, en soentme onghebeden.
 
En wat de rest belanght, al is hy kael van Kin,
 
Daer steeckt een dubble Haen, een Boer en Joncker in.
9. Kees Geldt-sack.
 
Kees Geldt-sack is mijn naem. Ick pot, en spaer altijdt.
 
By karnemelck en broodt weet ick vernoeght te leeven.
 
Mijn handen zijn noyt stil, den Luyaerdt tot verwijt.
 
Des daeghs ben ick te veld, des avondts aen het weeven.
 
'k Versorgh den Ouderdom met voor-raet, wijl ick kan.
 
Wie spaert wanneer hy heeft, dat 's een recht-schapen Man.
Kaarighe Truy.
 
Al heb ick kindt noch kraey, en geldts, en goets ghenoegh.
 
Ick hou 't met onse Kees, in sparen en vergaren.
 
Noyt Haspel ick te laet. Noyt Spin ick al te vroegh;
 
Noyt sal ick Maeg of Blaes met spijs en dranck beswaren.
 
Van proncken weet ick niet. Mijn kleedt is voor de kouw:
 
Dus leer ick, aen Moer-slons, de plichten van een Vrouw.
10. Verdorde Nel.
 
Terwijl mijn Roosjen stont te bloeyen, fris, en schoon,
 
Toen quam 'er niet een Handt die 't van de steel wou plucken.
 
Nu 't soo verschrompelt is als een ghedrooghde Boon,
 
Nu soeckt Jan Afterlam sijn Merck daer in te drucken.
 
Laet ick hem dit niet toe, soo raeck ick Maeghd in 't Graf.
 
Set ick den Bloedt te werck, soo slooft hy sich haest af.
Jan Afterlam.
 
Men noem my Afterlam, al is mijn voor-spel rat,
 
Indien Verdorde Nel een sprongh met my dorst waghen,
 
Sy sou wel sien dat in mijn Murgh-schonck soo veel sat,
 
Dat sy gheen reden meer sou hebben om te klaghen.
 
De jonghe Vogelaers verjaghen 't schuwe Wilt.
 
Een oude Wey-man siet dat hy geen kruyt verspilt.
11. Baef Schol-bex.
 
Indien de loosheydt oyt een eer-Krans heeft verdient,
 
Soo dient mijn Hooft ghekroont met d'alderbeste Bloemen!
 
Staegh ben ick in de Kerck, en hou de deughd te vriendt,
 
En sal daer van op 't hooghst voor 't blinde volckje roemen.
 
Maer onder dese schijn, bedien ick Man en Vrouw,
 
In vuyle slempery, en breecken van 'er Trouw.
Spruyt Vroegh-bedorven.
 
Myn Klap-muts deck 'et Hooft van een vermaerde Guyt.
 
'k Heb duysenden verspilt in 't bloeyen van mijn jaren.
 
De Schelmery sagh my al jonck ten ooghen uyt.
 
Het Hoer-Huys was mijn Kerck, den Prediker de Snaren.
 
Nu loop ick op de Klap, en 'k raes somstijds wat toe,
 
Ontgaet mijn Keel de strop, mijn Rugh is voor de roe.
[p. 143]
12. Pater Muylaert.
 
Ick trock Franciscus kleedt, wel eer, tot Leuven an,
 
En scheen, in heyligheyt, de Broeders t'over-treffen.
 
Ick quam by 't slechste Volck, als een devotigh Man,
 
Des socht my yeder tot een Heyligh te verheffen.
 
Doch onderwijlen spon ick somtijdts wat te grof
 
En hield met Vrouw, of Maeght, een uyrtjen open Hof.
Mater Bille-bloots
 
'k Ben Mater in 't Convent van Sint Agniet gheweest.
 
