De zeventiende eeuw. Jaargang 20


auteur: [tijdschrift] Zeventiende Eeuw, De


bron: De zeventiende eeuw. Jaargang 20. Uitgeverij Verloren, Hilversum 2004


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 27]

Philip Ernst Vegelin van Claerbergen (1613-1693), secretaris, raad en hofmeester aan het Friese stadhouderlijke hof
Annemarth Sterringa

Philip Ernst Vegelin van Claerbergen, secretaris, raad en hofmeester aan het Friese stadhouderlijke hof is in de literatuur tot op heden tamelijk onderbelicht gebleven. In algemene werken komt hij eraf met de vermelding van hofmeester Philip Ernst Vegelin van Claerbergen, die Albertine Agnes met raad en daad bijstond. In de jaren dertig van de vorige eeuw verscheen een aantal artikelen over Leeuwarder historie met citaten van Vegelin.1 Daarna was het lange tijd stil rond Vegelin maar de laatste tijd wordt hij in toenemende mate vermeld en geciteerd in publicaties over elite, hof en hofcultuur. Ook in de dagboeken van zijn baas, stadhouder Willem Frederik (1613-1664), komt hij uiteraard veelvuldig voor.2 In het merendeel van deze publicaties komt alleen zijn publieke rol aan de orde.

In dit korte artikel zal ik een vollediger beeld van deze dienaar van de Friese stadhouders schetsen door aandacht te schenken aan zijn voorgeschiedenis; hoe hij als jong edelman in de Nederlanden belandde en in dienst trad van de Friese stadhouders; over zijn werkzaamheden zoals terug te vinden in diverse archiefstukken en correspondentie; over zijn geschriften van persoonlijker aard en correspondentie met geleerde en kunstzinnige tijdgenoten; ten slotte ook over zijn gezinsleven en plaats in de maatschappij hier.

Paltse voorgeschiedenis

Philip Ernst Vegelin van Claerbergen werd in 1613 geboren in Neustadt an der Haardt in de Palts als zoon van Philip Ernst Vegelin van Claerbergen en Brigitta Hantes. De familie Vegelin kwam oorspronkelijk uit Konstanz. Philip Ernsts overgrootvader Jörg had in 1507 van keizer Maximiliaan de heerlijkheid Claerbergen met bijbehorende titel ‘Ritter’ gekregen. Philip Ernsts grootvader Ernst was overgegaan naar het lutherse geloof en was midden zestiende eeuw naar de Palts gevlucht, waar hij raadsman van de

[p. 28]

keurvorst werd en curator der scholen. Hij ‘ligt tot Nieustatt in 't choor bij Prins Rupertus fundateur van desselve kercke begraven.’3 Deze familie-achtergrond geeft aan in welke traditie de jonge Philip Ernst werd opgevoed: Hij kreeg de veelzijdige opvoeding van een jong edelman. Hij was een veelzijdig begaafd jongmens en sprak zijn talen; hij beheerste Grieks, Latijn, Italiaans, Frans, Engels, Duits en Nederlands.4

In 1619 deden zich grote veranderingen in Europa en in het leven van de jonge Philip Ernst voor. In dat jaar aanvaardde keurvorst Frederik V van de Palts (1596-1632) de koningskroon van Bohemen. Hij was een kleinzoon van Willem de Zwijger en Charlotte de Bourbon, en was getrouwd met prinses Elisabeth van Engeland en Schotland. Dit Boheemse avontuur liep uit op een gigantisch debâcle: Na de slag bij de Witte Berg buiten Praag in 1620 werd Frederik uit Bohemen verjaagd en namen de keizerlijke troepen ook de Palts in. De Winterkoning en Winterkoningin, zoals Frederik en Elisabeth daarna spottend werden genoemd, kwamen in ballingschap naar Den Haag op uitnodiging van Frederiks oom prins Maurits van Oranje. Eén van de hofdames van de Winterkoningin was Amalia van Solms, die in 1625 met Frederik Hendrik van Oranje in het huwelijk trad.5

