Biographisch woordenboek der Nederlanden. Deel 19


auteur: A.J. van der Aa


bron: A.J. van der Aa, Biographisch woordenboek der Nederlanden. Deel 19. J.J. van Brederode, Haarlem 1876


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 

[Pieter Verhoek]

VERHOEK (Pieter), den 4den September 1633 te Bodegraven geboren, leerde de teeken- en schilderkunst bij Jac. van der Ulft te Gorkum. Na zich eenigen tijd op het glasschilderen te hebben toegelegd ried men hem naar Amsterdam te gaan, wijl die kunst in verval geraakte. Hier kwam hij onder de leiding van A. Hondius, die hem tot een bekwaam beestenschilder vormde. In Italië bestuurdeerde hij de stukken van Borgogne en andere meesters, en vervaardigde hij ruitergevechten en schermutselingen, die te Rome en Napels veel ophef maakte, als ook landschappen in de smaak van Collot, behagelijk van stijl en gestoffeerd met kleine figuren. Te Amsterdam waar hij zich neerzette en veel geld met marmer schilderen won, was hij lid van het dichtgenootschap Nil volentibus arduum en ging vriendschappelijk met Antonides, Zoet, Vondel en de meeste dichters van zijn tijd om. De laatste velde in hoogen ouderdom een gunstig vonnis over zijn Triomferende zeevlagh der Batavieren, ‘aen den klaeuw (zeide hij) kent men den leeuw en van dien man is iets groots te verwachten.’

Hij berijmde een groot gedeelte van het treurspel Agrippa, of de gewaande Tiberinus, door het genoemd genootschap uitgegeven; doch zijn voornaamste arbeid was, zijn oorspronkelijk treurspel Karel de Stoute, waartoe hij de stof aan Pontus Heuterus ontleende. Het werd in 1689 voor het eerst op den Amsterdamschen schouwburg vertoond en is na zijn dood een eeuw lang op het tooneel gebleven, doch toen is het in onverdiende vergetelheid geraakt, tot dat Westerman in 1818 dezelfde stoffe in een treurspel bearbeidde. Deskundigen stelden Verhoeks' bewerking verre boven die van Westerman. De gezamenlijke poezy van Pieter

[p. 171]

Verhoek is in 1726 te Amsterdam in het licht gegeven. Hij was reeds den 29sten September 1702 overleden.

Arrenberg vermeld nog van hem een stukje Over de schilderkunst. Rott. 1733. 8o.

 

Zie Honbraken, Schouwb. D. III, bl. 116, 188; J. Wagenaar, Amsterd. Fol. III, St. bl. 250; Kok, V. W: De tooneelkijker, D. III bl. 360. Witsen Geysbeek, B.A.C. Wb. D. V. bl. 451; De Vries, Gesch. d. Dichtk. D. I. bl. 260; Siegenbeek, Bekn. Gesch. d. Nederl. Letterk. bl. 181. Nieuwenhuis; Kobus en de Rivecourt; Verwoert; Immerzeel Kramm.