Doch sonder Pater kon ick Vleesch, en Bloedt niet temmen;
 
Des quam hy, in mijn Cel, 's nachts wâren als een geest,
 
Om my het dart'le hayr wat uyt de war te kemmen
 
Dit duerde Jaren langh, op 't lest beet ons de Hondt,
 
Vermits men op mijn Hooft, sijn Broeck, voor Kaper vondt.
13. Maey Veeghde-pot.
 
Ick ben noch Moêr, noch Maeghd, noch Weeuw, noch yemandts Wijf.
 
Maer een verzoorde Hoer, door Ouderdom versleeten.
 
Een rechte Veeghde-pot. Der Boeven tijdt verdrijf.
 
Een leuye Lecker-tandt. Een Gast-huys voor de neeten.
 
Een Vyandin van deughd; al schijn ick vroom en slecht.
 
Mijn Meester 't Roomje kreegh, de Tapte-melck de Knecht.
Pannetje Vet.
 
Ick liep voor Lazarus een wijl tijdts met de Klap.
 
Met vuyle doecken was mijn Hooft heel dicht bewonden.
 
Ick was Sint Job in schijn, doch echter fris en rap,
 
En heb soo over-al barmhertigh Volck ghevonden.
 
Dus speeld'ick Panne Vet, waer ick ter Herbergh quam.
 
Dat ick gheneesen ben, dat danck ick Amsterdam.
14. Eerlijcke Lyn.
 
De deughd en statigheydt siet my ten ooghen uyt.
 
'k Ben eerlijck op-ghevoedt. Maer moest het Klooster kiesen
 
Voor mijn Gevangen-huys, door een te dwaes besluyt,
 
Hier quam ick in mijn Jeught, mijn Maeghdom te verliesen.
 
Des kreegh het Nonne-kleedt daer na van my de Zack
 
Der Oud'ren sotte dwangh, baert dickwils onghemack.
Snoepighe Steeve.
 
Ick ben in Wetenschap, en Konsten wel gheleert,
 
En weet van goet en quaet een onderscheyt te maken.
 
Wel eertijdts was ick als een Kerck-pylaer ge-eert,
 
Nu staet het wonder slecht en sober met mijn saken.
 
Wijl my de soete Mondt van een verliefde Non
 
Tot vleeschelijcke lust te licht bekoren kon.
15. Beveynsde Hil.
 
Wat heb ick, in mijn Jeughd, al stormen uyt-ghestaen.
 
Dan socht een Pater my tot sijne Boel te maecken.
 
Dan was een Jesuyt, en dan een Franciscaen
 
Verlieft op d'eed'le Roos van mijn ghebloosde Kaecken.
 
Dan wierd'ick van mijn Vleesch heel vinnigh aengherandt.
 
Bagijne kuysheydt is een Peerel aen het strandt.
Listighe Jorden.
 
Aen and're wist ick, door mijn wel-bespraeckte Tongh,
 
Het padt der saligheydt te wijsen, en te leeren:
 
Maer selver bleef ick blindt, en al te licht van sprongh,
 
En wist in 't Hoere-kot, stil-swijgent, te verkeren.
 
Nu vind ick mijn ghemoet bekommert, en belaen.
 
Weê hem, die 't Heyl-padt weet, en 't selver niet wil gaen.
[p. 144]
16. Foockel Frons-muyl.
 
Een Moeder van de List, een Suster van 't Bedroch,
 
Mach yeder dese Feecx en Keevel-kin wel noemen.
 
Met Kleere-koopery geneert sy haer: maer, och!
 
Alleenigh om daer door van hoogher winst te roemen.
 
Want, onder sulck een schijn bedientse 't lichte Gild,
 
En brenght soo menigh Vrouw, en Dochter op het wild.
Pietje Hard-loop.
 
Wat woelt'er menigh Mensch, met kommer, om de Kost,
 
Terwijl ick singh, en springh, by 't puyck der Lichtekooyen
 
Nu brengh ick eens een Brief, daer Kniertje 't Henghstje rost
 
Of, daer Mooy Aeltje, by heur Ritzaert sit te pooyen.
 
