Biographisch woordenboek der Nederlanden. Deel 2. Derde en vierde stuk


auteur: A.J. van der Aa


bron: A.J. van der Aa, Biographisch woordenboek der Nederlanden. Deel 2. Derde en vierde stuk. J.J. van Brederode, Haarlem 1855


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 

[Jan Jacob Brahé]

BRAHÉ (Jan Jacob), oorspronkelijk uit een aanzienlijk Zweedsch geslacht, is geboren te Delft den 13den November 1726, in welke stad zijn vader Jan Jacob Mauritz Brahé, toen als gepensioneerd Luitenant zijn verblijf hield; zijn moeder was Elizabeth Holtius, dochter van Gualtherus Holtius, Predikant te Koudekerk bij Leiden. Jan Jacob Brahé doorliep de Latijnsche scholen te Amsterdam, en oefende zich daar vierdehalf jaar aan de Doorluchtige school, waarna hij de Hoogeschool van Utrecht ging bezoeken.

[p. 1151]

Hier werd hij inzonderheid opgeleid tot de kennis der Godgeleerdheid en de Predikdienst, bedienende zich ten dien einde voornamelijk van het onderwijs van den Hoogleeraar Willem van Irhoven. In 't jaar 1749 werd hij Proponent en ten volgende jare als Predikant beroepen in de Hervormde gemeente te Watergang, onder de Classis van Edam. Nog geen twee jaren stond hij daar, toen hij beroepen werd naar Vlissingen. Hier werd Brahé in October 1775 overvallen van eene beroerte, waardoor hij buiten staat gesteld werd, om zijne ambtsbezigheden waar te nemen; diensvolgens werd hem het Emeritaat toegestaan, waarvan hij echter geen genot had, daar hij reeds den 5den Julij 1776 overleed. In eerste huwelijk had hij Maria Katharina Ligthart, die hem een zoon naliet, welke in jeugdige leeftijd overleed. Ten jare 1754 trad hij in een tweede huwelijk, met Anna Kornelia Evertsen, uit welken echt hij twee zonen en eene dochter won.

Brahé was een man van zeer groote bekwaamheden. Bij zijne uitgebreide kundigheden in de Talen en Godgeleerdheid, was hij mede een welsprekend redenaar en beoefende de Dichtkunst, hoewel hij daarin geen zeer hooge vlugt nam. Onderscheidene Dichtstukken zijn met en zonder zijnen naam in druk gegeven. Hij was in 1753 een der eerste Oprigters van 't Vlissings Dichtlievend Genootschap: Tenues conamur grandia en Lid van verschillende Dichtgenootschappen. In het jaar 1769 werd Brahé Lid en tweede Secretaris van het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen te Vlissingen, van hetwelk hij een der Oprigters was en in het eerste deel van wiens verhandelingen, men een zeer fraai stuk van hem aantreft, genaamd:

Salomo's Kroonregt verdedigt; en Adonia, Abjathar en Joab wegens hoog verraad gestraft.

Bekend zijn de geschillen onder de Godgeleerden, bijzonder der Classis van Walcheren, over de leer der Regtvaardigmaking des zondaars voor God uit en door het Geloof. Brahé had hiertoe aanleiding gegeven, door het ten jare 1758 uitgeven, van: Aanmerkingen over de vijf Walchersche Artykelen, welke benevens de gewone Formulieren van eenigheit, in die Classis geteekend worden. Middelb. 1758, waarin hij beweerde: dat de Regtvaardigmaking ging voor het Geloof, en dat het Geloof alleen was het middel waardoor de Geregtvaardigde van zijne Regtvaardigmaking verzekerd werd. Hiertegen verzette zich bij schrifte Pieter Boddaert, Griffier van de Admiraliteit in Zeeland, en Augustus van der Sloot, Predikant te Middelburg, terwijl anderen de verdediging der leere van Brahé op zich namen. Deze geschillen rezen zoo hoog, dat de Staten van Zeeland zich genoodzaakt vonden, bij besluit van 13 September 1761, er in te voorzien en een einde te maken aan dezen twist.

Behalve die Aanmerkingen over de vijf Walchersche Artykelen, heeft Brahé nog geschreven:

[p. 1152]

Vertoog aan de Classis van Walcheren wegens de handelingen gehouden in het geschil over zijn boek genaamd Aanmerkingen over de vijf Walchersche Artykelen. Middelb. 1760.

Proeve van Aanmerkingen op de Wolke van Getuigen, mitsgaders de Wolke van Getuigen voor de Leer der Rechtvaardigmaking onderzocht, hersteld en vermeerderd. Middelb. 8o.

Brief ter opening van de geschillen wegens zijn Boek over de Walchersche Artykelen. Utr. 8o.

Noodige verdediging van Waarheit en Leere tegen Ds. A. van der Sloot. Middelb. 1760. 8o.

Brief aan Vrolykhert. Amst. 1760. 5o.

De Kerklust van Vlissingen, vertroost door het herbouwen en inweiden van haar afgebrande Tempel. Middelb. 4o.

Ethans onderwijzing in den LXXXIX Psalm geopend en verklaard. Amst. 1765. 4o.

Lijkrede op Wilhelmus Schortinghuis, Predikant te Koudekerk in Walcheren. 1768.

Kerkelijke Redevoering van het nieuwe orgel in de Groote of St. Jacobskerk te Vlissingen. 1769.

Kerkelijke Redevoering ter gelegenheid van het tweede eeuwgetijde der Vlissingsche vrijheid, op den 6den van Grasmaand 1772 aldaar uitgesproken. Vliss. 1772.

Vlissings eeuwvreugde, op den twee-honderdste geboortedag harer vrijheid, den 6den van Grasmaand 1772. Vliss. 1773. met pl.

 

Zie van Abkoude en Arrenberg, Naamr. van Nederd. Boeken; Vrolikhert, Vlissingsche Kerkh., bl. 300-311; de Chalmot, Biogr. Woordenb.; Ypeij en Dermont, Geschied. der Herv. Kerk, D. III. bl. 497-501; Witsen Geysbeek, Biogr. Woordenb. der Nederd. Dicht.