Biographisch woordenboek der Nederlanden. Deel 9


auteur: A.J. van der Aa


bron: A.J. van der Aa, Biographisch woordenboek der Nederlanden. Deel 9. J.J. van Brederode, Haarlem 1867


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 

[Rienk Jelgerhuis]

JELGERHUIS (Rienk) werd den 13den April 1729 bij Leeuwarden geboren, en overleed te Amsterdam, waar hij op het laatst van zijn leven verblijf hield, den 17den April 1806. Levensbijzonderheden zijn er niet vele van hem te melden. Onbekend is het ook waar hij als kunstenaar zijne opleiding kreeg. De gaaf bezittende een welgelijkend portret in zeer korten tijd te maken, had hij daarmede veel te doen, doch was genoodzaakt om gedurende een groot gedeelte zijns levens, van de eene plaats naar de andere te reizen, ter uitoefening van deze zijne kunst. Hij teekende zijne portretten met craijon, hetwelk in dien tijd veel in praktijk was. Dit deed hij goed en vaardig. Volgens zijne nagelatene aanteekeningen, bedraagt het getal der door hem geportretteerde personen niet minder dan 7763. Bij zooveel arbeid bleef hem nog tijd over om geregeld te spijzigen en eene avondwandeling te maken. Om zijn talrijk gezin te onderhouden, was echter zijne kunst niet voldoende, maar zijn ijver maakte hem op het verkrijgen van nieuwe middelen van bestaan bedacht. Nog te Leeuwarden wonende, rigtte hij aldaar eene fabriek van rood katoenengaren op, die echter, geene aanmoediging vindende, te niet ging. Tijdens zijn verblijf in laatstgenoemde stad beantwoordde hij eene prijsvraag over de verbeteringen omtrent vaten, fornuizen enz. ter heetmaking of koking van vochten in onder-

[p. 135]

scheidene trafijken, die door het Bataafsch genootschap te Rotterdam was uitgeschreven. Zijne verhandeling werd met goud bekroond en in het 2de deel der werken van genoemd genootschap opgenomen.

Bijzonder legde zich Jelgerhuis ook op de wis- en doorzigtkunde toe, en was daarin zeer ervaren. Toen C. Philips zijn werk getiteld: Uitvoerig onderwijs in de Perspectiva (Amst. 1765) had uitgegeven, gaf hij daartegen een stukje uit, getiteld: Aanmerkingen op de Perspectiva van Caspar Philips Jz. (Leeuw. 1769. 4o.). Groote genegenheid had Jelgerhuis ook voor de graveer- en etskunst. In 1765 etste hij reeds twaalf onderscheiden Wintertooneelen, voor den tweeden druk (in de Honigbije) van Alvaarsma's dichtstuk, de Winter getiteld. Er bestaan verscheidene portretten door hem gegraveerd. Hij schilderde ook met olieverw, en er zijn stukken van hem voorhanden, die niet onverdienstelijk zijn. Ongemeen natuurlijk kon hij onderscheidene voorwerpen, als violen en andere muzijkinstrumenten, schilderen, zoodat zij uitgesneden en aan den wand gehangen zijnde, op eene zeer bedriegelijke wijze de wezenlijkheid voorstelden. Zag hij soms in eene herberg, alwaar hij, reizende, zijn verblijf hield, eenen ledigen spijker in den witten muur, dan teekende hij met craijon dikwijls een sleutel of eenig ander voorwerp, dat men dikwijls noodig had, daaraan, en lachtte, wanneer men, door zijne kunst misleid, hetzelve er van wilde afnemen.

Jelgerhuis was een man van veel talent en bezat vele kundigheden en groote belezenheid. Bij voorkeur las hij in wijsgeerige werken, en wanneer hem daartoe de tijd ontbrak, dan wist hij dien te vinden, door, zelfs in den winter, eenige uren vroeger dan anderen op te staan. In het laatst van zijn leven een bril behoevende, vond hij een dubbelde bril uit, door welks bovenglazen hij het model zag en door de ondersten zijn werk wanneer hij portretteerde. Zijne afbeelding, hem vertoonende met dien bril, schilderde en graveerde hij zelf. De dichter A. Jeltema maakte daarop het volgende bijschrift:

 
Hier ziet gij 't beeld, maar geenszins 't spits vernuft
 
Van Jelgerhuis, die onvermoeid, bij trappen,
 
Beklimt een reeks van nutte wetenschappen,
 
En nimmer wordt door zwarigheên verbluft;
 
Die 't ijvervuur zoo vaak in anderen verdooven,
 
Maar streeft die langs den weg van taai geduld te boven.

Jelgerhuis muntte uit door een braaf leven. De namen zijner beide vrouwen zijn ons niet bekend. Zijn zoon volgt.

 

Zie Algem. Konst- en Letterb. 1806, D. I. bl. 355-359; van Eynden en van der Willigen, Geschied. der vaderl.

[p. 136]

schilderk, D. II. bl. 204-210, Aanhangs., bl. 179; Immerzeel, Lev. en Werk. der Kunstsch.; Eekhoff, het leven van Eise Eisinga, bl. 5; Kramm, Lev. en Werk. der Kunstsch.