Ick weet waer Lichte Klaer, en Swarte Lijsje woont.
 
Die, schoonse deughdigh schijnt, heur Man met hoorens Kroont.
17. Aerdighe Kniertje.
 
'k Verkoft mijn Maeghdom vroegh aen een jongh Edelman,
 
Die my, daer na seer rijck, en reed'lijck onder-houdt deê
 
Hy had een ouwe Vrouw, die wist hier gants niet van.
 
Op 't lest kreegh ick een Soon, daer was ick wat te stout meê.
 
Toen heylickte men Heer my aen Kees Floren Louw,
 
Die wierd tot Schout van 't Dorp, en ick een eerb're Vrouw
Onbekommerde Klaes.
 
Al teer, al smeer ick wat, het magh 'er wel op staen.
 
Mijn Vader is een Man, die daghelijcx ter Jaght rijt.
 
Mijn Moeder is Schoutin: Vooghdesse van de Kraen,
 
En Vrouw te Smullen-burgh, daer Lecker-tandt by nacht bijt,
 
Mijn Wapen is een Muyl, gheladen met een Mandt.
 
Doch sulck een Adeldom, betoont nu 't meeste Landt.
18. Goê Geurtjen.
 
Goê Geurtjen is mijn naem, vermits ick smijt noch bijt,
 
En noyt een Potje breeck, of 't is eerst ruym ghewonnen.
 
Maer onse Bulbacx-vel, dat aensicht als den Nijt,
 
Heeft noch niet eens met rust heur Rocken af-ghesponnen.
 
Mijn Muts ick dickwils hingh, voor Muyl, of Klomp, of Stock.
 
't Is deerlijck daer de Broeck moet swichten voor de Rock.
Kribbighe Babbe.
 
Ick tart de quaetste Griet in 't hek'len van den baert.
 
En mach voor Duyvelin van 't heele Landt verstrecken.
 
Mijn reed'lijck Mondtje maeckt my over-al vermaert.
 
Goê Geurt moet als ick wil, voor my de Broeck uyt trecken.
 
Begeer ick Wijn of Bier, hy haelt 'et met een veegh.
 
Een Wijf, die 't soo niet stelt, is on-ghezouten deegh.
19. Houte Klaes.
 
Wie oyt belust was om d'onnooselheydt te sien,
 
Die sou sich aen dit Beeld te wonder-licht vergapen.
 
Men noemt hem Houte Klaes. Of Schonckje sonder Bien:
 
Noyt sal hy den ontbijt verpruylen of verslapen.
 
Hy heeft de Schepper lief, en kust de Kan heel graegh.
 
Het Vyer is in sen Keel, de Kancker in sijn Maegh.
Kommer-sloofs.
 
Indien het ongheluck oyt Vrouw ghetroffen heeft,
 
Soo magh 'er Kommer-sloofs, met reeden meê van spreecken.
 
Sy vind een block in 't Bed, dat, sonder kennis, leeft,
 
Een Slock-speck aen den disch. Een Prop-darm vol ghebreecken.
 
Een leuye halve Sot, die niet een stuyver wint.
 
Onsaligh is het Wijf die sulck een Liefje vint.
[p. 145]
20. Ritze Stijn.
 
Dees'oude Keevel-kin, dees'af-ghereeden Best:
 
Dat Neusje voor de Bril: dat Swijns-hooft sonder Tanden.
 
Die levendighe Doodt. Dat Blaes-gat op de Test,
 
Wierd Krol-sieck, en begon door Schurckjes lont te branden.
 
Acht reysen wasse Weeuw, in dertigh Jaer gheweest.
 
Wie temt het dartel Vleysch van sulck een weeld'righ Beest?
Schurckje Sonder-Baerdt.
 
Myn Hayr is, door de tijdt, by lockjens uyt-ghepluckt:
 
Mijn Ooghen zijn schier blindt, mijn Kaecken in-ghevallen.
 
