voor, en toen werd het aangenomen. De Koning beloonde zijne bemoeijingen, door hem in Junij 1819 tot Kommandeur der orde van den Nederlandschen Leeuw te benoemen, en stelde de domeinen, de registratie, de in- en uitgaande regten en accijnsen onder zijn bestuur. In 1820 werd Appelius, als Minister van Staat, met de algemeene directie der ontvangsten belast, en eindelijk in 1824 tot Minister van Finantiën benoemd.
Na alzoo gedurende dertig jaren de hoogste posten bij het finantiewezen te hebben bekleed, overleed hij den 12 April 1828 te 's Gravenhage, aan de gevolgen van het graveel en aanhoudende verzwakking. Eene zeer welsprekende hulde werd hem bij zijne ter aarde bestelling op de begraafplaats te Scheveningen, den 16 April 1828, toegebragt door Mr. H. van Royen(1).
In alle betrekkingen, waarin Appelins geplaatst was, heeft hij eene onkreukbare eerlijkheid en belangeloosheid aan den dag gelegd. Ook na zijne verheffing tot de hoogste eerambten, bleef hij den even minzamen en bescheiden man, die hij vroeger geweest was, en liet noch in zijne houding, noch in zijne levenswijze, eenige trotschheid of praalzucht blijken. Van zijne edelmoedigheid strekke het volgende ten blijke. Eens te Brussel geheel alleen in de commedie in eene loge zittende, werd hij die, als naar gewoonte, zeer burgerlijk gekleed was, door vier jonge Belgen, welke daar ook plaats namen en hem niet kenden zoodanig gedrongen, dat hij de voorste bank verliet en zonder iets te zeggen achter hen plaats nam. Eenige hooge ambtenaren, dit ziende, boden Appelius eene plaats in hunne loge aan, hetwelk hij aannam. Toen de jeugdige losbollen nu zagen met welk een onderscheid hij door die Heeren behandeld werd, werden zij nieuwsgierig te weten, wie het toch zijn mogt, die zij zoo verdrongen hadden en men verbeeldde zich hunne ontsteltenis, toen zij vernamen dat het de Directeur-Generaal der indirecte belastingen was, te meer daar hun geheele bestaan grootendeels van hem afhing, aangezien drie hunner bij de belastingen geplaatst waren. Ofschoon Appelius nu door gedienstige aanbrengers al spoedig te weten kwam wie het waren, die hem zoo onbeschoft bejegend hadden, heeft hij, de zaak als eene jeugdige ligtzinnigheid beschouwende, er hun nimmer zijne ontevredenheid over doen gevoelen.
Zijn wapen was van azuur met eenen appel met tak en bladen, alles in natuurlijke kleur.
Zie Vaderl. Hist. ten vervolge op Wagenaar D. XXIX bl. 118, D. XXXIV bl. 240-250, D. XXXVI. bl. 34, D. XL. bl. 94, 168, 173, 208, 216, 293, D. XLI. bl. 51, 95 en 160, D. XLII. bl. 210 en 227, D. XLIII, passim, D. XLIV. bl. 13, 17-21, 35 en 144, D. XLV. bl. 108; C. van der Aa, Geschied. van den oorlog, D. IV. bl. 403, 419-422, D. IX. bl.