De Winterkoning probeerde met hulp van bondgenoten, waaronder koning Gustaaf Adolf van Zweden, om de Palts te heroveren. Vegelin en zijn vader dienden allebei in het leger van de Zweedse koning; Philip Ernst junior had ‘eenigen tijt tevooren onder de Sweeden een vaendel becomen.’6 Gustaaf Adolf sneuvelde in 1632 en de Winterkoning stierf datzelfde jaar aan de pest. Vegelins vader sneuvelde in 1637 bij de inname van de stad Kaiserslautern.7

Vegelin in de Nederlanden

Rond 1637 trad Vegelin in dienst bij paltsgraaf Karel Lodewijk (1617-1680), de zelfgeproclameerde nieuwe keurvorst van de Palts, die bij de Vrede van Munster in 1648 een deel van de Palts terugkreeg en later ook de keurvorstentitel. In 1638 reisde Vegelin in het gevolg van Karel Lodewijk naar Engeland en Schotland en vandaar naar Frankrijk. Hier werd Karel Lodewijk wegens zijn keurvorstelijke ambities als een te gevaarlijke gast beschouwd en werd hij in 1639 op last van kardinaal Richelieu gevangen genomen. Karel Lodewijks moeder schakelde al haar relaties, waaronder haar broer koning Karel I van Engeland en Schotland en koningin Christina van Zweden, in om haar zoon en zijn gevolg vrij te krijgen. Door bemiddeling van de Zweedse gezant in Frank-

[p. 29]

rijk, Hugo Grotius, werden de keurvorst en zijn gevolg in 1640 bevrijd en kwamen zij terug in de Nederlanden.8

Aangezien de mogelijkheid om terug te keren naar de Palts vrijwel nihil was geworden, trachtte Vegelin een positie in de Nederlanden te verkrijgen, waarbij Karel Lodewijk hem behulpzaam was. Dit is wat Vegelin er veel later in eigen woorden over schreef: ‘In anno 1641 recommendeerde mij den Cheurvorst [Karel Lodewijk] aen mijn Heer Prins Wilhelm [Frederik van Nassau] overmits men doemals geen apparentie sach om in de Pfaltz wederom te comen.’9 Dit is een verrassende formulering van het begin van Vegelins Friese carrière vanwege brieven van drie andere personen aan Constantijn Huygens over deze benoeming, ten eerste van stadhouder Willem Frederik, die Huygens liet weten hem zeer dankbaar te zijn dat hij hem ‘zulk een geschikt man voor secretaris’ had aanbevolen. Al eerder schreef Vegelins neef Johann Burchard Wetzel, de latere raad van keurvorst Karel Lodewijk van de Palts en burgemeester van Neustadt, een dankbrief aan Huygens waarin hij tegelijkertijd de hoop uitsprak dat Huygens in de toekomstVegelin zou willen blijven helpen. Ook is er een epistel van de Duitse dichter en latere onderminister aan het hof in Londen, Georg Rudolf Weckherlin, die zijn landsman Vegelin bij Constantijn Huygens aanbeval.10

Vegelins benoeming tot secretaris van Willem Frederik zal wel via Constantijn Huygens gespeeld zijn. Niet dat de jonge keurvorst en de jonge Friese stadhouder elkaar niet kenden. Hun moeders, respectievelijk Elisabeth Stuart en Sophia Hedwig van Brunswijk-Wolfenbuttel, waren nichten; ze waren allebei kleindochter van de Deense koning Frederik II.11 Maar de benoeming kwam via Constantijn Huygens tot stand en dat was het begin van een goede relatie tussen beide stadhouderlijke secretarissen.

Constantijn Huygens was bij het aantreden van Frederik Hendrik van Oranje als stadhouder diens privé-secretaris geworden en werd dat later ook van diens zoon stadhouder Willem II. Na Willems overlijden beef hij in dienst bij Amalia van Solms. Constantijn Huygens zou Vegelins grote voorbeeld worden. Anders dan Huygens was Vegelin geen tekenaar of dichter maar hij had wel grote bewondering voor de schone kunsten. Vegelin liet in Parijs een viool voor Huygens bouwen en hij zond hem een exemplaar van Gysbert Japix’ Friesche Rymlerye.12

[p. 30]

