Biographisch woordenboek der Nederlanden. Deel 1


auteur: A.J. van der Aa


bron: A.J. van der Aa, Biographisch woordenboek der Nederlanden. Deel 1. J.J. van Brederode, Haarlem 1852


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 147]

[Johannes Alberti]

ALBERTI (Johannes), geboren te Assen den 6. Maart 1698, was de zoon van eenen Korenmolenaar, en kon, uithoofde van den afstand tusschen het huis zijner ouders en de school, deze laatste niet wel bezoeken. Ook schijnen de ouders in den beginne zich weinig aan de vorming van hun kind te hebben laten gelegen leggen. Gelukkig dat de molenaarskneecht, Jan Mulder geheeten, opgewektheid gevoelde, om het knaapje te leeren lezen. De leerling maakte snelle vorderingen, en weldra nam de onderwijzer zijnen leerling mede ter kerk. Tot zijne verbazing bespeurde hij, dat het jongske onverpoosd het oog op den Leeraar gevestigd had. Thuis komende en door zijne moeder gevraagd, of hij ook iets van het gehoorde onthouden had, klom hij op eene houten kist, die in het woonvertrek stond, las den tekst der gehoorde leerrede voor, en droeg met eenvoudigheid een gedeelte daarvan op zulk eene wijze voor, dat het moederoog de tranen niet kon bedwingen. Van toen af schijnen de ouders de hoop te hebben opgevat, dat hun kind, tot iets hoogers dan het ouderlijk beroep bestemd was En hij heeft die dan ook niet teleurgesteld; want, na op de Latijnsche school boven zijne medeleerlingen te hebben uitgemunt(1), werd hij in 1718 naar de Hoogeschool te Franeker gezonden, waar hij, onder Lambertus Bos en Campegius Vitringa, met het merg der oudheid werd doorvoed; terwijl de laatstgenoemde eene grondige kennis der godgeleerde wetenschappen in den jongeling aankweekte, zoodat hij, toen hij, na een zesjarig verblijf te Franeker, zijne studiën volbragt had, ook reeds buiten de plaats zijner inwoning bekend was, als iemand van uitstekende bekwaamheden, die voor Vaderland en Wetenschap veel beloofde. Den 26 Januarij 1721 werd hij te Hoogwoud, in Noord-Holland, als Predikant bevestigd, terwijl hij hier stond, verzamelde hij, op het voetspoor van Elsner, Raphelius, zijnen leermeester Bos en eenige andere Godgeleerden, in ongewijde schrijvers, alle de gelijkluidende plaatsen, welke de in het Nieuwe Testament voorkomende Grieksche spreekwijzen konden regtvaardigen en den stijl der Evangelisten en Apostelen verdedigen tegen hen, welke dien stijl gebrekkig en vol Hebreeuwsche uitdrukkingen vonden. De uitkomsten, welke dit naauwgezet onderzoek van den tekst des Nieuwen Verbonds bij hem had opgeleverd, bragt Alberti in 1725 aan den dag in zijne Letterkundige Aanteekeningen op de gewijde Schriften des Nieuwen Verbonds(2). Dit werk bevat geen doorloopende verklaring, maar heldert een aantal plaatsen uit de gewijde boeken op, uit vergelijking met andere Grieksche schrijvers, en, waar het noodig is, de taal des Ouden Verbonds toelichtende, terwijl Alberti tevens de naar zijn oordeel beste

[p. 148]

lezing voorstelt en de uitlegging van andere schriftverklaarders, niet veronachtzaamt. Ofschoon door velen toegejuicht, werden deze aanteekeningen in de Handelingen der Geleerden.(1), een kritisch tijdschrift, dat destijds te Leipzig in het Latijn werd uitgegeven, sterk gehekeld en de jonge Geleerde vooral van letterdieverij beschuldigd. Alberti gaf hierop in 1727 een nieuw geschrift uit, onder den zedigen titel van Kritische Proeve(2), in welks voorrede hij zich breedvoerig ten opzigte van zijne vroegere Aanteekeningen regtvaardigde, en in welk werk Alberti eene buitengewone bekendheid met de Grieksche woordenboeken en spraakkunsten aan den dag legde. Deze grondige kennis, ontwikkeld in een slechts ruim honderd bladzijden tellend geschrift, deed den onafhankelijken schrijver gelijktijdig als warme voorstander der bijbelsche waarheid kennen en bragt zijne vijanden tot zwijgen.

Kort daarna maakte hij eene Proeve van Kritische aanmerkingen nopens Hesychius(3) bekend; welke achtervolgd werd door ettelijke Letterkundige aanteekeningen tot opheldering van sommige plaatsen van het Nieuwe Testament uit Philo Judaeus(4). Beide deze verhandelingen zijn echter niet afzonderlijk uitgegeven, maar in buitenlandsche tijdschriften opgenomen(5).

