Biographisch woordenboek der Nederlanden. Deel 8. Tweede stuk


auteur: A.J. van der Aa


bron: A.J. van der Aa, Biographisch woordenboek der Nederlanden. Deel 8. Tweede stuk. J.J. van Brederode, Haarlem 1867


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 

[Steven Hoogendijk]

HOOGENDIJK (Steven) overleden te Rotterdam, op den 3 Julij 1788 in den ouderdom van 91 jaren, was aldaar uurwerkmaker en een regt wetenschappelijk en vaderlandlievend man. Reeds bejaard rigtte de nederige en nuttige burger, die in den beginne onbekend verkoos te blijven, op eigen kosten te Rotterdam, ten jare 1769, een genootschap op, onder den naam van Bataafsch Genootschap der proefondervindelijke Wijsbegeerte te Rotterdam en onder de zinspreuk: Certos feret experientia fructus. Bestuurders daarvan waren dr. Salomon de Monchy en dr. Leonard Patyn, beiden hoogleeraren in de geneeskunde, dr. Lambert Bicker en Cornelis Nozeman, remonstrantsche predikanten en Martinus Schouten, heel- en vroedmeester. Deze wendden zich tot de staten van Holland met een verzoekschrift, waarbij zij kennis gaven van de oprigting des genootschaps, alsmede van den aard der werkzaamheden en van het doel dat zij zich voorstelden. Voor de goede beantwoording der op te geven prijsvragen zouden de schrijvers dier stukken gouden of zilveren penningen, met hunne namen daarin gesneden, ontvangen. De vroedschap te Rotterdam en prins Willem V hadden aan het genootschap reeds hunne bescherming toegezegd, doch de staten van Holland maakten zwarigheid om hunne toestemming tot de in werking brenging van het genootschap te geven. Ten gevolge toch van den meer bekrompen geest, ook in het vak der wetenschappen, die toen nog heerschte, kwam de maatschappij der wetenschappen te Haarlem, van het verzoekschrift des genootschaps kennis bekomen hebbende, daartegen op,

[p. 1124]

meenende dat uit het te verleenen octrooi hoogst nadeelige gevolgen voor haarzelve zouden ontspruiten. Zij ontwikkelde hare bezwaren in een breedvoerig adres, bij de staten van Holland en West-Friesland ingediend. Het hoofdbezwaar was, dat in het enkele gewest Holland, twee gelijksoortige genootschappen zouden bestaan, in strijd met de brieven van octrooi, haar door de staten vroeger, en wel bepaaldelijk den 30 Julij 1761 als Hollandsche maatschappij der wetenschappen verleend. Dit adres werd met breedvoerige aanmerkingen door de directeuren van het Bataafsch genootschap wederlegd, die dan ook de voldoening smaakten dat het verlangde octrooi hun bij resolutie der staten den 5 Julij 1770 verleend werd, waarop aldra het programma, van eenige prijsvragen vergezeld, in 't licht kwam.

Hoogendijk had de voldoening van het door zijne opofferingen en toedoen tot stand gebragte genootschap te zien bloeijen en de uitgave van eenige deelen van deszelfs werken te beleven. Het eerste deel verscheen in 1774 en van dien tijd af tot in 1794 zagen 12 deelen in 4o. het licht. De Nieuwe Verhandelingen sedert 1800 tot op heden in 8o. verschenen tellen 12 deelen. Van het plan en de grondwetten des genootschaps zijn twee uitgaven, die van 1771 en 1843. Men vindt van hem eene Beschrijving en afbeelding van een nieuwen pyrometer of vuurmeter in de aangek. werken 1774, D. 1, bl. 211.

 

Zie Algem. Konst- en Letterb., D. I. bl. 13; Vervolg op Wagenaar, Vad. Hist., D XXIV. bl 170; Vergelijk D. IX. der Verhandelingen van het Bataafsch Genootschap; Ned. Merc., D. XXIX. bl. 78-80; Ned. Jaarb. 1770, bl. 1001-1042, 1302; verder de schrijvers aangehaald in het Vervolg op het Penningwerk van van Loon, St. VI. bl. 41, 42; W. Steven, Hist. of the Scott. Church.