|
|
|
| |
[Petrus Wesseling]
WESSELING (Petrus), zoon van Gerardus Wesseling en Anna Reiners (volgens een ander Anna Creter), werd den 7den Januarij 1692 te Steinfurt geboren. Tien jaren oud, verloor hij zijn vader, doch door bijstand van zijn oom Wessel Reiners, koopman te Emden, was zijn moeder in staat hem een goede opvoeding te geven. Hij ontving het eerste onderwijs op de Latijnsche school, vervolgens op het gymnasium Arnoldinum, waar hij de lessen van Augustus Houck, J.F.G. Pagenstecher en Arnoldus Visch, in de oude talen en de godgeleerdheid bijwoonde. In 1712 verdedigde hij eene Disp. theologica de petra in Matthaei euang. XVI:18. In dit zelfde jaar begaf hij zich naar Leiden, waar hij de lessen van Jacobus Gronovius, Jacobus Perizonius, Joannes à Marck, Salomo van Til, Franciscus Fabricius en Johannes Wesselius bijwoonde. Twee jaren later bezocht hij de hoogeschool te Franeker, en de lessen van Campegius Vitringa, Ruardus Andala en Albertus Schultens, onder wiens praesidium hij de tweede disputatio de Originibus linguae Hebraei den 30sten Nov. 1715 verdedigde. In 1718 werd hij proponent en prorector aan het gymnasium te Middelburg, en drie jaren later tot rector te Deventer beroepen en toen hij voor die betrekking bedankt had, benoemden hem de regering van Middelburg tot lector in de Grieksche taal en de geschiedenis. In 1723 werd hij te Franeker als hoogleeraar in de geschiedenis in plaats van Rungius beroepen, en hield in 1724 zijn oratio inaugaralis de origine pontificiae dominationis, door dr. Sepp terecht ‘een flink
historisch betoog’ genoemd. Hij telde Willem Karel Hendrik Friso, de beide Scheltinga's, Willem en Onno van Haren, Joh. Stinstra, Petrus Fontein, Petrus Conradi en Saco Harmen van Idsinga onder zijne leerlingen. In 1734 werd hij, in plaats van Duker, tot hoogleeraar in de welsprekendheid, geschiedenis en Grieksche taal aan de hoogeschool te Utrecht beroepen. Hij sloeg dit beroep af, doch, toen hij in 1735 op nieuw door curatoren dezer hoogeschool werd uitgenoodigd om die betrekking te vervullen op eene wedde van f 1600, gaf hij aan hunne roepstem gehoor en aanvaardde den 13 Junij van dat jaar zijn post met eene oratie pro historiis.
Zes jaren later sloeg hij de uitnoodiging van curatoren der Leidsche hoogeschool om het hoogleeraarambt aan hunne hoogeschool te vervullen af, en bleef te Utrecht, waar hij in 1745, na den dood van Abraham Wieling, ook tot het onderwijs van het jus publicum Romano-Germanicum geroepen
| | | | werd. Na den dood van Drakenborch kreeg hij het opzicht over de akademische bibliotheek. Terecht wordt Wesseling voor een der uitstekendste philologen en critici van zijn tijd gehouden, en verdient ten volle den lof hem door Saxe, Bonnet, M. Tydeman, van Goens, en nog onlangs door Boot gegeven. Vele voortreffelijke werken heeft hij geschreven en geommentarieerd, en van vele geleerde genootschappen was hij lid. Hij overleed den 9den November 1764, bij zijne huisvrouw Anna Apollonia, dochter van den hoogleeraar Hermannus Bonnet, twee dochters, Cornelia Elizabeth en Anna Apollonia (zijn zoon was reeds vroeger gestorven) nalatende.
Hij gaf, behalve de beide vermelde oratien, in het licht:
Oratio habita a.d. IV Non. Mai 1726 ad seren. principem Wilhelmum Carolum, Henricum Frisonem cum studiorum causa Leovardia Franequeram migrasset. Franeq. 1726. fol.
Observationum variarum libri duo. Amstel. apud Wetstenios et W. Smith 1727. 8o. (Editio quae fertur Trajectina a 1740 praeter titulum nihil novi habet. Sed iterum elogium scriptoris praemisit suasque adnott. adiecit C.H. Frotscher Lipsiae 1852).