Mijn Ooren zijn puer doof. Ick ga naer 't Graf ghebuckt,
 
En echter soeck ick noch met Ritze Stijn te mallen.
 
Ick hebbe kracht, noch mergh, mijn Beenen zijn verdort.
 
Een oude Wijve sot, doet lijf en ziel te kort.
21. Trijn Bulle-bacx.
 
Hier toont de Konst het Beeld van volle leelijckheydt.
 
Een gruwelijcke beest, wie sou'er niet voor schricken?
 
Een reut'lend Snot-vat, en een mondt vol onbescheydt.
 
Een Trony op-ghepronckt met ysselijcke blicken.
 
Een Knorre-pot in 't Bed, een Onrust over 't Huys.
 
Wie sulck een Liefje krijght, die heeft een dubbeld Cruys.
Voorsichtighe Oenne.
 
Een ander boet sijn lust op een korale Mondt,
 
Of in de Roosen-gaert van inkornate Wanghen.
 
Ick min Trijn Bulle-bacx, soo yslijck als ghesondt,
 
Soo word'ick nimmermeer, met jalouzy bevanghen.
 
Want schoon een oudt Man met een goelijck Meysjen paert,
 
Een ander pluckt de Bloem, die hy, met sorgh, bewaert.
22. Hansje Singh in 't Veldt.
 
Wie lust heeft om een deun te hooren, die sta stil,
 
Dit Keeltje kan een Dorp, door sijn ghesangh bekooren.
 
Hans over-treft de Lyer en Sack-pijp, als hy wil,
 
En kittelt, met sijn Tongh, de wind-sieck'Ezels ooren.
 
Hy vult, met kost, en dranck, sijn Buyck, sijn beurs met Geldt.
 
Met recht draeght hy de naem van Hansje Singh in 't Veldt.
Blaeuwe Aecht.
 
Myn schoone Singh in 't Veldt, mijn kostelijcke Man,
 
Daer ick gheen Keyser noch gheen Prins sou voor begeeren;
 
Wat krijgh ick voedsel uyt uw'over-schot, en van
 
Uw'Mondt als kusjens toe, op d'ongheschudde veeren.
 
Langh leef uw'Tongh ghesondt, want raeckte die eens stom,
 
Soo moest jou Blaeuwe Aecht weer met de Brood-korf om
23. Ael Pieter-mans.
 
Myn Jeughd was niet veel puycx; en lichter dan een pluym,
 
'k Liet, om een haver-stroo, mijn Visch, en Visch-ben varen.
 
Ick had het Haeghje lief, en waeyde daer heel ruym,
 
Terwijl mijn Zee-man lagh te dobb'ren op de Baren.
 
Ick wist van schaemt noch eer. Mijn Voor-schoot was ghemeen
 
Voor Boer en Edel-man, voor Schot, voor Wael, en Deen.
Bedorve Sloof om 't Geldt.
 
Ick was op Geldt versot, en trouwde dese Feecx;
 
Doch vont my, na-der-handt, te gruwelijck bedroghen.
 
Dan wierd ick eens ghekroont met vuyst, of sleutelreecx.
 
En pronckte daghelijcx by't Volck met twee blaeuw' ooghen.
 
Sy speelde lichtjes op, en ick moest van de wal.
 
Soo loopt de domme Muys, om 't Lock-aes, in de val.
[p. 146]
24. Aecht Sonder-Ziel.
 
Wat schuylter aerdigheydt in dit verweent Capproen?
 
Wat vond de Konst al wercks in dat parmantigh Backhuys!
 
De Kin vertoont volmaeckt het Stuytje van een Hoen.
 
De Neus hanght op de Mondt ghelijck een Boere Kackhuys.
 
Het Voor-hooft is ghefronst. Het naar ghesicht staet hel.
 