Vegelin aan het Friese hof

Vegelin word in 1641 Willem Frederiks privé-secretaris en hij bleef dit tot diens overlijden in 1664. Als privé-secretaris vergezelde hij zijn baas overal: in Leeuwarden, in Den Haag en ook op veldtocht. In 1657 werd Vegelin als opvolger van hofmeester Wiedefelt aangesteld. Van zijn hofmeesterschap bestaat een door Willem Frederik opgestelde instructie met vijftien punten.13 Het eerste punt luidde dat Vegelin de stadhouder in alle zaken aangaande landen, hofhouding, financiën en menage - ongeveer honderd personen - naar zijn best verstand getrouwelijk zou raden, helpen en dienen. Punt negen luidde dat Vegelin bij verplaatsingen van het hof terstond de rekeningen zou nazien en er zorg voor zou dragen dat ze niet onbetaald bleven want dat was schadelijk voor de reputatie. Het vijftiende punt luidde dat de hofmeester goede zorg moest dragen voor het bewaren en conserveren van de archieven, secretarie en documenten. Voor deze positie genoot hij jaarlijks de somma van zeshonderd caroli guldens, vrije kost voor hemzelf, twee knechts en voeder voor twee paarden. In 1686 schreef Vegelins opvolger Philip van Heiring de officiële ontslagbrief met de toezegging dat Vegelin zijn leven lang de titel van raad zou behouden en een tractement genieten; vanaf 1689 werd hem door Albertine Agnes een pensioen uitgekeerd.14

Naast deze functies aan het Friese stadhouderlijke hof had Vegelin een aantal nevenfuncties, zoals baljuw van het Hulsterambacht (1645), welke eed hij pas in 1658 aflegde omdat Willem Frederik hem niet eerder wilde laten gaan; kapitein van de infanterie (1656); drost of slotvoogd van Liesveld (1661); adjudant-generaal onder Johan Maurits de Braziliaan (1673). Verder was hij in 1653 tot ridder in de orde van St. Michel geslagen.

Vegelins professionele loopbaan is behalve in de correspondentie en dagboeken van Willem Frederik zeer goed gedocumenteerd in de door Vegelin zelf geschreven verantwoording van zijn taken en diensten voor de stadhouder en familie. Deze verantwoording is een boeiend stuk proza dat nogal abrupt begint en eindigt door het ontbreken van het buitenste blad.15 Opvallend is het soms anachronistische gebruik van namen. Zo werd Frederik Hendriks jongste dochter Maria van Oranje reeds bij haar doop in 1642 prinses van Simmeren genoemd:‘S.F.G. trock doenmaals met Prince Wilhelm van Orangie naa Den Haag om den Princesse Maria van Simmeren te laten doopen.'’16

Hoogtepunten zijn de beschrijvingen van de organisatie van het huwelijk van Willem Frederik en Albertine Agnes van Oranje in Kleef in 1652. Vegelin was van Den Haag naar Kleef meegereden met de koets waarin Albertine Agnes’ juwelen werden vervoerd. Dat deze reis niet zonder gevaar was, mag blijken uit de volgende notitie van Vegelin:

[p. 31]
Anno 1652 ben ick met Monsr. Armavillers en de heer Carl uyt Den Haag naa Uijtrecht en soo voort naa Doorn getrocken; ick hebbe een hellebardier bij mij genomen om alle de juweelen van haar Hoogh[ei]t de princelijcke bruyt te bewaren en naa Cleve over te brengen. 's Nachts wierden onse wagens en goederen in een schuijr geset ende 't wacht daarbij. Den hospes naa huys komende, droncken zijnde, wilde het goed niet daar hebben dewijle wij in een ander logement logeerden, quam terstond met een mes op mij aanlopen om mij te vermoorden en stack mij achter door den arm in het lijf dat men 's nachts noch een chirurgijn van Wijck moeste halen etc. Dese quade hospes wierde naa Uijtrecht gevangen gebracht en naa behooren gestraft.17

Na de bruiloft moest Vegelin alle bedienden en koks zilverwerk geven, die hiermee niet tevreden bleken te zijn. Sijne Furstelijke Genade - zoals Vegelin zijn baas consequent noemde - schonk ‘elck raadsheer een gouden keten van duysent fl[orijnen]; daarmede was de kermis gedaan.’18