Ed. Simsonii chronicon historiam catholicam complectens ex recensione et cum animado. P.W. Lugd. Bat. 1729. Amst. 1752. fol.
Probabilium liber singularis, in quo praeter alia, insunt vindiciae verborum Johannis, et Deus erat verbum. Franeq. 1731. 8o.
(Nonnulla exempla habent fictam subscriptionem Ultraj. ex officina H. Besseling 1701.)
Oratio funebris in memoriam Sicconis a Goslinga Kal. Nov. a 1751 dicta. Franeq. 1732. fol.
Wilhelmus Car. Henr. Friso Sponsus. Carmen recitatum et editum. Franeq. a 1734 fol. (Ook in Laurent. Santenii Delic. poët. VI. p. 135-136.)
Epistola C. Junii Panophili ad Gratianum de Sancto Bavone in Misc. Observat. a Burmanno et d'Orvillio editis. Vol. IV. p. 125-131.
De Carolino diplomate, quo Hollandiae Comitatus Theodorico I perhibetur datus. Ald. Vol. IV. p. 265-270. 1734.
Vetera Romanorum itineraria, sive Anton. Aug. itinerarium, itinerarium Hierosolymitanum et Hieroclus Synecdemus, Curante. P.W.
Disputatio de Heraclito αὔη ψνχη σοϕωτατη ϰαὶ ἀρίστη in Misc. Obs. Vol. V. T. III. p. 42-48. 1735.
De Colonia Cabe. Ald. p. 76-78. 1735.
Diatribe de Judaeorum archontibus ad inscriptionem Berenicensem et dissertatio de evangeliis iussu Imp. Anastasii non emendatis in Victorem Tunnunensem. Traj. 1758.
| | | |
Sam. Petiti leges Atticae cum animadvers. et praefat. P. Wesselingii in Jurisprudentiae Rom. et Att. Tomo III. L.B. 1741. fol.
Diodori Siculi Bibliotheca historica, Amstel. 1745 duobus tomis in fol.
Sacrarum Observationum specimen in Symbolis literariis Bremae editis. Tom. III. P. II. p. 301-334. (1747).
Oratio in natalem Wilhelmi comitis Burani. Trai. 1748. fol.
Episiola ad v. cl. Venemam de Aquilae in scriptis Philonis Judaei fragmentis et Platonis epistola. XIII cet. Traj. 1748. 8o.
Epistola critica de Dione Cassio ad H.S. Reimarum scripta a 1751 in Vol. II. Dionis p. 1500 seq.
Oratio in obitum seren. principis Wilhelmi C.H. Frisonis. Trai. 1752. fol.
De Veterum medicis oculariis observatio prima in Vol. III. Actarum Societ. Lat. Jenensis. p. 48-55. (1753).
Dissertatio Herodotea ad Tib. Hemsterhusium. Trai. 1758. 8o.
Oratio in obitum celsiss. principis Annae, faeder. Belg. gubernatricis. Traj. 1759. fol.
Herodoti Histor. libri IX. Editionem curavit et suas itemque L.C. Valckenaerii notas adi. P.W. Amst. 1763. fol.
Lectio publica de Aristobulo Judaeo, edita a Jo. Luzacio post L.C.V. diatribende Aristobulo p. 129-136. L.B. 1800.
Ook gaf hij in het licht:
Jo Caroli de rebus Casparis a Robles Billaei in Frisia gestis commentariorum libri IV. Leov. ap. Tobiam van Dessel 1751. Sommige exemplaren hebben verkeerdelijk een anderen uitgever en het jaar 1750 op den titel.
Hij schreef ook Praefationes voor de uitgaaf der Epistolae Ern. Martinii Hispani. Amst. 1758, en voor Tom III. Thesauri Morelliani. Amst. 1752.
Onzeker is het of zijne Oratio de vitiis et defectibus historiae ecclesiasticae in 1735 te Franeker en de statu religionis et reipublicae sub Constantino Magno in 1737, de vera ciortatis felicitate in 1746 en de viro bono cive bono, in 1749 te Utrecht gehouden, gedrukt zijn. Mahne gaf 16 brieven van hem aan Ruhnkenius in het licht: D. Ruhnk. epist. ad diversos, p. 101-133. Boot voegde achter zijn in 1874 te Utrecht uitgegeven werk: de vita et scriptis Petri Wesselingii nog een Epistola T. Hensterhusii aan hem.