In 't kort, dit is de Schets van een volkome Hel.
Heertje Al-te-mooy.
 
Een levendighe gheest in dese Trony speelt.
 
Die Klap-muts deckt een Hooft, versien met wetenschappen.
 
Seer diep een over-legh beschouwt men in dit Beelt.
 
Die Mondt weet, op 'er beurt, te swijghen, en te klappen.
 
Dat scherp ghesicht door-siet de gronden van het hert.
 
't Is Heertje Al-te-mooy, in eyghen waen verwert.
25. Oprechte Lammert.
 
Ick was mijn Vaders hoop, mijn Moeders hooghste lust.
 
Ick nam mijn School-tijdt waer, en leerde boven-maten:
 
Maer sloegh, daer na, op 't Wild, en hield my niet gherust,
 
Voor dat ick my van hulp, en Vrienden vond verlaten.
 
Toen roude my het quaet: des schickt'ick my tot deughd.
 
Nu leef ick, met een Vrouw, in wel-vaert, en in vreughd.
Deughdighe Geertruyd.
 
Noyt quam een dertel Quant mijn eerbaerheydt te na.
 
Noyt leend'ick mijn ghehoor aen onghebonde Tonghen.
 
Noyt soch ick leedigheydt; maer werckte vroegh en spâ.
 
Noyt heb ick, aen de Rey, ghesonghen of ghespronghen.
 
Ick ben in arremoed gheboren, en ghevoed.
 
Nu ben ick wel ghepaert, 'k heb vreed', en overvloed.
26. Vrouw Verneem-al.
 
Verneem-al is mijn naem; wijl ick huys uyt huys in
 
Van elcks gheleghentheydt, een praetje weet te maecken.
 
Hoe Truy te karigh is. En Els, Stijn-snoeps Vriendin.
 
Wat Langhe Lijntje snapt van heur Gebuer-wijfs saecken.
 
Hoe Nel te spijtigh is, en Swaen heur tijdt verquist.
 
Dus brouw ick niet dan haet, en rocken niet dan twist.
Hans de Pluym-strijcker.
 
Ick veyns my yeders Vriendt, om 't heylighe ghenot,
 
En onder-tusschen tel ick alle-mans ghebreecken.
 
Geen dingh is soo volmaeckt, of 't word van my bespot.
 
Nu hoor ick Luther, dan Calvinus weer eens preecken.
 
Dan ben ick suyver Paeps, dan Mennonijts ghesint.
 
In't kort, ick set altijdt de Klap-muts na de Wint.
27. Keesje Licht-hart.
 
Al raest en tiert ons Wijf, ick acht 'et niet een sier.
 
Als ick de buyen krijgh, dan moet 'et Zeyl in Top staen;
 
En Licht-hart in de Kroegh, by 't een of 't ander Dier,
 
Al sou hem voor die vreughd de Knuppel van Sint Job slaen.
 
Den Huys-houw raeckt my niet soo langh de Gijptijd duert:
 
Maer daer na ben ick weer de kloeckste van de Buert.
Verblinde Swaen.
 
'k Nam Licht-hart van den Dans, en gingh 'er meê te Bedt,
 
Wijl hy te wonder soet wist met een Meyt te leven.
 
Ick docht, het sal wel gaen, al weyt hy nu wat vet,
 
Wanneer hy aen mijn Mondt eens vast begint te kleven.
 
Maer 't hoopen is vergheefs. Hy slimt 'er theghen aen;
 
Des komt mijn dwase liefd my dapper duer te staen.
[p. 147]
28. Dief-achtighe Tijs.
 
Wie door de Wereldt pooght te komen, die sie toe
 
Dat hy sijn Schelmery met loosheydt weet te decken.
 
Ick had noch Landt noch Zandt; en molck niet eene Koe,
 
Wist ick de Booter, met het kladden, niet te recken.
 
Ick heb verswaert ghewicht wanneer ick yets ontfangh.
 