Een fraaie beschrijving is ook die van de voorbereidingen van het huwelijk van Albertine Agnes' jongere zuster Henriette Catharina van Oranje met Johan Georg van Anhalt-Dessau in Groningen in 1659. Aangezien Willem Frederik na de dood van Willem II in 1650 ook stadhouder van Groningen en Drenthe was geworden, was hij hier gastheer. Voor Vegelin kwam organisatorisch heel wat kijken wat betreft de maaltijden, de tafelschikking, de inrichting van de diverse onderkomens van de gasten waarvoor zelfs goudleerbehang uit Den Haag was overgebracht.‘Alle de train bestond over de 250 personen, die S.F.G. eenige weecken lang heeft onderhouden.’19

Verder beschreef Vegelin de onverwachte bezoeken van Willem Frederiks koninklijke achterneven, koning Karel II van Engeland en Schotland en de Deense erfprins, later koning Christiaan V van Denemarken. De laatste kwam als jongeman van zestien jaar incognito met een klein gevolg naar Leeuwarden, waar zij zich voordeden als Duitse kooplieden op doorreis naar Amsterdam. Willem Frederik nodigde deze heren uit voor een middagmaal, ‘daar men met der haast eenige schotelen praepareerde.’ Tijdens de maaltijd meende Vegelin de jonge Deense prins van een portretje uit Willem Frederiks collectie familieportretten te herkennen en haalde dat als bewijs uit de kamer van Willem Frederik. ‘Men roerde terstond de trommel om den prins alle eer aan te doen maar hij bad sulx te excuuseren.’20

Het financiële beleid aan het Friese stadhouderlijke hof was één van de hoofdtaken van Vegelin. De financiële toestand was altijd nijpend en het gebeurde regelmatig dat de secretaris en hofmeester Willem Frederik geld moesten voorschieten. Dat ging om bedragen van wel acht duizend caroli guldens getuige een schuldbekentenis van Willem Frederik en Albertine Agnes aan Vegelin.21 Er zijn diverse notities van Vegelin bij lijsten met uitgaven en lijsten met namen van mensen die aan het hof werden gespijst. In de verantwoording staat een uitgebreid verslag van de afwikkelingen van de erfenis van Willem Frederiks moeder Sophia Hedwig van Brunswijk-Wolfenbuttel. Vegelin heeft

[p. 32]

hiervoor 'over de duijsent mijlen weeghs in dit werck gereisd geduijrende den tijd van 10 jaren’ voordat de erfenis werd uitbetaald: ‘43000 rijksdaalders, hooger heeft men 't niet koonen brengen.’22 Hij was terecht trots op deze prestatie, die mogelijk de direkte aanlciding is geweest voor zijn benoeming als hofmeester korte tijd later. Met de notoire wanbetalende Spiegelbergse pachter Mudersbach had hij meer moeite. Daar moesten zelfs rechtszaken aan te pas komen voordat die zaak tot een bevredigende oplossing was gebracht.

Droevig hoogtepunt is het relaas van het overlijden van stadhouder Willem Frederik, die zichzelf in het gezicht schoot en een week later aan de verwondingen bezweek. Willem Frederiks laatste verzoek - handgeschreven daar spreken hem onmogelijk was - aan Vegelin luidde: ‘Mons. Veugling sal mijn wijfs en kinder best alletijt soucken, den staet daernae dirigeeren om uijt de schulden te komen’.23

Al voor Willem Frederiks overlijden heeft Vegelin bijzonder veel tijd en moeite gestoken in het verkrijgen van de opvolging als stadhouder, de ‘survivantie’ in Groningen en Drenthe van Willem Frederiks zoon Hendrik Casimir II:

Men moeste de minste eygenerfde soo wel als den besten edelman aanspreecken; [...] all dit volcksen onder een caproen te brengen ende hier en daar in de herbergen op te soecken, daar veel als beesten droncken lagen, 't welck niet seer apetitelijk was om te sien, heeft mij veel arbeid en moeyte gekost. Ik hebbe deselve doch alle begroet en haar faveur versocht.24

