Biographisch woordenboek der Nederlanden. Bijvoegsel


auteur: A.J. van der Aa


bron: A.J. van der Aa, Biographisch woordenboek der Nederlanden. Bijvoegsel. J.J. van Brederode, Haarlem 1878


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 

[Ottho Gerhard Heldring]

HELDRING (Ottho Gerhard), zoon van den Zevenaerschen predikant O.G. Heldring, was den 17den Mei 1804 geboren, studeerde in de godgeleerdheid aan de Hoogeschool te Utrecht gedurende de jaren 1820-1826, werd in 1824 predikant bij de Hervormde gemeente te Hemmen (Gelderland) en huwde in 1831 met Anna Elisabeth Derffer-Wiel.

Hemmen, Heldrings eenigste standplaats telde nauwelijks 150 zielen en hierdoor vond de arbeidszame geest van den predikant ruimschoots gelegenheid om in ruimer kring werkzaam te zijn. Reeds van den aanvang af toonde hij groote belangstelling in allerlei arbeid van philantropischen aard. Gesteund door Baron F.G. van Lijnden, Heer der gemeente Hemmen, gelukte het Heldring den dagloonerstand in zijn omgeving door vrijen arbeid tot tabaksplanters en tot den kleinen boerenstand te verheffen. In 1840 vond hij op een wandeling over de Veluwe het gehucht Hoenderloo in een treurigen toestand. Zijn eerste werk bestond in de delving van een put om de arme inwoners van drinkwater te voorzien; vervolgens stichtte hij er een school en onderwijzerswoning en eindelijk werd het door den bouw eener kerk en pastorie tot een bloeiend dorp. In 1846 en 1847 werden eenige dorpen in de Tieler- en Bommelerwaard, die ten gevolge van de allereerste ziekte in de aardappelen in grooten hongersnood verkeerden, door Heldring met gelden geholpen, die hem door vrienden tot dat doel waren geschonken. Later trachtte hij een aantal der inwoners dezer overbevolkte landstreek naar de drooggemaakte Anna Paulowna Polder te koloniseeren.

Inmiddels wijdde zich Heldring meer bepaald aan den arbeid der ‘inwendige zending’, waarvan hij in ons vaderland de waardige vertegenwoordiger is geweest. Dronken-

[p. 283]

schap en prostitutie bestrijdende kwam hij op de gedachte het asyl Steenbeek voor geprostitueerden te openen (1848).

In 1860 bouwde hij het opvoedinggesticht Talitha Kumi om aan verwaarloosde meisjes een christelijke opvoeding te geven. Daarna richtte hij in 1862 het gesticht Bethel op, een toevluchtsoord voor meisjes van 18-20 jaar, die uit de gevangenis waren ontslagen. Eindelijk werd in 1864 de christelijke Normaalschool ter opleiding van onderwijzeressen geopend. Al deze inrichtingen bevinden zich in het dorp Setten. Heldring zette de kroon op zijn werk door den bouw eener kerk op een vluchtheuvel, die voor godsdienstoefeningen in geval van watersnood als toevluchtsoord voor overstroomden konde dienen. Hij had toen na 40jarigen dienst zijn betrekking als predikant te Hemmen neêrgelegd en woonde sedert 1867 ‘in het midden van zijn volk’, in een te midden der gestichten gebouwde directeurswoning, om zich geheel aan de leiding der inrichtingen te kunnen toewijden,

Heldring arbeidde ook met warme belangstelling voor de zending onder de heidenen, maar vooral komt hem op het gebied der inwendige zending, de welverdiende hulde toe, dat hij nieuwe wegen heeft geopend; hij vond daarin, volhardende in de kracht des geloofs, een rijk gezegend arbeidsveld dat tot aan zijn dood zijn levenstaak bleef. Hij overleed den 11den Juli 1876 te Marienbad, in Boheme, in den ouderdom van 72 jaren en werd begraven aan den voet van den vluchtheuvel dien hij deed opwerpen en in de nabijheid van het Godshuis dat hij deed bouwen. Zijn nagedachtenis zal bij vele geredden in dankbare herinnering bewaard blijven.

Meerdere bijzonderheden omtrent zijn leven vindt men vermeld in Dr, N. Beets, levenschets van O.G. Heldring voor de Maatschappij van letterkunde, en in een autobiographie uittegeven door L. Heldring 1878.

Hij schreef:

De Natuur en de Mensch of leevnsbeschouwingen van pach ter Gerhard op zijne wandelingen met neef Jonas. Amst. 1834. 8 stukken.

Winteravondlektuur van pachter Gerhard. Amst. 1835-1836. 2 stukken.

Wandelingen ter opsporing van Bataafsche en Romeinsche Oudheden, legenden, enz. 2 stukken. Amst. 1838-1840.

De nimmer rustende Israeliet tot rust gekomen; Eene Christelijke legende. Amct. 1839.

De Zoon der Natuur en de Man naar de Wereld. 2 dln. 1831.

Hoe Simon Bar Jona aan de hand van Jezus, Petrus genaderd is. 3de Afd. Leiden 1842.

[p. 284]

De Bijbel en de Mensch, 1ste dl. en 2de, 1ste st. Amst. 1842-1844.

Binnen- en Buitenlandsche Kolonisatie in betrekking tot de Armoede. Amst. 1846.

Opmerkingen op een reis langs den Rijn. Met pl. Amst. 1847.

Reis naar Hamburg en Berlijn of eenige dagen toegewijd aan het gebied der innere Misseon, 2 stukken. Amst. 1850.

Hij was redacteur van de Magdalena, Evang. Jaarb., van Bethel, Christ. Stad- en Dorps-Alm. Rott. 1864-1874 van de Vereeniging, Christel. Stemmen. Amst. 1850 en van het Settensch Dorpskronykske. Setten 1868.

Met Lublink Wedding gaf hij uit Waarheid en gevoel in 't leven. Amst. 1337 en met C.F.E. Robidé van der Aa, de Volksbode. Amst. 1839-1847.

Voorts heeft men van hem vertaling aanprijzende voorbericht, klaargeschriften enz.

 

Part. berigt.