Biographisch woordenboek der Nederlanden. Deel 7


auteur: A.J. van der Aa


bron: A.J. van der Aa, Biographisch woordenboek der Nederlanden. Deel 7. J.J. van Brederode, Haarlem 1862


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 350]

[Pieter de Graeff]

GRAEFF (Pieter de), Vrijheer van Zuidpolsbroek, Purmerlant en Hpendam, zoon van Cornelis de Graeff voornoemd, werd te Amsterdam den 15den Augustus 1638 geboren. Even als zijne doorluchtige bloedverwanten reeds vroeg tot de regering der stad geroepen, werd hij, in 1672 Raad zijnde, tegelijk met anderen van zijn post ontzet.

Met een prijzenswaardigen ijver en zorgvuldige naauwgezetheid heeft Pieter de Graeff de daden en betrekkingen zijner voorouders beschreven, en de daartoe behoorende oorkonden en bescheiden verzameld en bewaard. Uit die stukken heeft de heer G. van Enst Koning mogen putten, en het is in zijn meermalen aangehaald werk dat de berigten, door hem uit die stukken ontleend, zijn medegedeeld. Het bleek daaruit ook dat de Graeff bij eene getrouwe behartiging zijner betrekking als Schepen der stad Amsterdam, een der kundigste en werkzaamste Bewindhebbers der Oost-Indische Compagnie is geweest, en als zoodanig handel en nijverheid heeft voorgestaan en bevorderd, vooral tusschen de jaren 1671 en 1678, toen aan Joan Maetsuycker, als Gouverneur Generaal, het bewind over de Nederlandsche bezittingen in Oost-Indië was toevertrouwd.

Te bejammeren is het evenwel, dat de Journalen door de Graeffop zijne onderscheidene reizen naar Engeland en Frankrijk, in 1658, 1659 en 1660 gehouden, even als zijne uitgebreide en langdurige briefwisseling met den Nederlandschen ambassadeur Jacob Boreel, zijn verloren gegaan. De Graeff was gehuwd, den 11den April 1662, aan Jacoba Bicker en werd daardoor de zwager van den Raadpensionaris Johan de Witt, die met hare zuster, Wendela, gehuwd was. Meer dan zwagers waren deze twee mannen voor elkander. De vertrouwelijke briefwisseling tusschen hen, gedurende meer dan tien jaren gevoerd, verstrekt ten blijke dat de een de boezemvriend van den anderen was. Van daar dan ook de zorg van de Witt, om dadelijk na zijne verwonding en gedurende eenige volgende dagen, door een zijner klerken schriftelijk berigt van zijnen toestand aan Pieter de Graeff te doen geven, die, kort na het plaats gehad hebbend ongeval, de beide zonen van de Witt bij zich te Amsterdam deed komen, en hen, weinige dagen voor den aan hunnen vader gepleegden moord, zelve naar 's Gravenhage heeft teruggebragt. Na dien moord was hij met anderen belast met de voogdij over de vijf kinderen, door den Raadpensionaris nagelaten.

De Graeff overleed den 8sten Junij 1707. Bij gelegenheid van zijn huwelijk had de dichter Gerard Brandt hem toegevoegd:

 
‘Opregte Telg van uw alouden stam,
 
Die eeuwen bloeide aan Y- en Amstelstroomen,
 
Tot eer en nut van 't magtig' Amsterdam;
 
Hoe schets ik hen, van wien gij zijt gekomen!
 
Dit veld is veel te groot voor mijn papier,
[p. 351]
 
Mijn stijl te laag om hunnen roem te melden.
 
Hun deugd verdiende een eeuwigen laurier;
 
Hun naam alléén kan hunne glorie spelden’.

Zie Kok, Vaderl. Woordenb.; Koning, Het huis te Ilpendam, bl. 8, 31-34, 45, 47, 71, 74.