Appeltere (Joan Christiaan van) legde zich aan de Hoogeschool te Leyden op de Regtsgeleerdheid toe, waar hij onder anderen de vriendschap genoot van den later ook als dichter beroemd geworden Maurits Cornelis van Hall, toen hij, den 8 Januarij 1786, te Gorinchem overleed, ten huize van zijnen vader Adriaan van Appeltere, uit wiens tweede huwelijk, met Willemina Cornelia Brouwer, hij in December 1764 te Gorinchem geboren was. Hoewel slechts een en twintig jaren bereikt hebbende, deed hij zich reeds kennen als een sierlijk dichter, van wien men bij een langer leven de geurigste dichtvruchten had mogen verwachten. Het weinige dat hij het publiek heeft mede gedeeld bestaat in een dertigtal stukjes, te vinden in het Taal-, Dicht- en Letterkundig kabinet van G. Brender à Brandis.
Mogen wij zijne inborst uit zijne dichtvruchten beoordeelen, dan moet zijn jeugdig hart warm voor vaderlandsliefde, deugd en godsvrucht geslagen hebben. Wie toch moet niet den jongeling hoogachten die de volgende Bespiegeling bij een opkomend onweder ontboezemt?
Ook wanneer hij losser toonen aan zijne lier onttokkelde, was zijn dichttrant niet onbevallig, men oordeele uit het stukje, getiteld: Alcmeene en Thyrsis.