Biographisch woordenboek der Nederlanden. Deel 1


auteur: A.J. van der Aa


bron: A.J. van der Aa, Biographisch woordenboek der Nederlanden. Deel 1. J.J. van Brederode, Haarlem 1852


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 156]

[Bernhardus Albinus]

ALBINUS (Bernhardus), een der vermaardste geneeskundigen van zijnen tijd, werd geboren den 7 Januarij 1653, te Dessau, in het Vorstendom Anhalt, waar zijn vader, Christoforus Albinus, de burgemeesterlijke waardigheid bekleedde. Zijn eigenlijke geslachtnaam, Weiss, was door een zijner voorvaderen uit de zestiende eeuw, den Dichter en Geschiedschrijver Petrus Weiss, naar de gewoonte van dien tijd, in dien van Albinus veranderd. In zijne jeugd paarde hij een zwak ligchaam aan eenen grooten geest, waarom zijn vader hem eerst in zijn huis door eenen bekwamen leermeester, en niet dan toen hij meer in krachten was toegenomen, in de openbare school zijner woonplaats deed onderwijzen. Als echter de geleerde Hendrik Alers, die destijds aan het hoofd dier school stond, in 1669, naar de doorluchtige school te Bremen geroepen werd, vertrok Albinus mede derwaarts, en oefende er zich met ongemeene vlijt in talen en wetenschappen, vooral echter in de natuurkunde en wijsbegeerte. Van Bremen begaf hij zich naar de hoogeschool te Leyden, waar hij zich onder Carolus Drelincourt, Lucas Schacht en Theodorus Cranen aan de studie der geneeskunde wijdde. In 1676 keerde hij naar Dessau terug, en deed vervolgens eene reis door de Nederlanden, Braband en Frankrijk, alwaar hij eenen grooten schat van geleerdheid, vooral in de genees-, ontleed- en heelkunde, opzamelde, en kwam door Lotharingen, langs den Rijn en over Holland, in het midden van den zomer van 1680 naar Dessau terug. Nog in het zelfde jaar werd hij tot Hoogleeraar in de Geneeskunde aan de hoogeschool te Frankfort aan den Oder beroepen, welke bediening hij den 13 Januarij 1681 aanvaardde, hoewel hij eerst den 16 April des volgende jaars den graad van Doctor bekwam Vervolgens werd hij door Frederik Willem den Groote, Keurvorst vau Brandenburg. tot diens Lijfarts en Geheimraad benoemd, welke eerambten hij met grooten lof tot de dood van dien Vorst, den 29 April 1688, bekleedde, waarna hij zich weder naar Frankfort begaf, om den hoogleeraarsstoel te bekleeden. Zes jaren later werd hem door de Bezorgers der Groningsche Hoogeschool de waardigheid van Provinciale Doctor en Hoogleeraar in de Geneeskunde op eene wedde van 1200 gulden aangeboden. Ofschoon hij niet ongenegen was om die ambten te aanvaarden, werd hij daarvan echter wederhouden, door de weldaden en beloften van Keurvorst Frederik, den zoon en opvolger van Frederik Willem, die zijn jaarlijksch inkomen met 600 guld. vermeerderde en hem in 1697 niet slechts de waardigheid van Lijfarts opdroeg, maar hem bovendien nog eene opengevallen kanunnikdij te Maagdenburg bezorgde, welk eerambt Albinus echter, alzoo hij het niet in persoon kon waarnemen, met voorkennis van den Vorst, aan een ander verkocht.

Nadat Albinus nu vijf jaren Lijfarts van den Keurvorst Frederik, later Koning van Pruissen, geweest was, werd hij in 1702 door de bezorgers der hoogeschool te Leyden, op voordeelige en

[p. 157]

vereerende voorwaarden, uitgenoodigd om den post van gewoon Hoogleeraar der Theoretische en Practische geneeskunde te aanvaarden; aan welke uitnoodiging hij, onder gunstige, doch niet zonder moeite verkregene toestemming van zijnen Vorst voldeed. Albinus vertrok dan, door den Koning beschonken met eenen gouden penning van groote waarde, waarop diens afbeelding stond, met zijn gezin naar Holland, werwaarts hij door een groot getal studenten uit Duitschland gevolgd werd. Met eene redevoering Over den oorsprong en voortgang der Geneeskunde(1) aanvaardde hij, den 19 October van het gezegde jaar ee nn post, dien hij tot nut en luister der hoogeschool met ijver en getrouwheid waarnam, tot aan zijn overlijden den 7 September 1721.

Hij was in 1696 gehuwd met Susanna Catharina Rings, eene dochter van Thomas Siegfried Rings, Hoogleeraar in de Regten te Frankfort aan den Oder, bij welke hij elf kinderen verwekte, vier zonen en zeven dochters. Van de zonen hebben twee te Leyden en een te Utrecht, met veel roem, den hoogleeraarstoel bekleed. De groote Boerhaave vereerde zijne nagedachtenis met eene lijkrede, welke, onder den titel van: H. Boerhaavii Oratio Academica de vita et obitu B. Albini, gedrukt en onder diens Opuscula omnia geplaatst is. Zijne beeldtenis is onder de Effigies bij P. van der Aa.

Onder de schriften, door hem nagelaten, zijn:

De corpusculis sanguine contentis.

De Tarantulae mira vi.

De sacro Freisenwaldensium fonte.

Zie Van Hoogstraten en Brouërius van Nidek, Groot Algem. Hist. Woordenb.; Kok, Vaderl. Woordenb.; Chalmot, Biogr. Woordenb.; van Kampen, Geschied. der Nederl. Letteren en Wetens., D. II. bl. 332; Siegenbeek, Geschied. der Leydsche Hooges., D. I. bl. 253, 294, II. T. en B. bl. 166-167; Algem. Woordenb. der Zamenl.; Biogr. Univers.