Een ander handgeschreven document van Vegelin - soms in geheimschrift - betreft aantekeningen uit de jaren 1649 tot en met 1651 over diverse mensen en allerlei zaken. Het notitieboek begint als dagboek met de beschrijving van een eet- en drinkgelag van de stadhouder en vrienden, waarbij de was- en keukenmeiden van het hof waren uitgenodigd. Vegelin vond dat het niet goed was ‘met groote heeren soodaenige familiariteit te plegen.’25 Uit de mond van een bevriende Engelsman vernam hij de dramatische ontwikkelingen in Londen in 1649: de onthoofding van koning Karel I van Engeland en Schotland, aan wiens hof hij had vertoefd met diens neef Karel Lodewijk van de Palts:

Den coning [was] soo geduldig als een schaap op 't schavot gecomen. De beul ende sijn knecht waeren gemasquert om daardoor geen afront te lijden [...] Den beul hadde des conings haar onder de muts gestoken en de coning onthooft hebbende, so hadde sijn knecht het hooft aen 't volck getoont.26

Verder in dit document de beschrijving van de geboorte van de enige dochter van Vegelin en Fokje Sminia: ‘Mijn huijsvrou is 's nachts heel qualijck geweest; 's morgens ten 5 uijren ben ick opgestaan. Ten 7 uijren is desselve van een jonge dochter verlost nae dat se eenige swaere vlagen met een groot gekrijt uijtgestaan heeft.’27

[p. 33]



illustratie

Afb. 1 Philip Ernst Vegelin van Claerbergen in de begrafenisstoet van stadhouder Willem Frederik. Fries Museum, Leeuwarden.


Anders dan stadhouder Willem Frederik registreerde Vegelin geen enkele kerkgang hoewel hij zeer betrokken is geweest bij de stichting van de Waalse kerk in Leeuwarden in 1659. Zijn vriend de Groningse hoogleraar theologie Maresius werd er de eerste predikant. Vegelin en zijn tweede vrouw waren lidmaat van de Waalse kerk en hijzelf ouderling. In het stadhouderlijk archief in Leeuwarden bevindt zich een door Vegelin zelf geschreven lijst met alle Waalse kerken in Nederland met vermelding van ‘pasteur’ en ‘anueni’. Hij heeft zichzelf bij Leeuwarden opgeschreven als ‘Ernest Vegilin de Claerberge’.28

[p. 34]

Correspondentie

Uiteraard correspondeerde Vegelin veel en uitgebreid uit hoofde van zijn funetie als secretaris en hofmeester. Veel van zijn brieven zijn bewaard gebleven in diverse archieven in binnen- en buitenland. Tussen de correspondentie van Vegelin met Willem Frederik en Hendrik Casimir II bevinden zich ook exemplaren van persoonlijker aard. Zo hield Vegelin Willem Frederik en Albertine Agnes op de hoogte van het wel en wee van hun jonge kinderen als de ouders op reis waren. Zo schreef Vegelin in mei 1665 aan Albertine Agnes: ‘Genadige Vrouwe, Het soete princesje [Sophian Wilhelmina] heeft de verleden nacht beeter geslaepen als oijt tevooren.’29 Van Hendrik Casimir II is een bijzonder aardig briefje aan Vegelin uit 1671 bewaard gebleven: ‘Ick sal trachten, soo veel mogelijck is, den tijdt sodanigh te besteden, dat uwed. vermaeningen niet heel vruchtelos sullen schijnen geweest te zijn.’30

Met Constantijn Huygens correspondeerde hij uiteraard over allerlei onderwerpen. Helaas heb ik geen brieven kunnen vinden van Vegelin met de Friese kunstenaars en dichters met wie hij contact had, zoals Gysbert Japix, Sibylle van Griethuizen, Gabbema, Franske van Doyem, Margaretha de Heer, de hofschilders Wybrand de Geest, Mijtens en anderen.

Wel zijn brieven met wetenschappers bewaard gebleven. Dat waren onder meer Bernardus Fullenius, hoogleraar wiskunde in Franeker die op veilingen boeken kocht voor Vegelin,31 en Antonius Deusing, hoogleraar geneeskunde in Groningen en wiskunde in Harderwijk, die twee wetenschappelijke werken aan Vegelin opdroeg.32 Deusing was tevens lijfarts van Willem Frederik en Albertine Agnes en deed de lijkschouwing op Willem Frederik. Verder correspondeerde Vegelin met Christiaan Huygens, zoon van Constantijn en uitvinder van het slingeruurwerk. Eveneens met Caspar Schott, hoogleraar wiskunde in Würzburg en uitvinder van een rekenmachine, die in 1664 het werk Technica Curiosa publiceerde met daarin aan hem gerichte brieven van Vegelin. Dan nog pater Marin Mersenne in Parijs, een beroemd musicoloog en wiskundige die zich verdiepte in priemgetallen, de zogenaamde Mersenne primers. Vegelin correspondeerde al met hem voor zijn komst naar de Nederlanden. Als laatste noem ik de dichter en staatsman Georg Rudolph Weckherlin, die Vegelin bij Huygens had aanbevolen.

