Biographisch woordenboek der Nederlanden. Deel 12. Tweede stuk


auteur: A.J. van der Aa


bron: A.J. van der Aa, Biographisch woordenboek der Nederlanden. Deel 12. Tweede stuk. J.J. van Brederode, Haarlem 1869


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 

[Petrus van Musschenbroek]

MUSSCHENBROEK (Petrus van), broeder van den vorigen, werd den 14 Maart 1692 te Leyden geboren, bezocht de gehoorzalen van Perizonius, Jacobus Gronovius, Albinus de Oude, en Hermannus Boerhaave; verwierf den graad van A.L.M. en med. dr. en bezocht in 1717 Londen, waar hij beroemde mannen leerde kennen en de lessen van Isaack Newton bijwoonde. In 1719 werd hij hoogleeraar in de wijsbegeerte en wiskunde aan de hoogeschool van Duisburg aan den Rijn, in 1721 buitengewoon hoogleeraar in de geneeskunde, welk ambt hij aanvaardde met eene oratio de conjungenda medicina cum philosophicis scientiis. Van daar vertrok hij in 1723, in dezelfde betrekking, naar Utrecht, waar hij den 23 Sept. zijn ambt aanvaardde met eene oratio de certâ methodo Philosophiae experimentalis.

In September 1726 hield hij eene oratio de Astronomiâ, post plane restauratam turrim astronomicam, en den 6 Oct. 1732, toen hij tot hoogleeraar in de astronomie benoemd was,

[p. 1182]

de Astronomiae praestantia et utilitate, quam aliis scientiis affert. In 1740 werd hij tot hoogleeraar in de wiskunde en wijsbegeerte te Leyden benoemd en wijdde hij zijn ambt in met eene oratio de mente humana semet ignorante. Na den dood van 's Gravezande hield hij (1742) bij den aanvang zijner lessen in het Theatrum physicum eene rede de fatis philosophiae naturalis en twee jaren later (1744) sprak hij de sapientia divina.

Musschenbroek was een der uitstekendste natuurkundigen van zijn tijd. Hij deed gewigtige opmerkingen over de magneetkracht. Onder anderen die, dat de zeilsteen niet alleen al het ijzer, maar ook zijn ontbindingen, en alle ligchamen, die ijzerdeeltjes bevatten, aantrekt. Hij vond een werktuig uit, tot proefnemingen wegens de wrijving der metalen, en stelde een nieuwe inrigting voor tot het doen van weêrkundige waarnemingen. Hij bewees, door eene beslissende proef, dat de zamengedrukte lucht niets van hare veerkracht verliest, deed verscheidene proeven over de gekleurde ringen tusschen zamengeperste platen, over de kleuren, door de mengeling van verschillende vloeistoffen veroorzaakt, en over het vermogen, dat mengelstoffen van onderscheidene kleuren bezitten tot inzuiging van het licht. Hij bewees vervolgens, dat de vuur- of waarmtestof alleen niet genoegzaam was tot verklaring van het oprijzen der dampen. Met Lulofs en Wolff bepaalde hij het eerst de soortelijke zwaarte van het water, en gaf daarbij te kennen, dat men ook op de temperatuur van den dampkring moest letten. Hij vond den atmometer en pyrometer uit, en bezigde reeds de electriciteit tot verklaring van den regen. Dus bereidden hij en 's Gravezande reeds de groote omwenteling, die Priestley en Lavoisier in het einde der achttiende eeuw zouden bewerkstelligen. De scheikunde werd telkens meer in de natuurkunde getrokken, zoo als de gedane ontdekkingen aantoonen, en men begon in te zien, dat de dampkring als eene groote scheikundige werkplaats moest worden beschouwd, in welke de natuur zich gedurig met vereeniging en ontbinding bezig hield.

