Biographisch woordenboek der Nederlanden. Bijvoegsel


auteur: A.J. van der Aa


bron: A.J. van der Aa, Biographisch woordenboek der Nederlanden. Bijvoegsel. J.J. van Brederode, Haarlem 1878


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 

[Theodorus Willem Johannes Juynboll]

JUYNBOLL (Theodorus Willem Johannes) werd den 6 April 1802 te Rotterdam geboren, en in 1821 als student in de letteren en godgeleerdheid te Leiden ingeschreven. Hier toonde hij reeds wat de wetenschap van hem te verwacbten had, door zijn antwoord op de prijsvraag door de Leidsche hoogeschool voorgeschreven: exponantue caussae, quibus effectum sit, ut regnum Judae diutius persisteret quam regnum Israel. In 1828 werd hij tot doctor in de godgeleerdheid bevorderd, na verdediging eener Dissertatio de Amoso, vervolgens tot predikant te Voorhout benoemd, bleef hij zijn vrijen tijd aan de Oostersche letteren wijden. Reeds in 1831 werd hij tot hoogleeraar in die letterkunde aan het Athenaeum te Franeker benoemd, welke betrekking hij aanvaardde met eene oratie de hodierna studii linguarum orientalium conditione (Annal. Acad. Gron. 1830-31). Bij het nederleggen van het rectoraat huldigde hij de nagedachtenis van zijn geliefden leermeester in de Oratio de H.A. Hamakero, studii literarum Orientalium in patria nostra vindice praeclaro (Anal. Acad. Gron. 1835-1836). Nog had hij Franeker niet verlaten, toen hij in vereeniging met de Hoogleeraren Roorda en Weyers het 1ste deel der Orientalia het licht deed zien (Amst. 1850), waarin van zijne hand was opgenomen eene Commantatio de Carmine Motanabbir, in Europa nondum edita. In het 2de deel dezer Verzameling (1846) gaf hij Commentatio de versione (Pentateuchi) Arabico-samaritano et de scholüs, quae Codd. Parisiensibus No. 2 et 4 ad scripta sunt. Toen in 1841 door zijne benoeming tot Hoogleeraar te Groningen een ruimer werkkring voor hem geopend

[p. 315]

werd, ontleende hij aan hetzelfde onderwerp de stof zijner inaugureele rede, de gente Sammaritano, waarvan de hoofdinhoud later werd opgegeven in de Commentarii in historiam gentis Samaritanae L.B. 1840, welhaast gevolgd door de uitgave van het Chronicum Samaritanum Arabice conscriptum cui titulus est Liber Josuae (ibid. 1848).

Na den dood van den Hoogleeraar Wyers werd Juynboll in zijn plaats beroepen. Hij aanvaardde die betrekking den 21 Julij 1845 met eene redevoering de praecipuis progressibus, quos literae Semiticae hoc ipso decennio fecerunt. Van nu af zag hij zich belast met het onderwijs in de Hebreewsche spraakkunst en in de Semitische talen, terwijl tevens de Oostersche handschriften in de bibliotheek der hoogeschool te Leiden aan zijn zorg waren opgedragen. Van die schatten gaf hij een overzigt in zijne rectorale rede, in 1854 uitgesproken: de Codicum Orientalium, quae in Academia Lugduno-Batava servantur Bibliotheca.

In 1850 begon hij de uitgave van een Arabisch Lexicon Geographicum, getiteld: Mardçid. al-Jttil'a, waaraan hem twee handschriften ter beschikking stonden. De tekst van dit werk was in 1854, toen de achtste aflevering, behoorende tot het 3de deel, verscheen, volledig uitgegeven. In 1859 volgde een vierde deel, waarin (p. I-CVIII) de Introductio en (p. 1-588) de Annotatio op de eerste aflevering voorkomen. De druk van het vijfde deel was reeds zeer ver gevorderd, toen de dood hem, 16 September 1861, verrastte.

Behalve de gemelde schriften gaf hij nog:

Letterkundige Bijdragen. Leiden 1838 in 3 stukken.

Sermo de Henrieo Engelino Wyers. Gron. 1844.

In vereeniging met Dr. B.F. Martes de uitgave der Annalen van Abu'l-Mahusin ibri Tagri Bardi, waarvan de beide eerste deelen van 1852 tot 1861 in het licht kwamen.

 

Zie Annal. Acad. Z.B. 1862; Gron. Gedenkboek; Jaarboek Kon. Akaa. 1861, 129; Ned. Spect. 1861, 326; Kunst en Letterb. 1861, 321; Schotel. Gesch. d. Leidsche Bibliotheek.