Gezin

In het voorjaar van 1643, twee jaar na zijn komst naar Friesland, trouwde Vegelin in Leeuwarden met Fokje van Sminia (1615-1658) uit Akkrum, weduwe van raadsheer

[p. 35]

Frederik van Hillema. Fokje had uit dit huwelijk een dochter, Aurelia. Philip Ernst en Fokje kregen vijf zoons en één dochter: Frederik 1643, Ernst Frederik 1648, Hessel 1649, Juliana Margaretha 1651, Wilhelm Jurriën 1653 en Hessel 1655.33 Alleen de jongste zoon Hessel overleefde zijn vader. Hij werd grietman van Utingeradeel en later van Haskerland.

Fokje overleed in mei 1658, waarna Vegelin in het voorjaar van 1660 in De Bilt hertrouwde met de ongeveer twintig jaar jongere Utrechtse burgemeestersdochter Josina Ruijsch (ongeveer 1633-1700). Philip Ernst en Josina kregen vier zoons en twee dochters: Mathis Hubertinus 1661, Maria 1664, Frederik 1666, Frederik 1668, Philip Hugo 1669 en Emilia 1672; de oudste twee zoons overleden jong. De huidige generaties jonkheren en jonkvrouwen Vegelin van Claerbergen stammen of van de op één na jongste zoon.34

In het testament van Philip Ernst en Josina uit 1692 werden vijf kinderen als erfgenaam genoemd, de overlevende zoon uit zijn eerste huwelijk en de vier overlevende kinderen uit het tweede huwelijk. De dochters erfden grote sommen geld en huisraad. De zoons erfden de bibliotheek, boeken en mathematische instrumenten. Opvallend is dat er geen melding gemaakt wordt van juwelen, sieraden, kleding, schilderijen en muziekinstrumenten.35 Philip Ernst Vegelin van Claerbergen overleed in 1693 in Leeuwarden en werd in Akkrum begraven. Hij had zijn uitvaart minutieus geregeld tot en met de lijst van genodigden voor de rouwdienst.36

Uit Vegelins aantekeningen weten we ook waar hij gewoond heeft in Leeuwarden, onder andere in het Eysingahuis op de Turfmarkt, in het Minnemahuis op de Eewal, op de Nieuwstad en in het Sirksmahuis in de Grote Kerkstraat.37 Verder hadden Vegelin en zijn tweede vrouw in 1663 een huis buiten de stad gekocht, het Vierhuis aan de Dokkumer Ee.38 Dit huis werd na Josina's overlijden door de kinderen verkocht. Dan was er nog het kasteel van de baronie Liesveld, waarvan Vegelin in 1661 drost was geworden en waar de jongste zoon werd geboren. Na het overlijden van Vegelin heeft zoon Hessel inlichtingen ingewonnen over de voorvaderlijke goederen in de Palts. Er bleek nog een huis aanwezig to zijn dat echter in zo'n bouwvallige staat verkeerde dat de familie het heeft verkocht.39

In het familiearchief Vegelin zijn veel genealogische data aanwezig, onder andere door Philip Ernst eigenhandig getekende stambomen en notities over zijn eigen en andere families. Vrijwel alle Friese families zijn opgetekend met afstamming, familiewapen en hoe gerelateerd. Ook de geslachten Vögelin in Duitsland en Fegely in Frankrijk zijn uitgebreid gedocumenteerd.