Zie Vriemoot, Ath. Fris., p. 791 seqq.; Heringa, de auditorio, p. 97; Seb. Rau, Orat. Panegyr. Trai. a 1786, habita; Klotzii Elog. Wessel; Saxe, Onom., P. II. p. 419 seqq., Anal., p. 730; A. Drakenborch, Series Profers, no. LXXII; G. Stolle, ad Heumannum, p. 502; G. Boot, de vita et scriptis P.W.; Ruhnkenii Epist. ad Heynium in Misc. crit. Friedemanni et sec soldi, Vol. II. P. I. p. 11 en in Epist. ad diversos, uitg. v. Mahue, p. 1; Vita Ruhnk., pag. 247; Reitz, Gymn. Mediob., pag. 18, 82; Verschuer, Elog. H. Venemae, p. 7; Elog. Hemsterhusii,
| | | | p. 60; Hemsterhusii adn. ad Plutum, p. 354; Mahne, de vita Wyttenb., p. 36; Offerhaus, laud. fun. W.C.H. Frisonis, p. 15, 22; de Wal, de Claris Frisiae Jctis, p. 450; F. Hemsterhusii Orat. in obit. G. Arnaldi in Hemst. et Valck. oratt., L.B. 1784, p. 168; Valckenaer, animadv. ad Ammonium p. 12, 171, adnot. ad Eurip. Phoen., p. 216; Heynii Opusc. Acad., Vol. III. p. 56; H. Bolt, silva poetica, 1766, p. 34 sq.; Jablonskii Exercit. de mente trag. imperat. Anastasii, Francof. ad Viadr, 1744; Richteri Spec. animadv. de scriptoribus iuris Attici ad Fabricii Bib. Gr. Lipsiae, 1790; Lennepii Athen. Amst. memorab., p. 249; Santenii Del. Poet., VI. p. 133 seq.; J.C. Strodtmannus in Nova erud. Europa, Part. IV. p. 881-909; Ferd. Stoschius, ibid. Part. IX. p. 99, 100, Part. XX. p. 1051-1056, Acta Societ. Jenens. Vol. II. p. 289; S.M. Kemper, Redev. o.O.Z.v. Haren, p. 1; Baur, Hwb., Fr. C.G. Hersching, hist. liter. Handb. berühmter Personen welche in dem achtzehnten Jahrh. gelebt haben. Fortges. von J.H.M. Ernesti, Vol. XVI. P. I. (Leipzig 1813) p. 268-279, Das neue gel. Europa, IV. S. 881, X. S. 422, XI. S. 615; XV. Conv. Lexic., Biogr. de Michaud, Vol. L. p. 395-400;
Bibl. anc. et moderne, T. XXVIII. p. 228, SS. p. 299 SS.; Bibl. rais. des Ouvr. des Sav. de l'Europe; Bibl. des sciences 1764; van Kampen, bekn. gesch. d. lett. en wetens., D. II. bl. 255 volgg.; Het Charakter van den H. Gel. heer P.W. in Vad. Letteroef., 1765, D. V. bl. 73, 353 volgg.; Bouman, Gesch. d. Geld. Hooges., D. II. bl. 71; 305, 307; de Crane, Bijz. de familie Hemst. betreffende, bl. 127 volgg.; Siamboek v.d. Frieschen adel, bl. 321; Ekker, de Hieron. school te Utrecht. D. II. bl. 13; Nauta, Lijkr. op O.Z. van Haren, bl. 12; Halbertsma, Het geslacht der van Harens, bl. 75; Tydeman, Hareniana, bl. 12; Sepp, Stinstra en zijn tijd, D. I. bl. 17, 26; De vrije Fries, D. III. bl. 277; Eekhoff, Bibl. v. Leeuw., bl. 259; Nieuwenhuis, Woordeb. der zamenl.; Verwoert; Kobus en de Rivecourt; Muller, Cat. v. portr.
|
|
|