En weegh ick weer wat uyt, gherechtigheydt siet bangh.
Nies Spoel-de-Nap.
 
Het over-legh is 't al. Ick laet de Melck wat staen;
 
En weet van yeder mael, een pintje Room te strooppen.
 
Mijn maten zijn goet Joods. Als ick te Marckt moet gaen,
 
Dan sal ick in de Sloot altijdt mijn Nap eerst dooppen.
 
Dit brenght ons in het Jaer wel vijftigh Guldens an.
 
Des lach ick 't Stee-volck uyt, wijl 't dit niet mercken kan.
29. 't Suynighe Waertje.
 
Myn goet was op-ghesnapt, verdobbelt, en verdaen.
 
De Rotten met mijn Kraem en Pelzen deur gheloopen.
 
Een eenigh vaetje Krijt bleef in de Winckel staen.
 
Hier kon ick my daer na weer eerlijck van bedroopen.
 
Ick sloegh een Tapjen aen, en was in 't schrijven mild,
 
Dus won ick wederom meer als 'er was verspild.
De Goelijcke Waerdin.
 
Ick sat heel troosteloos, en wist niet wat ick sou.
 
De Spin-rock was te slecht om ons de kost te gheven.
 
Mijn Frans was sorgheloos; en ick te braven Vrou.
 
Om van de Bedel-sack, als een Moffin, te leven.
 
Des koos ick, van twee qua'en, het beste naer mijn sin.
 
En kreegh daer door de naem van Goelijcke Waerdin.
30. Buyltje On-versaed.
 
Te mild, dat spilt; en wie wat deun is op sen Geldt,
 
Die moet terstont de naem van Woecker-aerster draghen.
 
Hier heb ick my somtijdts al vry wat in ghequeldt.
 
Nu ben ick hoorend'doof, gheen laster kan my plaghen.
 
Als ick maer winningh doe, het gaet dan hoe het gaet,
 
De Schat-kist blijft mijn troost, mijn heyl en toe-verlaet.
Waernar Altijdt-meer.
 
Men noemt my Waernar, om dat ick mijn goet bewaer,
 
En, als de Lombert, Geldt op Woecker weet te tellen:
 
Doch beter sulck een naem, dan dat ick qualijck vaer,
 
En 't Lijf, met vodden deck, in plaets van Lam're vellen.
 
Al teer ick niet te vet, ick gheef de Maegh heur deel,
 
De quaetste sieckte neemt heur in-gangh door de Keel.
31. Foockel Lach-een-reys.
 
Beschouwt dit Beeldtje wel, 't is Foockel Lach-een-reys,
 
Die, met 'er mal ghelaet, de Wereldt weet te doecken.
 
Sy veynst 'er dubbelt sot, ten voordeel van het vleys,
 
En deckt 'er, voor de kou, met wel-ghevoerde Broecken.
 
Nu houdts'een Ouden Zul, dan Frick int 't Voor-huys an,
 
En singht te wonder graegh van 't Glaesjen, en de Kan.
Lazarus Sonder-Zeer.
 
Wie sou niet meenen dat dit Sinte Marten waer,
 
Die Rock en Mantel aen den Armen heeft gheschoncken?
 
En onder-tusschen is 't een loose Beedelaer,
 
Die voor de Kerck-deur sit als Lazarus te proncken.
 
Hier samelt hy het Geldt in sijn besmeerde Hoet,
 
Dat hy des avondts laet in 't Hoere-kot verdoet.
32. Harme Snap-op.
 
Een uyt-gheschudde Beurs, maeckt een beroyde kop:
 
Mijn Keursje praet van winst, en ick praet van verteeren.
 
Sy giert en gaart altijt, ick speel weer lichtjes op,
 
En moet de drooge keel met Rhynse-wijntjes smeeren.
 
Wat scheert my't ouwe Vel. Ick nam 'er om 'er goet,
 
Dat haer nu hart-zeer baert, en my geen voordeel doet.
Keursje-sonder-naed.
 
