Biographisch woordenboek der Nederlanden. Deel 10


auteur: A.J. van der Aa


bron: A.J. van der Aa, Biographisch woordenboek der Nederlanden. Deel 10. J.J. van Brederode, Haarlem 1862


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 

[David van der Kellen]

KELLEN (David van der) werd den 22sten September 1764 te Velzen bij Haarlem geboren, en, daar hij zijne ouders vroeg verloor, in het Luthersche Weeshuis te Haarlem opgevoed. Het goudsmeden tot zijn beroep gekozen hebbende, oefende hij zich tevens in de teekenkunst, en beproefde daarna met goed gevolg zich ook de graveerkunst eigen te maken. Zich te Amsterdam met der woon gevestigd hebbende, geraakte hij in kennis met den vermaarden medailleur Holtzhey, die, zijnen aanleg voor de stempelkunst bespeurende, hem in zijne werkplaats nam en tot het vervaardigen van eenige penningen gebruikte, zooals onder anderen de kleine prijs-medaille der Nederlandsche huishoudelijke maatschappij, en die op het 50jarig bestaan der Renswoudsche stichting.

Onder de regering van koning Lodewijk tot stempelsnijder aan de Munt te Utrecht benoemd, mogt hij die betrekking slechts kort vervullen, daar bij de inlijving van ons land bij Frankrijk de muntstempels uit Parijs werden gezonden en zijne betrekking alzoo opgeheven werd. Kort na de omwenteling van 1813 werd hij echter in zijne vorige betrekking hersteld,

[p. 93]

welke hij met veel lof tot aan zijnen dood vervulde. Hij overleed den 16den December 1825.

Toen koning Willem I in 1814, toen nog als souvereinvorst, de munt te Utrecht bezocht, had van der Kellen eene kleine medaille gegraveerd, welke in het bijzijn van den vorst geschroefd en hem aangeboden werd. In 1816 vervaardigde hij den stempel voor den in dat jaar geslagen Nederlandschen rijksdaalder.

Van der Kellen liet een zoon na, mede David geheeten, die met roem het vak zijns vaders beoefent en wiens zoon weder, insgelijks David genaamd, waardiglijk de voetstappen drukt van zijnen vader en grootvader.

Zie Algem. Konst- en Letterb. 1826 D. I. bl. 19; Aanh. op het Woordenb. van Nieuwenhuis; Immerzeel, Lev. en Werk. der Kunstsch.; Kramm, Lev en Werk. der Kunstsch.