Daar Alberti zich met ijver op alle veelsoortige kundigheden toelegde, die een waardig Predikant en Bedienaar des Goddelijken Woords niet alleen noodig, maar ook nuttig zijn, breidde zich zijn roem als kanselredenaar al meer en meer uit, en van Hoogwoud werd hij, na een kort verblijf, achtervolgens in het jaar 1726, naar Krommenie en in 1728 naar Haarlem beroepen.

Gedurende zijn verblijf ter laatstgemelde plaatse, vatte Alberti het plan op, om eene nieuwe uitgave van het woordenboek, van Hesychius te bewerken, ten einde aan dezen arbeid de grootste volledigheid te geven, getroostte hij zich de onvermoeide nasporingen en zamelde hij overal nieuwe bouwstoffen op. Onder de papieren, hem door den Hamburgsche Hoogleeraar Johan Albert Fabricius ten dien einde medegedeeld, was een oud onuitgegeven Grieksch woordenboek op het Nieuwe Testament. Door de vergelijking van dit afschrift met een ander, dat hij later in de boekerij der Leydsche Hoogeschool vond en met een zeer oud handschrift, hetwelk hem door zijnen vriend, den geleerden Tiberius Hemsterhuis was verstrekt, gelukte het Alberti de

[p. 149]

Grieksche letterkunde met een nieuw Grieksch woordenboek op het Nieuwe Testament te verrijken, waarachter hij eene zeer uitvoerige lijst voegde van alle de oude Grieksche Schrijvers, welke in het Lexicon van den taalkundigen Photius worden aangehaald(1).

Na in het jaar 1740 van eene groote reis door naburige landen te zijn teruggekeerd, werd Alberti het hoogleeraarsambt in de godgeleerdheid aan de Hoogeschool te Leyden aangeboden, welken post hij den 5 October aanvaardde met eene redevoering over de Vereeniging van Godgeleerdheid en Oordeelkunde(2). Van het oogenblik dat hij het hoogleeraarsambt had aanvaard, trachtte hij, bij zijne leerlingen eene vrije en oordeelkundige uitlegging des Bijbels te bevorderen en op te wekken. Dit bragt echter te weeg dat hij mede betrokken werd in de onaangenaamheden en vervolgingen, welke een zijner ijverigste leerlingen, den Zwolschen leeraar Antony van der Os werden aangedaan. De tegenstanders van dezen laatste verweten hem niet slechts, dat hij de onregtzinnige gevoelens, welke men hem toedichtte, van Alberti had ingezogen, die, zoo zij voorgaven, zich achter het scherm hield en bloodaardig het stilzwijgen bewaarde, maar verklaarde openlijk, dat door Alberti's leer de zuivere Hervormde kerkleer aan de Hoogeschool te Leyden moest te gronde gaan. De zachte, bedaarde Alberti, die eenmaal, in een zijner eerste werken, gezegd had, dat alleen een kwalijk verstand der bijbelboeken tot tweespalt in de kerk aanleiding kon geven, was voorzigtig en verstandig genoeg, zich niet aan de aanvallen zijner vijanden te storen, ofschoon hij zeer goed bespeurde, dat men bijzonder tegen hem de wapenen rigtte, daarom moesten zijne ongedrukte akademische lessen openlijk aan de kaak werden gesteld, zoo als men deed in een nameloos geschrift, dat den titel voerde: Examen van het onderwerp van tolerantie, om de leer, in de Dordrechtsche Synode, ten jare 1619, vastgesteld, met de veroordeelde leer der Remonstranten te vereenigen, door een genootschap van voorstanders der Nederlandsche formulieren van eenigheid, waarin Alberti onder den naam van Euruodius (d.i. breeden weghouder) werd ingevoerd. Met verachting beantwoordde de waardige man de onbesuisde taal zijner doldriftige, ofschoon doorkundige vijanden, doch met warmte werd hij en het onderwijs door hem gegeven, door zijnen ambtgenoot Schultens verdedigd. Gedurende den tijd dat hij het hoogleeraarambt aan Leydens Hoogeschool bekleedde, heeft Alberti eenmaal het Rectoraat waargenomen, welke betrekking hij den 8 Februarij 1749 nederlegde

[p. 150]

met eene redevoering Over het Nut der poëzy voor de Godgeleerden(1) welk stuk door den kundigen Nozeman in het Nederduitsch werd overgebragt, terwijl Pieter Merkman deze vertaling in vloeijende verzen overbragt.