Al scheen ick oud en koud, al was ick hoogh bejaert,
 
Ick wist mijn dartel vleys met woorden niet te payen.
 
Ick kreegh een Snap-op lief, en ben 'er mee gepaert
 
Om dat sijn Haan somtijts eens in mijn Hof sou krayen.
 
Maer, och! ick ly ghebreck. Hy broed een anders nest.
 
Een Oudt-wijfs geyle lust, is erger dan de pest.
[p. 148]
33. Voorsichtighe Krijn.
 
Indien de Jonckheydt wist wat schade sy 'er doet
 
Wen sy 'er tijdt verquist in schandighe bordeelen,
 
Sy stiet al d'ydelheydt goetwilligh met de voet,
 
En sloofde dagh, en nacht om d'Ouderdom te streelen.
 
Ick heb, door neerstigheydt, ghewonnen en vergaert,
 
Daer nu 't ghebrecklijck Lijf, te wonder-wel af vaert.
Broentje Spaer-pots.
 
Het winnen voeght de Man, het sparen past de Vrou.
 
Dit hebben wy ghedaen. Nu plucken wy de vruchten,
 
Daer menigh Paer, toen 't kon, en echter nimmer wou,
 
Met grijse Hoofden sit te karmen, en te suchten.
 
Leer dan, ô Jonckheydt! leer, het gheen u noodigh is.
 
Het af-ghesloofde Lijf siet graegh een rijcken Dis.
34. Bruyntje Springh-in 't-Bed.
 
Myn Vel is als een Mol. Mijn Hayr soo swart als Git.
 
Mijn Tanden als Yvoor. Mijn om-ghekrulde Lippen,
 
De Min voor Lock-aes streckt, op kussen staegh verhit.
 
Mijn ronde Borsten zijn bedrieghelijcke Klippen.
 
En wat mijn Schoot belanght, sy tart het blanckste Wijf:
 
Des soeckt 'er menigh Man, by my, sijn tijdt-verdrijf.
Flip de Duyvel.
 
Met swarte Schaeppe-wol is my het Hooft ghekroont.
 
Ick schijn een Duyvel voor de Nederlandtsche Vrouwen.
 
Mijn Neus, en platte Beck, een yslijck mooy vertoont.
 
Des durft een keurigh oogh daer op sich niet vertrouwen.
 
Mijn aerdighe Moris vernoegh ick even-wel.
 
Sy windt voor my de kost, en noemtme Speel-ghesel.
35. 't Moye Molletje.
 
Dit Morisje schijnt te leven.
 
Sie hoe min'lijck dat 'et lonckt,
 
En met heur volmaecktheyt pronckt.
 
Wilt het vry een kusje gheven,
 
Melis, metje Bocke-baert,
 
Want heur Lipjens zijn het waert.
Melis Bocke-baert.
 
Sie, ey! Sie die Woud-aep gaeppen.
 
Hy ontset sich voor het swart.
 
Drooghe Melis sonder hart;
 
Maghje by dat Diertje slaeppen.
 
Ga, en draeghje als een Man,
 
En vereer my 't Jongh daer van.
36. Schonckje Wel-bedocht.
 
Hier vertoont de Konst heur krachten,
 
In de Schets van Neus, en Mondt,
 
En al 't gheen oyt geestigh stondt.
 
Ja men siet 'er de ghedachten
 
Wonder aerdigh uyt-ghedruckt.
 
Zelden Meester 't soo gheluckt.
Pronckje Heel-volmaeckt.
 
In dit Beeld is 't al volkomen,
 
Zeedigheydt der Vrouwen deughd.
 
Min, en Vriendtschap, Trouw en Vreughd.
 
Neerstigheydt, de Kroon der vromen.
 
Danck heb BREUGEL voor sijn vlijt,
 
Ons, door VISSCHER, toe-ghewijt.