Biographisch woordenboek der Nederlanden. Deel 2. Eerste en tweede stuk


auteur: A.J. van der Aa


bron: A.J. van der Aa, Biographisch woordenboek der Nederlanden. Deel 2. Eerste en tweede stuk. J.J. van Brederode, Haarlem 1854


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 

[Jan de Beijer]

BEIJER (Jan de), geboren in 1705 te Arau in Zwitserland, hield zich in zijne jeugd veel te Amsterdam op, en had daardoor gelegenheid om zich bij Cornelis Pronk in de teekenkunst te oefenen, en werd onder diens leiding een goed meester, die eene menigte gezigten van steden, kasteelen en oude gebouwen, in het Land van Kleef, de omstreken van Namen en Maastricht in de Provineiën Gelderland en Utrecht teekende. Hij was eenige tijd woonachtig te Vierlingsbeek, bij Boxmeer, waar hij zich des zomers onledig hield om voor boekhandelaars en kunstminnaars te teekenen; terwijl hij des winters zijne teekeningen naar Amsterdam bragt om ze aan hen, die ze besteld hadden, af te leveren. Kort na het midden der vorige eeuw zette hij zich echter met der woon te Amsterdam neder, waar hij niet alleen de teekenkunst beoefende, maar zich ook meer dan te voren op het schilderen met olieverw toelegde, ofschoon hij toen reeds zes of zeven en veertig jaar oud was. Tot leidsman koos hij zijnen kunstgenoot Jan Maurits Quinkhart, werkte onder diens opzigt en aan zijn huis gedurende twee jaren, waardoor hij tevens gelegenheid had om onderscheidene der beste landschappen en stadsgezigten uit de verzameling van Quinkhart te bestuderen en te kopiëren, makende zich daarbij den schildertrant van zijnen leidsman, hoezeer die een Portretschilder was, ten nutte, zoodat hij eenige zeer verdienstelijke schilderijen, meestal naar zijne eigene teekeningen heeft vervaardigd; doorgaans zijn het stadsgezigten en landschappen. Hij was gewoon om de beeldjes, tot stoffaadje zijner teekeningen en schilderijen, naar het leven te teekenen. Zijne teekeningen, zoo gekleurde als

[p. 272]

ongekleurde, zijn in menigte onder de liefhebbers verspreid, en zouden welligt meer in achting zijn, indien zij minder in getal waren. Henricus Spilman, Paul van Liender en anderen hebben onderscheidene gezigten, door Jan de Beijer geteekend, in het koper gebragt. Naar zijne fraaije en naauwkeurige teekeningen vindt men mede onderscheidene platen in de Hedendaagsche Historie of Tegenwoordige Staat van alle Volken.

Hij rigtte te Amsterdam een teekengezelschap op, dat eerst op zijne kamer en vervolgens, uitgebreider wordende, in het logement de Zon werd gehouden.

De Beijer was een man van een opgeruimd en vrolijk karakter, die echter zeer ingelogen leefde. Na vele jaren de kunst te Amsterdam beoefend en daarmede eenig vermogen overgewonnen te hebben, trok hij, ten einde gedurende zijne overige levensdagen de vruchten zijner vlijt stil en gerust te genieten, naar een klein plaatsje nabij Kleef, alwaar hij, na een verblijf van eenige jaren, in hoogen ouderdom overleed.

Zie van Gool, Nieuwe Schoub. der Schild., D. II. bl. 199; Chalmot, Biogr. Woordenb., D. III. bl. 53 en 54; van Eynden en van der Willigen, Geschied. der Vaderl. Schilderk., D. II. bl. 37-39; Immerzeel, Levens en Werken der Nederl. Kunsts., D. I. bl. 52.