Intusschen zette Alberti zijne geliefkoosde letteroefeningen voort en gaf in 1746, te Leyden, het eerste deel van het woordenboek van Hesychius uit(2). De verwachting der geleerden werd bij de verschijning niet te leur gesteld, want deze uitgave scheen geheel aan den grooten roem van Alberti te beantwoorden. Reeds was hij zeer ver in het tweede deel gevorderd, toen in 1749 de longtering zich bij hem openbaarde. De wateren van Aken en Spa, werwaarts hij zich begaf om zijn heil in de badente zoeken, onderdrukten zijne kwaal wel, maar gedurende drie jaren zag bij zich genoodzaakt den arbeid te staken, en Alberti herstelde zeer langzaam. Eene hinderlijke kwaal bleef hem echter uit zijne ziekte over, het was eene gedeeltelijke verlamming zijner handen, zoodat hij naauwelijks de bladzijden der boeken kon openslaan en niet dan hoogst moeijelijk de pen kon voeren. Desniettegenstaande bleef hij zich geweld aandoen om den geliefkoosden letterarbeid voort te zetten. Zoo verliepen een tiental jaren, en reeds had hij, op een paar letters na, het geheele alphabeth van Hesychius afgewerkt toen hij den 13 Augustus 1762, aan het roodvonk bezweek. Het tweede deel van Hesychius verscheen door de zorg van Ruhnkenius te Leyden in 1762. Hij had bij zijne echtgenoote, eene dochter van Mr. Philips van Ravestein, een man van veelzijdige geleerdheid, geene kinderen verwekt.

Bijna tweeëntwintig jaren had Alberti der Leydsche Hoogeschool tot sieraad verstrekt en niet weinig heeft hij er, door zijn onderwijs, toe bijgedragen, om de beoefening der gewijde uitlegkunde op eene meer naauwkeurige kennis der taal gegrond aan te moedigen en te bevorderen. Ook moet ieder, die zijne menigvuldige geschriften inziet, de veelzijdigheid zijner kennis bewonderen. Uitstekend toch als Godgeleerde en in de gewijde uitlegkunde een der voortreffelijkste mannen van zijnen tijd, was hij tevens van den geest der Grieksche letterkunde doordrongen, en vooral met den grondslag van de taal der Hellenen vertrouwd. Daarenboven was hij ook geen vreemdeling in de taal- en letterkunde des Vaderlands, en wist hij ook deze kennis aan zijne eigenlijke hoofdstudiën dienstbaar te maken; terwijl men in 's mans schriften menigvuldige sporen van vergelijkende taalkunde aantreft, die van zijne studie der Nederlandsche taal gunstig getuigen; zelfs tokkelde hij niet ongelukkig de Nederlandsche lier(3). Ook was hij niet

[p. 151]

onbedreven in de Noordsche Geschiedenis en Letterkunde. Aan alle deze verdiensten als Geleerde, wist Alberti de beminnelijkste deugden te paren. Daaronder zij het genoeg te wijzen op de dankbare vereering, waarmede hij in zijne geschriften op vele plaatsen aan zijne leermeester Lambertus Bos herdenkt; op de nederige bescheidenheid, die dikwijls in zijne werken doorstraalt; op zijne door allen erkende zedigheid en op zijne dienstvaardigheid jegens andere Geleerden, waardoor de handschriften die hij bezat allen letterkundigen ten dienste stonden. Van dit laatste strekke het volgende ten bewijze. Als de Friesche Geleerde Gijsbert Koen aan eene uitgave van Gregorius den Corinthiër arbeidde, was het Alberti, door wiens tusschenkomst hij een belangrijk handschrift van diens taalkundig werk uit Bazel erlangde; en naauwelijks had hij vernomen dat de Leeuwarder Rector Johannes Pierson zich met eene uitgave van Moeris Atticista bezig hield, of hij zond dezen, zonder daartoe uitgenoodigd te zijn, eene, door hem zelven in schrift gebragte, zeer naauwkeurige vergelijking van het Leydsche handschrift, dat Vossius vroeger had bezeten. Het portret van Alberti is gegraveerd door Houbraken en men treft het mede aan in de Drentsche Volksalmanak voor het jaar 1844.

Zie Saxii, Onom. Liter. Pars VI. p. 387; Chalmot, Biogr. Woordenb.; Van Kampen, Beknopte Geschied. der Letteren en Wetens. in de Nederl., D. II. bl. 286 en 287 en D. III. bl. 183; Biogr. Nation.; Ypeij en Dermout, Gesch. der Nederl. Herv. Kerk. D. III. bl. 487; Aanhangsel op Nieuwenhuis Woordenb. van Kunst. en Wetensch.; Algem. Woordenb. der Zamenl.; Siegenbeek, Geschied der Leidsche Hoogesch. D. I. bl. 271, 282, 291. D. II. T en B. bl. 194 en 195; Biogr. Univ.; Glasius, Godgel. Nederl en vooral Mr. J. de Wal, Levenssch. van Johannes Alberti medegedeeld in de Drentsche Volks almanak voor de jaren 1844 en 1845, welk laatste werkje wij hier hoofdzakelijk gevolgd hebben.