Musschenbroek, hoewel een hoog verdienstelijk natuurkundige, bezat echter geensins het scherpzinnig oordeel van 's Gravezande. Zijne sterkte bestond meer in het nemen van proeven, en het in 't werk stellen van waarnemingen. Vooral zijne metereologische en magnetische proeven verdienen grooten lof en worden nog heden gebruikt. Zijne proeven over de haarbuisjes zijn merkwaardig, en waren toen ter tijd nieuw. Hij ontdekte eenige fouten in de Trigonometrische meting van Snellius, en herhaalde daarop gedeeltelijk zijne graadmeting; doch dit werk kan wegens zonderlinge naauwkeurigheid niet geroemd worden. In de werktuig- en bouwkunde is de kennis van de kracht en sterkte der materialen van het grootste belang, en vele proeven zijn daaromtrent voorheen in Frankrijk,

[p. 1183]

door Coulomb genomen, en men zette dit onderzoek later, vooral in Engeland, met ijver voort. Aan Musschenbroek komt de eer toe van het eerst hierover naauwkeurig nagedacht te hebben. Ook is hij de uitvinder der handelwijs, om reeksen van waarnemingen, door kromme lijnen, graphisch voor te stellen. Dit middel, door Musschenbroek voor metereologische waarnemingen gedaan, wordt thens op vele anderen toegepast. Humboldt heeft er zich met veel gevolg van bediend. De oratie, in 1730 te Utrecht bij het nederleggen van het rectoraat gedaan, de methodo instutuendi experimenta physica, hoewel oneindig minder dan die van 's Gravezande, de Evidentia, verdient allezins vermelding.

In de schriften van Musschenbroek, begint men reeds een veelvuldiger gebruik van de Analytische methode te vinden. dan bij 's Gravezande plaats had, dit is inderdaad eene opmerking, die wel vermelding verdient.

Musschenbroek heeft de proeven der leden van de Florentijnsche Academie (del Cimento) in 't latijn vertaald, en, met aanteekeningen verrijkt, uitgegeven.

Er bestaan van hem nog eene uitmuntende reeks van waarnemingen in handschrift, welke de hoogleeraar Nieuwenhuis vergeefs heeft gepoogd uit te geven.

Musschenbroek was lid der koninklijke academie te Parijs, Montpellier, Berlijn, Stockholm, Petersburg, Felix meritis, enz. Hij werd door den koning van Denemarken in 1732 beroepen naar Koppenhagen, in 1737 door den koning van Engeland, op een zeer aanzienlijke jaarwedde, in 1740 door den koning van Pruissen en de keizerin van Rusland, en eindelijk in 1753, door de koning van Spanje om slechts vijf jaren te komen ad f 25,000 's jaars, welke aanbiedingen hij steeds van de hand sloeg. Hij overleed den 19 September 1761. J. Houbraken, en naar hem, J.J. Hayd, hebben ons zijn afbeeldsel nagelaten.

Hij gaf in het licht:

Epitome Elementorum Physico-Mathematica ad usus Academicos. Traj. 1726. 8o. 1734. L.B. 1741. 8o. vert. in het Hgd. Augsb. 1765. 8o. tweemaal in het Fransch, ééns door Pierre Massuet Dr. en medicine. (Essai de Physique - avec une Description de nouvelles sortes de machines Pneumatiques et un Recueil d'Experiences par Mr. J.v.M. Traduit du Hollandais. (Natuurkunde en J.v.M. over de luchtpompen. Leyd. 1736, 1739) 2 T. 4o., waarvan een uittreksel in Bibl. rais. 1739. T. XXIII. p. 59 suiv. een tweede overzetting is van Sigaud de la Fond (Cours de Physique Leyde et Paris 1769, 3 vol. 4o. fig.) naar de laatste latijnsche uitgaaf: Introductio ad Philosophiam naturalem. L.B. 1762. 2 vol. 4o. door Lulofs uitgegeven. ‘Le plus vaste recueil de ce que'on connoisoit alors de physique.’

[p. 1184]

Dissertationes Physicae experimentales et geometricae de magnete, laborum capillorium vitriorumque speculorum extractione, magnitudine terrae, cohaerentia corporum firmorum: dissertationes ut et ephimerides metereologicae Ultrajectinae. L.B. 1729. 4o.