[p. 36]

Schoonfamilies

Door zijn beide huwelijken kwam de Paltse landsman Vegelin in Nederlandse kringen van aanzien te verkeren. Door het eerste huwelijk waren dat oude en invloedrijke Friese families en door het tweede huwelijk was het de Utrechtse regentenaristocratie. Vegelins eerste vrouw Fokje van Sminia was de dochter van Hessel van Sminia en diens eerste vrouw Fock Buma. Na haar overlijden, in het kraambed van Fokje, hertrouwde Hessel nog twee keer, eerst met Wyts Hoppers en daarna met Aefke Jeltinga. Zoon Jetze van Sminia was een zoon uit het tweede huwelijk.

Hessel van Sminia klom op van boerenzoon tot Staat-Generaal. Hessel was een oude bekende van stadhouder Willem Frederik en ontving het stadhouderlijk bruidspaar in 1652 op hun doorreis naar Leeuwarden voor een ‘clein refraissement’. Fokjes halfbroer Jetze van Sminia trouwde op dezelfde dag als Fokjes dochter Aurelia Hillema met een zus respectievelijk een broer Baardt: Jetze met Anna Maria Baardt en Aurelia met Egbert Baardt, later grietman van Haskerland als opvolger van zijn vader. Jetze van Sminia was raadsheer van het Hof van Friesland, welke functie hij te danken had aan zijn zwager Vegelin. Die was namelijk eerder benoemd tot baljuw van Hulst maar stadhouder Willem Frederik wilde hem niet laten gaan. Als compensatie stemde Willem Frederik in met Jetzes benoeming tot raadsheer. Later werd Jetze grietman van Gaasterland.40

Door zijn tweede huwelijk geraakteVegelin in andere hooggeplaatste kringen. Josina Ruijsch was een dochter van Frederik Ruijsch, schout en burgemeester van Utrecht en eveneens een oude bekende van de Friese stadhouder Willem Frederik, die hij reeds in 1649 in Leeuwarden bezocht.41 Josina's moeder Maria van der Meulen stamde uit een Antwerps burgemeestersgeslacht. Vader Frederik Ruijsch werd in 1662 verheven tot heer van de ridderhofstad Den Engh bij Vleuten. Josina had zes zusters en twee broers. Haar oudste zuster was getrouwd met Jacob Taets van Amerongen, raad en schepen van Utrecht en raad ter Admiraliteit van Harlingen. Een andere zuster van Josina was getrouwd met Adolphe de Gonnes, heer van Vuylcoop, luitenant-kolonel en later kapitein in het Staatse leger. Josina's jongste zuster was getrouwd met Jacob Godin, heer van Boelesteyn, en hoofdschout in Amersfoort.42 Over de schoonfamilie Ruijsch vinden we nagenoeg geen vermelding door Vegelin. Eén keer slechts, in zijn verantwoording, schreef Vegelin dat hij voor de jonge stadhouder Hendrik Casimir II een lening was aangegaan en dat zijn schoonvader Ruijsch daarvoor borg stond.43

[p. 37]

Portret

Behalve de getekende figuur in de prent van de lijkstoet van stadhouder Willem Frederik, is er in Nederland helaas geen portret van Philip Ernst Vegelin van Claerbergen bekend. Dat is zeer spijtig want een portret zou het beeld van deze zeventiende-eeuwse hoveling completeren. Nazaten trachten een aantal Vegelin-familieportretten naar Nederland terug te halen, dat sinds 1920 deel uitmaakt van de schilderijencollectie van aangetrouwde relaties in Duitsland.44 Aan de hand van deze portretten zou hernieuwd onderzoek kunnen worden gedaan naar het schilderij van een jachtgezelschap van de hand van de Friese hofschilder Nicolaas Wieringa uit 1668. Op dit schilderij staat namelijk naast stadhouder Hendrik Casimir II een hofdignitaris afgebeeld, van wie Nicolaas Wieringa ook een afzonderlijk portret vervaardigde. Een recentelijk in het kader van een doctoraalscriptie kunstgeschiedenis uitgevoerd onderzoek naar de schilder Wieringa, kon geen defintief uitsluitsel over de identiteit van de afgebeelde hofdienaar geven.45

Abstract - Philip Ernst Vegelin van Claerbergen (1613-1693) has to this day received mention in the literature only as the trusted secretary and steward of the Frisian stadtholders. In this article a more complete representation of this seventeenth-century courtier will be given by a study of his personal documents and his correspondence with academic and artistic contemporaries. Furthermore, attention will be given to his Palatine history and his family and relatives in the Netherlands.