Biographisch woordenboek der Nederlanden. Deel 2. Eerste en tweede stuk


auteur: A.J. van der Aa


bron: A.J. van der Aa, Biographisch woordenboek der Nederlanden. Deel 2. Eerste en tweede stuk. J.J. van Brederode, Haarlem 1854


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 

[Dirk van Bleiswijk]

BLEISWIJK (Dirk van) of Dirck van Bleyswijek Evertsz., gesproten uit een voornaam Hollands geslacht, wiens voorzaten van onheugelijke tijden af, in de stad Delft, mede zijne vaderstad, de aanzienlijkste regeringsposten hebben bekleed, en zoon van Evert van Bleiswijk werd geboren in het jaar 1640, legde zich vroegtijdig op de beoefening der traaije letteren toe, en studeerde ten dien einde onder de geleerdste mannen van zijnen tijd, eerst te Leiden en vervolgens te Utrecht, waarna hij zich op reis begaf, en alle eenigzins merkwaardige plaatsen van de zeventien Nederlandsche Provinciën bezocht, terwijl hij met groote naauwkeurigheid, het merkwaardigste daarvan opteekende. Te huis gekomen, was zijn voornemen om ook verder afgelegene gewesten te gaan bezoeken; dan hierin werd hij verhinderd door een zware ziekte, welke hem aan den rand des grafs bragt. Na langdurig sukkelen hersteld zijnde, veranderde hij van gedachten, en nam voor, zijne vaderstad met al het merkwaardige, dat zij oplevert, te beschrijven. Dit heeft hij dan ook loffelijk ten uitvoer gebragt, in zijne:

Beschryvinge der stad Delft, Betreffende des selfs Situatie, Oorsprong en Ouderdom, Opkomst en Voortgangh, vermeerderinge van Vryheydt en Jurisdictie, Domeynen en Heerlijckheden, midtsgaders de stichtingen van alle hare publijcke Gebouwen, ende wel insonderheyt de so menigvuldige Kercken, Kapellen, Kloosteren en andere Kerckelijke Gestichten, van outs aldaar geweest. - Voor-af met een korte Beschryvinge van Delflandt, de Steden, Dorpen en heerlijcke Huysen daer onder gelegen, doorgaens bevestigt met veele oude Privilegien, Herkomen, Handvesten, Brieven, Keuren en Ordonnantien. Tot bericht, nut, ende gerief van alle soo tegenwoordige als nakomende Burgeren der selver stad. Delft 1667.

Welke beschrijving, zoowel in naauwkeurigheid als uitvoerigheid, voor geene stede-beschrijving behoeft onder te doen, maar zelfs de meesten overtreft.

Het afbeeldsel van dezen Geschiedschrijver gaat in zwarte kunst uit.

 

Zie D. van Bleiswijk, Beschr. v. Delft in de voorrede; A. Pars, Naamrol van de Batav. en Holl. schrijvers, bl. 266-268; Kok, Vaderl. Woordenb.; de Chalmot, Biogr. Woordenb; van Kampen, Gesch. der Lett. en Wetensch. in de Nederl., D. I. bl. 406; Aanh. op het Woordenb. van Kunst. en Wetensoh. van G. Nieuwenhuis; Biogr. Univers.