Tentamina Experimentorum naturalium in Academia del cimento ex Italico sermone in Latinum conversa, quibus commentarios nova experimenta et orationem addidit P.v.M.L.B. 1731. 4o.

Institutiones physicae. L.B. 1734. 8o. 1734. 8o. 1741. 8o. 1748. 8o. 1762. 8o.

Institutiones Logicae. L.B. 1746. 8o.

De aëris praestantia in humoribus corporis humani. Leidae 1739. 4o. Ook in Hallers Dissert. Anatom. Vol. IV. p. 590, seqq.

Geschrevene en gedrukte stukken over de watermachine des heeren L. Genneté, achter het Pesthuis te Leyden, in 1754 opgerigt, met afkeurende advysen der Professoren P. van Musschenbroek en Allemand, en van den heer A. Edens, daarna uitgebragt, met afbeeld.

Een lijst zijner nagelatene handschriften vindt men p. 180 volgg. der Bibliotheca Musschenbroekiana L.B. 1826, van welke vele door de Acad. Bibl. te Leyden zijn aangekocht. Zie Catalogus Librorum manuscriptorum que in inde ab anno 1741 Bibliothecae Lugduno-Batavae accesserunt. No. 784.

 

Zie Saxe, Onom. Lat. T. VI. p. 269; Anal. p. 679; Drackenborch, Series Proff. no. LXVI et LXXXVIII; Stolle, ad Heumannum p. 773; Par elegiarum ad P.v.M. collegam honoratissimum a... (ms.) J. Lulofs, Oratio, de causis Astronomiae promotae p. 33; Ravii, Oratio paneg. in natalem centiquessimum et quinquesimum, Acad. Traiect. p. 19-21; te Water, Narratio, p. 37-39, 218; Heringa, de Auditorio, p. 145; Siegenbeek, Gesch. d. Leidsche Hoogeschool, D. I. bl. 271, 282, 300; D. II. bl. 194; van Kampen, Bekn. gesch. d. Letter. en Wetens. in Nederl. D. II. bl. 351-361; D. III. bl. 310-312; Vrije Fries, D. VII. bl. 358; Collot d'Escury, Holl. roem, D. VII. bl. 31-67; La vie de Mr. P.v.M. - par son fils J.W. de M. conseillier et Echevin d'Utrecht (176) ms.; Saverien, Vies des Philosophes VI; Condorcet, Eloges; Boerner, Nachr. von Aertzen, T. I. p. 529-541; T. III. p. 742; Nouv. Biogr. gener.; Bibl. rais., T. XXIII. p. 59, suiv.; T. XXIX p. 187, 202; T. XXXII. p. 48; T. XXXIV. p. 100, 101; T. XXXVIII. P. II. p. 110; T. XLI. p. 443; T. XLV. p. 147; Biogr. moderne; Petite Biogr. Convent.; Biogr. Univ.; Biogr. histor.; Rotermund; Conv. Lex.; Bauer; Acta erud. T. X. p. 770; T. XIII. p. 609; T. XV. p. 2; Nova acta erud. 1748, Aug. p. 469-471; Julio, p. 412, 413; 1742, Sept. P I. p. 515-518; Cat. Bibl. Bunav. T. I. Vol. II. p. 1461; A. Haller, Bibl. Anatomica, T. II. L. VIII. no. 846, p. 100, 101; Cat. Gevers, p. 38; Cat. Krijghton, p. 118, 119; Nieuwenbuis; Kobus en de Rivecourt; Verwoert, Woordenb. d. Zamenl.; Muller, Cat. v. portr.; Navors. D. VII. bl. 95, 252; D. IX. bl. 331; D. X. bl. 56 Boekz. d. Gel. Wer. 1721 a. bl. 112; Naaml. v.d. Proff. van Utrecht, bl. 84; Bibl. Bremens Cl. VII. p. 117; Schotel, Kerk. Dordr. D. II. bl. 299, 355.